Over Corja

Na jarenlang gewerkt te hebben in het onderwijs, geniet ik nu inmiddels al ruim een jaar van mijn pensioen. Ik leerde mijn leerlingen, buiten het reguliere programma, om na te denken, te filosoferen en te dichten. Dat vond ik bijzonder leuk om te doen. En zij ook. Daardoor leerde ik de kinderen steeds beter kennen en het was verrassend te zien waar ze mee voor de dag kwamen en hoe ze daarin groeiden. Ik ben al meer dan veertig jaar moeder van twee lieve, prachtige meiden, die zelf ook weer schatten van kinderen hebben. Met mijn bijzondere dochters heb ik een sterke band; we hebben dan ook veel met elkaar meegemaakt. De kleinkinderen komen vaak nog veel verrassender uit de hoek dan mijn leerlingen ooit. Ik geniet enorm van het voorrecht om hun oma te zijn. Na mijn pensionering ben ik begonnen met het bijhouden van een blog. Schrijven vind ik een leuke bezigheid en er is zoveel om over te schrijven! Ooit zag ik in een tv-programma een boer die schitterende beeldjes maakte van zijn dieren. Zijn uitspraak: "Ik doe het om het te kunnen", is mij op het lijf geschreven. Ik heb het gevoel dat hoe meer ik schrijf, hoe beter ik het leer. Maar het levert me vooral veel genoegen op. En met veel plezier post ik regelmatig een nieuwe tekst, waarvan ik hoop dat die ook met veel plezier gelezen wordt.

Een ouwe Saab

Ze zag de auto plotseling opdoemen in haar achteruitkijkspiegel. Hij voegde netjes in. Een bruine Saab, ouderwets model. Terwijl ze snel weer op de weg keek, moest ze zichzelf bekennen dat het haar een lichte schok had bezorgd. Het mijmeren kon een aanvang nemen.
De auto bleef rustig achter haar rijden. Dan maar even van de weg af, ze kende zichzelf. Ze zou voortdurend blijven opletten omdat ze wilde weten of ‘hij’ toevallig ook achter het stuur zat. Gevaarlijke situatie.

Bij het eerste het beste wegrestaurant reed ze de parkeerplaats op. De Lucht. Of er al niet genoeg herinneringen boven kwamen. Maar alles op zijn tijd. Ze gunde de Saab voorrang, zowel in haar gedachten als op de weg. Even nog hoopte ze dat hij ook de afslag zou nemen, omdat ‘hij’ haar herkend had. Maar nee, dat was onzin.

Hoe lang was het nu geleden dat de zoon van vriendin Nel haar op een zomerse zaterdagmiddag kwam uitnodigen om mee te gaan naar de film? Zeker dertig jaar, berekende zij snel. Dat zou betekenen dat Peter Jan nu ruim vijftig zou zijn. Destijds een intelligente jongeman die op oudere vrouwen viel. Zij was toen twee keer zo oud als hij. Toch best heel stoer dat hij dat voorstel deed.

“Koffie, dame?” Ze bestelde een cappuccino aan de balie, rekende af en even later zat ze peinzend aan een tafeltje bij het raam.

Charmant was hij wel, onderhoudend ook, maar zij viel niet op jongere mannen. Wel vond ze het leuk om een goede film te zien. De kinderen waren bij hun vader, dus wat lette haar, ze kon makkelijk een avond weg.

Ze duwde het suikerklontje onder het schuim en begon traag te roeren. Ze kon de chaos die nu in haar hoofd ontstond absoluut niet gebruiken. Ze moest nog een heel stuk rijden. Alert blijven, dus.

…Ze ziet het tafereel nog duidelijk voor zich. Zij, in de middagzon in de kleine tuin aan het water, lezend in – uiteraard – een of ander spiritueel boek. Peter Jan die via het steegje aan komt slenteren, in de stoel tegenover haar neerploft en haar licht geamuseerd aankijkt. Zijn vlotte koetjes-en-kalfjes-babbel, die niet kan verhullen dat hij nerveus is. De donkerrode trui die hij binnenste buiten aanheeft. En het hoge woord dat er wat stotterend en verdraaid uit komt: ”Vind je het leuk om vanavond samen naar de film te gaan? In Amsterdam? In Raltio draait Kaos. Die moet heel goed zijn, volgens mijn moeder.” Hoe ze op haar lip bijt, hem niet verbetert (Peter Jan, het is Rialto en trouwens, je trui zit binnenstebuiten), maar de uitnodiging glimlachend aanneemt. Een herinnering in een gouden lijstje…

