Naar Turkije!

Vijftig jaar geleden trokken we liftend naar Turkije. Thé place to be. Onze ouders zullen best in de rats hebben gezeten; zowel wat betreft de manier van reizen als de bestemming. Wij waren negentien en zagen geen gevaar. Sterker nog, dit was avontuur van het zuiverste water. Wij konden straks vertellen hoe het was daar, in dat verre exotische land.
Driehonderdvijftig gulden hadden we gezamenlijk verdiend met vakantiewerk en dat bedrag moest volstaan om drie weken vakantie te vieren. Zo niet, dan zouden we wel wat werk zien te vinden.

In een lege touringcar – onze laatste lift – reden we, via de grauwe, unheimische, streng bewaakte grenspost Edirne, Turkije binnen. De bestemming van de bus was een hotel in het centrum van Istanboel, waar Oostenrijkse vakantiegangers moesten worden opgehaald. De vraag werd al snel in gebroken Duits gesteld: willen jullie werken in het hotel? Voor kost en kamer? Groot gebrek aan personeel was een voortdurend probleem. Dat kwam goed uit. Na een nacht op een keihard bed, voorzien van niet al te schoon beddengoed (we zouden de volgende dag al ontdekken hoe dat kwam) en na ons “gewassen” te hebben onder een roestkleurig haperend straaltje (de douche was nu nog kapot, maar morgen was er misschien weer warm water) togen we na een ontbijtje van brood en jam aan het werk. Bedden afhalen en de lakens opstrijken. Heel goor werk, omdat ze van het bed rechtstreeks op de strijkplank belandden; de gasten hadden leuke nachten gehad. ’s Avonds schonken we, in de bar op het dak, biertjes in voor luidkeels van heimwee zingende Oostenrijkers.

Als er overdag plaats was bij een excursie, mochten we mee. Zo kwamen we onder andere in het Topkapi museum en zagen we de Blauwe Moskee en de Aya Sophia. We struinden door smalle steegjes. Aaiden schurftige katten. Zagen wat armoede was. Op de bazaar genoten we van geluiden, geuren en kleuren en lieten ons de maat nemen. Nog steeds moet ik daar bij een aardige kleermaker een groen leren jasje ophalen………

Toch wilden we verder. Het werk werd vervelend. Het personeel was heel aardig, maar ook wel wat opdringerig. De koks, Ali en Mehmet, stopten ons voortdurend vol met lekkere hapjes; zij vonden ons veel te mager. Maar we kregen er toch genoeg van. We wilden meer zien van het land. We hadden nog maar twee weken. Daarna zou ik me moeten gaan voorbereiden op mijn eerste baan voor de klas.

Naar Izmir, was het plan. Het was niet moeilijk om een lift te krijgen, integendeel, de ritjes werden ons vaak opgedrongen. Dat kwam natuurlijk ook goed uit, maar voor ons hoefde het ook weer niet al te snel, we wilden eerst deze bijzondere ervaring verwerken.
We reden in relaxt tempo met ezelskarren, sukkelden over de weg in stokoude taxi’s, brachten zelfs een nacht door in een gammele lijnbus, toen die er na uren hikken en rammelen mee ophield. We werden uit een vrachtwagen gezet toen de bestuurders gingen proberen hun kapotte vehikel weer aan de praat te krijgen, maar werden direct opgepikt door een rijke, beringde Turk in een snelle luxe auto.

We hadden enorm genoten van ons avontuurlijke verblijf in Istanboel. We hadden kennis gemaakt met vriendelijke mensen. We hadden ons vergaapt aan de prachtige oude moskeeën. We hadden nieuwe gerechten geproefd. Niet allemaal even smakelijk (de schapendarmensoep had wat mij betreft niet per se gehoeven, maar nee zeggen tegen de uitnodiging zou vreselijk onbeleefd zijn geweest.) We dronken heerlijke zoete thee uit met goud versierde glaasjes. En daarbij aten we simit, kleine ronde broodringen met sesamzaad.

