De Verzoening

Zolang je er niet in het weekend komt, is het Hembrugterrein de rustigste plek van Zaanstad. Het is er ruim en groen en vooral stil. De prachtige oude gebouwen, fabrieken en werkplaatsen, stralen rust uit, ondanks hun vroegere bestemming. Bordjes met opschriften als: Kanonnenloods, Affuitenhal, Harderij, Slaghoedje en Kardoes geven aan wat er in het verleden gaande was. De begroeiing geeft het een vriendelijk aanzicht. Het verval, dat overduidelijk zichtbaar is, maakt het terrein niet unheimisch. Integendeel. Het geluksgevoel dat me regelmatig overvalt wanneer ik me daar heb geïnstalleerd met mijn thermosje koffie en boek, verbaasde me alleen de eerste keer.

Geleidelijk aan worden de gebouwen opgeknapt, asbest wordt verwijderd, puin geruimd. Soms wordt het oude, het vervallene juist geaccentueerd, gecultiveerd. Dat maakt het spannend. Dit laatste gebeurde bijvoorbeeld bij het gebouw waarin een fantastische fototentoonstelling van Jeroen Swolfs is ingericht. De deuren zijn roestig, aan het interieur is alleen het allernoodzakelijkste aangepast. De bijzondere foto’s komen hier prachtig uit. Veel beter zelfs dan aan glad gestuukte spierwitte muren. Helaas is het niet mogelijk de tentoonstelling te bezoeken, maar door al het glas kan ik een groot deel van de foto’s zien.

De bossen, waar ooit munitie tot ontploffing werd gebracht zijn (nog?) niet toegankelijk. Jammer, maar het bos rukt sowieso op. Onkruid staat hoog en bloeit volop. Vogelgezang, gezoem van insecten, wespen azen op mijn koffie en mijn appelklokhuis. Twee wandelaars maken de door de Volkskrant uitgezette wandeling. Er wordt hard gewerkt in en aan de ateliertjes die in de lege gebouwen zijn gevestigd. Verwijderde apparatuur wordt zo hier en daar ter decoratie buiten opgesteld. Men probeert er echt iets van te maken, van deze fantastische plek.

Maar dan, een rijtje barakken, een hek met prikkeldraad. Even verderop een treinwagon op een afgekapt stuk rails. Een woonhuis achter bomen. Het is er allemaal. De vergelijking met Auschwitz, dat ik een paar jaar geleden bezocht, dringt zich met kracht aan mij op. Ook toen was het prachtig weer. En ondanks alle bezoekers was het er merkwaardig stil. De barakken, zo’n zelfde wagon, het woonhuis van een commandant, alles is er ineens weer. En nu zelfs, heel wrang, in combinatie met het ooit geproduceerde wapentuig. Het verwart me meer dan ik mezelf wil toegeven. Natuurlijk realiseer ik mij ook dat het zich vooral in mijn eigen hoofd afspeelt en ik schud het van me af.

Ik fiets nog even rond en rijd dan het terrein af, richting Noord-Hollands kanaal. Aan de overkant zie ik ineens een puur Hollands plaatje. Een letterlijke verzoening. Verzoening met het verleden, dat zich zo af en toe aan het heden opdringt. Het trekt me weer terug in het hier en nu.

Met een tevreden gevoel fiets ik langs vrolijk bloeiende bermen terug naar huis.

De gelukkige tuinder

Nadat ik mijn zoveelste emmer onkruid op de compostbelt heb geleegd, loop ik terug naar mijn paradijsje. Met verende pas komt hij me over het smalle pad tegemoet. In coronatijd moeten we, ook op het tuincomplex, afstand houden. Ik stap opzij, het pad op van een aangrenzende tuin, maar dat is niet nodig; hij wijkt uit naar het kruiwagenhok. Zijn spa en hak plaatst hij tegen het muurtje, terwijl hij de rode kruiwagen tevoorschijn haalt. Hij gaat er weer tegenaan. Een paar kruiwagens grond afgraven om zijn tuin voor de zoveelste keer op te hogen. Hij groet vriendelijk, met toegeknepen ogen, zoals altijd. Geen tijd voor een praatje deze keer, er is werk aan de winkel. Eerlijk gezegd komt mij dat goed uit, want ook ik heb veel te doen.