’s Avonds zat de trui weer goed. Peter Jan had zijn zenuwen in bedwang en tijdens de korte treinreis bleek hij aangenaam gezelschap. Ze spraken af, dat ze ‘later-als-ze-groot-waren’ allebei een Saab zouden kopen. Een bruine. En dat ze daar flink in zouden gaan scheuren. Maar eerst zijn opleiding afronden. Carrière maken.
Het werd geen kleffe avond. Het was een interessante film en bij een drankje praatten ze nog wat na. Zonder dat het was uitgesproken begreep hij ook wel dat er niet meer in zat dan zo af en toe een gezellige avond. Film en een glas wijn. Dansen bij Zorba de Boeddha. Zo was het goed en zo bleef het leuk.

Op de crematie van Nel, jaren later, was PJ er met zijn gezin: een wat oudere vrouw (wat te verwachten was) en twee mooie mensenkinderen, zoals zijn moeder ze steevast noemde. En nee, hij reed geen Saab.

Ze lepelt het restje melk op en staart uit het raam. Nu Nel er niet meer is, is ze haar zoon ook uit het oog verloren. Een kop koffie lang was het haar vergund te mijmeren over die merkwaardige vervlogen jaren.
En ook al rijdt ze er zelf geen, toch voerde een oude bruine Saab haar even terug in de tijd.

Advertenties

Brief aan mijn moeder

Mam, in stilte feliciteer ik je vandaag. Stel je toch eens voor! Dat je nog leefde! Dan zou je nu 101 jaar geworden zijn. Dat had je misschien wel gewild, maar dan in goeden doen. Oud worden was al niet je favoriete bezigheid, dus nog grijzer, nog meer rimpels, nog minder goed zien, nee, dat was voor jou geen optie geweest.
Die laatste anderhalf jaar van je leven was wat dat betreft helemaal geen pretje, na die eerste hersenbloeding, doordat je slechter liep, moeite had met het gebruiken van je rechterhand, sneller moe was, vergeetachtig werd. Ach, we begrepen allemaal maar al te goed dat het heel moeilijk voor je was. En je wist het waarschijnlijk zelf wel, je zou geen honderd-en-een worden. Zelfs geen negentig. Maar bijna vijfentachtig is een mooie, respectabele leeftijd.

Wat vond ik het moeilijk je te zien vechten, in jouw laatste uur op die winterse ochtend in februari. En ja, het spijt me, maar ik ben even weggelopen. Ik kon het niet aanzien. Jij, die sterke vrouw, die nooit iets mankeerde – althans, je liet het waarschijnlijk niet merken – die altijd gewoon doorging, altijd bezig was, altijd bezig moest zijn, snel-snel. Maar je hebt vast wel gemerkt dat ik weer terug kwam. En dat ik erbij was toen het opeens heel stil werd, daar in dat ziekenhuisbed.

Ze zeggen dat, wanneer je dood gaat, je hele leven aan je voorbij trekt. Kan zijn. Maar terwijl jij lag te sterven, trok mijn hele leven met jou aan mij voorbij. En werd ik me van jouw intense zorgzaamheid bewust, die ik nu voorgoed zou gaan missen. Zoals wij alles zouden we gaan missen.

Wat hebben wij toch geboft met zo’n moeder. Moeder geworden in de moeilijke jaren na de oorlog. In die tijd koos je daar niet voor, het gebeurde. Je moest zien rond te komen met weinig geld, maar niemand zal het aan ons hebben gemerkt. Jij wist van niets iets te maken. Letterlijk en figuurlijk. Oude truien werden uitgehaald en je breide er voor ons nieuwe leuke kindertruien van. Jassen werden gekeerd, zodat er weer jasjes voor ons van konden worden gemaakt. Zuinigheid met vlijt… We aten gezond: bij jou stond het eten niet uren te pruttelen. En het huis was altijd schoon. Reinheid, rust en regelmaat. Jij leerde dit van je ouders, op school, in de praktijk en wij kregen dit motto, onbewust, met de paplepel ingegeven.

