Leo Vroman

img079

Vanochtend las ik in de krant een gedicht van Leo Vroman. Met een beschrijving. De bedoeling is goed, het is mooi van de redactie dat er aandacht wordt geschonken aan poëzie, maar ik houd daar niet zo van, gedichten uitpluizen. Laat het gedicht voor zichzelf spreken, niemand weet hoe de dichter zich voelde op het moment dat hij het schreef. Wat hij dacht. Wat hij wilde dat wij erin zouden lezen. Het gedicht heeft aan zichzelf genoeg.

Degene die in Trouw op zaterdag de rubriek ‘Poëzie’ voor haar rekening neemt, vind ik regelmatig de plank misslaan, al haar goede bedoelingen ten spijt. “Probeer in elk geval niet interessanter te willen zijn dan de dichter die je bespreekt!”, zou ik haar af en toe wel willen toeroepen. “Voeg er niet zoveel aan toe!” “Wat de dichter schrijft, is precies genoeg!”

Vandaag dus een gedicht van Leo Vroman, met de titel (hoe wonderbaarlijk): Precies genoeg. Toen ik het las, dacht ik: “Het zal toch niet….? Hij is toch niet dood?”

In het journaal van zes uur hoorde ik tot mijn stomme verbazing dat hij vandaag op 98-jarige leeftijd is overleden.

PRECIES GENOEG

Op een dag zeg ik ‘Genoeg.’
Maar één ding wil ik nooit:
door een ramp tien minuten te vroeg
tot pap te worden voltooid,

Zoals een jonge soldaat
door een bom, een handgranaat,
met een restant zeg maar
van eenenzeventig jaar.

Alle bloemen moeten ontplooid.
Alle eieren moeten gelegd,
want één ding wil ik nooit –
maar dat heb ik al gezegd.

img082

Ik haal de boekjes die ik ooit van mijn opa kreeg tevoorschijn; hij wist wel wat hij cadeau moest geven: ‘Tineke’ (proza) en ‘God en Godin’ (poëzie).

Een citaat uit het laatstgenoemde bundeltje:
“Hartstochtelijk is de dood
en dodelijk het leven.”

Postuum komt er nog een bundel uit:
Die Vleugels.

De titel spreekt voor zich………

Advertenties

De laatste keer

CafebezoekOf ik hem nog gezien heb? Lekker wijntje trouwens, proost! Ja, wat versta je onder gezien. Als het aan mij ligt, zie ik hem helemaal niet meer. Nee, ja, de laatste keer… Ach wat zal ik ervan zeggen. Gezien…. Ik laat sowieso het licht liever uit, dus gezien, nee. Maar ja, ik had zoiets van, als ik het nu niet doe, dan is het helemaal zo’n raar einde. Dus.

Nee, hij had het niet door. Nee joh, wat dacht je, een man hè? Brains en body, maar verder… Verbaasd was hij wel, uiteindelijk. Nee, geen tekst. Die man had totaal geen tekst! Dus toen ik het zei, hè, nou of hij het in, waar was het ook alweer? Keulen? Nou, of hij het daar hoorde bliksemen. Ja, snap jij dat nou?

Jij nog wijn? Lekker wijntje, vind je niet? Nou, dan bestellen we toch nog een fles? Je bent maar een keer jong, zeg ik altijd. Hij ook, trouwens, veel te jong eigenlijk. Daar begin ik niet meer aan. Een kind nog. Ja, wat je zegt, daar kun je nog behoorlijk last mee krijgen, haha!

Ja, donker haar, donkere ogen. Daar val ik op. Zoiets als hij daar. In die hoek. Strak shirtje, je ziet zijn wasbordje erdoorheen. Ja, zoals hij. Die daar zit te flirten met dat sletje.

Hij nam het wel goed op, dat moet ik hem nageven. Ik had er misschien wel meer last van dan hij. Hè? Nou, het is al niet makkelijk om het te zeggen. En als meneer dan doodleuk zijn spullen pakt en er zonder een zinnig gesprek vandoor gaat, ja, dat is op zijn minst….

Denk je? Misschien met iemand van zijn eigen leeftijd, haha. Kan niet alleen zijn, natuurlijk.
Schenk nog maar een keer in. Ik jaloers? Op die griet? Pfffff!

