Boerenkool met een staartje

20160224_182340

“Wat is dit?”, vroeg oom Edward met een vies gezicht terwijl hij met zijn wijsvinger priemend op zijn bord wees. “Wat moet dit groene spul voorstellen? Boerenkool soms?” Emma keek strak naar haar bord, waarop hetzelfde lag. Ze voelde dat ze een vuurrood hoofd kreeg. Het koude zweet brak haar uit. ’t Liefst was ze nu opgelost, onzichtbaar geworden voor die blonde man aan het hoofd van de tafel. Hij had net de worst in stukken gesneden: de helft voor hem, de andere helft in drieën gedeeld voor tante Jo, hun dochtertje Yvonne en voor haar. Vreemd, had ze nog gedacht, hij is toch wiskundige? Waarom dan die onlogische verdeling? Maar natuurlijk had ze niets gezegd.

Ze logeerde deze vakantie een paar dagen bij haar oom en tante, ver van huis, in het stadje V. Tante Jo was een zus van haar moeder en een schat van een vrouw. Ze was een beetje krom, door een vergroeiing, en daardoor ook wat klein van stuk zodat ze haar recht in de ogen kon kijken. Een tweede opvallend kenmerk van tante was dat ze sliste. Vaak zag je haar tong, die te groot leek voor de kleine mond, bijna dubbelslaan voor hij zich in de juiste stand manoeuvreerde om een woord te vormen. Aan het eind van een zin nam de tong een hele hap lucht mee naar binnen, begeleid door een zachte sisklank. Hoewel het hele proces haar danig fascineerde, zorgde ze er altijd voor dat ze tante niet te opvallend aanstaarde.

“Emma”, had tante na het ontbijt gevraagd, “wil jij voor mij een boodschap doen? Oom Edward wil graag boerenkool eten, tussen de middag. Ga jij voor mij even naar de groenteboer. Het is niet ver. Deze straat uit, dan linksaf en direct weer rechts. Hier heb je geld.”

Ze had haar nieuwe bruine jas aangetrokken en met haar crèmekleurige muts goed over haar oren getrokken was ze de deur uitgegaan. Makkelijk te vinden, inderdaad. “Zo meidje, wat zal het wezen?” “Eh, boerenkool.” Wat gek dat tante niet had gezegd hoeveel ze moest halen, bedacht ze ineens. Ze zou nu wel een figuur slaan. “Voor hoeveel personen? Diepvries of vers?” Echt, ze had geen idee. Haar hersens draaiden op volle toeren. “Diepvries scheelt een hoop werk. Je hoeft niet te wassen en te snijden.” Ze dacht aan tante Jo. Die had het enorm druk met Yvonne en de baby. “Diepvries maar”, zei ze snel, “voor vier personen.” Tegelijk wist ze dat ze de verkeerde keuze had gemaakt. Maar ze liet het zo. De hele weg terug probeerde ze te bedenken wat er zou gaan gebeuren. Tante Jo was niet het probleem, maar oom Edward zou stennis schoppen, dat wist ze nu al. Ze was misselijk. Het pak boerenkool woog enorm zwaar.

“O, heb je diepvries meegebracht? Nou ja, het zal ook wel smaken, niet?” Tante was druk bezig in de keuken. De kippensoep stond te pruttelen op het petroleumstel. De vanillepudding stond in de groene visvorm af te koelen voor het half geopende raam. Drie gangen, daar stond oom Edward op. Het geluid van scheurend karton deed haar beseffen dat het nu definitief te laat was om nog iets te veranderen; het blok boerenkool gleed bovenop de aardappels in de grote emaillen pan. Deksel erop en over een half uurtje zou je niet meer kunnen zien dat er geen echte plant in de pan was gegaan. Ze voelde zich er niet gerust op.

De logeerpartij had haar vooral leuk geleken, omdat er twee nichtjes waren. Yvonne van drie jaar en baby Jeannette, van vijf maanden. Ze was gek op kleine kinderen.
Wel moest ze de aanwezigheid van oom Edward op de koop toe nemen. Ze wist nooit goed wat ze aan hem had. In de familie werd er met bewondering over hem gesproken: hij was dan toch maar hoogleraar aan de VU geworden. Én hij sprak vloeiend Frans. Maar hij deed altijd een beetje uit de hoogte. De familieleden die niet in de gelegenheid waren geweest om te studeren, zoals haar vader, werden met de nek aangekeken. Arrogant. Ze kende dat woord nog maar kort. Maar ze wist precies wat het betekende, nu ze oom Edward meemaakte.