Ja, zul je zeggen, nu weet ik het wel. Tijdens de uitvaartdienst kwam dit ook al allemaal ter sprake. Over de doden niets dan goeds. Vertel eens iets nieuws. Waar blijven de negatieve kanten? Is er niet iets te vertellen dat ik nog niet weet?
Ja! Daarom, mam, schrijf ik je nu ook. Nee, ik ga het niet over de negatieve dingen hebben, je vervelende eigenaardigheidjes. Waarom zou ik. Het heeft geen zin; er verandert niets door. Ook niet mijn warme gevoel voor jou.
Wel wil ik je zeggen dat ik je waarschijnlijk te kort heb gedaan. Heb ik je goed genoeg gezien? Heb ik je goed genoeg begrepen? Heb ik genoeg van je gehouden? Ik ben bang dat ik hopeloos tekort ben geschoten. Excuses genoeg, maar hoe moet ik dat nu nog rechtzetten? Lezen jullie daar boven ook? Dat hoop ik maar!

Als ik mijn kleindochter zie lachen dan zie ik jou. Jij kon van zoveel zaken de humor inzien, als je hoofd vrij was. En dan schaterde je net zo als zij dat kan. En weet je nog dat je eens vertelde dat een klasgenootje van jou zei: “Wat lach jij, maid, ik ken so in je keel kaike!” Dat platte taaltje, dat vond je geweldig om na te doen. Maar wij spraken ABN. Laat dat gezegd zijn.
Je was een kei in het onthouden van opvallende uitspraken van anderen om die, als het zo uitkwam, te gebruiken. Nadat ik jou het liefdesbriefje van mijn allereerste vriendje had laten lezen, viste jij daar een zinnetje uit dat later in allerlei situaties van pas kwam. Mocht ik kiezen wat we zouden eten bijvoorbeeld, dan was het: “De keus is geheel aan jou.” Dat was leuk; dan wisten we allebei waar het over ging. Goede herinneringen!

Je was over het algemeen een vrolijke vrouw, maar ik weet dat er ook verdriet aan jou kleefde. En dat schrijf ik met opzet zo op. Zo voelde het. Het verdriet was er, maar het overspoelde je niet helemaal. Je bleef altijd overeind. Slechts een keer heb ik je zien huilen van diep verdriet. Was dat toen je die miskraam had gehad?

Ik had je veel beter willen kennen, denk ik af en toe. Maar het is misschien wel het lot van ouders en kinderen dat dat niet zo is, dat je elkaar maar voor een deel echt kent. Of is dit soms specifiek iets van moeders en dochters? En weten we niet alles omdat we ons hele leven bezig zijn om van elkaar los te komen? Hebben we het daar zo druk mee, dat we alle gevoelens, alle eigenaardigheden van de ander er niet bij kunnen hebben? Of dat niet willen? De handen vol aan onszelf?

Jij zou hier ook weer nuchter op antwoorden dat het ook gewoon geen zin heeft om zo diep te graven. We hebben van elkaar gehouden, jij van mij en ik van jou. En zo hoort het ook en dat is misschien wel genoeg. Misschien. Ik twijfel nog, zoals je merkt.

Rest me nog om je te zeggen dat ik veel van je heb geleerd. En dat ik dat nog steeds in de praktijk probeer te brengen, al lukt dat soms niet zo goed, omdat ik ook een kind van mijn vader ben. Dan weet jij genoeg!

Stel nu dat ze ook aan verjaardagen doen, daarboven. Dan hoop ik dat vandaag je stoel is versierd met heerlijk geurende lathyrus. En dat er een lekker glaasje wijn voor je klaarstaat en een gouden schaaltje met die kaaswafeltjes waar je zo dol op was.

Proost mam, op je verjaardag!

CAN-CAN

Met open mond luisterde ik naar het nieuwsbulletin op de radio, terwijl de mondhygiëniste met grote vaardigheid het tandsteen van mijn ondertanden bikte.
Het meest opmerkelijke bericht was de vergiftigingsschade bij jongeren door het gebruik van lachgas. Enorm stom, maar ook zeer verontrustend natuurlijk. Roken en drinken moet ontmoedigd worden en daar doet de regering af en toe nog wel eens een poging toe. Maar dit misbruik moet eerst grondig onderzocht worden, voor er actie wordt ondernomen. Slappe hap.

Gelukkig zijn er altijd nog instanties die zich ergens druk over maken. Het volgende item ging namelijk over de CAN. Clean Air Now maakt zich nu het volop zomer is maar weer eens druk over het roken op terrassen. Altijd wanneer deze club ter sprake komt, roept dat bij mij enige vertedering op. Niet vanwege de chagrijnige, geïrriteerde ondertoon waarmee er weer een nieuwe poging wordt gewaagd om zich te laten gelden, maar vanwege het feit dat ik de oprichter goed ken. Kende, is een beter woord: mijn schoonvader is al lang dood.

