Dat doen ze thuis maar

Het moestuincomplex is een wereld op zichzelf. Mensen uit alle uithoeken van de wereld ploeteren en zwoegen daar op hun eigen stekje  om een dagelijks maaltje aan de weerbarstige veengrond te ontworstelen.

De tuintjes liggen in keurige rijen naast elkaar. Naarmate het jaar vordert, worden zij steeds groener. Er zijn tweeënveertig deskundigen die er tweeënveertig beproefde methodes op nahouden.

De compostbelt wordt volgens een drie-jaren-systeem onderhouden. De bijen hebben zich geschikt in hun lot op een achteraf veldje aan het water. Het braakliggende stukje grond-waar-niets-mee-te-beginnen-viel is omgetoverd tot een gazon. Langs het pad naar de belt is een rijk bloeiende plukborder ontstaan van door tuinders afgedankte planten. De gemeenschappelijke kruiwagens staan kleurig in het gelid in hun eigen hok. De herstelwerkzaamheden aan de verzakte schoeiing vorderen stukje bij beetje. Op de gezamenlijke werkochtenden zet iedereen zijn beste beentje voor.

Idyllisch lijkt het. En dat is het ook. Meestal wel, tenminste. Net als in de echte wereld is er wel eens ‘iets’, maar door middel van een goed gesprek en wat humor is dat altijd op te lossen.

Maar. Net als in de echte wereld heeft ook de digitale wereld zijn plekje in deze kleine gemeenschap veroverd. Uitnodigingen voor vergaderingen en andere bijeenkomsten worden via e-mail gedeeld. En de uitslagen van de tuinkeuring. Dit is al zo gewoon, daar kijkt niemand meer van op.

Nu is er sinds kort ook een WhatsApp-groep, beheerd door een van de commissies. Zo kan er makkelijk en snel worden doorgegeven wanneer er een gezamenlijke werkochtend is, of dat er compost of houtsnippers worden geleverd. Iedereen kan reageren en daar zie je het dan soms misgaan. Een nieuwjaarswens wordt gewaardeerd. Een cartoon valt niet altijd bij iedereen in de smaak. Maar echte problemen waren er nog niet geweest. Tot er kortgeleden geheel per ongeluk een foto werd gedeeld met een tekst uit de koran. Eén tuinder reageerde boos; dit past niet in de Nederlandse samenleving. En op een tuincomplex al helemaal niet. Een ander reageerde met: het is vast een mooie tekst, die kunnen we juist goed gebruiken. “Dat doen ze thuis maar”, was het botte antwoord.

Het wás een mooie tekst. Vertaald door iemand die het Arabisch machtig is, bleek het te gaan over welzijn en rust, erkenning en tevredenheid. Nadat ik die tekst had gepost, was het voor mij tijd om de groep te verlaten.

Binnenkort zullen we maar eens een goed gesprek aangaan, al heb ik niet het gevoel dat dat vruchten af zal werpen.
Die moeten we dan maar gewoon uit de moestuin halen. En hopen dat de druiven niet zuur zijn.

Het komt niet toe

Hij is de oudste tuinder op het moestuincomplex, dik in de tachtig, maar hij oogt als een fitte zeventiger. Hij bewerkt zijn tuin al jaren op zijn eigen, beproefde manier. Twee spaden diep spitten, bijvoorbeeld, anders heeft het geen zin. Onkruid zie je bij hem niet staan.

Van de berg compost die altijd in het voorjaar aan de vereniging wordt geleverd, kruit hij vrolijk de hem toebedeelde twaalf kruiwagens naar zijn tuin. Het hoge bruggetje neemt hij met gemak. En nadien is hij ook nog bereid om voor een ander, die er moeite mee heeft, een paar kruiwagens te rijden. Een aardige, sympathieke man.

Zijn advies verpakt hij in verhalen over zijn tuin. Als je goed luistert, weet je waar je de mist in bent gegaan. Te weinig mest, of juist te veel. Te nat. Te droog. Kalk te kort. Te veel zon. Te ongeduldig, dus te vroeg gezaaid of geplant. Wanneer ik nu kalk strooi, weet ik waarom ik het doe en wie ik straks dankbaar moet zijn voor een mooi gesloten rode kool.

Tegenslagen, op welk gebied dan ook, overwint hij met een glimlach. Hij heeft tenslotte al zoveel meegemaakt; hij kijkt nergens meer van op.