—————————————————————————————————————–

Dit is een verhaal in de categorie WE-300 (klik op de link voor meer verhalen in deze categorie), een schrijfuitdaging van Plato (http://platoonline.wordpress.com/; hier kun je meer leuke, bijzondere, ontroerende WE-verhalen vinden). Je schrijft een verhaal van 300 woorden, waarin HET woord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: leuteren….

Het schilderij, Cafébezoek, is van Joost Doornik. (gevonden op internet)

La Mélancolie

DSC09200

Vandaag klinkt deze chanson, geschreven door Leo Ferré en gezongen door Catherine Sauvage, weer luid en duidelijk door de kamer.
Het is al de vierde lp die op de pas aangeschafte platenspeler ligt te draaien. Al die heerlijke heimweeplaten die niet op cd verkrijgbaar zijn, maar waar ik toch niet zonder kan, mogen zich erop verheugen nog grijzer gedraaid te worden dan ze al zijn.

Tot mijn stomme verbazing ken ik de volgorde van de liedjes nog, weet ik precies waar die ene kras zit, welk nummer een beetje slipt. Ik weet nog wanneer ik ze kocht, van wie ik ze kreeg en bij welke gelegenheid. Mijn allereerste Franse singletje: Ne me quitte pas, met op de B-kant La valse à mille temps, van Jacques Brel, heb ik net opgediept uit een van de platenkoffers, die dik onder het stof op zolder stonden te wachten op betere tijden. En die zijn nu dus aangebroken.

DSC09204

Allemaal gaan ze door mijn handen: Happy End, van Bertolt Brecht en Kurt Weil, Hildegard Knef, Ramses Shaffy, Peter Blanker, een piepjonge Herman van Veen, Liesbeth List. Maar ook Bob Dylan, Crosby, Stills, Nash and Young, Beatles en Stones. En de Carmina Burana, aangeschaft in de kweekschooltijd, omdat de muziekleraar ons daartoe stimuleerde. Mijn broer, die na zijn stage in de VS niet meer naar Nederland kwam, stuurde platen die hij zelf erg goed vond en die hier niet te krijgen waren. Zo bezit ik onder andere een schitterende plaat van Mike Lipskin and Willy (The Lion) Smith. En All Things Must Pass, van George Harrison, drie lp’s in een doos.

De meeste muziek stemt me heel vrolijk, slechts een paar platen doen me met weemoed denken aan de vergane jaren. Die tijd, toen we dachten dat het leven mooi en goed zou blijven, dat ons niets kon gebeuren, dat we de jeugd, de liefde en de wijsheid in pacht hadden. Zijn we bedrogen uitgekomen?
Nee, Bob Dylan zong het al en wij zongen het uit volle borst mee: The Times, They Are A Changing. En zo is het natuurlijk ook. Tijden veranderen en het is goed om daarin mee te gaan.

Als straks het nieuwtje eraf is, sluit ik de platenspeler aan op de computer en maak ik cd’s van mijn meest geliefde muziek. Makkelijk voor in de auto. Maar toch zal ik ook af en toe nog een plaat draaien, voor dat speciale gevoel.

De aardige vrouw die mij wees op dit koopje, en die nu ook al haar oude platen aan het draaien is, ben ik heel dankbaar. Allebei beleven wij weer een deel van onze jeugd. En we genieten, net als toen, maar met een vleugje melancholie.

Om met Adamo te spreken: N’est ce pas merveilleux?

De magische wereld van het kind

Pictures

Zoals ieder jaar sta ik rond deze tijd even stil bij het overlijden van mijn moeder. Het is elf jaar geleden, de scherpe kantjes van het verdriet zijn er wel af. Toch mis ik haar. Niet voortdurend, af en toe. Dat kan zo maar opeens: door het zien van een bloeiende struik, het horen van bepaalde muziek, een uitdrukking, een liedje in mijn hoofd. En natuurlijk wanneer ik mijn kleindochter zie. Dat kleine meisje heeft haar “overoma” niet gekend. Net zo min als mijn twee kleinzoons, trouwens.

