Zeilen op het droge

hondsdraf

Hoe gaat dat soms
Je hebt een mening
Tenminste dat denk je
En voor je het weet
Heb je die eruit gefloept
O, wat weet je het zeker
En je verbaast je erover
Dat de ander het niet zo ervaart

Ze zegt
Ik weet dat niet
Wat jij beweert
Ik heb er nooit van mijn leven
Mee te maken gehad
Alles kan altijd
Anders zijn dan je denkt

Even wil ik tegensputteren
Haar de wind
Uit de zeilen nemen
De loef afsteken
Het is toch zo?
Maar dan ga ik overstag
En haal bakzeil
Ze heeft gelijk
Ik geef het haar volmondig toe
Met deze les
Zal ik mijn voordeel doen

We lachen naar elkaar
En wieden verder
Het onkruid staat kniehoog
Dat weten we allebei
Heel zeker

Luchtpost

Lieve Ien,

img090Vijf jaar is het nu geleden dat we afscheid namen van jou. Voorgoed. Een afscheid in stijl. Jouw stijl. Met warme woorden. Met mooie teksten. Woorden en teksten die jou op het lijf geschreven waren. Met koekjes, bonbons, koffie en wijn. Jouw gezelligheid voor de allerlaatste keer. Bij het weggaan mochten alle vrienden een engelenkaartje meenemen. Zoals jij vaak deed aan het eind van de dag: “Even een engelenkaartje trekken.” ‘Helderheid’ stond er op dat van mij. Ik heb het nog steeds. Ik weet wel, dat ik het toen, op die bewuste dag, helemaal niet zo helder zag. Jij zei dan altijd: “Dat laten we maar open.” Van jou kon ik het hebben.

Je deed enorm je best om op de juiste manier te leven. Bewust. Een gebedje, een tekst. Hoewel je ontzettend veel deed, heel actief was, wist je toch altijd een moment van rust te vinden. Contemplatie. Maar ook kon je soms zo maar zeggen: “Laten we even een dansje doen.” Het serieuze en het luchtige. Jij kon dat als geen ander combineren.

En wat hebben we ook gelachen, Ien. Dan vloog er altijd één been van jou in de lucht. Je schaterde het uit. Weet je nog die keer dat we in Amsterdam een stadswandeling zouden maken? In afwachting van de gids dronken we een kopje koffie. Nadat we al een kwartier onderweg waren in de Jordaan, riep jij ineens, dwars door het verhaal van de gids: ”De koffie! We hebben de koffie niet betaald!” Later maakten we het nog goed.

We volgden samen de cursus: Symboliek van het Hebreeuws. Om de veertien dagen een zaterdagochtend naar Utrecht om de interessante verhalen en uitleg te horen van Jan Wuister. We hingen aan zijn lippen. En daarna napraten over ‘het leven’ bij de lekkerste tomatensoep ooit bij café Orloff. Mooie tijden waren dat. Het is alsof we er gisteren nog waren.
Tijdens zo’n zelfde cursus die ik nu volg, in Amsterdam, moet ik vaak aan je denken. Want ik weet zeker dat jij dat ook graag allemaal had willen horen, zien en meemaken. Het had best gekund: je zou in mei pas drieëntachtig geworden zijn. Maar helaas.

Ien, ik doe mijn best om voor twee te luisteren. En het zou nog best eens kunnen dat je stiekem meekijkt. Want dat jij daar boven zit, op een gouden stoel, dat staat als een paal boven water. Dat is nu helemaal helder!

Eenvoudige invuloefening

verwaarloosde tuinHet had te lang geduurd, vond ze. Eerder zag ze nog wel eens de buurman, die zijn witte keffertje uitliet. Een glimp van de buurvrouw die de stofdoek uitklopte. Maar al weken leek het uitgestorven bij de buren. Er klonken geen kribbige, ruziënde stemmen meer. De gebruikelijke etensluchtjes had ze al tijden niet geroken. Het ziekelijke hoestje van de buurvrouw niet gehoord. De auto stond niet meer op de vertrouwde plaats in de straat. De gordijnen bleven dag en nacht gesloten. De voortuin veranderde zo langzamerhand in een wildernis. Nee, ze vertrouwde het totaal niet.

