“Geachte Vergadering”

Na het vorige blogje ben ik nog verder de geschiedenis ingedoken. Het oudste notulenboek van Tuinvereniging Zaandijk is een geweldige bron van informatie. Het nu volgende jaarverslag werd gepresenteerd in februari 1944. Zware tijden.

DSC02400

Jaarverslag 1943. Tuinvereniging Zaandijk.

“Geachte Vergadering”……………….

De heer J. Kamphuis, de pas benoemde secretaris, heeft er echt zin in. Hij schrijft een jaarverslag van ruim vier dichtbeschreven kantjes, in een keurig handschrift. Maar, hij waarschuwt wel: “Veel moet U er echter niet van verwachten, want
1ste Slechts korte poos heb ik in Uw bestuur zitting.
2de Over 1943 zijn geen notulen beschikbaar waaruit ik de gebeurtenissen van dit jaar zou kunnen opduiken.
3de Er was weinig activiteit te bespeuren, de inwendige organisatie en administratie was niet overzichtelijk en zoo was het ook op de tuinen, alles stond in het teeken van verval en dat nog wel in het jaar dat de Ver. haar 5 jarig bestaan herdacht. Ook het nieuwe bestuur was gedwongen door de huidige omstandigheden, hieraan geen ruchtbaarheid te geven”

Dit schrijft hij op het moment dat de oorlog nog ruim een jaar zou gaan duren. Dat is wat wij nu natuurlijk weten, toen was het allemaal nog onbekend; een zeer onzekere periode. Daarom ook is het bijzonder dat de heer Kamphuis er zo’n positief verhaal van weet te maken.

Uit het verslag blijkt dat er een nieuw bestuur is benoemd, dat “eenparig vol goeden moed is en de zaken anders aanpakt, dan tot nu toe het geval was. Zij heeft daarbij één doel voor ogen: namelijk de vereniging sterk te maken, zoodat ook na deze oorlog haar bestaan verzekerd is.”
Of de inspanning van het bestuur van 1943 er echt toe heeft bijgedragen, is natuurlijk niet te achterhalen, maar de vereniging bloeit nog steeds!

De heer Kamphuis memoreert nog eens aan het allereerste begin, toen de gemeente Zaandijk de grond in bruikleen gaf, zodat die kon worden uitgegeven aan werklozen, die graag wilden tuinieren. Dit mede door de bemoeienis van de Stichting Werklozenzorg Koog-Zaandijk. Na enige tijd werd er behoefte gevoeld aan het oprichten van een vereniging, met statuten en een bestuur. En zo geschiedde, op 22 november 1938. “Tevens werden op die avond de prijzen uitgereikt, vanwege de Stichting, voor de best onderhouden tuinen.”….. “De goede tuinders werden met tuingereedschap beloond.” Hij noemt de namen van deze mannen en vervolgt: “Vele van deze zijn nog lid en staan wat bewerking der tuinen betreft nog aan de spits, niettegenstaande dat zij nu lange werkdagen maken. Een woord van hulde aan deze pioniers is hier zeker op haar plaats”

Dan herhaalt hij de woorden die de heer Honig (de voorzitter van de Stichting) op de oprichtingsvergadering heeft gesproken: “In de eerste plaats acht ik het de plicht van hen, die krachtens hun positie daartoe in staat zijn alles te doen wat in hun vermogen ligt om de nood ontstaan door de werkloosheid zooveel mogelijk te lenigen. Ik ben de heer Brinkman erkentelijk voor zijn waarderende woorden, doch wil hier gaarne opmerken dat in de allereerste plaats dank moet worden gebracht aan mijn medewerkers die het grootste deel der werkzaamheden voor hun rekening nemen en voor wie geen moeite te groot is.”
De conclusie van de heer Kamphuis luidt: “Mijne Heeren, mij past het niet hier iets aan toe te voegen, hier sprak een groot en nobel mensch.”