Terwijl ik mijn schrepel weer ter hand neem en mij stort op heermoes, brandnetel, winde en kippenmuur, ga ik in gedachten de tuinen langs en tel de nationaliteiten op ons complex. Behalve Nederlanders tuinieren er twee Italianen, een Surinamer, een Kaap-Verdiaan, vijf Turken, twee Marokkanen, een Oekraïense, een Koerd, een Engelsman, een Filippijnse, twee Syriërs.
En de Portugees, die ik zojuist tegenkwam. Een boomlange man. Hij heeft enorm veel werk verzet in het jaar dat hij hier zijn tuin heeft: diep gespit, rommel uitgegraven, de grond opgehoogd, bakken getimmerd en later weer afgebroken, een terrasje aangelegd, gewied, gezaaid, en een rijke oogst binnengehaald. En nu is hij weer bezig de grond te verbeteren en op te hogen. De tuin zal nog beter worden, nog meer opbrengen. Hij kan hierover uren in geuren en kleuren vertellen. Maar ook over zijn werk als parachutist, vroeger, in Portugal, en over het verantwoordelijke werk dat hij daarna in Nederland deed, in het ziekenhuis. Over de heerlijke Portugese wijn, die hij speciaal hierheen laat komen en waarvan hij elke dag (voor zijn hart, doktersadvies) een goed glas drinkt. Over het zware werk en de oogst op zijn vroegere, grote tuin. Over zijn leeftijd heeft hij het nooit, maar wij weten dat hij ver in de zeventig is. Een levendige, actieve, gemoedelijke man. En net zo gewoon en bijzonder als alle andere tuinders.

De dag, nu een jaar geleden, dat ik hem zijn toegewezen tuin zou laten zien, regende het pijpenstelen. Toen ik aan kwam fietsen bij het tuincomplex, stond er iemand voor de poort te wachten in een scootmobiel. Het bleek de uitgenodigde aspirant tuinder. Ik was op zijn zachtst gezegd verbaasd; hoe moest iemand die blijkbaar slecht ter been was een zwaar verwaarloosde tuin gaan bewerken? Maar zodra hij mij zag, sprong uit het vehikel. En met verende pas volgde hij mij naar de beschikbare tuin. Wat had hij zich verheugd op een tuin in de buurt van zijn huis. En dus nam hij genoegen met de honderdvijftig vierkante meter verzakte, verwaarloosde grond, de scheefgezakte bakken, de opgelapte kas, de hoge waterstand. Hij keek door de rommel heen, hij zag er wel wat in. Na het jarenlang bewerken van een driemaal zo grote tuin op zware kleigrond, leek hem dit, ondanks alles, een uitkomst. Het was mooi om te zien hoe de plannen ter plekke in zijn hoofd ontstonden. En zijn uiteindelijke conclusie was: “Ja, ik wil.”
Na de nodige formaliteiten overhandigde ik hem de sleutel. Het regende nog steeds. Harder nu. Teruglopend over het pad naar de poort wees hij op de scootmobiel. “Je zult wel gedacht hebben. Maar mijn vrouw is zeer slecht ter been. Ik heb, net als zij, zo’n ding aangeschaft. Kunnen we er gezellig samen op uit.” Hij groette vriendelijk en met een vaartje reed hij weg. Naar zijn vrouw, om het goede nieuws te vertellen.

Ik kijk op van het wieden tussen de afrikaantjes. Daar loopt hij, met de inmiddels bekende verende pas, achter de zwaarbeladen kruiwagen, langs mijn tuin. Hij grijnst en groet met toegeknepen ogen. Een gelukkige tuinder.

De initialen

Het kaartje is geschreven, de envelop ligt klaar. Maar, om nog steeds te adresseren aan Tante X, nee, ik vind dat het nu maar eens officieel moet. Als je tegen de negentig loopt, heb je daar recht op.

Ik kan gokken op de juiste initialen, maar dan is het nog maar half werk. Haar ‘meisjesnaam’ wil ik ook toevoegen. Het antieke rolluikkastje brengt uitkomst. Helemaal onderin bewaar ik een paar agenda’s van mijn vader en – en daar gaat het nu om – zijn ouwe blauwe telefoonregister.

Ruim tien jaar informatie komt voorbij in vaders mooie verzorgde handschrift. Toen mijn broer en ik de adressenlijst samenstelden, na zijn overlijden, hebben we dit boekje daarvoor gebruikt, maar toen was er uiteraard geen tijd en geen animo om het allemaal eens rustig door te nemen. Maar nu laat ik me helemaal gaan en de herinneringen gaan finaal met me op de loop. Ook staan er natuurlijk namen in die mij totaal niets zeggen. Sommige aanvullingen doen me glimlachen. Of verbazen me enorm.