Aanbellen was niet zo’n goed idee, wist ze uit ervaring. Te vaak was zij door de altijd geïrriteerde man geschoffeerd. Ze mochten haar niet zo. Eigenlijk mochten ze niemand uit het knusse jaren tachtig buurtje. Ze waren buitenbeentjes en stelden zich ook zo op. Ze leefden hun eigen leven in hun eigen wereldje. Met niemand iets te maken, wel zo rustig.

Op een mooie maartse middag toen zij met haar breiwerk in de tuin zat, hoorde ze dat de achterdeur bij de buren van het slot werd gedraaid. Uit het gekuch kon ze opmaken dat het de buurman was, die zich in de tuin waagde. Hij scharrelde wat rond in de schuur en veegde het straatje aan. Heel gewone handelingen eigenlijk. Maar het gaf haar een unheimisch gevoel.

De dagen die volgden hield zij scherp in de gaten of ze iets hoorde of zag. Als ze de deur uitging en langs het huis liep, zag ze de gordijnen bewegen: ze werd bekeken. De overburen, dacht ze, misschien hebben die iets gezien. Op haar vraag kreeg ze een ontkennend antwoord, maar men deelde in haar zorgen. Zo langzamerhand begon het rond te zoemen in het buurtje.

Op een ochtend werd een gedeelte van de straat met rood/wit lint afgezet. De politie liep af en aan. Ze begreep dat haar unheimische gevoel terecht was geweest.

Ze wilde niet thuis blijven. Snel pakte ze haar fiets uit de schuur. Toen ze door het steegje reed, moest ze plotseling remmen voor een klein wit hondje. Het wurmde zich grommend tussen de verrotte planken van de schutting door. Haar hart stond bijna stil, toen ze zag wat hij tussen zijn kaken meezeulde.

De foto komt van het internet.
——————————————————————————————————————–

Precies een jaar geleden: Blauw meisje

Hoe rood wil je het hebben?

20140403_134955

Tomatenzaad en wat geduld
De perfecte basis
Voor tomatenplantjes
Na de rijke bloei
Tomaten in overvloed
Geregen aan keurige trossen
Geurig, rijp en rood
Precies die kleur
Waarvan men zegt
Tomaatrood

Uit bietenzaad breken
Tere plantjes in rood en groen
Die onder de grond
In het diepste geheim
Transformeren tot stevige knollen
Rode biet, rode kroot
Bietenrood

Geraniumzaad
In warme, vochtige aarde
Metamorfose tot de ware gedaante
Geranium in spe
Vertederend, ontroerend
Met een volmaakt geschulpt blaadje
Hunkerend naar zijn trofee
De bloem
Geraniumrood

Zo beschrijven wij
Oneindig veel schakeringen
Van kleur

Maar
Neem het woord niet in de mond
Om de essentie te duiden

Hoe kleur aan ons verschijnt
Is niet in woorden te vatten

Het wordt slechts blozend stamelen
Zo rood
Had je het liever niet gehad

Dansen in de polder

img088

Eindelijk was het zover. Het had nogal wat overredingskracht gekost, maar samen met mijn vriendin was ik op weg naar onze allereerste dansles. Het was niet naast de deur. In het dorp op de Hoekse Waard, waar we toen woonden, werd geen dansles gegeven. We fietsten dus een dik half uur naar het volgende dorp. Onderweg haalden we nog een paar vriendinnen op en een aantal jongens. Van de ene boerderij reden we naar de andere. Het was al donker toen we Klaaswaal binnen reden. Het warm verlichte gebouw onder aan de dijk leek ons te verwelkomen. Toch waren we gespannen; hoe zou het gaan? Hoe moeilijk zou het zijn? Zouden we het überhaupt wel leren? We zouden toch wel gevraagd worden? We kenden lang niet iedereen.

De glanzend gewreven vloer leek wel een spiegel. Onze leraar was een aardige, vrolijke, lenige man, die even snel een spagaat maakte, vanzelf weer overeind veerde en de ‘jongelui’ welkom heette. Hij liet er geen gras over groeien en al snel maakten we pasjes op de plaats: de quick-step. Toen in paren. Gelukkig bleef er niemand aan de kant, de muziek startte en ja hoor, we dansten. Nog niet helemaal vlekkeloos, maar aan het eind van de les waren we redelijk in staat de quick-step te dansen en hadden we een beginnetje gemaakt met de Engelse wals. Thuis oefenen, werd ons op het hart gedrukt. Met rode wangen fietsten we dezelfde weg weer terug, terwijl de groep steeds kleiner werd.