Mijn schoonvader haatte roken. Mede doordat zijn vader, waar hij toch al geen goede band mee had, de ene sigaret met de andere aanstak. (Het vreemde daarvan was, dat ook hij eigenlijk faliekant tegen roken was, maar het zijn knechten in zijn kwekerij niet kon of wilde verbieden en toen zelf ook maar zijn toevlucht zocht in de tabak.) En zijn zoon (met wie ik was getrouwd) draaide de ene na de andere zware Van Nelle. Geen goed gezelschap dus.

In 1974 was hij het zat. Ging hij een avondje uit – dansen vond hij geweldig, iets dat ik me absoluut niet kon voorstellen – dan wilde hij niet ook nog eens meeroken in het toch al bedompte zaaltje van het dorpshuis. En zijn vrouw kreeg het er ronduit benauwd van, vanwege haar zwakke longen. COPD was nog niet uitgevonden, maar zij zou nu zeker de diagnose krijgen.

Hij had al langer met de gedachte gespeeld om een verbod te laten instellen op het roken in openbare ruimtes. Maar in zijn eentje kon hij natuurlijk niet veel uitrichten. Nu probeerde hij medestanders te vinden voor zijn ‘Club van Actieve Niet-rokers’. En die vond hij. Wat aarzelend ging het van start, maar al snel werd het een bloeiende vereniging.
Na verloop van tijd droeg hij het voorzitterschap over. Hij had namelijk nog veel meer zaken waarmee hij zich bezighield en die zijn energie opslokten.

Mijn schoonvader overleed in 1999. De vereniging bestond 25 jaar en in de loop van een kwart eeuw waren er heel wat zaken aangepakt en veranderd. Was er in de begintijd nog wel sprake van enige humor bij de leden, het praatje dat de toenmalige voorzitter op de crematieplechtigheid ten beste gaf was een drammerig, verongelijkt gemopper op de grote boze rookwereld. Geen woord van dank voor de grote verdiensten van de oprichter van de club, maar één grote litanie over datgene dat men nog voor elkaar wilde krijgen en waarin men enorm werd tegengewerkt. Het chagrijn droop ervan af.

Nu, vijfenveertig jaar na de oprichting, is Clean Air Now (wanneer de naamsverandering heeft plaatsgevonden weet ik niet) weer eens in het nieuws. Ik word weer even geconfronteerd met een bijzonder stukje verleden.
En ik kan niet anders dan hopen dat er voor deze club ook nog wat te lachen valt.

(Update: Ik hoor net bij het nieuws dat we nu te maken hebben met Clean Air Nederland. Klinkt toch net iets minder dwingend dan Clean Air Now. En het maakt me benieuwd: waar zouden ze nog meer opereren?)

Geluk in het water

Winterjas aan, sjaal om
De handschoenen ook weer
Tevoorschijn gehaald
Lekker warm
Tegenwind natuurlijk
Flink doortrappen dan maar

Houdt die kou dan nooit op?
De bomen botten gestaag uit
Bloesem en blad
In tere tinten
Waar blijft nu toch het
Bijbehorende zachte lenteweer?

Ik rijd het dorp uit
Een beetje narrig
Maar al gauw niet meer
Aan mijn rechterhand de snelweg
En links van het fietspad
Wild golvend water

De zes streepjesfuutjes
Volgen hun trotse moeder
Pa neemt een flinke duik
Als hij meters verder bovenkomt
Zijn de kleintjes allemaal
Op moeders rug geland

O, die poëzie

De poëzie loopt als een rode draad door mijn leven. Het begon al heel vroeg in mijn jeugd.
Mijn moeder las voor uit de vier deeltjes: Lente, Zomer, Herfst en Winter, geschreven en geïllustreerd door Rie Cramer. Wanneer ik er nu in blader, komt de gezelligheid van toen weer helemaal terug. In de zon, op moeders schoot, luisteren naar de lieflijke gedichtjes. Ik herken ze allemaal nog en ik zou ze, met een beetje goede wil, uit mijn hoofd kunnen opzeggen. Wat zullen die boekjes vaak zijn voorgelezen! Niet in de laatste plaats omdat mijn moeder ze ook heel leuk vond.

Kun je Piggelmee ook poëzie noemen? Niet echt. Het is meer een verhaal op rijm. Mijn vader las dit voor. Herhaalde malen. Ook dit prachtige verhaal-met-een-moraal zit nog in mijn hoofd. Ik lees het nu aan mijn kleindochter voor en ze vindt het heerlijk. Ze “snapt de grap”, zoals ze zelf zegt.