Na deze lyrische ontboezeming keert hij weer terug tot de dagelijkse gang van zaken. Er is een inkoopcommissie in het leven geroepen. Hij vindt dat hij daar weinig over kan zeggen: “…aangezien ik daar zelf deel van uit maak. Toch meen ik te kunnen zeggen dat de leden hiermee ingenomen zijn. Deze inkoopcommissie staat nog in haar kinderschoenen, maar zij hoopt in de toekomst, op nog grotere schaal, aan de wenschen van de leden tegemoet te komen.”

Hij maakt duidelijk dat het bestuur misschien wel eens wat vervelende maatregelen zal moeten doorvoeren, maar dat dit altijd in het belang van de Vereniging zal zijn. “Als laatste spreek ik de hoop uit, dat de leden in het aanstaande tuinseizoen, het bestuur alle medewerking zullen verlenen.”

Dan besluit hij vol vuur, wat zeker te maken heeft met de tijd waarin men toen leefde: “….Dat de geest van kameraadschap over hen vaardig zal worden en dat wij elkander beter leeren begrijpen en elkanders werk weten te waarderen. Dan kan het niet anders of de Ver. zal in dit industriecentrum haar plaats veroveren en behouden. Ik wensch u allen een voorspoedig tuinjaar toe, met tuindersgroeten……”

jaarverslag 1943

Dit was weer een aardig inkijkje in het wel en wee van onze vereniging, met postume dank aan de heer Kamphuis. Ook over het jaar 1944 schreef hij een gloedvol verslag. Dat is voor een volgende keer.

Pasen in de Eifel

img115

Een sombere dag is prima om een rommelkastje uit te mesten. Ik neem me voor om dit nu eens grondig aan te pakken. De dvd’s liggen al snel op nette stapeltjes. De fotoboeken zijn aan de beurt. Maar dan zie ik een stukje vergeeld papier uitsteken. Ik ben verkocht. Nog geen seconde later zit ik in de rode ribfluwelen stoel te gieren van de lach.

Op mijn schoot ligt een met de hand geschreven verslag van veertien kantjes van een paasvakantie in de Eifel. Meisjeshandschrift. En de taal van een meisje van zeventien. Hoogdravend af en toe, soms kinderlijk. Ze maakt veelvuldig gebruik van het woordje echter. En van taal die ze uit boeken heeft geleend: ‘het brood is hier zo hard als een bikkel. We moeten onze tanden en kiezen dubbel zo goed gebruiken als thuis.
Wat ben ik blij dat ik dit gevonden heb. Tussen de regels door geeft dit zo’n mooi beeld van het reilen en zeilen van ons gezin, eenenvijftig jaar geleden.

Via zijn werk had mijn vader voor de paasvakantie een huisje gehuurd. Tien dagen naar Duitsland. Wat waren we opgewonden, mijn broertjes en ik. Voor het eerst naar het buitenland. De bergen zien! De reis begon met een rit in een taxi. Dat was al bijzonder. ‘Daarna zeulden we vier koffers en nog wat handbagage naar het derde perron.’ We kregen te maken met situaties die nog nooit eerder waren voorgekomen: ‘…om 12.40 waren we in Venlo. Hier kwam de douane en vroeg of we iets aan te geven hadden. Nadat we verklaard hadden dat dit niet het geval was, ging hij weer verder. Om tien voor een zette de trein zich weer in beweging, richting Viersen. Hij werd nu getrokken door een stoomloc, die in Duitsland nog wel veel gebruikt worden. Dikke witte rookwolken belemmerden ons het uitzicht.’ Heerlijk!

Na een lange busrit belandden we in een huisje met ‘naar alle kanten een prachtig uitzicht.’ We wandelden, zochten fossielen, tafeltennisten, jokerden en genoten van moeders kookkunst. Af en toe leerde ik nog wat voor het HBS-examen. Een paar keer dronken we koffie in de kantine, een ongekende luxe. Zelfs kregen we een keer een mars. En een glas cola!

‘We beklommen bergen aan de noordkant.’ en ‘kerfden onze initialen en de datum in een rotswand.’ De hoogte werd nauwgezet vermeld. Het regende, het hagelde, het sneeuwde, het was zo koud dat we soms met dekens om ons heen dicht bij de kachel zaten, maar niets kon de stemming bederven.