Laatst las ik ergens dat Tayyip Erdogan als dertienjarig jochie in Istanboel straatventer was. Dat hij precies in de tijd dat wij daar waren achter een glazen karretje gevuld met simit over de hobbelige straten liep. Dat hij daarmee een poging deed zijn arme ouders te helpen.
Nog steeds vraag ik mij af, of we niet heel toevallig bij hem……. Het zou inderdaad wel heel toevallig zijn.
Het lijkt nu wel, dat hij enorm zijn best doet om zijn armoedige jeugd en wat niet al, te overschreeuwen. Als je goed kijkt, zie je het straatvechtertje van toen. Klaarblijkelijk heeft hij niet geleerd, dat schreeuwen en op die manier je verhaal halen meestal averechts werkt. Dat je hiermee naast vrienden ook vijanden maakt. Ik hoop dat hij nog tot inzicht en inkeer komt.
Misschien zou het helpen als iemand samen met hem een glas thee zou drinken. En hem zou trakteren op simit. Dat ze zouden zeggen: “Weet je nog?” Wie weet………………….
————————————————————————————————
‘Naar Turkije’ wordt vervolgd.

(Ik heb hiermee niet de bedoeling een politiek statement te maken. Het wordt een reisverhaal, maar het gegeven diende zich aan.)

Gelokt

Het kind leidde de man aan de hand naar buiten. Het kleine knuistje voelde warm aan. De hete, droge lucht benam hem bijna de adem. Hoe lang was hij niet buiten geweest? Hij schudde zijn hoofd. Hij wilde niet denken aan die lange dagen in de kerker. De kleine jongen naast hem neuriede een drietonig deuntje. Hij kreeg zin om mee te doen. Om zich een te voelen met dit kind. Hij had een zoon kunnen hebben, als hij niet zo onberekenbaar was geweest. Als hij zich gewoon had gehouden aan wat God van hem had gevraagd.

Dienstbaar had hij moeten zijn. Dat was hem zwaar gevallen. Hij de vrijbuiter, die zich door niets en niemand liet tegenhouden. Die het recht in eigen hand nam. De sterke, niet bang voor een leeuw als die op zijn pad kwam. Een lichtend voorbeeld? Zijn naam, de zongelijkende, zou het doen vermoeden. Hoe het niet moest, dat had hij de wereld getoond. Blind voor de juiste weg. Zo blind als hij vandaag in werkelijkheid was.

De kleine jongen zei iets tegen hem. Hij boog zich naar hem toe en fluisterde: ”Het is goed jongen, breng me ergens waar ik wat steun heb.” Het plein voor de tempel was vol feestende Filistijnen. Geroep, geschreeuw, gelach. De klim was zwaarder geweest dan hij vroeger ooit had kunnen denken. Vroeger. Hij leunde tegen een pilaar en liet de zon zijn gezicht beschijnen. Beneden hem lag het land waar hij zo vaak doorheen was getrokken. Waar hij honing vond, toen hij op weg was naar zijn eigen bruiloft. Waar hij vossen met brandende fakkels aan hun staart doorheen had gejaagd. Waar hij duizend man versloeg met alleen een ezelskaak. Zijn gedachten gingen met hem op de loop.

De soldaat die zijn boeien losmaakte, schamperde: “Die mooie vriendin van je heeft je toch maar mooi te grazen genomen. Jij speelt niks meer klaar”, en hij smeet de kettingen voor zijn voeten op de grond.

De schande die over hem was gekomen- hij wilde het liever vergeten. Hij had zich zijn grote geheim laten ontfutselen. Zonder zijn lange, nooit geknipte lokken was hij geen cent meer waard geweest. De snelheid waarmee hij werd overmeesterd, verbaasde hem nog altijd.

Vertwijfeld haalde hij zijn handen door zijn enigszins gegroeide haardos. O God, wat zou ik ze dit alles nog eens betaald willen zetten. Had ik toch maar voor even mijn kracht terug.

Hij voelde een tikje tegen zijn been. De kleine jongen bracht hem een beker water. Na de eerste slok voelde hij een vreemde siddering door zijn lichaam gaan. Het was zover. “Jongen”, riep hij, “ren voor je leven. Hier gaan vreselijke dingen gebeuren!” Toen hij geen voetstappen meer hoorde, richtte hij zich op tussen twee pilaren. Met alle kracht die in hem was, drukte Simson ze uit elkaar.