Toen Annie M.G. Schmidt in mijn leven kwam, kon ik zelf lezen. De Lapjeskat, De Veertien Uilen, deze boekjes kreeg ik voor mijn verjaardag cadeau. Ik las en herlas al die vrolijke versjes. Wat er hier met taal werd gedaan had ik niet heel bewust door, maar de aantrekkingskracht was groot. Mijn moeder stimuleerde mij om gedichten uit het hoofd te leren en zo kwam het dat ik op een feestavond van de kerk, met de bibbers in mijn lijf en met een witgestippelde rode jurk aan, Rineke Tineke Peuleschil voordroeg.
Dat was leuk en het ging goed. Tijd voor wat serieuzer werk, vond mijn moeder kennelijk. Ze las herhaaldelijk voor uit een mooi verzorgd bundeltje van Willem de Mérode en geleidelijk aan bleef het gedicht Vitellus, De Wafelverkoper hangen. Het begint zo vrolijk en eindigt zo triest. Wat ik niet begreep, legde ze geduldig uit.

Het eind van de vertrouwde lagereschooltijd naderde. Iedere zesdeklasser mocht voor de afscheidsavond iets voorbereiden. Ik stortte me op Het Schrijverke, van Guido Gezelle. Ook weer op aanraden en zacht aandringen van mijn moeder. Makkelijk was het niet, maar het lukte met haar hulp en zonder haperen wist ik het zo mooi mogelijk te declameren.

Op de middelbare school, de HBS, kwam vanaf de vierde klas ook buitenlandse poëzie in beeld. Het bundeltje Goldene Worte Deutscher Dichter staat nog steeds in de boekenkast.

Echt leuk werd het toen we op de kweekschool te maken kregen met de poëzie van de vijftigers. Experimenteel. En je kon er goed over nadenken en vooral stevig over discussiëren. Iedereen moest voor de klas een gedicht voorlezen. En dan werd het helemaal uitgeplozen. Hilarisch was de keer dat een klasgenoot de inhoudsopgave voorlas van een dichtbundel, op de manier alsof het om een echt, vrij ingewikkeld gedicht ging, met een duistere bedoeling. Ons had hij op de hoogte gesteld, maar de leraar uiteraard niet, en deze ging er zeer serieus op in. Toen hem later werd verteld dat het als grap was bedoeld, kon hij dat niet echt waarderen; poëzie was tenslotte een ernstige zaak.

De leraar drama op dezelfde school studeerde met ons een gedicht in van Martinus Nijhoff: Het Uur U. We voerden het op als een soort van minimalistisch bewegingstheater. Iedereen in het “jaren-zestig-zwart” gekleed, simpel in col(!)trui en lange broek. Pasjes, loopjes, plotseling omdraaien, stilstaan, vooruit, achteruit, opzij, één richting uitkijken, wijzen… Het was bijzonder, uitdagend en leerzaam. En onvergetelijk.

Over vergeten gesproken. Bij het opruimen van de boekenkast, enige tijd geleden, stuitte ik op een in linnen gebonden bundeltje. Een boekje uit de schoolbibliotheek. Een beetje vergeten in te leveren… En, zo zijn we weer terug bij waar het blog mee begon, met een illustratie van Rie Cramer.

Poëzie. Mijn leven binnen gekomen en nooit meer weggegaan. Ik denk met een warm en dankbaar gevoel aan mijn moeder, die mij op dit spoor zette. Een mooiere erfenis kun je je niet wensen.

De Drie Gratiën

De aanblik van de marmeren meisjes
Doet mij naar adem happen
Schoonheid, vreugde en geluk
Gracieus gevangen in harde steen

Het witte marmer lijkt zacht en soepel
Een wang, een schouder een borst
Voile-achtige gewaden voegen zich naar het
Ranke lichaam, een heup, een knie
Vingertoppen tippen vederlicht
Aan slanke hals, aan gezicht
Hoe zacht, aardig en aandachtig
Zij weerspiegelen elkaars glimlach
In hun marmerogen

Fluisteren zij elkaar geheimpjes toe?
Bespreken zij wie er wel en wie niet
Door de beugel kunnen
Om wie ze zo vreselijk moeten lachen-
Is het soms de man van wie de telefoon
Op volle sterkte om aandacht schreeuwt-
In deze stemmige, stille zaal van hun logement,
De Hermitage aan de Amstel?