Maar dan toch. Het merkwaardige weer van dit jaar speelt hem parten. Eerst die strenge vorst, daarna de overvloedige regen, nu de aaneengesloten warme, zonnige dagen. Het gaat allemaal niet zoals het zou moeten gaan.
Neem nou de spinazie. Het eerste zaaisel kwam mooi op en groeide uit tot prachtige diepgroene blaadjes. Daar hebben ze samen goed van kunnen eten. De tweede keer werd het niks. Het zaad kwam op, en daar was alles mee gezegd. Net als de aardbeien. Die kwamen al vroeg in het voorjaar prachtig in bloei. Maar als je nu ziet wat een kleine harde vruchtjes eraan zitten, en allemaal groen, dan kun je ze er maar beter afknippen. Nee, het begint allemaal wel, maar het komt niet toe. En dat is jammer.

Ach, besluit hij dan met een berustende glimlach, laten we maar niet mopperen. Het ene jaar gaat het zus, het andere jaar zo. Dat is nou eenmaal het lot van de tuinder.

Vissen

Zij aan zij, als vanouds
De blik op de smalle sloot
Waar de vis moet zitten
Geduld wordt beloond

Woordeloos genoegen
De rust van het groen
De geur van het water
De roep van de grutto

De zekerheid van vette wormen
In het oude blikje
De emmer die klaarstaat
Alles als vanouds

Terwijl de dobber
De volle aandacht vraagt
Kun je in veiligheid
Je gedachten laten vieren

Straks, tegen het middaguur
Bakken zij twee visjes
Precies zoals oma
Dat vorig jaar nog deed

Vooruit, haal op jongen
Je hebt beet!

Winterdag

Heremetijd, de winter was niet veel
’t Is duidelijk dat de dagen alweer lengen
De merel zingt met een omfloerste keel

De knoppen van de ribes zwellen al
Het prille groen laat niet lang op zich wachten
Dat zal ’t gemis van sneeuw en ijs verzachten
Ach, ’t is al zoveel jaren het geval.

Wie nu een tuin heeft, is alweer aan ’t werk
Er is geen tijd de zachte winter te betreuren
Er moet als ieder jaar ontzettend veel gebeuren
Komaan, het houdt ons bezig, maakt ons sterk
We zullen spitten, zaaien, wieden en niet zeuren.

(Vrij naar Herbsttag, Rainer Maria Rilke)

De Verzoening

Zolang je er niet in het weekend komt, is het Hembrugterrein de rustigste plek van Zaanstad. Het is er ruim en groen en vooral stil. De prachtige oude gebouwen, fabrieken en werkplaatsen, stralen rust uit, ondanks hun vroegere bestemming. Bordjes met opschriften als: Kanonnenloods, Affuitenhal, Harderij, Slaghoedje en Kardoes geven aan wat er in het verleden gaande was. De begroeiing geeft het een vriendelijk aanzicht. Het verval, dat overduidelijk zichtbaar is, maakt het terrein niet unheimisch. Integendeel. Het geluksgevoel dat me regelmatig overvalt wanneer ik me daar heb geïnstalleerd met mijn thermosje koffie en boek, verbaasde me alleen de eerste keer.

Geleidelijk aan worden de gebouwen opgeknapt, asbest wordt verwijderd, puin geruimd. Soms wordt het oude, het vervallene juist geaccentueerd, gecultiveerd. Dat maakt het spannend. Dit laatste gebeurde bijvoorbeeld bij het gebouw waarin een fantastische fototentoonstelling van Jeroen Swolfs is ingericht. De deuren zijn roestig, aan het interieur is alleen het allernoodzakelijkste aangepast. De bijzondere foto’s komen hier prachtig uit. Veel beter zelfs dan aan glad gestuukte spierwitte muren. Helaas is het niet mogelijk de tentoonstelling te bezoeken, maar door al het glas kan ik een groot deel van de foto’s zien.

De bossen, waar ooit munitie tot ontploffing werd gebracht zijn (nog?) niet toegankelijk. Jammer, maar het bos rukt sowieso op. Onkruid staat hoog en bloeit volop. Vogelgezang, gezoem van insecten, wespen azen op mijn koffie en mijn appelklokhuis. Twee wandelaars maken de door de Volkskrant uitgezette wandeling. Er wordt hard gewerkt in en aan de ateliertjes die in de lege gebouwen zijn gevestigd. Verwijderde apparatuur wordt zo hier en daar ter decoratie buiten opgesteld. Men probeert er echt iets van te maken, van deze fantastische plek.