————————————————————————————————

Meer verhalen geïnspireerd door de bijbel:

De verloren zoon http://wp.me/p36K0e-J3
Gezegend ben je…. http://wp.me/p36K0e-HZ
Exodus http://wp.me/s36K0e-exodus
Wijsheid door moederliefde http://wp.me/p36K0e-En
Het slappe handje van Adam http://wp.me/p36K0e-BB
Geheel volgens blauwdruk http://wp.me/p36K0e-wt
Het lot http://wp.me/p36K0e-pS
Panta Rhei http://wp.me/p36K0e-p4
Overstag http://wp.me/s36K0e-overstag

Schaduwrijk

Hij ligt er weer, de geurende, dampende, zwarte berg compost. Iedereen op het tuincomplex weet dat vanaf vandaag het tuinseizoen echt begonnen is. Natuurlijk is er al veel werk verzet. Er is gespit, geharkt, gesnoeid. Maar dit is het ultieme sein. Vanaf nu keert alles zich weer ten goede. We zien de bloesem al als roze-witte vlinders aan de fruitbomen, de kapucijners zich wentelen rond de stok, de tomaten kleurend van groen naar rood. Wel moet er nog even hard gewerkt worden, want het is de bedoeling dat de vruchtbare grond over de tuin wordt verspreid.

Een kruiwagen vol scheppen, het pad over, het bruggetje ‘nemen’, nog een pad, een bocht ronden en dan kan het zwarte goud gestort worden. En dit ritueel herhaalt zich. Na een paar uur en zo’n drie kilometer in de benen, liggen er twaalf hoopjes te dampen op de vers gespitte aarde. Heerlijk. Het geeft ons een uiterst tevreden gevoel.

Het zware werk wordt verlicht door de praatjes die je hier en daar maakt. Je rust even, je wisselt wat uit, een kwinkslag hier en daar. Het prachtige weer is vol beloften. De warme zon doet de geplaagde rug goed.

En toch. Hoe gezellig het ook is, hoe hard er ook wordt gewerkt, hoeveel grappen er ook worden gemaakt, en ondanks het vrolijke zonnige weer, toch is elke tuinder zich bewust van de schaduw die er over deze dagen hangt.

Tuinder E die een paar weken geleden plotseling overleed laat letterlijk een gat vallen in de gesloten tuinenrij. Niemand kan het nog bevatten. Zo’n sterke man, zo vriendelijk. Een tuinder in hart en nieren. Alles op zijn tuin was altijd keurig in orde; op tijd gespit, gezaaid, gewied. Het was dus bijna logisch dat als tegenprestatie zijn fruitbomen in bloei stonden, afgelopen herfst.

De twaalf hoopjes compost, die op zijn nog onlangs gespitte grond een beetje misplaatst liggen te zijn, hebben medetuinders daar gebracht. De tuin zal snel weer verhuurd worden.
Voor zijn dochter, die even verderop een tuin heeft, is het confronterend om steeds langs de lege tuin te lopen. Ze doet het. Ze houdt zich goed. Ze is sterk.

Tuinder A die normaal gesproken opgewekt en vrolijk aan het werk is, is nu stil en ernstig. Hij heeft een paar weken geleden afscheid moeten nemen van zijn vrouw. Voorgoed. Zij was ook de zus van tuinder D., die pas sinds januari een tuin heeft. We kennen hem nog niet zo goed, maar toch merken we ook de stilte rond hem op, terwijl hij bezig is een stuk zwarte, enigszins verwaarloosde grond om te toveren tot een mooie moestuin.

We missen tuinder W nu al een paar dagen. Dat is vreemd; hij is er bijna altijd. Tuinieren zit hem in het bloed, al veertig jaar. Net als E is hij een gedreven tuinder en een markante persoonlijkheid. Dat zijn ze trouwens allemaal, de oude bazen die al zo lang lid zijn van de vereniging. Later die dag wordt ons duidelijk waarom hij verstek laat gaan: zijn oudste zoon, in de bloei van zijn leven, is deze week overleden. W’s kruiwagen, nog vol compost, staat eenzaam te wachten bij het hek. Halsoverkop vertrokken…..

Het noodlot heeft de touwtjes in handen. In anderhalve maand drie sterfgevallen.
We weten het: de dood hoort bij het leven. Maar we worden nu stevig in ons nekvel gegrepen en met de neus op de feiten gedrukt.
Wat een verdriet heerst er op de tuin. We zijn er allemaal stil van. Bij sommigen rijt dit alles oude wonden open.

Dan laat plotseling de eerste de grutto zijn vrolijke roep horen. Hij heeft zijn prestatie geleverd en zal straks gaan nestelen in de Zaanse weilanden. De natuur gaat zijn gang. Zo is het nu eenmaal.
Aan de treurwilg verschijnen de eerste blaadjes.

Stil genieten

De stilte was oorverdovend. Zo’n gewone uitdrukking. Maar soms voelt het toch echt zo. ‘Soms’ was de woensdag na de logeerpartij van mijn drie kleinkinderen in hun voorjaarsvakantie.