Traag dimt het licht, draait weg
En weer op volle sterkte gericht
Lijken zij gereserveerd, serieus, koel
Afscheid is op handen

Nog even dan vliegen deze dames
Dik ingepakt terug
Naar hun eigen riante onderkomen
De Hermitage aan de Neva

Ships that pass en een babypakje

Het is niet druk bij de baby-afdeling van de Hema. Wij zijn met zijn tweeën. De dame pakt een babypakje van het rek en voelt aan het mouwtje. Ik ben op hetzelfde uit. “Leuk hè, die vosjes”, zeg ik, terwijl ik de goede maat zoek. “Ja”, zegt ze, “maar ik twijfel. Het kindje wordt in juli geboren, is het dan niet te warm met die lange mouwtjes?” “Ach, er zijn altijd wat koelere dagen, het lijkt mij dat het wel kan.”

De vrouw kijkt me aan. “Mijn dochter is zwanger. Ik ben zo blij voor haar!” Haar ogen vullen zich. “Hè, nu schiet ik vol. Het is ook zo bijzonder. Eenenveertig en een kinderwens. Maar geen partner. Wel naar gezocht hoor, maar ach, het lukte niet. En nu is ze toch in verwachting. Van een heel aardige man, een homo. Ook alleen en met een kinderwens.” “O, wat fantastisch. Wat dapper ook, dat ze die keuze heeft gemaakt!” “Ja, en ze wonen – toevallig ook weer – niet ver van elkaar en ze willen het kind samen opvoeden. Maar ze gaan niet samenwonen, natuurlijk. Dus”, besluit ze, “dan moet ik nu ook twee pakjes kopen. Neutraal, want ze weten nog niet wat het wordt. Deze kan ook, toch?” Ik knik. “Ik heb nog drie kleinkinderen, waar ik heel blij mee ben, maar dit vind ik zo mooi, ik had het nooit verwacht. En, ik val in herhalingen, maar ik ben vooral ook zo blij voor haar.” Ze legt twee pakjes over haar arm en kijkt me aan. Ze is nog lang niet uitgepraat. “Mag ik u een kop koffie aanbieden?”, flap ik eruit. “Ja, leuk, graag! Dan reken ik dit eerst even af.”

Even later warmen we onze handen aan een grote kop cappuccino. Het gesprek gaat gewoon verder, of we al jaren goede vriendinnen zijn, terwijl we elkaar blijven aanspreken met ‘u’. Levensverhalen worden uitgewisseld. We herkennen veel van elkaar. De seventies, weet u wel. Raakvlakken zijn er meer dan genoeg voor een levendig gesprek. Over werk, opleiding, relaties. Bizar eigenlijk, dat we dat zomaar met elkaar delen, maar op een of andere manier voelt het heel vertrouwd. Het is ook grappig, er valt veel te relativeren en te lachen.

Na een minuut of twintig lepelen we de laatste restjes schuim uit ons kopje. We nemen afscheid. Misschien komen we elkaar nog weer eens tegen, maar zo niet dan is het ook goed.

Voor nu is het gedicht van Henry Wadsworth Longfellow heel toepasselijk. Zo benoemen we deze ontmoeting ook en wensen elkaar veel geluk.

Ships that pass in the night
And speak each other in passing
Only a signal shown and a
Distant voice in the darkness
So on the ocean of life we pass
And speak one another
Only a look and a voice, then
Darkness again and a silence

Een bijzondere uitvaart

Neef Gerrit is dood. Dat mogen we best zo zeggen, want het is een feit. Net zo goed als het een feit is dat nog maar een half jaar geleden zijn zus, onze nicht A overleed. Natuurlijk, het staat ons allemaal te wachten, maar dat neef Gerrit, die stabiele factor in onze familie, nu zo onverwacht door Magere Hein (zijn geliefde uitdrukking) is gehaald, dat verwart en verdriet ons zeer.

Het afscheid vindt plaats in het prachtige Park Ockenburg. Goudgeel blad gloeit op in het licht van de laagstaande namiddagzon. Wat een mooie, stemmige dag voor een uitvaart. De vochtige aarde geurt. Bladeren dwarrelen traag naar de grond. Het bospad slingert tussen de bomen door naar het crematorium. De stemmen van de gasten klinken gedempt. Een enkele vogel laat zich horen. Hier voel je je getroost door de kracht van de natuur, die laat zien dat het einde onvermijdelijk is, maar dat het leven, op welke manier dan ook, doorgaat.