Op een ochtend liepen we wat rond over het terrein en zagen een herder met een kudde schapen. We renden naar huis om het fototoestel te halen. Dit was het echte Duitsland. We maakten een praatje met de man. Zo oefenden we het Duits. Ook trouwens bij het boodschappen doen: ‘Alles moest in het Duits gevraagd en geantwoord worden, wat nog wel eens wat moeilijkheden gaf.’

Ik schenk een kop koffie in en lees het verslag nog een keer. Even is ons gezin als vanouds bij elkaar.

img116

Gespiegeld

DSC02442

In deze oude spiegel oefende zij haar glimlach
Tot hij gebeiteld zat en weer was op te roepen
Zodat zij al de jaren die nog zouden komen
Vol vertrouwen tegemoet kon zien

Er waren toen nog geen tv-programma’s
Maar ze was wel het mooiste meisje van de klas
Zoveel mannen had ze kunnen krijgen
Zij koos gelukkig hem, die kort daarna mijn vader werd

Toen ik nog jong was heb ik haar gekend als op de foto
Dit beeld vervloog, ik zag haar ouder worden
Mijn vader wist het nog, hij borg haar in het klein
Tussen zijn munten en zijn bankbiljetten

Van elke boodschap die hij deed, was zij getuige
Ze zag de guldens wijken voor de euro
Toen hij te oud werd om haar met zich mee te dragen
Mocht zij zijn dagen slijten in het hoekje van de spiegel

Zo gaat het immers: groeien, bloeien en versterven
De cirkel rond, het leven was hen goedgezind
Talrijke zaden zijn gevormd en uitgestrooid
Wonderschone bloesem is er uit hen voortgekomen

Nichtjes, forever

20140119_160648

De reis verloopt zonder problemen. Zo ver is het ook niet, van Den Haag naar Leiden met de trein. Het laatste stuk met de bus is vervelend. Ze voelt zich bij het instappen al misselijk. Haar broer gaat snel op de lege bank achterin zitten. Ze wil niet voor hem onderdoen en als hij haar roept, gaat ze snel naar achteren. Ze voelt zich trots dat ze het gehobbel weer weet te trotseren.

Ze kijkt uit naar het bezoek en tegelijkertijd wil ze wel weer hollend naar huis. Maar er is geen ontkomen aan. Het is oma’s verjaardag. De eerste verjaardag na opa’s dood. Ze is bang dat de tantes gaan huilen. Of, nog erger, de ooms. Toen het bericht kwam van het vreselijke ongeluk, een paar maanden geleden, had ze haar vader voor het eerst zien huilen. Ze vond het eng, terwijl ze het ook heel goed begreep.

Ze zijn er. Het is nog maar een klein stukje lopen. Haar keel zit dichtgeschroefd, ze slikt. Ze kucht en schraapt. Zo raar als ze straks alleen maar een piepend geluidje laat horen. Er is geen weg meer terug. Ze moet zich kranig houden, zoals haar andere oma altijd zegt. En dat zal ze doen. Ze haalt diep adem. Ze is twaalf, ze kan het. Dit moet een goede dag worden. Voor haar oma, voor haar vader, voor haarzelf.

Het hekje piept een beetje nu opa het niet meer smeert. Het grind knerst. Gewoon, net als altijd. Roze cyclamens in de vensterbank. De groen geverfde voordeur. Ze zijn er. Hoewel iedereen hen al heeft zien aankomen, wil haar broer toch bellen. Een flinke ruk aan de trekbel. Met een grote grijns kijkt hij haar aan. Tante Rie doet de deur open. In de gang hangt de uitgesproken geur die ze zo goed kent. Die is van de oude brugwachterswoning meeverhuisd, lijkt het wel. Zeil, boenwas, petroleum en vaag nog de geur van de stroopwafels en de borstplaat die oma zelf heeft gemaakt. Aan de kleine kapstok met het spiegeltje in het midden hangen niet veel jassen; het is een mooie zonnige dag. Zij hangen alle vijf hun zomerjas op. Het spiegeltje is niet meer te zien.