Zo gingen de weken voorbij. We vorderden. Ook de Veleta hadden we tenslotte onder de knie. De Weense wals was een heerlijkheid. Het was al winter toen we voor onze laatste les over de onverlichte weggetjes van de polder fietsten. Een kraakheldere sterrennacht. Koud was het. Maar binnen was het warm en goed. Het werd een feestelijke afsluiting. Pennywafels en Exota. We lieten zien wat we hadden geleerd. Het ging goed. De leraar was tevreden. We zouden op fuifjes en klassenfeesten geen gek figuur slaan.

Mooie herinneringen. Terwijl ik moeiteloos terug glijd in die tijd, weet ik nu dat het gaat om een totaalgevoel. Ervaring, gevoel, emotie.

De boerderijen waar we binnenkwamen, waren geheimzinnige burchten voor ons. Hoe ging het er toe? We hadden geen idee. Het rook er vreemd, onbekend. Het klonk er hol. Een rij klompen in de bijkeuken. Vaag hoorden we het geloei van de koeien, hun geschuifel. Een weeïge geur van melk. De boer, maar tegelijk vader, steevast met pet. De boerin, de moeder, aardig, maar kordaat.

Wij droegen onze nette rokken. Schoenen met gladde zolen, een hakje. Nylons, waar je heel voorzichtig mee moest zijn. We hadden gespaard voor ‘parfum’, waarvan we een druppeltje achter het oor hadden gedaan. De jongens droegen broeken met een vouw en tweed colberts. Je voelde de stugge stof, wanneer je je hand op hun schouder legde tijdens het dansen. Hun kleding was doordrongen van de geuren van de boerderij. Zaterdagavond. Het wekelijkse bad achter de rug; je ontwaarde een vage zeepgeur. Hun haar glom van de Brylcream en was strak naar achteren gekamd.
De vloer van de danszaal rook sterk naar boenwas. Als we binnenkwamen was het nog niet behaaglijk; de kachel was nog maar net aangemaakt.

Nu, vijftig jaar later, staat dit alles me weer helder voor de geest. Het gekke is alleen, dat ik dit toen niet zo heb ervaren als nu. We gingen naar dansles, eindelijk, daar ging het om. Maar het is wel degelijk geregistreerd. En het blijkt alweer, dat de geuren het belangrijkste zijn geweest. Geur borgt de herinnering, kennelijk.

Hóé de geest werkt, is me af en toe een raadsel. Maar dát hij werkt is een ding dat zeker is.

Hakken in Artis

20140321_132946

Alles in het leven kent een eerste keer. De eerste ademhaling. Het eerste lachje. Het eerste stapje. Het eerste woord. Alles wat je voor de eerste keer doet, heeft iets magisch.

Dat geldt ook voor de workshop beeldhouwen in Artis, die vriendin MW en ik in de negentiger jaren volgden.
Hoewel we geen van beiden ooit in steen hadden gehakt, leek het ons fantastisch. De zoon van MW en zijn vriendje vonden het hilarisch dat zijn moeder en ik (hun leerkracht in groep acht), zouden gaan hakken. Zij verstonden er iets heel anders onder: een dansstijl uit de gabberscene. Ze deden het schaterlachend voor: dit zagen ze ons nog niet doen. Gelijk hadden ze.

Vol verwachting togen wij op een ochtend in juli naar Amsterdam. De zeer ervaren beeldhouwers, afkomstig uit Tengenenge in Zimbabwe, wachtten de groep op bij het nijlpaardenhuis. Daar stonden grote kratten met brokken steen uit hun thuisland. Zoeken en keuren. Maar aan de buitenkant viel niet te zien welke kleur ons beeld uiteindelijk zou krijgen. De stenen waren allemaal bruinig of grijs. We kozen beiden een mooi stuk serpentijn. Niet al te groot. We moesten het tenslotte zelf dragen; het beeld zou na drie dagen in de tas mee naar huis gaan.

Daarna zochten we gereedschap uit. In een grote kist lagen hamers, beitels, raspen, schaven in alle soorten en maten. En, zeiden onze leraren, het beeld zit al in de steen. Leg het maar op de bok en dan goed kijken, dan zie je het vanzelf en hoef je het er alleen nog maar uit te hakken. “Alleen nog maar…”

Maar het was waar. Ineens was het er, het idee, het beeld. Na de nodige en vooral nuttige aanwijzingen gingen de mannen zelf ook aan de slag en wij, tien vrouwen, bikten, raspten en schaafden er lustig op los.
Steeds duidelijker werd er zichtbaar wat er in de steen verborgen zat. Het beeld kreeg vorm, gestalte.

