Opgescheept?

Jaaa, daar zijn de nichtjes weer!
Op een mooie zonnige zondag, zo’n dag waarop het nog zomer is, maar waarop je de herfst al ruikt. We zien elkaar niet elke week, ook niet elke maand, maar nu zat er wel erg veel tijd tussen de laatste bijeenkomst en deze.

We komen in Delft bij elkaar, bij oudste nicht A. En binnen de kortste keren zitten we aan de koffie. Zo hoort het ook in een v.O.-familie. M verwent ons met een heerlijk krokant taartje van Maison Kelder.
Zij heeft trouwens ook de lunch verzorgd, omdat A nog niet zo goed ‘uit de voeten kan met haar nieuwe heup’. Uiteraard worden de kosten hoofdelijk omgeslagen, want zo is die v.O.-familie natuurlijk ook. Er komt een oude foto en dito brief tevoorschijn, door A opgeduikeld. Mochten we al gevreesd hebben dat het gesprek niet zou vlotten, dit is een prima aanleiding om het te hebben over de keurige handschriften van onze ouders. En over het schijnbaar moeiteloos produceren van leuke en goed leesbare teksten. Het levert vijf trotse dochters op.

Waarover spreken zij nog meer, daar rond die tafel? Tussen de lachsalvo’s door?
Over de enige tante van de familie, de moeder van jongste A, herstellend van een gebroken heup. Het valt niet mee om weer volledig op krachten te komen. Maar toch, still going strong op haar vijfentachtigste!
Over vakantie. We bewonderen de prachtige foto’s die in Afrika zijn gemaakt door M. (Ik wil nog graag een keer het hele album zien!).
Over kinderen en kleinkinderen. Heel spannend dat M binnenkort oma wordt.
Over werk en pensioen.
Over veranderende lijven en kleding, uiteraard. Over schoenen. Over laptops die je op je tenen kunt krijgen, zodat je je gloednieuwe pumps noodzakelijkerwijs maar weer opbergt.
Over gezondheid en over eten; het verschil tussen de pakketten van Hello Fresh en kant-en-klare magnetronmaaltijden.
En over het geloof; van twee kanten komt de vraag: “Wie bezoekt er nog een kerk?” We zijn van huis uit allemaal met het geloof opgevoed en opgegroeid; kan ieder van ons zich daar nog in vinden? En hoe dan? Zouden onze opa en oma erg teleurgesteld zijn in ons? Tja. Een boeiend gespreksonderwerp. Misschien kunnen we daar nog eens dieper op ingaan, bij een volgende ontmoeting.

Het brengt ons bij het eigenlijke doel van deze nichtjesdag: het organiseren van de familiereünie. Plannen en afspraken worden gemaakt en een datum geprikt. Dat betekent dat ‘het werk’ voor vandaag erop zit. Tijd voor (nog meer) ontspanning.

Vanaf acht hoog hebben we het al gezien: daar in de verte installeren mensen zich voor het op handen zijnde ‘Westlands Varend Corso’. Zo dichtbij? Dan willen we ook wel even gaan kijken. Het maakt de middag extra feestelijk, hoewel het jammer is voor oudste nicht, die dat stuk lopen nog niet ziet zitten. Nicht G is zo lief om haar gezelschap te houden en het spektakel, voor zover mogelijk, van bovenaf te bekijken. Wij drieën spoeden ons naar de vaart en genieten een tijdje van al het moois dat langs komt varen.

We laten de andere twee natuurlijk niet al te lang alleen. Trouwens, ook de lunch wacht. Heerlijke soep en broodjes, fruit en wijn.
We lachen ons snel door de afwas heen en dan waaieren we weer uit.

Onderweg dringt het gezegde zich op: Je vrienden kies je, met je familie zit je opgescheept.
“Nou, opgescheept”, denk ik, “deze meiden zou ik stuk voor stuk als vriendin kiezen.”
Maar gelukkig hoeft dat niet meer. Ze zijn het al!

——————————————————————————————————————-

Om verwarring te voorkomen: De volgorde van de nichten van ‘oud’ naar jong: A, G, C, A, M. De jongste A is dus niet ook de jongste nicht.
Met dank aan Oma Johanna, die uiteraard vernoemd moest worden, wat leidde tot drie A’s! De jongste nicht van ons groepje heb ik M genoemd, omdat zij dat zelf ook vaak doet. 🙂

Advertenties

Stormy Weather

Even snel een paar boodschappen doen bij de grootgrutter die iedereen wel kent, (“Ah! Bedoel je die?” “Jah!”) leidde tot de tweede bijzondere gebeurtenis van deze week.