Ze mocht de tafel dekken. Er waren nog kerstservetten. Ze vouwde ze dubbel in driehoeken, stak daarna de punten in elkaar en zette ze rechtop op bij de borden. Het zag er leuk uit, maar bij het bord van oom Edward legde ze op verzoek van tante Jo ook een linnen servet. Hij hield niet zo van die papieren vodjes. Het zilveren bestek legde ze precies neer hoe het hoorde. De messen met de snijkant naar het bord gericht en keurig op de messenlegger. De vorken links van het bord, de dessertlepels erboven. De soeplepels kaarsrecht naast de messen.
Na de kippensoep bracht tante de schaal boerenkool binnen, de worst in het midden erbovenop. Het rook heerlijk. Niet van echt te onderscheiden, dacht ze, gerustgesteld. Maar ze zag plotseling de argwaan in oom Edwards ogen. Hij sperde zijn neusgaten wijd open.

“Dit is diepvriesboerenkool!”, schreeuwde hij opeens luid. De kleine Yvonne barstte boven haar schattige kinderbordje in huilen uit. Oom pakte zijn bord op om het tegen de muur te smijten. “Ed!”, riep tante Jo, “dat doe je niet! Niet waar de kinderen bij zijn!” Hij vloekte luid en verdween naar de studeerkamer waarvan hij de deur met kracht dichtsmeet.

“Ach”, zei tante, “zo is hij nu eenmaal, Emma. Driftig. Als hij niet hetzelfde eten krijgt als bij zijn moeder thuis is het helemaal fout. Dan maar geen toetje ook. Nou kind, eet maar lekker. We laten ons hierdoor niet uit het veld slaan. Jij kon het ook niet weten. Ik had het je moeten zeggen. Eten jullie altijd diepvries?” Emma schudde haar hoofd. Natuurlijk niet, zo was haar moeder helemaal niet, maar ze dacht… Ach, ze wist niet meer wat ze dacht. Tante zette de glanzende vork in de groene smurrie en begon smakelijk te eten. Ook Yvonne at haar bordje leeg. Maar elke keer als Emma een hap naar haar mond bracht, begon ze te kokhalzen. Waarom had ze toch de verkeerde keuze gemaakt? Terwijl ze het eigenlijk wel wist? In dergelijke precaire situaties gebeurde het wel vaker, dat ze precies het verkeerde koos of het verkeerde antwoord gaf. Terwijl ze iets zei, wist ze al dat het verkeerd was. Maar ze had ook het gevoel dat ze niet meer terug kon. Zo vreemd. Net of ze naast zichzelf stond en een ander het woord deed. Het verkeerde woord.

Na twee dagen was de beproeving voorbij. Ze was blij dat haar vader haar kwam halen. Oom Edward deed plotseling aardig. “Het was zo leuk om je dochter te logeren te hebben, Gerard. Je kunt haar om een boodschap sturen”, zei hij met een knipoog. “En ze was zo lief……eh, met de kinderen….. Wat mij betreft mag ze best nog eens een paar nachtjes komen logeren”, voegde hij er met een veelbetekenende blik naar haar aan toe.

Ze rende naar de wc en boog zich over de met bloemen gedecoreerde pot. Logeren bij oom Edward, dat nooit meer!

Advertenties

“Geachte Vergadering”

Na het vorige blogje ben ik nog verder de geschiedenis ingedoken. Het oudste notulenboek van Tuinvereniging Zaandijk is een geweldige bron van informatie. Het nu volgende jaarverslag werd gepresenteerd in februari 1944. Zware tijden.

DSC02400

Jaarverslag 1943. Tuinvereniging Zaandijk.

“Geachte Vergadering”……………….

De heer J. Kamphuis, de pas benoemde secretaris, heeft er echt zin in. Hij schrijft een jaarverslag van ruim vier dichtbeschreven kantjes, in een keurig handschrift. Maar, hij waarschuwt wel: “Veel moet U er echter niet van verwachten, want
1ste Slechts korte poos heb ik in Uw bestuur zitting.
2de Over 1943 zijn geen notulen beschikbaar waaruit ik de gebeurtenissen van dit jaar zou kunnen opduiken.
3de Er was weinig activiteit te bespeuren, de inwendige organisatie en administratie was niet overzichtelijk en zoo was het ook op de tuinen, alles stond in het teeken van verval en dat nog wel in het jaar dat de Ver. haar 5 jarig bestaan herdacht. Ook het nieuwe bestuur was gedwongen door de huidige omstandigheden, hieraan geen ruchtbaarheid te geven”

Dit schrijft hij op het moment dat de oorlog nog ruim een jaar zou gaan duren. Dat is wat wij nu natuurlijk weten, toen was het allemaal nog onbekend; een zeer onzekere periode. Daarom ook is het bijzonder dat de heer Kamphuis er zo’n positief verhaal van weet te maken.

