Exodus

img033Ik zie ze gaan. In groten getale spoeden ze zich in noordelijke richting. Huizen leeg achterlatend. Hier en daar wat sporen, verloren huisraad. Een deur klapperend in de met bloed besmeurde deurpost. Gefluister. Kinderen op de arm. Dieren in het kielzog. Snel. De grote leider voorop. Vastberaden blik, staf in de hand. Opvliegend ook. Ik heb hem al eerder gezien. Hij sloeg iemand van mijn volk tegen de vlakte. Dood. Zo iemand. Zal zijn volk op hem vertrouwen?

Ik zit op mijn paard en wacht. Ik weet dat het niet lang zal duren voor de reactie volgt. Het lot van de vluchtelingen is bezegeld.
Waarom ik niet in de stad ben gebleven? Het is vreselijk. Het gehuil en gejammer is niet van de lucht. Ieder gezin heeft wel iemand te betreuren. Alle eerstgeborenen dood. Ik ben de jongste, gelukkig.

Een stofwolk in de verte: het leger. In de verwarring hebben ze me niet gemist. Ik sluit achteraan. Ik wil erbij zijn, maar niet deelnemen. Ik zal boodschapper zijn. Iemand moet toch verslag doen?
Strijdwagens. Paarden krijgen ervan langs. Verbeten blikken. Tranen? Woede! Ze zullen niet ontsnappen! Boeten zullen ze!

Ik leid mijn paard een heuvel op. Ik heb goed zicht. De vluchtelingen staan voor de zee. Dat wordt vechten. Kansloos zijn ze. Maar wat nu? De leider heft zijn staf. De zee wijkt uiteen; een pad wordt zichtbaar tussen twee torenhoge muren van water. Daar gaan ze. Rennend, struikelend.

Ook de wagens razen over het pad. Maar waar de wielen de grond raken, stort het water terug, met donderend geraas.
Het is afgelopen. De mannen van mijn volk verdrinken, die stoere soldaten. De prachtige paarden, reddeloos verloren. De vluchtelingen hebben het gered.

Ik kijk. Ik weet. Dit volk zal eeuwigdurend worden vervolgd. Alleen de sterken van geest zullen overleven. Zij zullen het tot in lengte van dagen kunnen navertellen.

——————————————————————————————————————-

Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin je het woord waar het om gaat niet mag noemen. Deze keer was het verboden woord: verdelen.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Het goede doel

20150519_195937

“Mevrouw…” Ik stap van mijn fiets bij het stoplicht en kijk opzij. Een jongetje van een jaar of acht staat op de vluchtheuvel te midden van een heleboel troep. Hij kijkt me met zijn grote grijsblauwe ogen ernstig aan en vraagt, terwijl hij een verlepte stengel van een kamerplant als een vlag omhoog houdt: “Wilt u misschien iets kopen?” Ik zit niet direct te springen om een geroest tuinschepje, een uitgeharde meniekwast, wat oude schroeven, een afgedankte spijkerbroek of een verdroogde kamerplant. Hij ziet dat ik aarzel, dus hij besluit wat zwaarder geschut in stelling te brengen. “We halen geld op voor Azië, voor de aardbeving.” ‘We’, dat blijken hij en zijn vriendje. Ze verkopen allebei spullen voor het goede doel. “Het is heel erg daar. Dat heb ik op school gehoord, dus we dachten…..” “Is het een actie van school?” Ik haal mijn portemonnee tevoorschijn. “Ja”, zegt hij hoopvol, “de hele school doet eraan mee.” Ik zeg hem dat ik niets nodig heb, maar hem gewoon wat geld geef. Dat ik het een erg goede actie van hem vind.