Maar dan, een rijtje barakken, een hek met prikkeldraad. Even verderop een treinwagon op een afgekapt stuk rails. Een woonhuis achter bomen. Het is er allemaal. De vergelijking met Auschwitz, dat ik een paar jaar geleden bezocht, dringt zich met kracht aan mij op. Ook toen was het prachtig weer. En ondanks alle bezoekers was het er merkwaardig stil. De barakken, zo’n zelfde wagon, het woonhuis van een commandant, alles is er ineens weer. En nu zelfs, heel wrang, in combinatie met het ooit geproduceerde wapentuig. Het verwart me meer dan ik mezelf wil toegeven. Natuurlijk realiseer ik mij ook dat het zich vooral in mijn eigen hoofd afspeelt en ik schud het van me af.

Ik fiets nog even rond en rijd dan het terrein af, richting Noord-Hollands kanaal. Aan de overkant zie ik ineens een puur Hollands plaatje. Een letterlijke verzoening. Verzoening met het verleden, dat zich zo af en toe aan het heden opdringt. Het trekt me weer terug in het hier en nu.

Met een tevreden gevoel fiets ik langs vrolijk bloeiende bermen terug naar huis.

De gelukkige tuinder

Nadat ik mijn zoveelste emmer onkruid op de compostbelt heb geleegd, loop ik terug naar mijn paradijsje. Met verende pas komt hij me over het smalle pad tegemoet. In coronatijd moeten we, ook op het tuincomplex, afstand houden. Ik stap opzij, het pad op van een aangrenzende tuin, maar dat is niet nodig; hij wijkt uit naar het kruiwagenhok. Zijn spa en hak plaatst hij tegen het muurtje, terwijl hij de rode kruiwagen tevoorschijn haalt. Hij gaat er weer tegenaan. Een paar kruiwagens grond afgraven om zijn tuin voor de zoveelste keer op te hogen. Hij groet vriendelijk, met toegeknepen ogen, zoals altijd. Geen tijd voor een praatje deze keer, er is werk aan de winkel. Eerlijk gezegd komt mij dat goed uit, want ook ik heb veel te doen.

Terwijl ik mijn schrepel weer ter hand neem en mij stort op heermoes, brandnetel, winde en kippenmuur, ga ik in gedachten de tuinen langs en tel de nationaliteiten op ons complex. Behalve Nederlanders tuinieren er twee Italianen, een Surinamer, een Kaap-Verdiaan, vijf Turken, twee Marokkanen, een Oekraïense, een Koerd, een Engelsman, een Filippijnse, twee Syriërs.
En de Portugees, die ik zojuist tegenkwam. Een boomlange man. Hij heeft enorm veel werk verzet in het jaar dat hij hier zijn tuin heeft: diep gespit, rommel uitgegraven, de grond opgehoogd, bakken getimmerd en later weer afgebroken, een terrasje aangelegd, gewied, gezaaid, en een rijke oogst binnengehaald. En nu is hij weer bezig de grond te verbeteren en op te hogen. De tuin zal nog beter worden, nog meer opbrengen. Hij kan hierover uren in geuren en kleuren vertellen. Maar ook over zijn werk als parachutist, vroeger, in Portugal, en over het verantwoordelijke werk dat hij daarna in Nederland deed, in het ziekenhuis. Over de heerlijke Portugese wijn, die hij speciaal hierheen laat komen en waarvan hij elke dag (voor zijn hart, doktersadvies) een goed glas drinkt. Over het zware werk en de oogst op zijn vroegere, grote tuin. Over zijn leeftijd heeft hij het nooit, maar wij weten dat hij ver in de zeventig is. Een levendige, actieve, gemoedelijke man. En net zo gewoon en bijzonder als alle andere tuinders.