Hier en daar werd flink geschrapt en aangevuld. Kleinkinderen verhuisden nogal eens of kregen een nieuw telefoonnummer. Het meest gestreept en vervangen is op de pagina’s met de familiegegevens. Niet zo vreemd natuurlijk. Daar vind ik dan uiteindelijk ook de initialen van de tante. En haar meisjesnaam. Nadat oom was overleden, en dus doorgestreept kon worden, met toevoeging van de overlijdensdatum, werd tantes volledige naam ingevuld. Ik kan de envelop adresseren, daar is het allemaal om begonnen tenslotte. Toch maak ik de trip down Memory Lane nog even af.

De pagina’s van de F, U, X en Y zijn leeg. De gegevens op de pagina onder de C zijn ongewijzigd gebleven. Deze vermeldt het Catharinaziekenhuis en twee Chinese restaurants. Belangrijke constanten in zijn leven en die zijn kennelijk nooit aan veranderingen onderhevig geweest.

Op de achterkant van het boekje zit zolang ik me kan heugen een sticker, waar ik nooit veel aandacht aan heb besteed. Nu is ineens alles belangrijk; alsof ik ergens nog een geheime boodschap verwacht. De sticker is vervaagd, de inkt is verkleurd, maar het is nog te lezen: in gebruik 1-7-1999. Pietje Precies.

Hij heeft er elf jaar gebruik van gemaakt. En eenentwintig jaar na dato heb ik er ook nog plezier van. In dubbele betekenis.

Niet ver

De ochtend ruikt naar herfst
Mussengetjilp, verder is het stil
Wat moet bloeien bloeit
Gemijmer bij een kop thee

Een heel leven als een dag
Die van gisteren bijvoorbeeld
Toen ik achterop -voeten op de stepjes
Mijn kinderhanden om zijn riem-
Door herfstig bos mijn jonge vader
Vergezelde naar de moestuin

Terwijl hij fluitend dor blad wegharkte
Andijvie en bieten oogstte
Volgde ik de aangestampte paadjes

De laatste zomerdagen
Niet ver van de boom valt een appel
Mijn kleindochter verheugt zich
Wieden en oogsten straks

Dat nam je dan maar…

Als kind al smulden we van de verhalen over zijn jeugd. “Wilt u vertellen over vroeger?” En dan stak hij van wal. Dat we vaak dezelfde verhalen hoorden, maakte ons niets uit; we konden er niet genoeg van krijgen. Vooral de verhalen over de oorlog vonden wij spannend. Maar ook over hoe het er thuis aan toeging, met elf kinderen in een piepklein huis.

De laatste jaren hoef ik hem er niet meer naar te vragen; de verhalen komen vanzelf. Ze worden niet meer aangedikt; hij vertelt niet om mij te vermaken. Nee, hij vertelt omdat hij zich hardop dingen afvraagt. Omdat hij zich verbaast over hoe alles is gegaan. Omdat hij zich realiseert dat alles met alles te maken heeft. Dat dingen gaan zoals ze gaan, dat je in het leven niet overal grip op hebt. Dat je het leven niet naar je hand kunt zetten. Gedane zaken nemen geen keer. Het zijn nog steeds mooie verhalen, maar anders. Hij is wijzer geworden, milder. En ik kan er mijn voordeel mee doen. Het is leerzaam om deze gesprekken te voeren. Zwaarwichtig wordt het nooit; hij weet tenslotte toch alles te relativeren en de humor speelt nog steeds een grote rol.

Als ik na zo’n bezoek naar huis rijd, heb ik veel te overdenken. Maar ook realiseer ik mij dan, dat dit eens ophoudt. Want ook al is hij nog net zo’n charmeur als vroeger, al interesseert hij zich nog steeds voor nieuw uitgekomen filosofische boeken, en al doet hij net of ze niet tellen, de jaren gaan hard. Om het maar ronduit te zeggen: hij is een oude man.

En dan, op een dag, leg ik het minuscule opnameapparaatje voor hem op tafel. Hij kijkt er bevreemd naar. Terwijl ik een bandje uit het cellofaan peuter, leg ik uit wat ik van plan ben. “Vertel, pa”, zeg ik gretig, “vertel nog eens over vroeger. Dit apparaatje neemt alles op en dan zijn uw prachtige verhalen veilig gesteld voor het nageslacht.” Even kijkt hij bedenkelijk. Zo belangrijk is het immers niet, wat hij te vertellen heeft. Ik waag dit te betwijfelen en na wat hints is hij al snel op dreef en is hij het recordertje vergeten.