Terwijl hij het muntje dankbaar in ontvangst neemt, komt er een vrouw aanlopen. “Wat is dit? Wat ben jij aan het doen?”, vraagt zij hem. En mij: “Waarom geeft u hem geld?” Allebei willen we graag uitleggen wat er aan de hand is. Hij begint en vertelt van de actie voor Azië. “We hadden het erover met Nieuwsbegrip.” En ik: “Het is geweldig dat hij zo betrokken is. Daarom gaf ik wat. En ik heb niet echt iets nodig uit het aanbod…..” De vrouw schiet in de lach. Ze is zijn moeder. Zijn vader is schilder en werkt vlakbij. Daar waar die container staat, achter het hek. De uitgestalde spullen had hij daar vandaan. Nu snap ik die oude kwast en de besmeurde spijkerbroek. Vader komt erbij staan en wordt op de hoogte gesteld. Drie paar ogen kijken vertederd naar het kleine mannetje. “Kom”, zegt moeder, “we gaan naar huis, eten.” En mij verzekert ze dat ze erop zal toezien dat het geld op school in de pot zal gaan. Voor Nepal. De oude spullen verdwijnen weer in de container. Met elkaar zullen ze een andere, schonere actie bedenken.

Ik fiets naar huis met een grote glimlach op mijn gezicht. Er is nog hoop voor de wereld.

Mijn lachspiegel

5

Ik maak mijn beeld van jou
Aarde en water kneed ik
Tot een gewillige substantie
En zo boetseer ik jou al jaren
Tot wie ik denk dat je bent
Een kleine god
In de holte van het spiegelend heelal

En als jij lacht
Lach ik
Ik lach me tranen om het lot
En houd mijn adem in

Op lichte voeten dans ik
Spring zo hoog ik kan
En strek mijn armen uit

Ik had je voor de vogels graag behoed
O laat ze toch geen
Nesten maken

Kijk in mijn ogen
Spiegel mij
En lach

——————————————————————————————————————-

Het beeld: MIJN LACHSPIEGEL (1998) van Hella de Jonge staat in de hal van het Zaantheater in Zaandam.

Zaantheater

Waterlicht, een waar sprookje

20150513_220158

Een goed jaar geleden maakte ik voor het eerst kennis met het werk van Daan Roosegaarde. Op de televisie kreeg hij de gelegenheid zijn Lotus-Dome te presenteren en de werking ervan toe te lichten. Toen bleek dat het Rijksmuseum hem de gelegenheid bood de Dome tentoon te stellen, hoefde ik er niet lang over na te denken: dit wilde ik graag zien en meer nog, ervaren.

DSC09187

Fascinerend vond ik het. De donkere ruimte werd bijna geheel in beslag genomen door de enorme bol, voorzien van honderden bloemen van een speciaal door studio Roosegaarde ontwikkelde folie. Door de warmte die de bezoekers uitstraalden, gingen deze bloemen open en licht vulde de zaal. Het was moeilijk om je ervan los te maken. Het licht, het knisperende geluid, het geheimzinnige van de entourage. Een sprookjesachtig geheel. Nog twee keer ben ik teruggegaan naar het Rijks; alle keren was het even bijzonder.

Eind van dat jaar werd er door zijn studio het oplichtende fietspad in Nuenen gerealiseerd. Sterrelicht gevangen in asfalt, geïnspireerd door Van Gogh. Dit in het echt te zien staat nog op mijn verlanglijstje.

20150513_215403

Maar nu was er dicht bij huis weer een gelegenheid om binnen te stappen in een sprookjeswereld. ‘Waterlicht’, een gigantische installatie op het Museumplein in Amsterdam. De gedachte hierachter is de kwetsbaarheid van ons land. Zonder dijken zou Nederland voor een groot deel onder water staan (iedereen kent in dit verband waarschijnlijk wel de uitdrukking Amersfoort aan Zee). Wij in het westen leven onder de zeespiegel. Daan Roosegaarde verzon zijn zoveelste sprookje. Door middel van blauw licht en rook kreeg hij het voor elkaar ons te laten ervaren hoe hoog het water zou staan. Hoe het zou golven en ons overspoelen.

20150513_215150

De zon was nog maar amper onder, toen het spektakel losbarstte. Prachtig was het, indrukwekkend mooi. Naarmate de avond vorderde, liep het plein voller. Honderden telefoons maakten duizenden foto’s. Iedereen was vrolijk, opgetogen, geïnteresseerd.
Het was heerlijk om er gewoon maar te staan tussen al die mensen. Het letterlijk over je heen te laten komen. Zelfs wanneer je je realiseerde dat het licht het water verbeeldde, waaronder wij gevangen zaten, dan nog was het een vredig en rustgevend gevoel.