The Girl From Ipanema leidt ons in alle rust de zaal binnen. Het is er vol. Vanaf de foto op de kist kijkt Gerrit ons aan. De vriendelijke blik die wij zo goed van hem kennen. Witte bloemen. Op het scherm draaien foto’s die hij maakte van zijn riante uitzicht: prachtige zonsondergangen boven zee, bij alle weersomstandigheden. Schitterende wolkenluchten. Bijna wekelijks deelde hij die; daar keken we zelfs naar uit.

Maar wat wisten wij verder van hem? Dat hij een aardige, welgestelde, intelligente man was. Dat hij een ruim bemeten appartement bewoonde met uitzicht over Den Haag en Scheveningen. Dat hij graag verre reizen maakte. Maar hoe was hij echt? Wat bewoog hem? Over zulke dingen praatte je nooit. Wanneer je elkaar zo sporadisch ziet, is dat niet direct onderwerp van gesprek.

Nu gebeurt dus weer, wat al zo vaak gebeurd is: tijdens de uitvaart leer je iemand pas kennen. En heel vaak is dat een verrassende en boeiende ervaring. Als wij nichten al hadden gedacht (en dat deden we) dat hij wat vereenzaamd was, dan blijkt nu dat we er volkomen naast zaten. Er zijn veel sprekers, die graag het woord nemen en een bijzonder, opmerkelijk en levendig beeld schetsen van onze neef. Langzaamaan komt hij voor ons tot leven. Nu pas. En hoe! De toespraak van zijn beste vriendin verrast ons nog het meest. Zij vertelt, met een licht humoristische ondertoon, bijzondere verhalen over de bijzondere man, die zij zo goed kende. En die zij nu zo vreselijk mist.

Hij had een rijker sociaal leven dan wij voor mogelijk hielden. Hij was bij velen, terecht, zeer geliefd. Zijn – bewust gekozen – vrijgezelle staat belette hem evenwel niet een familieman te zijn, die genoot van alle activiteiten en festiviteiten die het gezin van zijn zus met zich meebracht. Hij maakte hier als (boomlange) ‘oompje’ regelmatig actief deel van uit en was voor zowel zijn nichtje als zijn neefje van grote betekenis.
Dat hij een bijzondere band met zijn nicht had, ervoeren we al bij haar crematie, een aantal jaren geleden, waar Gerrit in zijn toespraak refereerde aan de afspraak die ze hadden gemaakt: op zijn crematie zou zij een mooie toespraak te houden. Hoe anders is dit gelopen. Neef neemt nu de honneurs waar en spreekt met veel liefde en warmte over ‘oompje’.

Als wij nog even napraten, voelen wij ons behalve verdrietig ook gerustgesteld, zelfs bijna opgelucht, na alles wat we hebben gehoord. Onze aardige, bijzondere, onafhankelijke neef heeft een goed leven geleid. Eenzaam was hij niet.

Dan realiseren we ons opeens dat er nu aan de familie een heel gezin ontbreekt: oom, tante, nicht en tenslotte ook neef. En dat is wel bizar.

——————————————————————————————————————-

Over zijn nichtje (Groots en meeslepend): https://wp.me/p36K0e-DM
Over zijn zus (Nichtjes min een): https://wp.me/p36K0e-YK

Familie met een kouwe kant?

Familie.
Wat is dat toch voor een fenomeen. Wij duiden een speciale groep mensen al mijn hele leven aan met ‘familie’. Zo wordt er door je ouders over gepraat. Je weet wie er allemaal bij horen en denkt er verder niet over na. Tot het moment dat je het als iets bijzonders begint te ervaren. Omdat je ouder wordt en je je realiseert dat er meer mensen zijn zoals jij. Met hetzelfde bloed, dezelfde wortels, dezelfde eigenaardigheden.

In het etymologisch woordenboek kom ik het volgende tegen: familie mnl. familie ‘onderhorigen’ en (zelden) ‘huisgezin’ < lat. Familia ‘personeel’. De minder beschaafde vorm famielje < fra. Famille (14e e.)

Ja, dan weet je eigenlijk nog niets. Ik wil namelijk weten hoe dat zit met die groep mensen die zo verschillen van elkaar, maar toch bij elkaar horen, zich verwant voelen. Die elkaar misschien niet zo goed kennen, maar die wel drommels goed weten van wie ze afstammen: van die opa en oma, waar ze op verjaardagen en in vakanties kwamen. Aan wie ze speciale herinneringen bewaren. Koesteren, misschien wel.

En ja, als ik de van Dale opsla, lees ik het volgende: familie [de, v] verzameling van bloedverwanten van dezelfde naam die uit eenzelfde stamvader zijn geboren.