Het is vol in de kamer. Iedereen is er. De koffie geurt. Ze hoort vooral het tinkelende geluid van de lepeltjes die hun rondjes draaien in de kopjes. Iedereen een zoen. De ooms maken een grapje, zoals altijd. Dat is gelukkig nog hetzelfde. De tantes bewonderen haar nieuwe jurk: heeft mama die gemaakt? Ook dat is niet veranderd. De stemmen komen van ver. Het is net of haar hoofd vol watten zit. Alles klinkt dof. Ze kijkt de kring rond. De afstand tussen haar en de familie lijkt wel op zijn minst een kilometer. Ze is er, en ze is er niet. Ze observeert de situatie. Die enorme afstand kan ze met geen mogelijkheid overbruggen. Daar is oma, heel klein in de verte. Zal ze schreeuwen? Gefeliciteerd, oma! Hier is de tekening die ik voor u heb gemaakt!

Iemand neemt haar handen in de hare. Ze kijkt naar het gezicht dat steeds dichterbij komt. Ze kan weer focussen. Kleine haartjes op de kin. Rimpeltjes rond de ogen. Het ronde brilletje. De lieve glimlach. “Had je een mooie tekening voor me gemaakt?” Langzamerhand komt ze terug in de kleine kamer. Geroezemoes vult de ruimte. Er klinkt een gierend gelach. Opa is dood, denkt ze, en iedereen lacht. Ze voelt zich verdrietig, maar ook opgelucht. “Kom kind”, zegt oma, “in de keuken staan nog stroopwafels. Gisteren gebakken. Neem er maar eentje mee naar de tuin. De nichtjes zijn op de bleek. Ze wachten op je.”

Munch : Van Gogh, voor het laatst

img096
Het is een luxe om niet al te ver van Amsterdam te wonen. Zodra het in je hoofd opkomt, kun je de trein pakken en een museum bezoeken.

In november ga ik op een vroege zondagochtend naar het vernieuwde van Goghmuseum voor de tentoonstelling Munch : Van Gogh. De “eftelingrij” is nog niet al te lang, en met een vooraf uitgeprint toegangsbewijs moet het mogelijk zijn om snel binnen te komen. En dat lukt.

Er is een enorme hoeveelheid personeel aangetrokken om alles in goede banen te leiden. Iedereen gaat door de juiste poortjes, over de juiste trappen naar de juiste ingang. Want denk niet dat een uitgang ook ingang is! Daar zit namelijk een jongen – die natuurlijk ook maar doet wat hem is opgedragen – op een krukje mensen weg te jagen die door de openstaande deuren naar binnen willen. Stel dat je halverwege de tentoonstelling begint! Tegen de stroom in!

Ik begin dus netjes bij het begin. Mijn blik wordt direct al getrokken door twee schilderijen die ik noch aan van Gogh, noch aan Munch kan toeschrijven. Het blijken schilders die Munch hebben geïnspireerd. Ik ben verkocht. Christian Krohg en Hans Heyerdahl maken een verpletterende indruk. Kwam ik niet voor de aangekondigde schilders? Voor nota bene Munch in een Nederlands museum. Ja, maar…..

Ik scheur me los en dwing mezelf de korte film te bekijken, waarvan ik de nodige toelichting verwacht. Dat valt een beetje tegen. Over van Gogh is inmiddels redelijk veel bekend, over Munch had ik nog wel meer willen weten.
Maar als ik zijn schilderijen daarna op me laat inwerken, wordt mij toch een heel verhaal verteld. Vooral verduidelijkend is zijn schets met begeleidende tekst waaruit blijkt hoe het schilderij “De Schreeuw” is ontstaan. Een paar woorden zijn al genoeg om de sfeer van dat moment, dat uur, die dag op te roepen. En nee hoor, niet de persoon schreeuwt, het is de natuur:
Wanhoop.
Ik wandelde over de weg met twee vrienden – toen ging de zon onder. De hemel werd plotseling bloedrood en er sloeg een golf van weemoed door me heen. Ik bleef staan en leunde tegen het hek, dodelijk vermoeid. Boven de blauwzwarte fjord hingen bloed en vlammentongen. Mijn vrienden liepen verder, ik bleef trillend van angst achter – en voelde een luide, eindeloze schreeuw door de natuur gaan.