20150513_215007

In de verte het Rijksmuseum, als een sprookjeskasteel. De huizen langs het plein leken hoger dan ooit. Een weldadig geroezemoes, gegons van stemmen.

Het was hem weer gelukt. Weer wist Daan Roosegaarde ons even uit ons gewone gedoetje op te tillen en te laten geloven in het sprookje van de verbeelding. Ik ben nu al benieuwd naar het volgende.

Holland op z’n mooist

DSC00744

Het landschap van mijn jeugd
Weiland water wolkenlucht
In het hoge gras tussen pinksterbloemen
De wereld zien voorbijtrekken
In vlokkig wit tegen hemelsblauw

Hangen tegen het ruwe hek
Staren naar lome zwartbonte koeien
Scheurend geluid van afgerukt gras
Dotters en lissen tussen het riet
En o, die jubelende leeuwerik

Dank Anton, Jacob, Willem en Matthijs
Het landschap vredig weergegeven
Wolkenlucht en water
Koeien onder bomen in gebloemde weiden
En pootjebadend in ondiepe slootjes

Door eeuwige westenwind
Geboetseerde wilgen
Boerinnen met rokken en schorten
Op blank geschuurde klompen
Over modderige paden
Kinderen aan de hand

Hollands landschap
Zoals mijn vader het graag zag
Zie je dit pa? Weet je nog?

——————————————————————————————————————-

Holland op z’n mooist: een schitterende tentoonstelling in Het Gemeentemuseum in Den Haag.

Wijsheid door moederliefde

img029Ze werd met een schok wakker. Er was iets. Ze keek naast zich. Daar lag haar prachtige jongetje. Heel stil. Te stil. Te bleek. Ze hield haar vinger onder het neusje. Niets. Geen zuchtje. Ze aaide het over de wangen. Koud. In het zachte schijnsel van het olielampje zag ze zijn bleke gezichtje. De paniek sloeg toe. Haar kind! Haar trots! Levenloos lag hij in haar armen.

Grote schaduwen bewogen op de muur toen ze voorzichtig overeind kwam. Haar kamergenote was vast in slaap. Het kindje naast haar onder de deken.

Zachtjes sloop ze naar haar toe. Het kind in haar armen woog zwaar. Ze legde het snel neer en nam het warme, blozende, ademende kind op. Haar bed was nog warm toen ze zich samen met het kind te ruste legde. Haar hart bonkte. Was het verkeerd wat ze deed? Natuurlijk was het verkeerd. Het hoefde niet uit te komen; niemand had iets gemerkt. En bovendien: ze zou zo ontzettend goed voor dit kind zorgen.

Voor de tweede keer die nacht kreeg een moeder de schrik van haar leven. Doodse stilte. Een intense kou. Geen beweging. Maar, was dit stille, tere, bleke wezentje haar zoon?

De man op de troon bad om wijsheid. Had hij ooit eerder over dood en leven moeten beslissen? Van wie was het levende kind? Hij verhief zijn stem. “Dus jullie beweren beide dat het dode kind de ander toebehoort? Breng mij een zwaard!”, echode het door de zaal.
Hij keek naar het door beide vrouwen begeerde kind. “Ieder de helft”, beval hij. “O”, riep de moeder, “geef het haar dan maar. Laat dit kind niet ook nog sterven!” De koning wist genoeg. Tranen drupten op het gezichtje toen de vrouw haar kind teder in de armen sloot.

Zo werd Salomo’s wijsheid hem door ware moederliefde geopenbaard.

——————————————————————————————————————-
Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin je het woord waar het om gaat niet mag noemen. Deze keer was het verboden woord: verdelen.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

De ondraaglijke triestheid van het kluizenaarsbestaan

Marche

Het was halverwege de zestiger jaren en de wereld lag aan onze voeten. En we zouden het gaan maken ook, in die grote-mensen-wereld. Dat dit niet helemaal gelukt is, kan geen van ons verweten worden. Het leven liep zoals het liep. Geen schuld, geen boete. Wel veel herinneringen. En soms piept er zo maar eentje met kop en schouders boven alle andere uit. En boven de dagelijkse beslommeringen. Vandaar dit blogje.