Een grijsharige man in korte broek houdt me staande: “Heb je een telefoon bij je?” Ik stap af. “Ja zie je, die van mij ligt thuis, want ik ging alleen even een ommetje maken, maar die boom daar staat op omwaaien, dus we moeten 112 bellen…” Zonder blikken of blozen haal ik mijn mobiel tevoorschijn. Hij belt, maar het valt nog niet mee om de brandweer duidelijk te maken dat er haast bij is. De wind blaast keihard in het toestel dus over en weer kunnen ze elkaar moeilijk verstaan.
Ja, het stormt. De bomen staan vol in blad en vangen dus veel wind. En deze staat met zijn voeten bijna in het water. Geen houvast. Bij elke nieuwe windvlaag helt de boom naar voren, over de weg heen en trekt een flinke plak grond mee omhoog. Het is link: als hij valt, worden er zeker twee auto’s geplet.

Eindelijk is het geregeld, de brandweer wordt opgeroepen en zal zo snel mogelijk naar de Count Basiestraat komen. De man blijft in de buurt om voorbijgangers op het gevaar te wijzen. Ik race weg, doe snel die paar boodschappen en als ik mijn fiets van het slot haal, zie ik in de verte de brandweerwagen al aankomen.

Ik gedraag me als een ware ramptoerist en schaar me bij – hoe gaat dat zo snel? – de menigte die door een politieagent vakkundig op afstand wordt gehouden. De twee auto’s zijn uit de gevarenzone verdwenen.

Hoeveel brandweerlieden passen er in een brandweerwagen? Heel wat, zo blijkt. Wat zien ze er stoer uit in hun bruin-met-gele uniform. Degene die het voor het zeggen heeft, draagt ook nog een lampje op zijn borst, op alles voorbereid. Ze zijn allemaal in vol ornaat. Degene met de motorzaag heeft de belangrijkste taak: vakkundig zet hij het apparaat onder aan de stam en de zaag zoeft er als een mes door de boter doorheen. De plak grond zakt weer en de enorme kruin bedekt een groot deel van de straat.

Dan worden de takken verwijderd en de stam wordt in mootjes gezaagd. Het is een gezellige boel; het lijkt een uitje voor zowel politie als brandweer. Gewoon de straat afzetten, mensen op een afstandje houden, een beetje hangen en kletsen en een stukje zagen. Geen narigheid, geen brand, geen gewonden.

Plotseling komt met sirene en zwaailicht brandweerauto nummer twee over de brug aanrijden. Zo erg is het nu ook weer niet, maar je kunt natuurlijk nooit weten. Het doet me denken aan die keer op een camping in Frankrijk, waar een heel legertje pompiers uitrukte om een in de grond verstopt wespennest uit te roken.

En daar is de pers! Een fotograaf van ‘De Stadgenoot’ (nooit van dat sufferdje gehoord…) knipt maar raak. Een buitenkansje. En uiteraard zijn er vele mobieltjes in de aanslag. Die van mij ook.

De grijsharige man geniet volop. “Eigenlijk zouden wij op de foto moeten”, zegt hij met een vette grijns, “zonder ons had niemand zo’n leuke middag gehad.”

De verrassing van plan B

Bijkletsen – of bijbabbelen, zoals kleinzoon II zegt – gaat goed tijdens een wandeling, dus de pas er flink ingezet. Vanuit huis is er best een leuke wandeling te maken, als je het eerste half uur de auto’s negeert en je blik richt op het weidse Zaanse landschap. Water, rietlanden, smalle weilanden, de ‘Amerikaanse watermolen‘. Een zestal geiten graast onder toeziend oog van de bebaarde bok. Gepacht visgebied. Een met flinke bomen begroeid eiland met een half bruggetje waarop een reiger in oude-mannetjes-stand.

Langs het pad groeien wilde peen, wikke, gele rolklaver, duizendblad, smalle weegbree. Nu de bermen steeds meer met rust gelaten worden, waan ik me af en toe in de landjes van mijn jeugd. De enorme plensbuien van de laatste weken hebben vele paddenstoelen gewekt. Rechts van ons, aan de andere kant van de autoweg kijken we uit op weiland, bomen en struiken, schapen, een ooievaarsnest waarop nog nooit een ooievaar is geland, laat staan heeft gebroed en wat wrakke schuurtjes. Daar zullen we op de terugweg lopen. Nu nog geen idee van wat er voor ons in het vat zit.

We hebben onszelf halverwege de tocht een kop koffie beloofd. Helaas. Het restaurant gaat pas in de loop van de ochtend open. De vrouw die de koffie zou moeten serveren, kijkt ons met koude ogen aan. Geen groet. De blik gaat op oneindig en snel beent ze met grote passen weg van het terras. Zaanse vriendelijkheid.