Die weemoed en wanhoop is als een roofvogel, die zich in zijn hart heeft vastgebeten, zich in zijn ziel heeft genesteld, en zijn verstand heeft verduisterd. Ook hiervan in de vitrine een schets met tekst.

Munch en Van Gogh. Ik betrap mezelf erop dat alleen de eerste mijn volledige aandacht krijgt. De beide schilders leefden voor een deel in dezelfde tijd. Ze hebben elkaar echter nooit ontmoet. Het komt op mij een beetje geforceerd over om ze expliciet ter vergelijking bij elkaar te hangen. Ook al lijden beiden aan geestelijke onrust, toch is hun werk totaal verschillend. Van Gogh schildert over het algemeen naar de natuur, voor Munch is het psych(olog)ische veel vaker het uitgangspunt. Een bekende uitspraak van hem is dan ook: “Ik schilder niet wat ik zie, maar wat ik zag!”

Hoe goed bedoeld ook, ik vind de trend die je tegenwoordig in een tal van musea aantreft, niet altijd even gelukkig gekozen. Er worden steeds weer (vermeende?) verbanden gelegd. Schilders met elkaar vergeleken, aan elkaar gekoppeld. Invloeden toegedicht, waarvan ik me soms afvraag of het wel klopt. Ik vind het vaak rommelig en moet te veel schakelen.
Uiteraard wordt de kunstenaar beïnvloed: door anderen, door de tijdgeest, door de omgeving, maar toch blijft zijn kunst heel persoonlijk en is deze niet met die van anderen te vergelijken.

Die manier van verbanden leggen, overeenkomsten of verschillen zoeken zal wel met de huidige tijd te maken hebben: alles wordt gecommuniceerd, gedeeld en becommentarieerd. Het moet lekker luchtig zijn. Iedereen moet overal over kunnen meepraten, zijn mening over kunnen ventileren. (Tja. Een beetje zoals ik nu dus ook doe…….)

Ik houd van een chronologische opbouw van een tentoonstelling, zodat je de ontwikkeling van de kunstenaar ziet aan zijn eigen werk. Ik vind het dan ook grappig op de site van het museum te lezen, dat dit ook gold voor beide schilders:
Vincent en Edvard hadden ieder voor zich grote plannen voor hun belangrijkste werken. Ze wilden ze als een samenhangend geheel laten zien, als een serie. Daardoor zouden hun schilderijen meer betekenis krijgen.

Toch heeft het Van Gogh gekozen voor een meer thematische indeling. Het zij zo.

Hans_heyerdahl_fiskergutten_1886

Gisteren realiseerde ik me ineens dat de tentoonstelling op zijn einde loopt. Nog één keer rondlopen en de verse sneeuw van Munch zien. Een schetsje maken van de roofvogel. Maar vooral….. me nog één keer verlustigen aan zijn inspiratiebronnen: Krohg en Heyerdahl. Nog één keer de jongen aandachtig naar zijn hengel zien staren. Nog één keer de uitgeputte moeder en haar vol overgave slapende, rozige baby zien. Ik kan er weer tijden tegen!

Christian_Krohg-Sovende_mor_med_barn_1883

——————————————————————————————————————-

De afbeeldingen van de schilderijen van Krohg (Slapende moeder met kind) en van Heyerdahl (Vissersjongen) komen van het internet.

Film over Edvard Munch: https://www.eyefilm.nl/film/edvard-munch?program_id=11778818

Gestrikt

20151230_105017Ze zette zich behoedzaam op een plaats bij het raam. Het was niet vol in de coupé. Met haar handtas op schoot zwaaide ze naar de man op het perron. Hij lachte en gebaarde dat ze even moest bellen als ze thuis was. Ze knikte. Het verwarde gevoel dat haar al de hele dag plaagde, verdween maar niet. Eigenlijk werd het steeds sterker. Het fluitje klonk, de trein zette zich in beweging. Ze zwaaide nog een keer. Voor het laatst? Ze wist het niet. Ze moest eens geducht bij zichzelf te rade gaan hoe ze dit aan zou pakken.