De dag, nu een jaar geleden, dat ik hem zijn toegewezen tuin zou laten zien, regende het pijpenstelen. Toen ik aan kwam fietsen bij het tuincomplex, stond er iemand voor de poort te wachten in een scootmobiel. Het bleek de uitgenodigde aspirant tuinder. Ik was op zijn zachtst gezegd verbaasd; hoe moest iemand die blijkbaar slecht ter been was een zwaar verwaarloosde tuin gaan bewerken? Maar zodra hij mij zag, sprong uit het vehikel. En met verende pas volgde hij mij naar de beschikbare tuin. Wat had hij zich verheugd op een tuin in de buurt van zijn huis. En dus nam hij genoegen met de honderdvijftig vierkante meter verzakte, verwaarloosde grond, de scheefgezakte bakken, de opgelapte kas, de hoge waterstand. Hij keek door de rommel heen, hij zag er wel wat in. Na het jarenlang bewerken van een driemaal zo grote tuin op zware kleigrond, leek hem dit, ondanks alles, een uitkomst. Het was mooi om te zien hoe de plannen ter plekke in zijn hoofd ontstonden. En zijn uiteindelijke conclusie was: “Ja, ik wil.”
Na de nodige formaliteiten overhandigde ik hem de sleutel. Het regende nog steeds. Harder nu. Teruglopend over het pad naar de poort wees hij op de scootmobiel. “Je zult wel gedacht hebben. Maar mijn vrouw is zeer slecht ter been. Ik heb, net als zij, zo’n ding aangeschaft. Kunnen we er gezellig samen op uit.” Hij groette vriendelijk en met een vaartje reed hij weg. Naar zijn vrouw, om het goede nieuws te vertellen.

Ik kijk op van het wieden tussen de afrikaantjes. Daar loopt hij, met de inmiddels bekende verende pas, achter de zwaarbeladen kruiwagen, langs mijn tuin. Hij grijnst en groet met toegeknepen ogen. Een gelukkige tuinder.

De initialen

Het kaartje is geschreven, de envelop ligt klaar. Maar, om nog steeds te adresseren aan Tante X, nee, ik vind dat het nu maar eens officieel moet. Als je tegen de negentig loopt, heb je daar recht op.

Ik kan gokken op de juiste initialen, maar dan is het nog maar half werk. Haar ‘meisjesnaam’ wil ik ook toevoegen. Het antieke rolluikkastje brengt uitkomst. Helemaal onderin bewaar ik een paar agenda’s van mijn vader en – en daar gaat het nu om – zijn ouwe blauwe telefoonregister.

Ruim tien jaar informatie komt voorbij in vaders mooie verzorgde handschrift. Toen mijn broer en ik de adressenlijst samenstelden, na zijn overlijden, hebben we dit boekje daarvoor gebruikt, maar toen was er uiteraard geen tijd en geen animo om het allemaal eens rustig door te nemen. Maar nu laat ik me helemaal gaan en de herinneringen gaan finaal met me op de loop. Ook staan er natuurlijk namen in die mij totaal niets zeggen. Sommige aanvullingen doen me glimlachen. Of verbazen me enorm.

Hier en daar werd flink geschrapt en aangevuld. Kleinkinderen verhuisden nogal eens of kregen een nieuw telefoonnummer. Het meest gestreept en vervangen is op de pagina’s met de familiegegevens. Niet zo vreemd natuurlijk. Daar vind ik dan uiteindelijk ook de initialen van de tante. En haar meisjesnaam. Nadat oom was overleden, en dus doorgestreept kon worden, met toevoeging van de overlijdensdatum, werd tantes volledige naam ingevuld. Ik kan de envelop adresseren, daar is het allemaal om begonnen tenslotte. Toch maak ik de trip down Memory Lane nog even af.

De pagina’s van de F, U, X en Y zijn leeg. De gegevens op de pagina onder de C zijn ongewijzigd gebleven. Deze vermeldt het Catharinaziekenhuis en twee Chinese restaurants. Belangrijke constanten in zijn leven en die zijn kennelijk nooit aan veranderingen onderhevig geweest.

Op de achterkant van het boekje zit zolang ik me kan heugen een sticker, waar ik nooit veel aandacht aan heb besteed. Nu is ineens alles belangrijk; alsof ik ergens nog een geheime boodschap verwacht. De sticker is vervaagd, de inkt is verkleurd, maar het is nog te lezen: in gebruik 1-7-1999. Pietje Precies.

Hij heeft er elf jaar gebruik van gemaakt. En eenentwintig jaar na dato heb ik er ook nog plezier van. In dubbele betekenis.