Uit het verslag blijkt dat er een nieuw bestuur is benoemd, dat “eenparig vol goeden moed is en de zaken anders aanpakt, dan tot nu toe het geval was. Zij heeft daarbij één doel voor ogen: namelijk de vereniging sterk te maken, zoodat ook na deze oorlog haar bestaan verzekerd is.”
Of de inspanning van het bestuur van 1943 er echt toe heeft bijgedragen, is natuurlijk niet te achterhalen, maar de vereniging bloeit nog steeds!

De heer Kamphuis memoreert nog eens aan het allereerste begin, toen de gemeente Zaandijk de grond in bruikleen gaf, zodat die kon worden uitgegeven aan werklozen, die graag wilden tuinieren. Dit mede door de bemoeienis van de Stichting Werklozenzorg Koog-Zaandijk. Na enige tijd werd er behoefte gevoeld aan het oprichten van een vereniging, met statuten en een bestuur. En zo geschiedde, op 22 november 1938. “Tevens werden op die avond de prijzen uitgereikt, vanwege de Stichting, voor de best onderhouden tuinen.”….. “De goede tuinders werden met tuingereedschap beloond.” Hij noemt de namen van deze mannen en vervolgt: “Vele van deze zijn nog lid en staan wat bewerking der tuinen betreft nog aan de spits, niettegenstaande dat zij nu lange werkdagen maken. Een woord van hulde aan deze pioniers is hier zeker op haar plaats”

Dan herhaalt hij de woorden die de heer Honig (de voorzitter van de Stichting) op de oprichtingsvergadering heeft gesproken: “In de eerste plaats acht ik het de plicht van hen, die krachtens hun positie daartoe in staat zijn alles te doen wat in hun vermogen ligt om de nood ontstaan door de werkloosheid zooveel mogelijk te lenigen. Ik ben de heer Brinkman erkentelijk voor zijn waarderende woorden, doch wil hier gaarne opmerken dat in de allereerste plaats dank moet worden gebracht aan mijn medewerkers die het grootste deel der werkzaamheden voor hun rekening nemen en voor wie geen moeite te groot is.”
De conclusie van de heer Kamphuis luidt: “Mijne Heeren, mij past het niet hier iets aan toe te voegen, hier sprak een groot en nobel mensch.”

Na deze lyrische ontboezeming keert hij weer terug tot de dagelijkse gang van zaken. Er is een inkoopcommissie in het leven geroepen. Hij vindt dat hij daar weinig over kan zeggen: “…aangezien ik daar zelf deel van uit maak. Toch meen ik te kunnen zeggen dat de leden hiermee ingenomen zijn. Deze inkoopcommissie staat nog in haar kinderschoenen, maar zij hoopt in de toekomst, op nog grotere schaal, aan de wenschen van de leden tegemoet te komen.”

Hij maakt duidelijk dat het bestuur misschien wel eens wat vervelende maatregelen zal moeten doorvoeren, maar dat dit altijd in het belang van de Vereniging zal zijn. “Als laatste spreek ik de hoop uit, dat de leden in het aanstaande tuinseizoen, het bestuur alle medewerking zullen verlenen.”

Dan besluit hij vol vuur, wat zeker te maken heeft met de tijd waarin men toen leefde: “….Dat de geest van kameraadschap over hen vaardig zal worden en dat wij elkander beter leeren begrijpen en elkanders werk weten te waarderen. Dan kan het niet anders of de Ver. zal in dit industriecentrum haar plaats veroveren en behouden. Ik wensch u allen een voorspoedig tuinjaar toe, met tuindersgroeten……”

jaarverslag 1943

Dit was weer een aardig inkijkje in het wel en wee van onze vereniging, met postume dank aan de heer Kamphuis. Ook over het jaar 1944 schreef hij een gloedvol verslag. Dat is voor een volgende keer.