Ik zie overeenkomsten in uiterlijk, maar ook in karakter. Wanneer ik haar uitbundig zie schateren, zie ik mijn moeder. Maar ook wanneer ze zich uitleeft met sop en een afwasborstel en het hele aanrecht blank staat – inclusief de keukenvloer. Het woord zeepsop hebben wij haar nooit geleerd; ze kent het van nature.

Twee jaar geleden, ze is net drie jaar, als ze hier logeert met haar broer en haar neef, word ik geconfronteerd met een opmerkelijk voorval.

De jongens zijn verdiept in hun spel; het ridderkasteel staat midden in de kamer, goeieriken en slechteriken bestoken elkaar met lansen en zwaarden. Paarden galopperen; gevangenen worden zonder pardon opgesloten. De koning bekijkt dit alles vanaf grote hoogte. Boven in de toren, waar hij het goud bewaakt. Af en toe rijdt er een auto rond. Wilde dieren kijken toe. Magische wereld, waarin alles mogelijk is.

Het kleine meisje laat plotseling haar spel in de steek en kruipt op haar knieën op een stoel. Als een bovenbuurvrouw over het balkon, hangt ze op haar onderarmen geleund op de schoorsteenmantel. Ze staart naar de twee foto’s die daar staan. Op de linker zie je mijn vader als zesjarig jochie tussen zijn twee broertjes in. Op de andere zit mijn moeder als meisje van een jaar of tien, lange vlechten, boek op schoot. Kinderfoto’s, ruim tachtig jaar oud. Ik sla mijn kleindochter gade, zeg niets om de betovering niet te verbreken. Dan wendt ze zich af en wil zich van de stoel laten glijden. Ik zie mijn kans schoon, wil weten. Wat zag ze? Wat ging er in dat hoofdje om? “Vind je ze leuk, die foto’s?” “Nee, stom”, antwoordt ze resoluut (tenslotte nog maar amper de leeftijd van twee jaar ontstegen), draait zich weer naar de foto’s en wijst: “Die is dood en die is dood en die is dood.” Mijn mond valt open; ze wijst ze precies goed aan, één van de drie broertjes is nog in leven. Maar, kinderen? In de wereld waarin zij leeft, ga je toch alleen maar dood als je heel oud bent? Of als je een slechterik bent die een goede ridder belaagt?

Voor ik van mijn verbazing ben bekomen, duikt ze met haar hoofd in de poppenwagen. De plicht roept, de pop heeft honger en moet nodig een schone luier.

De magische wereld van het kind. Boeken zijn erover volgeschreven. En ik krijg hier een praktisch lesje over hoe dat werkt: ze wéét gewoon.

Vorige week was ze hier nog even op bezoek. Vijf jaar is ze nu. De eerste zwemles zit erop; trots vertelt ze erover.
Opeens staart ze weer naar de foto’s op de schoorsteenmantel. “Oma”, vraagt ze, “wie zijn dat, op die foto’s?” Ik vertel het haar: op de linker foto mijn vader en zijn broers en op de andere mijn moeder. Ik zie dat ze moeite moet doen om zich dat goed voor te stellen: ik, een oma, die het kind is van twee kinderen die al dood zijn.

Heel langzaam verdwijnt de magie uit het leven, helaas.

Toen…

DSC09175

Zou er
Vraag ik mij af
In dit museum
Op homeopathische wijze
Verdund
Nog een vleugje adem van mijn opa
Rondzweven?
Wij waren hier ooit samen

Hij toonde mij de mummies
Mensen, een kat
Een kleine krokodil, een aapje
Bont beschilderde sarcofagen
Koningen waardig, geopend
De windsels bruin verkleurd
Van degene die hier zijn rustplaats
Opgedrongen kreeg
Wat kanopen zijn
Leerde hij mij
En hiërogliefen
Voor we in de Hortus
De Victoria Regia gingen bewonderen

Elk jaar kom ik een keer terug
– Geboortestad vol herinneringen –
Om te zien of alles nog
Bij het oude is

Oud is het wel, wat ik hier vind
Maar de opstelling is nieuw
Ik mis het onbeholpen proefstuk
Van de jonge Egyptische
Schrijversleerling

Maar het meest nog mis ik
De onbevangen blik
Waarmee ik dit alles
Voor de eerste keer
Vol verwondering aanschouwde

“Hé juf!”