Goed, hij was weduwnaar en haar man was al jaren geleden gestorven. Wat dat betreft was er geen vuiltje aan de lucht. Maar toch. Ze had zich neergelegd bij een leven alleen. Ze zuchtte diep en maakte haar handtasje open. In het zijvakje, achter de rits, vond ze het glanzendwitte doosje. Ze haalde het eruit en deed het voorzichtig een beetje open. Daar lag het. Een kleine gouden broche. Een strikje. Het glansde in het late zonlicht. “Ik heb lang getwijfeld”, had hij gezegd, “maar ik wil je dit graag geven. Je weet toch……”

Ze staarde naar buiten. Kwam het door de laagstaande zon dat haar ogen traanden? “Vervoersbewijzen, alstublieft!” Ze overhandigde het kaartje. De conducteur keek haar vriendelijk aan. “Toch geen problemen, dame?” Ze glimlachte. Schudde haar hoofd.

Terwijl ze de weilanden langs zag flitsen probeerde ze de rondbuitelende gedachten onder controle te krijgen. Ze waren oude vrienden en kenden elkaar zo goed. Hij was charmant, aardig, vitaal. En zij, op een pijntje hier en daar na mocht zij er ook nog zijn. Stiekem had ze ook weleens gedacht…..

Over twee dagen was het nieuwjaar. Een verrassend jaar, besloot ze, terwijl ze het gouden strikje op haar mantel speldde.

——————————————————————————————————————-

Dit is een verhaal in de categorie WE-300(voor meer verhalen klik op de link), een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag worden genoemd. Deze keer was het verboden woord: gezondheid.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Herkenning

DSC00344

Dat jij het nu net moest zijn hier op mijn arm
Met dat stille lachje kleine rakker
Ik ken jou al langer dan vandaag

Jij gestold stof van lichtjaren ver
Vond mijn schoot blindelings
Op de tast en zo zeker als
Een plus een drie is

Stof, fijn glinsterend sterrenstof
Goud voor het haar en mangaan voor het oog
Waaierde uit, ving licht, sprankjes hoop

Jezus, wat goed dat je hier bent
Mijn God
Dat wij elkaar kennen is zo zeker
Als zonlicht weerkaatst op de maan

De dans is begonnen en wij
Wisselende gedaantes
Kijken en zien en
Wervelen mee in weerwil van onszelf

En lachen, geen schaterend niets
Maar fijntjes, herkennend lachen
Oog in oog genietend voor even
Het weten in een flits en voorbij

Verbergen wij onze tranen tot later
Als er geen later meer is
Als het hout ons kluistert aan de aarde
En de nacht zich over het gebeente ontfermt

Cadeautje

rose
Ze zet een vrolijk feesthoedje op
En kijkt me uitdagend aan
Ze fluit schel een paar tonen
Grijnst
En huppelt weg in haar roze tule jurk

Naar buiten
Waar gele bladeren feestelijk
Opwaaien in de wind
Ze duikt op achter de heg
En wervelt weer naar binnen

De frisse buitenlucht volgt haar op de voet
En vlecht zich door haar lange haar

De kaarsjes op de taart
Spiegelen in de grote dromerige ogen
Haar blik dwaalt door de ruimte

Ik probeer hem te vangen
Het lukt
Nu steekt ze haar tong door het gat
Waar gisteren nog een melktand
Aan een zijden draadje hing

De Mona-Lisa-glimlach van een meisje
Van zeven
Een waardevol geschenk

Gekke vragen!

mooiZe zeiden het weleens, in de klas: “Juf, dit is een gekke vraag, maar…” Waarop mijn eerste antwoord altijd was, dat er geen gekke vragen bestaan. Misschien wel gekke antwoorden, als ze bijvoorbeeld niet bij de vraag passen, of de vraag geen recht doen. Maar een vraag is een vraag. Ik drukte ze op hart altijd vragen te blijven stellen. Van vragen stellen word je wijs.