Terwijl ik de knutselspullen bij elkaar zocht en ze daarna met monopoly en damspel naar de logeerkamer bracht, miste ik de gezellige gesprekken. De enthousiaste uitroepen, de lieve vragen: “Hé oom, mag ik…..?”, en dan moet het wel een heel gek voorstel zijn, wil ik er geen toestemming voor geven. De pop baden in de afwasteil? Natuurlijk! ‘Melk’ maken van maïzena en water voor in de fles van de pop? Ook dat is goed. Koekjes bakken? Gezellig. Nóg een aflevering van Buurman en Buurman? Van de familie van der Ploeg? Vanzelfsprekend. Een half uur ‘op de tablet’? Ja hoor. Een vierde potje monopoly? Graag. Een kleurplaat uitprinten? Ga je gang, je weet hoe het werkt.
Zo verliepen er twee heerlijke dagen.

Ook de uitdrukking ‘stille getuigen’, is nogal belegen en versleten. Maar dit keer kwam ik er zoveel tegen; kleine getuigen van kleine gebeurtenissen.

Een druppel ‘hele goeie’ haargel op de badkamerspiegel.
Drie washandjes gebroederlijk naast elkaar op de radiator.
Drie lege tandenborstelbekers.
Een gekraakte, maar niet opgegeten walnoot in de schaal.
Een Pokémonkaart onder een hoofdkussen.
De ‘bijzondere’ schelp waar ineens een klein stukje van af is. Net als van de neus van het spekstenen nijlpaardje.
De nog nadruppende pop die in de keuken op de radiator zit op een stapeltje keukenpapier.
De lege verpakking van de maïzena in de keukenkast.
Een tictacje op de vloer voor de achterbank in de auto. In gedachten hoor ik de vraag: “Hoeveel mag je er?” De vraag die alleen gesteld wordt door kleindochter. De jongens houden zich bezig met de vraag wie er (eerlijk) aan de beurt is om het doosje open te maken en de snoepjes uit te delen. Ieder twee!
Een per ongeluk in de auto achtergelaten knuffeltje. Heel zielig natuurlijk. Zowel voor het knuffeltje als voor de liefhebbende eigenaresse.
Maar het mooiste en het liefste vind ik de tekst op het whiteboard in de keuken. Geschreven met een bijna lege stift, maar daarom niet minder dierbaar. Ik maak een foto…..

…… en dan pak ik de stofzuiger en zuig de restjes anijshagel op.

Dire Straits *)

Het onvermijdelijke is gebeurd. Veel te snel (maar wie zijn wij om daar een oordeel over te hebben) keerde hij terug naar… ja, wie weet waarheen. Een ruime maand geleden zag ik hen voor het laatst samen. Toen schreef ik onderstaande tekst, maar twijfelde of ik het zou plaatsen.
Uiteindelijk doe ik dat nu toch. Uit eerbetoon aan een bijzonder mens.

schuim

In het nauw

Hij ziet er zo oud uit
Als hij niet meer zal worden
Het grijze haar verzorgd
Achterover gekamd

Toch nog een kwinkslag
Want hoe ernstig ook de situatie
Zijn humor verlaat hem niet

Zo kort geleden nog
In de warmte van de late nazomer
De wijn fonkelend in onze glazen
Klonken wij drieën op het leven
Wat wisten wij van Ispahaan

Straks weet ik eindelijk hoe het is
Zegt hij zonder een spoortje angst
Geen boosheid ook
Hij heeft zich al zo lang voorbereid
Op het onvermijdelijk menselijk lot
Zijn Private Investigations

Straks is samen voorbij
Zij zijn het zich bewust
In hun ogen wijlt verdriet
Om wat niet meer zal zijn
En zachte glans als zij spreken
Over hun herinneringen
Van kort en lang geleden
Berusting toont de ingekeerde blik
En rotsvast vertrouwen in elkaar
Love Over Gold

Eenmaal weer thuis is de enige optie
Het aansteken van een kaars
En het draaien van de muziek
Die hij me leerde kennen
In de dagen van weleer

Toen we dachten
Dat er nooit een einde kwam
Aan voor de vuist weg leven

*) Dire straits: Je in een moeilijke situatie bevinden, in het nauw zitten

Zo zie je maar

hemelsleutel-sneeuw

Wat is het toch
Dat ons doet smelten voor sneeuw

Het is een koud goedje
Maakt de wegen spekglad
Dooi geeft blubberzooi
Door wind opgejaagde vlokken
Belemmeren het zicht