Veel van wat hij vertelt, heb ik vaker gehoord. Dat is fijn, de vertrouwde verhalen. Maar ik hoor ook nieuwe. Nu hij er echt voor gaat zitten, komt er meer dan ik had gedacht.
Na een uur vinden we het allebei welletjes, het moet leuk blijven, tenslotte. Ik berg alles op. Het bandje zal ik thuis proberen uit te werken tot een goedlopend verhaal.

En dat heb ik gedaan. Al een aantal jaren geleden inmiddels. Nu ik het weer eens doorlees, stuit ik vanzelf op dat nare laatste stukje tekst, waardoor mijn hart samen knijpt:

“Ik heb met van Veen, toen ik bij hem in dienst was als slagersknecht, regelmatig na het werk hele gesprekken gevoerd. Diepzinnige gesprekken, over van alles en nog wat. Gesprekken zoals vader en ik nooit hadden. Toen ik daarover eens iets tegen moeder zei, antwoordde zij dat vader mij niet mocht, omdat ik naar haar vader was vernoemd, die hij ook niet mocht. Tja, en dat nam je dan maar zo…”

Ik schuif de papieren in het mapje. Hij nam het maar zo en is verder gegaan met zijn leven. Toch moet het invloed op hem hebben gehad.
Maar ondanks deze slechte ervaring (of misschien zelfs juist daardoor), is hij altijd een sociaal mens, een liefhebbende echtgenoot, een goede vader, een fijne opa en een trotse overgrootvader geweest.

En daar ben ik hem dankbaar voor.

De Trouwfoto

Achtentwintig jaar is ze. Het is vrij laat om te trouwen, maar daar is de oorlog schuld aan. Haar man is vijfentwintig. Haar ouders zijn beide vijfenvijftig, haar schoonouders ook. Het is een mooie herfstdag. Het leven lacht hen toe.

Ze wist al lang dat hij gek op haar was. Wist hij het ook van haar? Vast wel. Maar een huwelijk zou er wel nooit van komen, vreesden ze allebei. Twee volkomen verschillende milieus, dat kon toch niet samengaan?! Tijdens bijeenkomsten van de jongerenvereniging van de kerk, ontmoetten ze elkaar. Dan trokken ze met elkaar op en organiseerden activiteiten en uitstapjes. Gedreven mensen, zo jong al.

Toen kwam de oorlog roet in het eten gooien. Ze zagen elkaar minder vaak. Hij zat in het verzet, dook geregeld onder wanneer hij weer voor een gevaarlijke klus was gevraagd. Ook bij haar thuis waren de broers actief. Nee, het was te gevaarlijk om contact te hebben. Bovendien kwamen ze nog niet bij elkaar over de vloer; het was nog steeds een geheime verliefdheid.

Ook dit soort verliefdheden kunnen overleven. Toen de oorlog voorbij was, moest het er dan toch echt van komen. Hij wilde om haar hand vragen, maar zo makkelijk was dat niet. Dat moest met beleid worden aangepakt. Hij kende haar ouders goed genoeg om te weten dat er veel bezwaren konden worden gemaakt. Vooral haar moeder wilde haar stand ophouden.
Maar haar tante, een paar dorpen verderop, zou nog wel eens een goed woordje kunnen doen. En die zag dat stel wel zitten. Zij handig, zuinig, praktisch, zorgzaam, hij een denker, ambitieus, sociaal, humoristisch. Ze zouden elkaar aanvullen. Een stevige basis voor een leven samen.

Voordat hij de stoute schoenen zou aantrekken, ging tante haar best eens doen. En met succes. Haar ouders waren wel te overtuigen geweest. Niet in de laatste plaats omdat hun aanstaande schoonzoon een actief lid was van de kerk. Haar vader kwam er al snel achter dat er met deze man diepzinnige gesprekken te voeren waren. Met hem kon hij filosoferen over het geloof, de bijbel en het leven.

De datum van het huwelijk werd vastgesteld. Van het geld dat ze zo goed en zo kwaad als het ging hadden gespaard tijdens de oorlog, kon er een eenvoudige uitzet worden aangeschaft en toen er ook inwoning mogelijk bleek bij een dominee, werden er meubels gekocht. Alles wat zelf gemaakt kon worden, zoals lakens, slopen en zelfs de trouwjurk, werd door haar met veel liefde en aandacht op de handnaaimachine vervaardigd.

En hier staan ze nu. Nog beduusd van alle plechtigheden laten zij zich fotograferen in de tuin achter het huis van haar ouders.