DSC09003

Ik kwam haar tegen in een gedeelte van de stad waar ik niet vaak kom. Op weg naar de Heemtuin. Ik was net afgestapt om een foto te maken van bloeiend fluitenkruid. In januari, ik kon mijn ogen bijna niet geloven.

“Hé juf!”

Een aantal jaren geleden zat ze bij mij in groep 8. Een lieve meid, die hard werkte, haar best deed, zo goed en zo kwaad als dat ging. De thuissituatie was problematisch, zoals dat heet. Ze was creatief, tekende graag en schreef mooie gedichten.
Op de afscheidstekening die ik van haar kreeg, schreef ze: Ik hoop dat ik u nog eens zie. Dat hoopte ik ook, al was het alleen maar om te weten of het goed met haar ging. Zoals alle kinderen met wie het niet van een leien dakje ging, had ze een speciaal plekje veroverd in mijn hart.

“Hé juf!”

Inmiddels heb ik het haar al ettelijke malen horen zeggen. We zijn elkaar al heel wat keren tegengekomen. Toen ze nog bezig was met haar opleiding tot kok. Toen ze bij La Place werkte. Toen ze liep te winkelen met haar zoontje van een paar weken. Steeds waren het korte, levendige gesprekken. Altijd optimistisch van toon, al vertelde ze en passent en niet met zoveel woorden, dat het leven niet over rozen ging, maar dat ze er het beste van maakte.

“Hé juf!”

Ze stapt af. Ze woont nu in deze rustige, groene buurt, een eigen flatje. Nee, niet meer met de vader van haar kind. Hij kon de verantwoordelijkheid niet aan, was te veel met zijn eigen leven bezig. Maar er zijn afspraken gemaakt. Met het zoontje gaat het goed. Anderhalf is hij nu, hij begint al te praten. Wat wil je, met zo’n moeder: een spraakwaterval. Er is zoveel te vertellen. Het gaat goed, ze is vol levenslust. Vol plannen. Een webshop met zelfgemaakte taarten. Ze schrijft. Nog steeds gedichten. En (advies van “de juf”) pen en papier is altijd bij de hand: in haar tas, naast haar bed. Snel iets noteren, voor het te laat is. Ze wil ze uitgeven, misschien. Een eigen dichtbundel. Ze tekent; op haar telefoon tientallen foto’s van prachtig werk. Met haar zoontje onderneemt ze leuke dingen; ze zorgt goed voor hem. Nee, ze heeft even geen werk. Druk bezig met de therapie, voor het syndroom dat bij haar is geconstateerd. Misschien gaat het ooit over.

Er staat een koude wind. Maar toch wil ze nog wat essentiële zaken kwijt. De problemen die ze als kind ondervond, zijn nog steeds niet opgelost. Hoezeer ze ook haar best heeft gedaan die ene ouder te bereiken, zeker nu hij een kleinkind heeft, het is niet gelukt. Ze voelt zich gekwetst, maar het maakt haar ook op een goede manier strijdbaar. Ze weet wat ze wil. De brief ligt klaar. Het is nu wachten op het juiste moment om hem te versturen.
Haar moeilijke jeugd heeft ertoe bijgedragen dat ze een eigen wijsheid heeft kunnen ontwikkelen die er niet om liegt. En vanuit een soort instinct weet ze hoe ze moet handelen om het leven van haar kind zo optimaal mogelijk te laten verlopen.

Ik bewonder de manier waarop ze haar leven vormgeeft, tegen de verdrukking in. En ik hoop vanuit de grond van mijn hart dat het allemaal goed komt. Dat ze haar plannen kan verwezenlijken. Ik heb zo mijn twijfels. Ondanks alles bespeur ik een wankel evenwicht.

Ze kijkt op haar mobiel: zo laat al. “Ik stuur u mijn gedichten”, belooft ze, net als anderhalf jaar geleden. Ik ben benieuwd. Ze sjeest weg. Het kinderzitje klappert aan het stuur. Ik zie haar om de hoek verdwijnen.

Ik maak de foto van het fluitenkruid en laat de rest van mijn plannen voor die middag varen.
Ik heb het ijskoud….