De vraag stellen is hem namelijk in feite al beantwoorden. Dat je op een vraag komt, geeft aan dat je al aan het denken bent gezet over een bepaald onderwerp, of een bepaald probleem. Heel vaak was dus mijn wedervraag: “Wat denk je zelf? Hoe denk jij dat het is? Vertel eens wat je al weet. Heb je een vermoeden hoe het (ook) zou kunnen?” Dan kwam er een grappig proces op gang. Je zag het aan de gezichten: er werd (na)gedacht.

Natuurlijk kun je kant-en-klare antwoorden proberen te geven, maar dan gebeurt er niet veel in een kinderhoofd. Het is heel goed kinderen aan het denken te zetten, zodat ze met hun eigen oplossingen komen. Daar worden ze pas echt wijs van. En tevreden. En in een enkel geval euforisch: dat heb ik helemaal zelf bedacht, ik ben er zelf uitgekomen, terwijl ik dacht dat het een echt moeilijk probleem was.

Natuurlijk kun je behulpzaam zijn en meedenken. Liefst hardop. En dat kun je het beste in vragende vorm doen. Kinderen zullen dit overnemen en al (be)redenerend naar de antwoorden op hun vragen komen. Van heel ‘eenvoudige’ vragen (bestaan die wel?) tot ‘ingewikkelde(r)’ (bestaan die?). Ook zullen ze ontdekken dat er in veel gevallen meerdere antwoorden mogelijk zijn. Geleidelijk aan zullen ze er achter komen dat er niets vast staat in het leven.

Maar. Er blijken ook vragen te zijn, waar helemaal geen antwoord op wordt verlangd door de vraagsteller. In het dagelijks leven worden we door instanties bestookt met de meest onzinnige vragen. Het zijn geen filosofische vragen waar je wijzer van kunt worden. Vragen die je nu eens even goed aan het denken zetten. Nee. Het zijn vragen die de hebzucht (kunnen) opwekken. Of ergernis.

Dus toch gekke vragen. Op de radio hoor je in de reclame van de NS: “Waar ga jij naartoe vandaag?” De ABN-AMRO vraagt: “Wat is jouw verhaal?” Obvion hypotheken is benieuwd: “Hoe wil jij wonen?” Lidl, klantgericht: “Waar kies jij voor?” NH Hotels wil weten: “Welk uitzicht kiest u deze winter?” Met Allerzielen was het: “Voor wie steek jij een kaarsje op?”

Ik zou wel eens willen weten waar deze trend vandaan komt. Is er iemand benieuwd naar de antwoorden? Absoluut niet. De bedoeling is dat wij gaan beseffen wat we tekort komen. En daar dan zo snel mogelijk verandering in brengen.

De stomste vraag tot nu toe hoorde ik laatst bij Ikea: “Hou je van wonen?”, schalde het door de luidsprekers.
Vraag dat maar eens aan al die vluchtelingen, dacht ik, en wacht op het antwoord.
En luister! (Met een uitroepteken, ja.)

Spelletje van het universum?

img086

Begin van de avond, zeven uur. Ze ruimt net de laatste resten van de afwas op als de bel gaat. Ze pakt werktuiglijk de portemonnee uit haar tas en doet de deur open. De vrouw met de rode collectebus kent ze wel. Zo’n zes keer per jaar belt Ria aan voor een collecte. De goede ziel. Zelf heeft ze het ook niet makkelijk, ‘maar een ander kan het nog moeilijker hebben’, is haar stelregel. Terwijl ze een muntstuk door de brede gleuf laat glijden, vraagt ze: “Alles goed?” Ria heeft op dat sein gewacht en brandt los. Over de moeilijkheden thuis. Ziek en zeer, en de krappe beurs. Maar ook dat ze goede hoop heeft dat ze met de kerst uit de schuldsanering zullen zijn. En dat ze bijna klaar is, nog drie adressen. Het is koud en donker, het wordt tijd om het rondje af te maken en naar huis te gaan.