Op de derde dag was het zover: de beelden mochten ‘gewassen’ worden. Met zijn allen om een grote zinken teil met water. Het beeld nat maken en met steeds fijner schuurpapier schuren: glad, gladder, gladst, terwijl onze vingers steeds rimpeliger werden. Nog steeds wisten we niet precies welke kleur ons beeld zou hebben. Dat zagen we pas toen de laatste behandeling werd toegepast: verhitten met een gasbrander en inwrijven met was. Bijenwas met citroen. En dan poetsen tot de glans zich prijsgeeft.

Wat voelden we ons de koning te rijk en apetrots toen we met ons eerste geurende en glanzende beeld in de trein zaten, terug naar huis.

Na die keer zijn we nog vaker gaan hakken in Artis. We hebben nog vaker beelden uit de steen tevoorschijn zien komen. Nog vaker met een zwaar gewicht op schoot in de trein gezeten. We kregen er steeds meer slag van. Het lukte steeds beter het geheim van de steen te ‘ontraadselen’.
Maar nooit meer was het zo spannend en wonderbaarlijk als die eerste keer.

Baas boven baas

IMGP0904_3Zoals elke ochtend schuifelde hij na het ontbijt naar zijn stoel bij het raam. Zo kon hij een flink stuk van de Kleiweg overzien. Al die winkelende mensen boezemden hem afkeer in. Van mensen hield hij niet. Zijn hond was hem het liefst. De Spaniel sprong bij hem op schoot, zodra hij zijn plaats had ingenomen.

Hij stak zijn eerste sigaret op. Hij hield niet van roken. Maar wat moest hij? Een van de beste knechten die hij ooit op de kwekerij had aangenomen, rookte. Hij kon het verbieden of mee gaan roken. Zijn logica. Hij koos voor het laatste. Hij had het al vijftig jaar volgehouden.

Hij had de bloemisterij tot grote bloei gebracht. Bijzondere planten gekweekt. Vazen en bloempotten ontworpen. Maar er waren altijd onderkruipers die de rekeningen niet betaalden. Die het patent opeisten van zijn uitvindingen. Die hem een poot probeerden uit te draaien.

Vandaag zou hij zijn vrouw er maar weer eens op uitsturen. “Ja Baas”, was haar antwoord toen hij haar riep. Dat was ze gewend, hij wilde het niet anders. Hij wás de baas.

Snel liep ze door de bloemisterij naar buiten. Hun hele leven hadden ze boven de winkel gewoond. Ze haatte het. Had het altijd gehaat. Zou ze het wagen? Naar de markt gaan, die advocaat laten zitten, een smoes verzinnen? Wat zou ze graag die stomme bloempotjes op de vloer kapot smijten. Die piepklein gekweekte hortensia’s vertrappen…..

Met lood in de schoenen stapte ze over de drempel van het advocatenkantoor. De schuldeisers stonden in hun recht. Maar er moest en zou geprocedeerd worden. Ze zouden het proces weer verliezen. Hun kapitaal was al flink geslonken; dit zou niet lang meer zo door kunnen gaan.

Toch zou ze de Baas straks weer tevreden stellen. Dat waren ze gewend en ze wilden het niet anders.

——————————————————————————————————————–
Dit is een verhaal in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato (Hier kun je meer leuke, spannende, bijzondere WE-verhalen vinden). Het werkt als volgt: schrijf een tekst van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: manipuleren.

Het plaatje komt van het internet

Een mooie oude vrouw

woman

Ze had zich bedacht, zei ze door de telefoon. Ze had het idee dat het geplande uitje naar het Rijksmuseum, zondag, haar niet goed zou bekomen. We spraken af om het te verzetten. Iemand van zevenentachtig mag per dag beslissen wat wel en wat niet gaat, tenslotte. We zouden wel zien.