Halverwege de zestiger jaren dus, liftten wij naar de Ardennen. Naar La Roche, om precies te zijn. Hij was daar in het bezit van een kasteeltje. Zei hij. Het bleek een aardig verzinsel. Fantasie genoeg. Het was leuk om er in rond te dwalen, in die bouwval. Maar er een weekje verblijven was absoluut geen optie. Geen nood. In een nabijgelegen dorpje kende hij iemand waar we zeker zouden kunnen overnachten. Zou het echt? Ik hoopte het vurig, want het zou niet lang meer duren voor de avond viel.

La Roche e A

We kregen een lift in een oude bestel-eend naar Marche-en-Famenne. Tot het hotel. Niet dat we daar zouden gaan overnachten. We waren liftend, tenslotte. Een vakantiebaantje leverde nou ook weer niet zo veel op. Tegenover het hotel leidde een pad vrij steil de berg op. Klimmen dus. Inmiddels wist ik waar we naar op weg waren en naar wie. En ja, na bijna een uur stug doorklimmen waren we beland op de top en zagen we de spaarzame lichtjes van Marche beneden ons. De zware geuren van bos, vermengd met die van houtvuren, drongen onze neuzen binnen. Vreemde geluiden. Een wild zwijn scharrelde voor onze voeten over het bemoste pad.

Een deur knarste open: “C’est qui?” De man in de deuropening keek ons vriendelijk aan. Toen ontdekte hij wie mijn metgezel was. Hij grijnsde, omhelsde hem, sloeg hem op zijn schouders. Het klopte, ze kenden elkaar. “Entree!” Bukkend door de lage deuropening. We kwamen in een kleine, door kaarsen verlichte ruimte. Een zweem van wierook. Boeken, veel boeken. Een oude tafel in het midden, een houten bank aan een kant, een paar wrakke stoelen aan de andere. We namen plaats. Er kwam brood op tafel, uien, worst en kaas. En goede wijn. Er werden herinneringen opgehaald; er moest een jaar worden bijgepraat. Ik deed mijn uiterste best het rappe Frans te volgen. En ja, dank zij de gedegen lessen op de HBS, lukte dat goeddeels.

Deze kleine Belg, in zijn donkere pij, had uit vrije wil het klooster verlaten om op deze onherbergzame plek zijn leven te slijten. Wat hij op zijn geweten had, is ons niet verteld. We konden er slechts naar raden. Belangrijk was het verder niet op dat moment. We hadden een goed gesprek. Hij was aardig en gastvrij. Hij bood ons zijn slaapplaats aan en overnachtte zelf op de harde bank.

De volgende ochtend stonden twee nonnen voor de deur met melk, kaas en groente. Zij zorgden ervoor dat hij niet hoefde te verhongeren en ze klommen met liefde een paar maal per maand de steile berg op om hem van proviand te voorzien. Een non zorgde wekelijks dat er verse bloemen waren in de kleine kapel, die grensde aan de kluis. Elke zondag droeg hij de mis op. Er kwam altijd wel iemand. Ook wisten de mensen de kapel te vinden om er te bidden voor genezing van de meest uiteenlopende kwalen, ziekten en gebreken. Alle wanden hingen vol met ex voto’s: krukken, houten benen, hartjes in soorten en maten, hoorapparaten, babykleertjes. Er brandden altijd kaarsen.

We beloofden nog eens terug te komen, bedankten voor de gastvrijheid en vervolgden onze weg. Vakantie vierend en overnachtend in jeugdherbergen.
De trouwkaart, die we hem een paar jaar later stuurden, kwam onverrichter zake terug. In de herfst van dat jaar gingen we poolshoogte nemen. Weer klommen we dat hele eind naar boven. De kapel was gesloten. We klopten op de deur van zijn bescheiden woning. Geen reactie.

Beneden, in het hotel wist men te vertellen dat een van de nonnen hem die zomer had gevonden in de kapel. Men had de klok slechts kort horen luiden, maar van een viering was het nooit meer gekomen. Een kort briefje maakte duidelijk wat velen al waren gaan vermoeden. Het celibaat maakt meer kapot dan de mens lief is.

