Barbara Hepworth

img082

In Dé Beeldhouwschool, in Amsterdam, vindt het plaats: een theatermonoloog over Barbara Hepworth. “Een leven in beeld”, gebracht door Annemiek Lelijveld. Daar zitten we dan, op een vrijdagavond in een atelier ‘Onder de Bogen’, op een houten stoeltje. Met nog zo’n twintig anderen. Kleinschalig. Gewoon op de wit uitgeslagen stenen vloer. Goed geveegd, voor de gelegenheid. Geen resten steen, geen gruis, geen stof. De bokken bedekt met paarse kleden.

20151127_194153

Er staat een stoel en een tafeltje met een fles en een glas, sigaretten, foto’s, een boek. Aan de wand hangen foto’s en wasgoed. Op een bok staat een gepolijste sculptuur met een rond gat. Een lamp schijnt er precies doorheen. En op het witte oppervlak kunnen via een laptop en beamertje beelden geprojecteerd worden.

20151127_195941

Het publiek bestaat voornamelijk uit mensen die hier les nemen. Dat kun je aan de meesten wel zien; artistieke types. Een klein publiek. Vriendelijk. Intiem.

Ook het toneel is een intiem gebeuren. Speler en publiek zitten op korte afstand van elkaar, op gelijke hoogte. Dit doet niets aan af aan het spel. Integendeel, het lijkt alsof wij even bij deze bijzondere beeldhouwster op bezoek zijn.
Soms vergeet je zelfs dat hier een actrice aan het woord is. Het voelt zo echt. Zij ís Barbara. Met hoofddoekje, lange witte blouse, zwarte broek. Sigaret. Ze zingt kinderliedjes, spreekt over haar liefdes, haar kinderen, haar twijfels, haar wensen, haar verlangen, en vooral haar werk.

Zij neemt ons in vertrouwen. Maakt ons deelgenoot van haar veelbewogen leven. Een man, een kind. Een scheiding. Een nieuwe man en kinderen, een drieling. Weer een scheiding. Het oudste kind dat sterft. Het voortdurend heen en weer geslingerd worden tussen de moederlijke zorg en de behoefte, of eigenlijk meer de noodzaak om beelden te scheppen. Steeds meer en steeds groter.
En de drang om als vrouw een plaats te veroveren in de weerbarstige mannenwereld van de beeldhouwkunst. De kracht die dat kost en het doorzettingsvermogen zijn bijna onmenselijk. Maar het lukt haar.

20151127_210628

Met de witte sculptuur in haar armen danst ze door de ruimte. Zo lijkt het leven licht. Beter gezegd: het schijnt licht. En de steen ook. Het geeft een goed beeld van een sterke vrouw: de lichtheid van het bestaan kan zeer bedrieglijk zijn; ze had het niet makkelijk. Maar je kunt ook een zekere lichtheid brengen in de zwaarte. Uithollen dus, die steen!

Zonder hoofddoek, haar in de war en met bril, is de actrice verteller. Buitenstaander, eigenlijk. Ze toont ons foto’s van sculpturen, vertelt over de gedachte daarachter, de idee.
De tegenwerking ook. De moeilijkheden en de pogingen die te overwinnen. De tijdgeest. Zou een vrouw die zulke enorme stenen, zulke zware boomstammen weet te bewerken, niet haar eigen leven in de hand kunnen nemen, in vorm kunnen dwingen?

Zo komen we stukje bij beetje alles te weten over het verloop van het boeiende en vruchtbare, maar bij tijden ook zeer moeilijke leven van Barbara Hepworth.
One of the greatest.

img084

Advertenties

Er was eens…. Selma Salo

img080

Toen ik drie jaar geleden begon te bloggen, leek het me leuk en nuttig om mijn licht op te steken bij oude rotten in het vak. En zo kwam ik onder andere terecht op het blog van Selma: ‘Er Was Eens’. Een interessant blog, onderhoudend en kritisch.

Ik kon het niet direct plaatsen, maar haar naam kwam me ergens bekend voor. En ja hoor, al surfend kwam ik terecht op een blogje, waarin ze refereert aan een artikel dat ik wel kende. Het had ooit (1999) in Trouw gestaan en was geschreven door Selma Schepel, columniste van die krant. (Ik vond haar toen al heel goed en kritisch schrijven.) Zij schrijft daarin over een vriendin, die haar schoolklas laat meegenieten en leren (!) van de reizen die een speelgoedbeer maakt, samen met mensen die er niet voor terugdeinzen de beer mee te nemen en deze allerlei avonturen te laten beleven. Een beetje in de trant van Niels Holgersson.