Zouden wij dag in dag uit
Met sneeuw moeten leven
Wij hadden er geen woorden voor

Toch is het maar zelden
Dat er een goed dik knerpend wit pak
Over het land wordt gevlokt

Je moet er wel van houden
Zo niet van de koude witheid
Dan toch van de
Door tientallen vogelvoetjes
Omgewoelde sneeuw
Bij de zojuist gevulde voerbak

Of van de alpinootjes
Waarmee de skeletjes van de hemelsleutel
Troostend worden getooid

En als inspiratie
Voor een wintergedicht
Is die zogenaamde witte wereld
Eveneens niet te versmaden

Rijstebrij en gebak

den-haag

Het was een sombere, koude februaridag. Mijn broer en ik kwamen uit school. Zaterdagmiddag, we hadden vrij. Ook mijn vader kwam thuis uit zijn werk. We aten soep en als toetje mijn lievelingsgerecht: rijst met krenten, met boter, suiker en kaneel. Ik maakte zorgvuldig een bergje op mijn bord en drukte er met mijn lepel een kuiltje in, waarin de boter tot een plasje smolt. Ik at langzaam. De suiker knerste tussen mijn tanden, de geur van kaneel drong mijn neus binnen. Deze rijstebrijberg was voor mij altijd al luilekkerland. Maar toch stelde ik me voor, dat wanneer ik me door de berg heen had gegeten, er iets leuks zou gebeuren.

“Jongens”, zei mijn vader na het eten, “ik lees eerst de krant en daarna gaan we op bezoek bij een collega.” Ik keek op van mijn tekening. Een collega. Wat moest ik me daarbij voorstellen. Voor ik het woordje ‘waarom’ had kunnen formuleren, zei mijn vader: “Hij is jarig. Vandaar.” Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Alsof we naar alle verjaardagen van alle collega’s gingen. Ik voelde dat er iets aan de hand was, maar zei niets. Dit was niet het leuke, waarop ik had gehoopt, dat voelde ik wel. Ik wou maar dat we gingen, dan was dat unheimische gevoel misschien over.

We reden de stad in. Mijn broer bij vader achterop, ik ernaast op mijn nieuwe tweedehands fiets. Ik moest goed opletten dat ik niet in de tramrails terecht kwam. Na een goed kwartier stapten we af voor een huis in een smalle straat. Rechts naast de voordeur was een lege winkel. Er stond een herenfiets in. En een stapel oude dozen. Een gescheurd groen gordijn lag in een hoekje op de grond. “De winkel van zijn ouders,” zei mijn vader zacht. “Zijn die dood?”, vroeg mijn broer. Mijn vader knikte en keerde zich naar de deur, die openging. Voor ons stond een vrij lange man in een enigszins versleten, bruin kostuum. Het donkerblonde haar was met brylcream in model gebracht. Hij glimlachte. “Kom verder. Hang je jas maar op.” De kilte in de gang deed me huiveren. De woonkamer stond vol donkere meubels met bruin-gestreepte bekleding. Op het ronde tafeltje lag een wit gehaakt kleedje. In het midden een overvolle asbak. “Alsjeblieft, Johan, je cadeau”, zei mijn vader terwijl hij hem een mooi ingepakte doos sigaren overhandigde.

Er werd thee geserveerd en heerlijke gebakjes, met crème, groene marsepein en zilveren balletjes. Op de een of andere manier kon ik er niet van genieten. Er hing zo’n sfeer van treurnis om hem heen. Jarig zijn in je eentje. Alleen wij op bezoek, een collega en zijn kinderen. En mijn broer en ik kenden hem niet eens. Was hij zielig? Ik besloot van wel. Toen ik naar het toilet ging, loerde ik door een deur, die op een kiertje openstond. Een kamer zonder ramen met in het midden een grote eettafel en vier stoelen met oranje bekleding. Voor hem alleen. Ik wilde de volgende deur opendoen, maar durfde niet en ging terug naar de zitkamer. In de tuin zag ik sneeuwklokjes bloeien. “Vind je ze mooi? Je mag wel wat plukken.”

Op de terugweg keek ik naar de tere witte bloemen die ik in de opening achter mijn voorlamp had gestoken. Lenteboden, had ik op school geleerd. We mochten blij zijn dat het weer voorjaar werd.
Toch hebben sneeuwklokjes met hun hangende kopjes voor mij sindsdien ook altijd iets treurigs.