Zondagochtend, negen uur; de telefoon gaat. “Ja, heel gek”, klinkt het van de andere kant, “maar ik voel me vandaag prima. Wat vind je ervan, is het te laat om nog te gaan? Voordat ik er ben…” Ik vind dat het best kan en zo zetten we een leuk middagje Amsterdam op stapel. Zij reist met het Boekenweekgeschenk vanuit Den Haag. Ik pik haar op en samen lopen we naar lijn vijf. De bronskleurige wandelstok (“Gisteren gekocht. Chique hè?”) hangt er maar een beetje bij; ze loopt nog als een kievit. Voor de tram goed en wel is vertrokken, zijn we – zoals altijd – in een geanimeerd gesprek gewikkeld. Wanneer ze haar smartphone tevoorschijn haalt om wat foto’s te laten zien en te vertellen dat whatsapp ‘het niet deed’ en ze me dus maar een sms’je heeft gestuurd onderweg, draait de persoon voor ons zich om, met een grote grijns: “Zo leuk, als mensen met hun tijd mee gaan!” Ja, dat vind ik ook. Deze Haagse dame is nog heel erg bij de tijd; leest de krant, leest boeken, kijkt tv, denkt na, gaat naar musea en concerten.

Om nou een uur in de rij te gaan staan voor het Rijksmuseum is geen goed idee. “Mijn rug, weet je…” Bij het Van Gogh is de rij een stuk korter. Na een kwartier zijn we binnen en genieten van Felix Vallotton. Ik heb de expositie eerder deze week al gezien, maar nu geniet ik door haar ogen. En weer zie ik dat mensen door haar enthousiasme, humor en onbevangen kijk op het werk geraakt en geamuseerd worden.

Couple_epingle_Vallotton

De middag vliegt om. Na de koffie en het gebruikelijke bezoek aan de museumwinkel wordt het tijd om naar huis te gaan. Onderweg wijst ze me op het tere groen van de uitbottende bomen. En het gesprek gaat over ouder worden en jong blijven. In de trein installeert ze zich pontificaal voor het raam met ‘Een mooie jonge vrouw’ van Tommy Wieringa.

“Hoe is het met je?”, vraag ik later via de telefoon. “Als ik niks doe, kan ik nog alles”, is haar gevatte antwoord. Een mooie oude vrouw…..

——————————————————————————————————————–
De afbeelding van ‘de oude en jonge vrouw’ en de houtsnede van Vallotton, ‘De mooie speld’, komen van het internet.

Kunst cadeau

Na een week hard werken in de moestuin (spitten, wieden, houtsnippers kruien en verspreiden, hekjes aanpassen, kasje uitmesten), vond ik dat ik wel een uitje had verdiend.

DSC09185

Amsterdam is lekker dichtbij en op maandag zijn daar de drie grote musea open. Het was heerlijk om weer een uurtje door het Rijksmuseum te dwalen. Altijd wil ik het meisje in blauw even zien. De Dome van Daan Roosegaarde was nog in bedrijf, dus daar ook weer even naartoe. Zo grappig dat een dergelijke moderne opstelling in een ouderwetse stijlkamer geplaatst is; oud en nieuw op een creatieve manier verenigd.

20140310_130308

Weer (in een andere zaal) een slordigheidje ontdekt. Wonderbaarlijk dat een dergelijk prestigieus museum zich fouten kan veroorloven. In een vitrine ligt op een kussentje een takje van de vrijheidsboom, die in het jaar 1795 op de Dam werd opgericht. In de beschrijving wordt het een takje van de spar genoemd, terwijl het duidelijk van de lariks afkomstig is. Jammer.

Dan naar het Stedelijk. De laatste keer dat ik er was, heb ik de expositie “Pinned Up” van Marcel Wanders laten zitten voor al die oude bekenden die ik zo graag wilde zien. Maar vandaag gaat het gebeuren; ik daal af in de catacomben van het museum. Wat een weelde, wat een schoonheid.

DSC09296

Maar ook: wat een vondsten en wat een humor. Wie verzint het om een condoom vol te proppen met hardgekookte eieren, zodat het ontwerp voor een vaas ontstaat?

koppen

Twee levensgrote, door middel van gigantische tulpen aan elkaar verbonden maskers van een Westerse en een Oosterse vrouw, draaien heel rustig rond. Alleen het mechaniek maakt wat geluid.

20140310_134429

Veel Delfts blauw, in allerlei vormen, soorten en maten. Ook hier weer de humor die hoogtij viert: in een servieskast, tussen borden en vazen, ligt, vrij onopvallend, een Delftsblauwe bouwhelm. Bijzondere lampen en kroonluchters in de donkere zaal. In de daarnaast gelegen lichte zaal staat de beroemde ‘gebreide’ stoel. Aan de wand hangt het zitgedeelte als een dierenvel, maar dan in macramé.