Ze draait de deur op slot. Deze vrouw kent ze al zo lang. Ze heeft Ria’s zoon in de klas gehad. Een bijzondere jongen. Geen geweldige leerling, maar aardig. Té aardig, misschien? Beïnvloedbaar, dat ook. Af en toe komt ze Peter nog wel eens tegen. Hij is altijd vriendelijk, net als zijn moeder. Al lang het huis uit, maar hij heeft nog steeds zijn leven niet op orde. Gelukkig is het uit met zijn vriendin, vertelde Ria bij een van de vorige collectes. Die had hem het ziekenhuis in gestoken.

Altijd zijn er moeilijkheden geweest. Toen Peter nog maar tien jaar was, overleed zijn vader aan kanker. Het heeft de jongen voor het leven getekend. De nieuwe man van Ria is een goeierd, maar heeft niet al te veel in zijn mars. Geen echt probleemgezin, meer een gezin met problemen. Het nakomertje, de halfbroer van Peter, leert moeilijk en gaat naar een speciale school buiten de streek. Het is altijd sappelen. Kleine baantjes, een krantenwijk, schoonmaken. Maar wel de wil om het zoveel mogelijk zelf op te lossen. Wat niet altijd lukt, uiteraard. Je zou het ze zo graag gunnen.

Hoe lang is het nu geleden dat Peter bij haar in groep acht zat? Achttien jaar? Ze komt hem wel eens tegen. Altijd zwaait hij vriendelijk. Hij zwerft van het ene onderkomen naar het andere. Er hangt een zweem van onvermogen om hem heen.

Ja, de collecte voor het Leger des Heils brengt heel wat gedachten op gang.

Dan wordt het vijf december, Sinterklaas. Is dat niet het feest van elkaar anoniem ergens mee verrassen? Van geld door een raam gooien, zodat het precies in de schoentjes van drie maagden terecht komt? Ze zal een briefje van twintig in een envelop doen en bij Ria in de brievenbus gooien. Simpel gedichtje erbij, groeten van Sint. Geen haan die ernaar kraait. Ze woont in de buurt, dus het is zo gepiept.

Het is avond. De envelop ligt klaar. Er zit niets meer in haar portemonnee, dus maakt ze aanstalten om naar de pinautomaat te lopen. Dan gaat de bel. Ze doet open en kijkt in het verlegen lachende gezicht van Peter. Ze heeft hem zeker een jaar niet gezien. Nog nooit heeft hij bij haar aangebeld. Ze kijkt hoogst verbaasd. Nog verbaasder is zij, wanneer het tot haar doordringt welke vraag hij haar stelt: “Juf, heeft u misschien twee tientjes voor me? Ik ben helemaal blut en dinsdag krijg ik weer geld, dan betaal ik u meteen terug.” “En je moeder….?” “Mijn moeder heeft ook geen geld, niemand heeft geld…”, klinkt het mat. “Kan het? Twee tientjes? Ik zal mijn identiteitskaart bij u achterlaten als u wilt….”

Ze begrijpt er niets van. Wat is dit voor spelletje dat het universum met hen speelt? Twee tientjes, twintig euro had ze in gedachten voor zijn moeder. Ze zegt hem, dat ze het de volgende dag voor hem heeft klaarliggen. De zoon heeft het misschien nog harder nodig? “Voor eten”, zegt hij nog, “en de huur.” Hij wrijft zijn koude handen. “Wil je wat eten?”, vraagt ze, “heb je honger?” “Nee, dank je wel, juf. Ik ga. Je krijgt het echt dinsdag terug. En fijne Sinterklaas. Tot morgen.” Met hoog opgetrokken schouders beent hij weg in de donkere avond, god mag weten waarheen.

En zij is nog steeds niet van haar verbazing bekomen.

——————————————————————————————————————-
De volgende ochtend pint ze twintig euro. Om tien uur staat hij op de stoep. Ze tekenen een contractje en spreken af dat dit een eenmalige actie is. Gehaast fietst hij weg. “Voor eten?”, denkt ze, “voor de huur?” Twijfel bekruipt haar.

Ze maakt een kop thee. Blindelings pakt ze een zakje uit de doos. En weer speelt de verbazing haar parten.

20151206_093644

——————————————————————————————————————-

De namen zijn gefingeerd.