Ik bekijk de foto nog eens goed. Mooie mensen zijn het, mijn toekomstige ouders. Jong en verwachtingsvol na de vijf moeilijke jaren. Aan de gezichten van mijn grootouders te zien, is het nog niet direct een vrolijke boel. Er is te veel gebeurd; het leven is zwaar.
En bovendien hebben alle drie de vrouwen het zojuist weer te horen gekregen in de kerk: “Gij vrouwen, weest uwen eigen mannen onderdanig, gelijk den Heere, want de man is het hoofd der vrouw.”

Zo is het bij ons nooit gegaan. Mijn ouders waren vastbesloten om hun leven anders vorm te geven. Ze waren totaal verschillend, maar aan elkaar gewaagd. Ze hebben zich weten te ontworstelen aan het kleine dorpse leven, in letterlijke en figuurlijke zin. Ze hebben het goed gedaan, wij kinderen hebben het goed gehad.
Dat zou ik ze nu nog wel eens willen zeggen, maar helaas. Dus dat doe ik dan maar in stilte.

Op dit moment heb ik alleen nog maar een vraag: Ik zou zo dolgraag willen weten wie die twee vrouwen zijn, die, links op de foto, dit hele schouwspel van een afstandje, over de heg heen, staan te bekijken… En, zou de fotograaf ze hebben gezien?

De verjaardag

Jongens, vertel me, waar zijn nu toch ineens
Die lieve mollige handjes gebleven
Die gretig grepen naar speelgoed en koekjes
Ik lette zeker even niet op

En mannen, ook wil ik graag weten
Waar zijn die voetjes, in kleurige slofjes
Waarop jullie nieuwsgierig de wereld betraden
Ik heb waarschijnlijk iets gemist

En trouwens, hoe zit het met dat kleine lijfje
In schattig-stoere kleertjes
Bolle wangetjes en buikje, waar zijn ze nu
Had ik mijn ogen soms in mijn zak?

Jongens, zeg maar niets, zo gaat het dus
Het is verrassend jullie te zien groeien
Leuke peuters veranderen in leuke pubers
Ik kijk verrukt mijn ogen uit

Mijn tijd krimpt, jullie tijd rekt uit
Ik kijk terug, mijmer over vroeger
Jullie gaan in volle vaart het leven tegemoet
Met groot vertrouwen zie ik het gebeuren

Kleurrijk in zwart-wit

De trein kwam er al aan toen wij nog op de roltrap stonden. We liepen snel naar beneden en trokken een sprintje als een stel zeventienjarigen (het omgekeerde van onze werkelijke leeftijd) en sprongen, met een gesmoorde gil, net na het fluitje van de conducteur, tussen de zich al sluitende deuren door, de propvolle coupé in. Dat vonden we eigenlijk best stoer en we keken elkaar met een tevreden grijns aan. “Zo!, living on the edge!”, wisten we hijgend uit te brengen. En: “Zeventig is het nieuwe zestig!” Op naar Amsterdam. Die gevaarlijke stad.

We waren amper uitgehijgd of daar wrong zich een jonge vrouw in conducteurskleding door de massa. Ze had haar fluitje nog niet opgeborgen. Het bleek, dat ze dit ter illustratie nodig had bij het te houden verhaal. Tegen ons. “Sprongen jullie net nog door de deur, nadat ik al had gefloten?” Aan de toon te horen, leek het me beter maar niet al te bijdehand te doen. Dus de opmerking: “Ja, wat goed hè, van ons ‘oudjes’?”, slikte ik maar in. Ook de blik in haar ogen sprak boekdelen. Een blik van zeven dagen onweer, zei mijn vader vroeger. Ze haalde diep adem en begon ons de les te lezen. “Nooit de trein binnengaan als er is gefloten! Stel dat er iets ergs gebeurd was. Dan had zij aan de noodrem moeten trekken. En dan zou dat weer op ons verhaald moeten worden. Dat zou ons €165,00 de man (vrouw) gekost hebben. Dus we mochten het nooit meer doen. Ze zou het nu door de vingers zien, maar de volgende keer….” Woest en onstuimig leven, het lukt ons nooit echt goed.
Om ons heen bleef het doodstil. Niemand zei iets. Niemand verblikte of verbloosde. Niemand lachte. Niemand keek ons meewarig aan. Of verachtelijk. Of bemoedigend. Of vriendelijk. Niet mee bemoeien, want je weet maar nooit. Het kan je zo een hoop geld kosten.