Niet ver

De ochtend ruikt naar herfst
Mussengetjilp, verder is het stil
Wat moet bloeien bloeit
Gemijmer bij een kop thee

Een heel leven als een dag
Die van gisteren bijvoorbeeld
Toen ik achterop -voeten op de stepjes
Mijn kinderhanden om zijn riem-
Door herfstig bos mijn jonge vader
Vergezelde naar de moestuin

Terwijl hij fluitend dor blad wegharkte
Andijvie en bieten oogstte
Volgde ik de aangestampte paadjes

De laatste zomerdagen
Niet ver van de boom valt een appel
Mijn kleindochter verheugt zich
Wieden en oogsten straks

Dat nam je dan maar…

Als kind al smulden we van de verhalen over zijn jeugd. “Wilt u vertellen over vroeger?” En dan stak hij van wal. Dat we vaak dezelfde verhalen hoorden, maakte ons niets uit; we konden er niet genoeg van krijgen. Vooral de verhalen over de oorlog vonden wij spannend. Maar ook over hoe het er thuis aan toeging, met elf kinderen in een piepklein huis.

De laatste jaren hoef ik hem er niet meer naar te vragen; de verhalen komen vanzelf. Ze worden niet meer aangedikt; hij vertelt niet om mij te vermaken. Nee, hij vertelt omdat hij zich hardop dingen afvraagt. Omdat hij zich verbaast over hoe alles is gegaan. Omdat hij zich realiseert dat alles met alles te maken heeft. Dat dingen gaan zoals ze gaan, dat je in het leven niet overal grip op hebt. Dat je het leven niet naar je hand kunt zetten. Gedane zaken nemen geen keer. Het zijn nog steeds mooie verhalen, maar anders. Hij is wijzer geworden, milder. En ik kan er mijn voordeel mee doen. Het is leerzaam om deze gesprekken te voeren. Zwaarwichtig wordt het nooit; hij weet tenslotte toch alles te relativeren en de humor speelt nog steeds een grote rol.

Als ik na zo’n bezoek naar huis rijd, heb ik veel te overdenken. Maar ook realiseer ik mij dan, dat dit eens ophoudt. Want ook al is hij nog net zo’n charmeur als vroeger, al interesseert hij zich nog steeds voor nieuw uitgekomen filosofische boeken, en al doet hij net of ze niet tellen, de jaren gaan hard. Om het maar ronduit te zeggen: hij is een oude man.

En dan, op een dag, leg ik het minuscule opnameapparaatje voor hem op tafel. Hij kijkt er bevreemd naar. Terwijl ik een bandje uit het cellofaan peuter, leg ik uit wat ik van plan ben. “Vertel, pa”, zeg ik gretig, “vertel nog eens over vroeger. Dit apparaatje neemt alles op en dan zijn uw prachtige verhalen veilig gesteld voor het nageslacht.” Even kijkt hij bedenkelijk. Zo belangrijk is het immers niet, wat hij te vertellen heeft. Ik waag dit te betwijfelen en na wat hints is hij al snel op dreef en is hij het recordertje vergeten.

Veel van wat hij vertelt, heb ik vaker gehoord. Dat is fijn, de vertrouwde verhalen. Maar ik hoor ook nieuwe. Nu hij er echt voor gaat zitten, komt er meer dan ik had gedacht.
Na een uur vinden we het allebei welletjes, het moet leuk blijven, tenslotte. Ik berg alles op. Het bandje zal ik thuis proberen uit te werken tot een goedlopend verhaal.

En dat heb ik gedaan. Al een aantal jaren geleden inmiddels. Nu ik het weer eens doorlees, stuit ik vanzelf op dat nare laatste stukje tekst, waardoor mijn hart samen knijpt:

“Ik heb met van Veen, toen ik bij hem in dienst was als slagersknecht, regelmatig na het werk hele gesprekken gevoerd. Diepzinnige gesprekken, over van alles en nog wat. Gesprekken zoals vader en ik nooit hadden. Toen ik daarover eens iets tegen moeder zei, antwoordde zij dat vader mij niet mocht, omdat ik naar haar vader was vernoemd, die hij ook niet mocht. Tja, en dat nam je dan maar zo…”

Ik schuif de papieren in het mapje. Hij nam het maar zo en is verder gegaan met zijn leven. Toch moet het invloed op hem hebben gehad.
Maar ondanks deze slechte ervaring (of misschien zelfs juist daardoor), is hij altijd een sociaal mens, een liefhebbende echtgenoot, een goede vader, een fijne opa en een trotse overgrootvader geweest.