DSC09287

In de donkere zaal hangt zo’n zelfde de stoel aan een soort luchtballon. Heel speels allemaal. Zeker ook de tafel met de glazen poten. Het lijken grote vazen en ze zijn volgestopt met knuffels. Die kijken met de neuzen platgedrukt tegen de ruit naar al de bezoekers, die met grote grijnzen op hun gezicht rondlopen.

DSC09286

Wanneer een andere bezoekster en ik ons over het schattige ronde wiegje buigen, komt de suppoost in allerijl aangerend. We zitten er toch niet aan, aan die witte bekleding, aan die kleine rose roosjes? Nee, natuurlijk niet. We hadden wel graag even over de zachte stof van het dekentje willen aaien, maar we weten ons heel goed te beheersen.

“Niets veroudert zo snel als het nieuwe” en “Een eerlijke leugen is beter dan de saaie waarheid”, zijn een paar aforismen van deze kunstenaar. In het Engels gekalligrafeerd op de muren, in het Nederlands daaronder in drukletters. Ze zetten zijn ontwerpen kracht bij, voor zover dat nog nodig mocht zijn.

20140310_140835

Met een vrolijk gevoel verlaat ik het museum.
Lunchen doe ik op het terras, in de maartse lentezon. Wat een cadeautje!

Het Van Goghmuseum staat achter grote hekken. Maar een tekst van Vincent himself, op de gevel, roept op om vaak een museum te bezoeken en tijdens de verbouwing blijkt dit ook gewoon te kunnen.

20140310_132836

Dat moet ook wel, want de expositie van werken van Felix Vallotton is net geopend. Houtsneden en schilderijen. Een rasechte Amsterdamse wijst me in onvervalst Amsterdams op de bijzondere ontwerpen. Ze is verrukt. Deze kunstenaar stijgt in rap tempo op haar lijstje, verzekert ze stellig. Het is dan ook geweldig hoe hij het licht in de donkere houtsneden weet te brengen. Een enkel lijntje is vaak al genoeg. Slechts vier knopen om de rug van een brandweerman aan te duiden. Prachtig werk. Hij werkt veelal aan de hand van thema’s. Er is een hele serie muziekinstrumenten bijvoorbeeld. En menselijke zwakheden.
Om te laten zien dat er echt maar een beperkt aantal afdrukken is gemaakt, zaagt hij van alle houtblokken een gedeelte af. Maar die stukken rangschikt hij dan weer en maakt hier een afdruk van.

img086

Ook zijn schilderijen zijn van een grote schoonheid: het kleurgebruik, de houding van de vrouwen, hun blik. De mysterieuze compositie van de landschappen. De mythologische werken zijn boeiend geschilderd, vaak ook met een geheel eigen inbreng en opvatting.
Jammer dat het in dit museum niet is toegestaan om foto’s te maken. Maar het geheugen mag nu zijn werk doen.

Tram vijf brengt me terug naar het Centraal Station. Ineens wordt het een beetje mistig en koud. Gewone temperaturen voor de tijd van het jaar. Met beide benen op de grond. Laat de kunst de kunst blijven. Ik ga heel prozaïsch een maaltijd koken. En een blog schrijven. Over een heerlijke dag, een cadeautje aan mezelf.

Een lief hart

400px-Pieter_Bruegel_the_Elder_-_The_Tower_of_Babel_(Vienna)_-_Google_Art_Project_-_edited

Hij is een Koerd. Een vriendelijke man. Ik ontmoet hem regelmatig op het volkstuincomplex. Hij houdt ervan een praatje te maken. Dat valt nog niet mee, een gesprek met hem voeren. Hij woont al zo’n twintig jaar in Nederland, maar de taal beheerst hij slecht. Soms is het gissen wat hij bedoelt en hij begrijpt ook niet alles wat wij zeggen. En daarbij gaat het uiteraard nog het meest om wat er ‘tussen de regels’ wordt gezegd. Hier hebben we te maken met een cultuurbarrière. Maar er is geen probleem wanneer het over de tuin gaat, een concreet onderwerp; met aanwijzen kom je ook een heel eind.