De ober bij Small Talk deed de naam van het café eer aan. De ene flauwe opmerking na de andere rolde over het terras. Een klein glaasje water bij de koffie werd vertaald in een borrelglaasje. Het zonnetje deed de rest en zo klaarde onze lichtelijk timide stemming geleidelijk aan op.

Verder maar weer, richting Apollolaan voor de tweejaarlijkse beeldenroute van ArtZuid. De tram is afgeladen; voortdurend roept de conductrice dat iedereen moet doorlopen, maar zelfs dat is onmogelijk. Kinderen hoeven van hun ouders tegenwoordig niet meer op te staan, ook niet wanneer ze op een stoeltje hangen dat bestemd is voor iemand die niet zo goed ter been is. Nu hadden wij juist bewezen dat dat allemaal nog aardig in orde was, maar een halte na ons stapte er een oude heer in. Hij kreeg het netjes voor elkaar om het plaatsje van het kind te bemachtigen. Dat mag ook wel, wanneer je zesennegentig bent. Een goedlachse, positieve oude baas. Keurig gestreken zwarte broek met kettingen links en rechts. Helder witte sweater met een borstzakje en spierwitte sneakers. Het plastic tasje van De Trekpleister bleek boterhammen te bevatten die hij ergens op een bankje bij Het Leidseplein zou gaan opeten (nee, niet op een terras, natuurlijk) en daarna ging hij een lekker kopje koffie drinken (wel op een terras). Genieten van het leven, dát deed hij. Ondanks het gemis van zijn vrouw (al zeventien jaar dood, en nee, nooit een ander gehad, hij keek wel uit, straks stond ze hem boven op te wachten en stuurde ze hem zo weer terug, moest hij weer die hele weg bewandelen…) zag hij het leven toch zonnig in. Ze zat in zijn hart. Daar zat nu wel die tramkaart voor, maar ze was er wel. “Ja”, zei hij, met een vette grijns, terwijl hij zijn duim omhoog stak, “optimist, tot in de kist”, waarna de duim omlaag wees.

Leidseplein, hij ging eruit. Hij zakte een beetje door zijn knieën, hield het borstzakje met de tramkaart voor de scanner en checkte uit. Voor zijn zesennegentig jaar sprong hij vlot van de treeplank, vermaakt geschater vanuit de tram in zijn kielzog.

Uiteraard was de beeldenroute heel bijzonder en over het algemeen zeer de moeite waard. Hoewel we bij Minerva met het opgeheven vingertje wel even moesten slikken.

Aan het eind van de middag sloten we deze leerzame dag af met een glas koele witte wijn en een schaaltje gloeiend hete bitterballen. Dat kon er wel af: we hadden tenslotte ieder €165,00 uitgespaard.
En de slogan ‘act your age’ was weer helemaal op ons van toepassing…

Een ouwe Saab

Ze zag de auto plotseling opdoemen in haar achteruitkijkspiegel. Hij voegde netjes in. Een bruine Saab, ouderwets model. Terwijl ze snel weer op de weg keek, moest ze zichzelf bekennen dat het haar een lichte schok had bezorgd. Het mijmeren kon een aanvang nemen.
De auto bleef rustig achter haar rijden. Dan maar even van de weg af, ze kende zichzelf. Ze zou voortdurend blijven opletten omdat ze wilde weten of ‘hij’ toevallig ook achter het stuur zat. Gevaarlijke situatie.

Bij het eerste het beste wegrestaurant reed ze de parkeerplaats op. De Lucht. Of er al niet genoeg herinneringen boven kwamen. Maar alles op zijn tijd. Ze gunde de Saab voorrang, zowel in haar gedachten als op de weg. Even nog hoopte ze dat hij ook de afslag zou nemen, omdat ‘hij’ haar herkend had. Maar nee, dat was onzin.

Hoe lang was het nu geleden dat de zoon van vriendin Nel haar op een zomerse zaterdagmiddag kwam uitnodigen om mee te gaan naar de film? Zeker dertig jaar, berekende zij snel. Dat zou betekenen dat Peter Jan nu ruim vijftig zou zijn. Destijds een intelligente jongeman die op oudere vrouwen viel. Zij was toen twee keer zo oud als hij. Toch best heel stoer dat hij dat voorstel deed.

“Koffie, dame?” Ze bestelde een cappuccino aan de balie, rekende af en even later zat ze peinzend aan een tafeltje bij het raam.

Charmant was hij wel, onderhoudend ook, maar zij viel niet op jongere mannen. Wel vond ze het leuk om een goede film te zien. De kinderen waren bij hun vader, dus wat lette haar, ze kon makkelijk een avond weg.