En daar ben ik hem dankbaar voor.

De Trouwfoto

Achtentwintig jaar is ze. Het is vrij laat om te trouwen, maar daar is de oorlog schuld aan. Haar man is vijfentwintig. Haar ouders zijn beide vijfenvijftig, haar schoonouders ook. Het is een mooie herfstdag. Het leven lacht hen toe.

Ze wist al lang dat hij gek op haar was. Wist hij het ook van haar? Vast wel. Maar een huwelijk zou er wel nooit van komen, vreesden ze allebei. Twee volkomen verschillende milieus, dat kon toch niet samengaan?! Tijdens bijeenkomsten van de jongerenvereniging van de kerk, ontmoetten ze elkaar. Dan trokken ze met elkaar op en organiseerden activiteiten en uitstapjes. Gedreven mensen, zo jong al.

Toen kwam de oorlog roet in het eten gooien. Ze zagen elkaar minder vaak. Hij zat in het verzet, dook geregeld onder wanneer hij weer voor een gevaarlijke klus was gevraagd. Ook bij haar thuis waren de broers actief. Nee, het was te gevaarlijk om contact te hebben. Bovendien kwamen ze nog niet bij elkaar over de vloer; het was nog steeds een geheime verliefdheid.

Ook dit soort verliefdheden kunnen overleven. Toen de oorlog voorbij was, moest het er dan toch echt van komen. Hij wilde om haar hand vragen, maar zo makkelijk was dat niet. Dat moest met beleid worden aangepakt. Hij kende haar ouders goed genoeg om te weten dat er veel bezwaren konden worden gemaakt. Vooral haar moeder wilde haar stand ophouden.
Maar haar tante, een paar dorpen verderop, zou nog wel eens een goed woordje kunnen doen. En die zag dat stel wel zitten. Zij handig, zuinig, praktisch, zorgzaam, hij een denker, ambitieus, sociaal, humoristisch. Ze zouden elkaar aanvullen. Een stevige basis voor een leven samen.

Voordat hij de stoute schoenen zou aantrekken, ging tante haar best eens doen. En met succes. Haar ouders waren wel te overtuigen geweest. Niet in de laatste plaats omdat hun aanstaande schoonzoon een actief lid was van de kerk. Haar vader kwam er al snel achter dat er met deze man diepzinnige gesprekken te voeren waren. Met hem kon hij filosoferen over het geloof, de bijbel en het leven.

De datum van het huwelijk werd vastgesteld. Van het geld dat ze zo goed en zo kwaad als het ging hadden gespaard tijdens de oorlog, kon er een eenvoudige uitzet worden aangeschaft en toen er ook inwoning mogelijk bleek bij een dominee, werden er meubels gekocht. Alles wat zelf gemaakt kon worden, zoals lakens, slopen en zelfs de trouwjurk, werd door haar met veel liefde en aandacht op de handnaaimachine vervaardigd.

En hier staan ze nu. Nog beduusd van alle plechtigheden laten zij zich fotograferen in de tuin achter het huis van haar ouders.

Ik bekijk de foto nog eens goed. Mooie mensen zijn het, mijn toekomstige ouders. Jong en verwachtingsvol na de vijf moeilijke jaren. Aan de gezichten van mijn grootouders te zien, is het nog niet direct een vrolijke boel. Er is te veel gebeurd; het leven is zwaar.
En bovendien hebben alle drie de vrouwen het zojuist weer te horen gekregen in de kerk: “Gij vrouwen, weest uwen eigen mannen onderdanig, gelijk den Heere, want de man is het hoofd der vrouw.”

Zo is het bij ons nooit gegaan. Mijn ouders waren vastbesloten om hun leven anders vorm te geven. Ze waren totaal verschillend, maar aan elkaar gewaagd. Ze hebben zich weten te ontworstelen aan het kleine dorpse leven, in letterlijke en figuurlijke zin. Ze hebben het goed gedaan, wij kinderen hebben het goed gehad.
Dat zou ik ze nu nog wel eens willen zeggen, maar helaas. Dus dat doe ik dan maar in stilte.

Op dit moment heb ik alleen nog maar een vraag: Ik zou zo dolgraag willen weten wie die twee vrouwen zijn, die, links op de foto, dit hele schouwspel van een afstandje, over de heg heen, staan te bekijken… En, zou de fotograaf ze hebben gezien?