Pasen in de Eifel

img115

Een sombere dag is prima om een rommelkastje uit te mesten. Ik neem me voor om dit nu eens grondig aan te pakken. De dvd’s liggen al snel op nette stapeltjes. De fotoboeken zijn aan de beurt. Maar dan zie ik een stukje vergeeld papier uitsteken. Ik ben verkocht. Nog geen seconde later zit ik in de rode ribfluwelen stoel te gieren van de lach.

Op mijn schoot ligt een met de hand geschreven verslag van veertien kantjes van een paasvakantie in de Eifel. Meisjeshandschrift. En de taal van een meisje van zeventien. Hoogdravend af en toe, soms kinderlijk. Ze maakt veelvuldig gebruik van het woordje echter. En van taal die ze uit boeken heeft geleend: ‘het brood is hier zo hard als een bikkel. We moeten onze tanden en kiezen dubbel zo goed gebruiken als thuis.
Wat ben ik blij dat ik dit gevonden heb. Tussen de regels door geeft dit zo’n mooi beeld van het reilen en zeilen van ons gezin, eenenvijftig jaar geleden.

Via zijn werk had mijn vader voor de paasvakantie een huisje gehuurd. Tien dagen naar Duitsland. Wat waren we opgewonden, mijn broertjes en ik. Voor het eerst naar het buitenland. De bergen zien! De reis begon met een rit in een taxi. Dat was al bijzonder. ‘Daarna zeulden we vier koffers en nog wat handbagage naar het derde perron.’ We kregen te maken met situaties die nog nooit eerder waren voorgekomen: ‘…om 12.40 waren we in Venlo. Hier kwam de douane en vroeg of we iets aan te geven hadden. Nadat we verklaard hadden dat dit niet het geval was, ging hij weer verder. Om tien voor een zette de trein zich weer in beweging, richting Viersen. Hij werd nu getrokken door een stoomloc, die in Duitsland nog wel veel gebruikt worden. Dikke witte rookwolken belemmerden ons het uitzicht.’ Heerlijk!

Na een lange busrit belandden we in een huisje met ‘naar alle kanten een prachtig uitzicht.’ We wandelden, zochten fossielen, tafeltennisten, jokerden en genoten van moeders kookkunst. Af en toe leerde ik nog wat voor het HBS-examen. Een paar keer dronken we koffie in de kantine, een ongekende luxe. Zelfs kregen we een keer een mars. En een glas cola!

‘We beklommen bergen aan de noordkant.’ en ‘kerfden onze initialen en de datum in een rotswand.’ De hoogte werd nauwgezet vermeld. Het regende, het hagelde, het sneeuwde, het was zo koud dat we soms met dekens om ons heen dicht bij de kachel zaten, maar niets kon de stemming bederven.

Op een ochtend liepen we wat rond over het terrein en zagen een herder met een kudde schapen. We renden naar huis om het fototoestel te halen. Dit was het echte Duitsland. We maakten een praatje met de man. Zo oefenden we het Duits. Ook trouwens bij het boodschappen doen: ‘Alles moest in het Duits gevraagd en geantwoord worden, wat nog wel eens wat moeilijkheden gaf.’

Ik schenk een kop koffie in en lees het verslag nog een keer. Even is ons gezin als vanouds bij elkaar.

img116

Gespiegeld

DSC02442

In deze oude spiegel oefende zij haar glimlach
Tot hij gebeiteld zat en weer was op te roepen
Zodat zij al de jaren die nog zouden komen
Vol vertrouwen tegemoet kon zien

Er waren toen nog geen tv-programma’s
Maar ze was wel het mooiste meisje van de klas
Zoveel mannen had ze kunnen krijgen
Zij koos gelukkig hem, die kort daarna mijn vader werd

Toen ik nog jong was heb ik haar gekend als op de foto
Dit beeld vervloog, ik zag haar ouder worden
Mijn vader wist het nog, hij borg haar in het klein
Tussen zijn munten en zijn bankbiljetten

Van elke boodschap die hij deed, was zij getuige
Ze zag de guldens wijken voor de euro
Toen hij te oud werd om haar met zich mee te dragen
Mocht zij zijn dagen slijten in het hoekje van de spiegel

Zo gaat het immers: groeien, bloeien en versterven
De cirkel rond, het leven was hen goedgezind
Talrijke zaden zijn gevormd en uitgestrooid
Wonderschone bloesem is er uit hen voortgekomen