Groet van de grutto

DSC00627

Om met Poehbeer te spreken
Vandaag was mijn lievelingsdag:

De magnolia even verderop
Barst stralend open in bloei
De treurwilgen langs de sloot
Hullen zich gestaag in meer teer lentegroen
De twee goudvissen in het vijvertje
Warmen zij aan zij hun rug in de zon
Een jong rood katertje ziet het
Met verbaasde amberkleurige ogen aan

Twee geraniums overleefden de winter
En krijgen verse aarde om het te vieren
De eksters rusten in de appelboom
Vol ijver bouwden zij hun nest

De narcissen op de tuintafel
Verrassen mij met hun onstuitbare bloei

Heerlijk frisse lentelucht
Voelbare warmte van de zon

Maar het meest nog is het een poeh-dag
Omdat om tien voor half drie
De eerste grutto zich opeens laat horen

Zelfs met zo’n lange vlucht in de vleugels
Valt het hem niet te zwaar om
Zijn roepnaam met kracht over ons uit te storten
We zullen het weten

Grutto grutto grutto
De lente is nu pas echt begonnen

Groots en meeslepend

DSC08555

Groots
Is leven niet groots
Zonder moeite bewegen op het ritme
Van adem en lucht en zee en golf en
Het middelpunt zoeken ik ben het middelpunt
Stralend wervelend stralen
Als wijde Spaanse rokken
De vonken uit de tijd slaan

Nooit moe en doorgaan doorgaan
En zie de wereld draait en wij en wij
Wij zijn met velen
De tijd is kort dus kom
En dans en leef en proost en drink
De borrelende helderfrisse levenswijn

Tot het einde
Een veel te vroeg einde
Aan alles
Aan leven en vrouw zijn
En moeder en dochter

Muziek toch muziek veel muziek
En woorden op maat
Laat de wereld nog een keer zien
Dat ik leefde leefde

En leef

——————————————————————————————————————-

In Memoriam voor mijn achternichtje, dat ik niet heb gekend en die (te) jong overleed. Dank zij mooie, passende woorden, beelden en muziek, heb ik haar wel een beetje leren kennen op Goede Vrijdag. Ik bewonder haar levenslust, kracht en doorzettingsvermogen. De hoeveelheid zonnebloemen was overweldigend….

De lege lijst

IMG_20150218_124651Het was niet druk in de tram. Daardoor zag ze ze liggen. Een paar leren dameshandschoenen. Snel raapte ze ze op. Wat voelde het gek aan, dat leer. Toch maar weer weggooien? Er ging een bijzondere aantrekkingskracht van uit. Wie zou ze verloren hebben? Een oudere dame, besloot ze. Die zat natuurlijk te suffen in de tram, de handschoenen op schoot. En bij het opstaan vielen ze op de grond. Misschien zou ze ze beter kunnen afgeven, maar er kwam een vreemd hebberig gevoel over haar. Nee! Dat deed ze niet. Eerlijk gevonden.

Nu lagen ze op háár schoot. Vreemd eigenlijk. Ze had niet het idee dat ze veel wogen, maar ze voelde ze wel degelijk liggen. Werktuiglijk kneep ze in de vingers. Ze voelde iets hards. Voor ze het wist liet ze een hand in de rechter handschoen glijden. Hij paste perfect. Daarna de linker, waar ze dat harde voorwerpje in had gevoeld. Terwijl de hand haar weg zocht in het duister voelde ze een ring aan haar ringvinger glijden. Het ging heel makkelijk. Een gouden ring; ze wist het direct, zonder te kijken.

Onrust maakte zich plotseling van haar meester. Struikelend over haar voeten sprong ze bij de eerste de beste halte de tram uit. Automatisch begon ze te lopen in de richting van waaruit de tram gekomen was. De buurt herkende ze niet, maar ze wist intuïtief waar ze moest zijn.

Ze wilde net aanbellen toen de deur open ging. “Daar ben je!” Op het rimpelige gezicht lag een verrukte glimlach. De oude man beduidde haar binnen te komen. Vreemde geuren drongen haar neusgaten binnen. Vreemd, maar toch vertrouwd. “Alles past, zo te zien”, zei hij, “ik verwachtte je. Een waardige vervangster voor mijn laatste overleden vrouw.”

Aan de muur zag zij, naast zeven damesportretten, een lege lijst………

——————————————————————————————————————-
Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin je het sleutelwoord niet mag noemen. Deze keer was het verboden woord: evenaren.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/