Plan B dan maar. We nemen nu het mooiste stukje van de route. Van ‘het kluffie’ af leidt het pad langs woonboten. Oude doorleefde arken, waar de creativiteit van de bewoners duidelijk zichtbaar is. Nieuwe bouwsels met een verdieping, waarvan het hout nog geurt. Soms aan de andere kant van het pad, waar geen huizen staan, een moestuin. Of een wilde bende. We staan stil. Hangt er nou echt een smal trapje in die boom? Waar zou dat voor dienen? En kijk eens, wat een springbalsemien!

“Wat een wildernis hè?” Achter ons staat een vriendelijke oude man. “Maar, aangelegde, gecontroleerde wildernis.” Hij merkt dat wij belangstellend zijn en steekt van wal. Toen de aanleg van een verbindingsweg niet doorging, kon hij het stuk land van de gemeente kopen. Al veertig jaar lang zijn hij en zijn vrouw bezig om er een wilde tuin van te maken. Bomen geplant, paadjes aangelegd, het moerasje gecultiveerd, de sloot laten dichtgroeien. Zaden verzameld en gezaaid. Voornamelijk wilde planten. Een boek lezen? Dat komt er niet van. De sloot moet geschoond worden voor de herfst invalt. Ook geen ontspanning in het huisje, dat verderop ergens tussen het groen moet staan. Er is altijd wel iets te doen.

Zijn vrouw is bezig met verzamelen van zaden, deelt hij ons mee, maar ze vindt het heerlijk om een rondleiding te geven. Het bruggetje over, het hek dicht en dan bevinden we ons plotseling in een geheime tuin. “Kom”, zegt ze, “maar blijf op het pad. Hier rechts is het moeras.” We lopen over zachte, verende paadjes, bewonderen koningsvaren, cichorei, engelwortel, leeuwebekjes, gagel, boerenwormkruid, duivels naaigaren, hondstong en de plant die de dood van Socrates bewerkstelligde: de gevlekte scheerling. En nog veel en veel meer. We zien het huisje waar ze overdag bivakkeren, het kleine huisje waar de zaden worden bewaard, de ‘volière’, waarin voedsel voor kleine vogels (zij kunnen er wel in, en de grote- die trouwens ook worden gevoed- niet). Een gigantisch insectenhotel. Een met sedum begroeid dakje. Aan sommige bomen groeit maretak; ze hebben de bessen er zelf opgesmeerd. Er is een kattenbegraafplaats, met naambordjes en kattenbeeldjes. Begroeide muurtjes, een vijvertje. De ooit uit het bos meegenomen zaailing is een enorme beuk geworden.

Dan ronden we een bocht en lopen langs de boom met het ‘trapje’. We zien nu pas dat dit een gedeelte van een hooihark is. Het raadsel is opgelost, net voor we de tuin verlaten.

Later constateren we dat we ruim een half uur in die stilte hebben doorgebracht. Een half uur? Het voelde niet als tijd. Het ging om kleur, geur, aandacht en liefde. Wat zijn we dankbaar. Wat voelden we ons welkom. Wat hebben we veel geleerd. Wat een cadeautje!
Zo voelt de eeuwigheid, misschien.

Maar we leven nu en nu hebben we zin in de uitgestelde koffie. De Zaanse Schans biedt uitkomst. Denken we. Bij het eerste tentje zullen we worden bediend als we onder het afdak gaan zitten, zegt de juffrouw achter de balie. Maar nee, dat hadden we gedroomd, ze is nog niet klaar met… Ja met wat eigenlijk? Dan maar naar ‘De Walvis’. Op het terras is een vakantiehulp druk bezig met… Ja met wat eigenlijk? “Kunnen we koffie bestellen?”, blijkt een gekke vraag te zijn. “Nee, die moet u daar verderop halen.” Hij wijst vaag. En ja, tien meter verderop is een soort loket waar je koffie kunt kopen. Je mag het wel op het terras van dit luxe restaurant opdrinken.

Dus zo komt het dat we even later met een dik betaald kartonnen bekertje straffe drab aan een wiebelig tafeltje neerstrijken. Geen service, geen vriendelijk woord, geen gastvrijheid, geen behulpzaamheid, geen bediening. Geen koekje!

En toch. Het kan de pret niet drukken. We denken terug aan een heerlijk halfuur. Mensen die tijd hadden. Voor ons, voor elkaar, voor hun levenswerk. Daar kunnen wij een voorbeeld aan nemen.