Dat idee nam ik direct over. Nog diezelfde middag kocht ik een speelgoedbeer, introduceerde die in groep 8 en startte het project De Reisbeer. Kinderen enthousiast, de beer ging met hen op vakantie en beleefde avonturen die in een dagboekje werden genoteerd door het kind dat als begeleider optrad. Foto’s en een souvenirtje nam hij mee in een rugzakje. En altijd stuurde Georgeo een kaartje naar de klas. Leerzaam en leuk. Dank zij het blog kon ik Selma eindelijk eens bedanken voor dit geweldige idee. (Na mijn pensioen heb ik beer en toebehoren overgedragen aan een eveneens reislustige oud-leerlinge, die nu zelf voor de klas staat.)

Ik bleef Selma volgen en genoot van haar kritische stukken, haar reis-, fiets- en fotoverslagen. Een ondernemende vrouw met een duidelijke, ongezouten mening. Belezen en intelligent. Begaan met de natuur, met het leven, met mensen. Zo zeer zelfs, dat ze het bloggen eraan gaf. Helaas, voor haar volgers, maar zij koos voor echt contact, van mens tot mens.

Vanochtend las ik in Trouw, “haar” krant, een klein berichtje in de rubriek Personalia. ‘Selma Schepel’ is de titel. Nietsvermoedend begon ik te lezen. Zou ze een prijs krijgen voor het één of ander?
Niets van dat alles: dit weekend overleed Selma, na een noodlottige val met de fiets. In het harnas, zou je kunnen zeggen, maar ik vind het wrang. Ze was pas 66 jaar. Ze had de wereld nog zoveel kunnen bieden.

Dank je Selma Salo, voor je ongewilde, ongeweten stimulans.

Iets harder dan anders

IMG-20151114-WA0005

Het is feest
Kleinzoon wordt tien jaar
Een leeftijd met twee cijfers
Wat vliegt de tijd

We noemen hem natuurlijk groot
Dat vindt hij fijn
Maar wij zijn stiekem blij
Dat hij nog onbevangen kind is

Er is snoep en taart
De roze nepchampagne borrelt in de glazen
Lang zal hij leven, zingen we
Uit volle borst en misschien net iets harder
Dan andere jaren

Wij volwassenen weten hoever het kan komen
Als onverschilligheid de boventoon voert
En levens geen waarde hebben

Hier knalt alleen een ballon
En hoor je het repeterend getik
Van de sjoelstenen
Kaarsjes branden op de taart
De bloemen zijn voor de stralende moeder

Vrolijk gelach, blije gezichten
Kinderen met toekomst
In wie de levenslust bruist

O, laat hen toch gespaard blijven
Voor ’s werelds ongekende wreedheid
En laat hun hele leven
Als het kan
Een roze feestje zijn

Ships that pass….

boeket

De aula zit vol. Ik kijk naar het blauwe raam, dat van onder naar boven toe steeds lichter wordt van kleur. Aan de bomen die erdoorheen schemeren zit hier en daar nog een geel blad. Takken buigen, de regen striemt tegen het raam. Op en rond de kist golft een zee van kleurige bloemen. Hij hield van bloemen, stond er op de kaart. Dat hebben velen ter harte genomen.

Adios Nonino van Carel Kraayenhof vult de kille ruimte waar de airconditioning nog wat graden vanaf blaast. Ik sla mijn sjaal om en besluit me er verder niet aan te storen. De uitvaartleidster heeft de touwtjes stevig in handen en leidt ons op professionele wijze door dit moeilijke, maar onvermijdelijke halve uur. Twee toespraken, afgewisseld met muziek. Eenvoudig en sober. Passend bij degene om wie dit allemaal draait. Een gedicht, voor de achterblijvende echtgenote.

‘De Vlieger’ van André Hazes klinkt. De muziek heeft hij zelf uitgezocht, toen hij wist hoe hij ervoor stond. Ik dwing mezelf naar de tekst te luisteren en niet weg te dromen.

Zijn broer houdt een toespraak. Een terloops uitgesproken zinnetje blijft echoën: na een slechte jeugd….. De link met het verklonken lied is subtiel en onbedoeld, waarschijnlijk, maar maakt de treurigheid van het moment nog intenser.

Op verzoek staan we op en gedenken hem in stilte. Ik ben verbaasd over de enorme hoeveelheid gedachten die zich in zo korte tijd verdringen in mijn hoofd. Kende ik deze man? Ik kwam hem tegen op de volkstuin. Daarom ben ik hier. We maakten af en toe een praatje. Een aimabele man. Rustig en behulpzaam. Aardig en positief. Het klinkt als een dooddoener: ‘hij stond voor iedereen klaar’, maar het is een waarheid als een koe. Hij gaf mij een restje pootaardappels. Deelde gul uit van zijn oogst. Hij spoot de kruiwagens van de vereniging in vrolijke kleuren……

Door de woorden van de mensen die hem na stonden, door de muziek, door de tekst van zijn vrouw op de kaart, door de grote belangstelling, de kleurige ode aan hem rond de kist, lijkt het dat ik hem postuum nog een beetje leer kennen.

In het condoleanceboek zie ik weer de rouwkaart. In de rechterhoek op de voorkant zwemt een witte zwaan. Nee, denk ik dan, ik kende je niet. Maar je hebt me vanmiddag op de valreep een glimp van je wezen gegund.