Hij werkt hard in zijn tuin. Hij kan goed tuinieren. Hij zaait veel, en geeft ook makkelijk plantjes weg. De paprika’s die wij vorig jaar aten, kwamen van hem. Ook is hij regelmatig bereid om je op een of andere manier van dienst te zijn met advies. Dit moet je nu zaaien, oogsten, planten, wieden. In het begin had ik het gevoel dat ik hem een beetje moest afhouden, dat hij te opdringerig zou worden. Maar niets van dat alles. Het is allemaal goed bedoeld. Kortom, hij stelt zich sociaal op, is vriendelijk. Een warme man, zoals een medetuinierster het uitdrukte.

Ook is hij op andere manieren handig. Een kas bouwen, daarvoor draait hij zijn hand niet om. Alle materialen komen van pas. Of het er een beetje netjes uit ziet, is van minder belang. Of het veilig is, je je handen er niet aan open haalt, ach, dat ook. Maar hij is bereid om kleine aanpassingen te doen, op verzoek.

Gisterochtend was ik op de tuin. Het was prachtig weer: licht en stil, warm en vrolijk. Vogels doen hun best op liefdesliedjes. Lieveheersbeestjes koesteren zich in het zonnetje op een warme steen. Heerlijk rustig is het. Hier en daar zijn mensen, zonder jas, bezig met spitten, harken, zaaien. Belofte van een nieuw, hopelijk vruchtbaar jaar.

Wanneer ik het onkruid naar de belt wil brengen, staat hij plotseling voor me op het pad. Zo goed en zo kwaad als het gaat ontspint zich een koetjes-en-kalfjesgesprek. Vind ik zijn tuin er niet mooi bijliggen? Alles gespit en geharkt. Bedjes gemaakt. In de opgeknapte kas heeft hij al het een en ander gezaaid, paprika’s onder andere. Bij hem is er geen sprietje onkruid meer te zien. En zo’n mooie dag! Zon!

Dan, ineens, komt het hoge woord eruit. Hij daar, hij wijst met zijn hoofd in de richting van een tuin, even verderop, heeft ruzie met hem gemaakt. ‘Hij daar’ had tegen hem geroepen, geschreeuwd alsof hij een kind was.

Ik weet waar hij op duidt. Twee dagen geleden was ik op de tuin en heb het zien en horen gebeuren. Maar het was geen ruzie, er was niemand boos, er werd ook niet geschreeuwd.
Toen de Koerd een enorme stapel metalen buizen achter het kruiwagenhok wilde dumpen, werd hij daarvan weerhouden. Een van de bestuursleden die dit zag, riep, naar hem toe lopend, dat dat niet de bedoeling was. Hij legde het ook uit: Het hele complex was net opgeruimd, een enorme container met troep was afgevoerd. Dus nu geen afval meer op die plaats, graag. Dat kan beter naar de oud-ijzerboer. Doordat dit zeer stellig werd geponeerd, leek het misschien of er boze woorden werden gebruikt.
Er is duidelijk sprake van een misverstand. En onbegrip. Maar ik laat hem zijn frustratie uiten.
“Ik wil altijd aardig zijn”, zegt hij tegen mij. Ik zie zijn donkere ogen glazig worden. Maar mensen moeten ook aardig tegen hem doen. Gewoon tegen hem praten, niet schreeuwen. En hij vertelt dat hij twaalf jaar gevangen heeft gezeten en is gemarteld; hij is politiek vluchteling. Als iemand zijn stem verheft, komt het verleden weer naar boven. Dat is niet goed voor zijn gezondheid, voor zijn hart. Hij is voor rede vatbaar, maar niet zomaar boos worden op hem.

Ik begrijp wat er aan de hand is. Hoe gevoelig hij is voor – vermeende – bevelen. Ik zeg dat ik met de bewuste persoon zal praten, maar ook dat ik zeker weet dat er geen kwaad achter zit. Dat ik ervan overtuigd ben dat het niet zo bedoeld is, als hij het heeft ervaren. Juist die persoon is geen ruziemaker, integendeel. Het komt goed, zeg ik. Ik zal zorgen dat jullie het met elkaar uitpraten.

Hij lacht. “Ik geen boos hart”, zegt hij, “ik lief hart.” En hij legt zijn hand op die plaats. Terwijl hij me paprikaplanten belooft, voel ik mijn ogen vochtig worden.

DSC09233

De foto van De Toren Van Babel, van Pieter Brueghel de Oude, komt van het internet.