Ze duwde het suikerklontje onder het schuim en begon traag te roeren. Ze kon de chaos die nu in haar hoofd ontstond absoluut niet gebruiken. Ze moest nog een heel stuk rijden. Alert blijven, dus.

…Ze ziet het tafereel nog duidelijk voor zich. Zij, in de middagzon in de kleine tuin aan het water, lezend in – uiteraard – een of ander spiritueel boek. Peter Jan die via het steegje aan komt slenteren, in de stoel tegenover haar neerploft en haar licht geamuseerd aankijkt. Zijn vlotte koetjes-en-kalfjes-babbel, die niet kan verhullen dat hij nerveus is. De donkerrode trui die hij binnenste buiten aanheeft. En het hoge woord dat er wat stotterend en verdraaid uit komt: ”Vind je het leuk om vanavond samen naar de film te gaan? In Amsterdam? In Raltio draait Kaos. Die moet heel goed zijn, volgens mijn moeder.” Hoe ze op haar lip bijt, hem niet verbetert (Peter Jan, het is Rialto en trouwens, je trui zit binnenstebuiten), maar de uitnodiging glimlachend aanneemt. Een herinnering in een gouden lijstje…

’s Avonds zat de trui weer goed. Peter Jan had zijn zenuwen in bedwang en tijdens de korte treinreis bleek hij aangenaam gezelschap. Ze spraken af, dat ze ‘later-als-ze-groot-waren’ allebei een Saab zouden kopen. Een bruine. En dat ze daar flink in zouden gaan scheuren. Maar eerst zijn opleiding afronden. Carrière maken.
Het werd geen kleffe avond. Het was een interessante film en bij een drankje praatten ze nog wat na. Zonder dat het was uitgesproken begreep hij ook wel dat er niet meer in zat dan zo af en toe een gezellige avond. Film en een glas wijn. Dansen bij Zorba de Boeddha. Zo was het goed en zo bleef het leuk.

Op de crematie van Nel, jaren later, was PJ er met zijn gezin: een wat oudere vrouw (wat te verwachten was) en twee mooie mensenkinderen, zoals zijn moeder ze steevast noemde. En nee, hij reed geen Saab.

Ze lepelt het restje melk op en staart uit het raam. Nu Nel er niet meer is, is ze haar zoon ook uit het oog verloren. Een kop koffie lang was het haar vergund te mijmeren over die merkwaardige vervlogen jaren.
En ook al rijdt ze er zelf geen, toch voerde een oude bruine Saab haar even terug in de tijd.

Brief aan mijn moeder

Mam, in stilte feliciteer ik je vandaag. Stel je toch eens voor! Dat je nog leefde! Dan zou je nu 101 jaar geworden zijn. Dat had je misschien wel gewild, maar dan in goeden doen. Oud worden was al niet je favoriete bezigheid, dus nog grijzer, nog meer rimpels, nog minder goed zien, nee, dat was voor jou geen optie geweest.
Die laatste anderhalf jaar van je leven was wat dat betreft helemaal geen pretje, na die eerste hersenbloeding, doordat je slechter liep, moeite had met het gebruiken van je rechterhand, sneller moe was, vergeetachtig werd. Ach, we begrepen allemaal maar al te goed dat het heel moeilijk voor je was. En je wist het waarschijnlijk zelf wel, je zou geen honderd-en-een worden. Zelfs geen negentig. Maar bijna vijfentachtig is een mooie, respectabele leeftijd.

Wat vond ik het moeilijk je te zien vechten, in jouw laatste uur op die winterse ochtend in februari. En ja, het spijt me, maar ik ben even weggelopen. Ik kon het niet aanzien. Jij, die sterke vrouw, die nooit iets mankeerde – althans, je liet het waarschijnlijk niet merken – die altijd gewoon doorging, altijd bezig was, altijd bezig moest zijn, snel-snel. Maar je hebt vast wel gemerkt dat ik weer terug kwam. En dat ik erbij was toen het opeens heel stil werd, daar in dat ziekenhuisbed.

Ze zeggen dat, wanneer je dood gaat, je hele leven aan je voorbij trekt. Kan zijn. Maar terwijl jij lag te sterven, trok mijn hele leven met jou aan mij voorbij. En werd ik me van jouw intense zorgzaamheid bewust, die ik nu voorgoed zou gaan missen. Zoals wij alles zouden we gaan missen.