Ships that pass in the night. Zo gaat het, in leven en dood.

De verloren zoon

winnetouAlles ziet er nog steeds hetzelfde uit, constateerde hij. Het verbaasde hem dat hij daar niet verbaasd over was. Hij liet zijn blik ronddwalen door het vertrek. Het behang, de vloerbedekking, de meubels; het leek hem alsof hij hier gisteren nog geweest was. In werkelijkheid was het een halve eeuw geleden. Vijftig lange jaren, waarin hij alles en iedereen de rug had toegekeerd. Er was veel gebeurd in die periode, maar hij had er geen deel aan gehad. Hij had er geen deel aan willen nemen. En nu was hij terug. Hij had het ook niet kunnen doen, maar na de oproep van de notaris in de krant was hij in de auto gestapt en naar zijn geboorteplaats gereden. Met gemengde gevoelens, weliswaar.

Hij liep de trap op. Dezelfde rode loper. De zevende tree kraakte nog steeds. De derde spijl van het traphekje zat nog steeds los. Handen en voeten hebben een geheugen, bedacht hij, terwijl zijn hand het bekende flauwe bochtje volgde van de leuning. Wonderlijk.

Een sleutel in het slot. Na vijftig jaar zou hij oog in oog staan met zijn zuster. Erg toeschietelijk zou ze niet zijn, vermoedde hij. Bij de verzorging van de hulpbehoevende ouders had hij het schandalig laten afweten.

Verwachtingsvol betrad hij zijn oude kamertje. Hij trok de verschoten gordijnen open. Het ouderwetse behang vertederde hem. De kastdeur piepte vertrouwd. Een doos met speelgoed, zijn microscoop, wat oude boeken. Hij registreerde voetstappen op de trap, terwijl hij een stukgelezen boek van Winnetou in zijn hand nam. Hoe oud zou hij geweest zijn toen hij dit las? Tien? Een roze briefje viel op de grond: ‘Robbert, ik hou van juo, Lia’, las hij toen hij het opraapte. Tranen om een verloren jeugd.

De kamerdeur werd opengegooid. Woordeloos sloeg zijn zuster haar armen liefdevol om hem heen.

——————————————————————————————————————-

Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag worden genoemd. Deze keer was het verboden woord: spellen.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Het plaatje komt van internet.

De laatste kus

20151102_110353

Hij was mild geworden. Zijn lange leven had hem vele lessen geleerd. Vroeger was hij een opstandig en opvliegend persoon geweest. En niet altijd even tactvol. Zijn vrouw en kinderen hadden het nogal eens moeten ontgelden. Waren vaak slachtoffer geworden van zijn humeur. Hij was er de man niet naar om het uit te praten, of te zeggen dat het hem speet. Nee, ze moesten het allemaal zelf maar ontdekken. Vaak wisten ze de link niet direct te leggen en leek het cadeautje dat ze kregen uit de lucht te vallen. De boeketten voor zijn vrouw op zaterdag waren bedoeld om een week zwijgen, boze opmerkingen, of stuurse blikken goed te maken. Het was zijn manier. Met de medische kennis van nu zou er wel een stempel op hem zijn gedrukt. In zijn tijd moest hij er zelf maar uit zien te komen. En zijn omgeving ook.

Maar nu was hij mild. Zachtaardig en vriendelijk. Het verplegend personeel was zeer over hem te spreken. Een aimabele man, werd hij genoemd. Hij schikte zich in zijn doofheid. In het afhankelijk zijn van een rolstoel. In het wachten. Altijd maar wachten. Op een kopje koffie, het eten, het wassen en de gang naar het toilet. Dit was zijn leven nu.

Leven. Hij wist dat hij aan het laatste stukje bezig was. Dikwijls verzonk hij in gedachten en wist situaties op te roepen uit een ver verleden. Het lot was hem gunstig gezind geweest. Al vaak had hij op de rand van de dood gebalanceerd. Die keer dat hij als kind in de rivier dook en vast bleef zitten in de modder. Hij werd gered en overleefde. Die keer dat hij een ernstige longziekte had. De operatie slaagde, hij moest een rib missen – maar dacht hij soms, dat moest Adam ook – en genas. Die keer dat hij werd opgepakt door de Duitsers. Dat ze hem lieten gaan, was hem nog steeds een raadsel. De bypasses die hij dertig jaar geleden had gekregen. Hij herstelde volledig.

Ja hij had een goed leven achter de rug. Kinderen, kleinkinderen en zelfs achterkleinkinderen. Grote verwachtingen had hij van de jongens. Het kleine meisje had hij nog niet gezien. Ze leek zoveel op zijn overleden vrouw, had hij gehoord.

Maar ze kwam. Ze werd opgetild om hem een kus te geven. Het werd zijn laatste kus.

Die nacht sliep hij in met een glimlach op de lippen. Voorgoed.