Soms moet ik nog wel eens denken aan deze ontmoeting. Zoals vandaag. Dan vraag ik me af of Johan het geluk ooit nog heeft gevonden.

————————————————————————————————

De foto komt van het internet.

Wintergloed

wintergloed

De zon zakt langzaam
Achter de kale bomen van de begraafplaats
Boven de tuintjes stijgt de damp omhoog
Alle tuinders zijn al naar huis

Ik boen spa en hark schoon
En zet ze in het hoekje van de kas
Een voldaan gevoel
Gespit, geharkt, gesnoeid
Niet eerder leek het zomer in december

Ik stamp dikke klonten aarde
Van mijn schoenen
Met een paar prachtige pastinaken
Loop ik trots naar mijn fiets

In een laatste zonnestraal
Licht de verdorde hemelsleutel op
Wintergloed
Geluk op de vierkante meter

Verwondering in de Zaanstreek

dsc04991
Na de mooie tv-serie Tuinen van Verwondering, wordt het hoog tijd voor een serie blogjes over de bijzondere tuinen in mijn eigen omgeving. Natuurlijk, maar helaas, zijn er in dit Zaanse gebied geen tuinen van enorme afmetingen te vinden, maar in het klein valt er veel te genieten. En er is genoeg om je over te verwonderen.

Haaldersbroek is zo’n karakteristieke plek. Hier vind je oude (maar ook nieuwe) Zaanse huizen, een oud schoolgebouwtje – nu woonhuis – en een enkele kleine boerderij. Een daarvan bezocht ik in de jaren tachtig met enige regelmaat. Hier bevond zich namelijk galerie Bramkha, door Jan Kees Vergouw opgericht in 1984. De naam herinnert aan zijn vader, Abraham Vergouw, een niet onverdienstelijk schilder en beeldhouwer, die de laatste jaren van zijn leven werkte in het atelier van zijn zoon. Vele (Zaanse) kunstenaars werden hier in de gelegenheid gesteld hun werk te tonen. Op de zondagmiddagen was het bezoeken van de exposities een leuk uitje, dat ik vooral met Ina ondernam.

Dit is al lang verleden tijd. Ina is gestorven en in 1992 sloot de galerie zijn deuren. De naam ‘Bramkha’ (Brams plek) zal niet veel mensen meer wat zeggen.

Toch is gelukkig niet alles verdwenen; de beeldentuin, naast het huis, is nog volledig intact. Als eerbetoon van Jan Kees Vergouw aan zijn vader. Hoe vaak ik er ook langskom op mijn wandelingen, hoe vertrouwd de plek ook is, het verveelt nooit. In alle seizoenen, alle weersomstandigheden, op de verschillende momenten van de dag, steeds weer ziet de tuin er anders uit. De betonnen beelden blijven boeien. De tijd doet hen goed.

dsc04396

En toch lijkt het steeds weer dat de tijd stilstaat: het gras groeit, de bomen botten uit, dor blad dwarrelt her en der – stoïcijns houden de beelden op hun eigen plek de blik van de bezoeker gevangen. Streng en speels. Een organisch geheel. Al meer dan veertig jaar.

dsc04399

Zo ook vandaag. Ik scheur mij los. Al filosoferend sla ik linksaf. Langs weiden en water. Hier liggen de woonboten, aan tot kleine paradijsjes vertroetelde tuintjes. Ook hier valt het blad. Dat wat verscholen was, komt genadeloos aan het licht. En zo sta ik dan plotseling oog in oog met een uit de kluiten gewassen voorwerp, dat ik maar al te goed ken.

kaasschaaf

Met een vette grijns en in opperste verwondering vervolg ik mijn weg.

Gelijke munt

img206

Dus het zijn vrouwen
Van middelbare leeftijd
Ik kijk haar niet begrijpend aan
Je dochters, verduidelijkt ze
In de veertig toch

Ja maar
Alles in mij protesteert
Eergisteren nog legde ik ze in de wieg
Onder een zachte wollen deken
Gisteren bracht ik ze naar school
En nu, vandaag
Zijn het mooie jonge vrouwen
Die hun kinderen opvoeden

Natuurlijk
Ze zijn een jaartje ouder
Kleine fijne rimpeltjes accentueren
De schoonheid van hun zachte huid

Ik zie ze nog als de kleine meisjes
Bij wie ik net de papillotten voorzichtig
Heb losgeknoopt

De tijd neemt een loopje
Met het argeloos geheugen

In de veertig…
Ja, zeg ik
Net als jouw zoons
Toch?