Wat hebben wij toch geboft met zo’n moeder. Moeder geworden in de moeilijke jaren na de oorlog. In die tijd koos je daar niet voor, het gebeurde. Je moest zien rond te komen met weinig geld, maar niemand zal het aan ons hebben gemerkt. Jij wist van niets iets te maken. Letterlijk en figuurlijk. Oude truien werden uitgehaald en je breide er voor ons nieuwe leuke kindertruien van. Jassen werden gekeerd, zodat er weer jasjes voor ons van konden worden gemaakt. Zuinigheid met vlijt… We aten gezond: bij jou stond het eten niet uren te pruttelen. En het huis was altijd schoon. Reinheid, rust en regelmaat. Jij leerde dit van je ouders, op school, in de praktijk en wij kregen dit motto, onbewust, met de paplepel ingegeven.

Ja, zul je zeggen, nu weet ik het wel. Tijdens de uitvaartdienst kwam dit ook al allemaal ter sprake. Over de doden niets dan goeds. Vertel eens iets nieuws. Waar blijven de negatieve kanten? Is er niet iets te vertellen dat ik nog niet weet?
Ja! Daarom, mam, schrijf ik je nu ook. Nee, ik ga het niet over de negatieve dingen hebben, je vervelende eigenaardigheidjes. Waarom zou ik. Het heeft geen zin; er verandert niets door. Ook niet mijn warme gevoel voor jou.
Wel wil ik je zeggen dat ik je waarschijnlijk te kort heb gedaan. Heb ik je goed genoeg gezien? Heb ik je goed genoeg begrepen? Heb ik genoeg van je gehouden? Ik ben bang dat ik hopeloos tekort ben geschoten. Excuses genoeg, maar hoe moet ik dat nu nog rechtzetten? Lezen jullie daar boven ook? Dat hoop ik maar!

Als ik mijn kleindochter zie lachen dan zie ik jou. Jij kon van zoveel zaken de humor inzien, als je hoofd vrij was. En dan schaterde je net zo als zij dat kan. En weet je nog dat je eens vertelde dat een klasgenootje van jou zei: “Wat lach jij, maid, ik ken so in je keel kaike!” Dat platte taaltje, dat vond je geweldig om na te doen. Maar wij spraken ABN. Laat dat gezegd zijn.
Je was een kei in het onthouden van opvallende uitspraken van anderen om die, als het zo uitkwam, te gebruiken. Nadat ik jou het liefdesbriefje van mijn allereerste vriendje had laten lezen, viste jij daar een zinnetje uit dat later in allerlei situaties van pas kwam. Mocht ik kiezen wat we zouden eten bijvoorbeeld, dan was het: “De keus is geheel aan jou.” Dat was leuk; dan wisten we allebei waar het over ging. Goede herinneringen!

Je was over het algemeen een vrolijke vrouw, maar ik weet dat er ook verdriet aan jou kleefde. En dat schrijf ik met opzet zo op. Zo voelde het. Het verdriet was er, maar het overspoelde je niet helemaal. Je bleef altijd overeind. Slechts een keer heb ik je zien huilen van diep verdriet. Was dat toen je die miskraam had gehad?

Ik had je veel beter willen kennen, denk ik af en toe. Maar het is misschien wel het lot van ouders en kinderen dat dat niet zo is, dat je elkaar maar voor een deel echt kent. Of is dit soms specifiek iets van moeders en dochters? En weten we niet alles omdat we ons hele leven bezig zijn om van elkaar los te komen? Hebben we het daar zo druk mee, dat we alle gevoelens, alle eigenaardigheden van de ander er niet bij kunnen hebben? Of dat niet willen? De handen vol aan onszelf?

Jij zou hier ook weer nuchter op antwoorden dat het ook gewoon geen zin heeft om zo diep te graven. We hebben van elkaar gehouden, jij van mij en ik van jou. En zo hoort het ook en dat is misschien wel genoeg. Misschien. Ik twijfel nog, zoals je merkt.

Rest me nog om je te zeggen dat ik veel van je heb geleerd. En dat ik dat nog steeds in de praktijk probeer te brengen, al lukt dat soms niet zo goed, omdat ik ook een kind van mijn vader ben. Dan weet jij genoeg!

Stel nu dat ze ook aan verjaardagen doen, daarboven. Dan hoop ik dat vandaag je stoel is versierd met heerlijk geurende lathyrus. En dat er een lekker glaasje wijn voor je klaarstaat en een gouden schaaltje met die kaaswafeltjes waar je zo dol op was.

Proost mam, op je verjaardag!