Dat begint er meer op te lijken.
Want dat wordt gevoeld en gedeeld.

Het is gek: toen wij jong waren, onze ouders dus ook, zagen wij elkaar op verjaardagen van opa en oma. We speelden verstoppertje in huis (opa was jarig op 20 februari en oma op 9 maart, koud buiten…) en leerden zo spelenderwijs woorden die thuishoorden in een familie waar de bouwkunde en bouwkunst hoog in het vaandel stond en ook werd gepraktiseerd. Loggia, vestibule, erker bijvoorbeeld. De deur tussen de vestibule en de gang was voor een deel van glas-in-lood. Ik voel nog de handgreep en de zwaarte van de deur. Verstoppen in de vestibule had alleen maar zin wanneer je je heel klein maakte, op je knieën op de kokosmat. Verstoppen in de slaapkamer van opa en oma deed je niet. Het kwam niet eens in je op. Wel in de kamer met de loggia. Dat het allemaal mocht. Misschien omdat de volwassenen dan tenminste even rustig met elkaar konden praten; de mannen en de vrouwen in gescheiden groepen. De zilverkleurige haard zachtjes snorrend. De schemerlampen aan.

Wanneer de bel ging, wisten wij het allemaal: daar was de bakker met dozen vol belegde broodjes. Heerlijk! Een geroffel op de trap en wij kinderen waren weer beneden en verdrongen ons om de tafel. De geur van de verse bolletjes. Het geritsel van het papier. De knapperige korstjes. Het overdadige beleg. Er was rosbief. Alleen het woord al. Dat hoorde thuis in een sprookje. Wat een traktatie. Krentenbollen voor toe. Dit was echt feest.

Ja, het is gek. Nu, zoveel jaren later- sommigen zijn al zo oud als opa en oma in onze herinnering- zal er weer een ontmoeting plaatsvinden. Pogingen om een reünie te organiseren zijn in een vergevorderd stadium. Nee, we zullen geen verstoppertje spelen voor elkaar. De lunch zal bestaan uit lekkere broodjes, die wij bedaard zullen nuttigen. We kennen veel meer moeilijke woorden dan toen, maar dat vinden we nu gewoon, daar laten we ons niet op voorstaan. We zullen ons verbazen over misschien wel vijftig tinten grijs. Maar verder zal alles zijn zoals ‘vroeger’: nichtjes en neefjes bij elkaar. Alleen is er nu nog maar één tante…

In Van Dale wordt ook nog ‘de koude kant’ van de familie genoemd. Zo’n nare uitdrukking. Ik weet zeker dat zoiets niet bestaat. Althans niet bij ons. Warm en betrokken, dat is iedereen in deze familie. Het is fantastisch, dat we elkaar weer opnieuw leren kennen. Dat we elkaar binnenkort weer zullen zien.

Opa en oma, jullie kunnen trots zijn op het nageslacht!

Weet wat je wenst

Twee jaar geleden was het zo ver. Mijn aardige buren hadden definitief de knoop doorgehakt en gingen emigreren naar Zweden. Ze verkochten hun huis aan een jonge knul van begin twintig. Zonder zich een seconde te bedenken begon deze aan een maandenlange uitermate luidruchtige verbouwsessie. Kaalgeschoren, van top tot teen getatoeëerde figuren bonkten op hun zware kisten in en uit. Een aggregaat stond weekendenlang te stampen en te brommen voor het huis. Met veel geweld werd de badkamer uitgebroken. Ja, deze politieagent zou zijn komst in dit rustige wijkje niet onopgemerkt laten plaatsvinden.
Het werd nog erger toen hij eenmaal echt in het huis ging wonen. Al zijn louche verbouwvriendjes werden uitgenodigd om in zijn provisorisch ingerichte shisha lounge, het schuurtje, waterpijp te komen roken. Meestal begon het feest om elf uur ’s avonds en eindigde het rond een uur of twee. Toen het te koud werd, verplaatste de hele club zich naar binnen, waar de herrie op dezelfde voet werd voortgezet.
Gezellig, een nieuwe buurman. Ik wenste hartgrondig dat hij zou gaan verhuizen. Maar daar was natuurlijk geen sprake van, hij woonde hier nog maar net. Natuurlijk zou hij niet weggaan. En toch. Ik wenste het vanuit het diepst van mijn hart. En in mijn fantasie zag ik hem zijn spullen pakken en vertrekken.

Iets grondig en van harte wensen, was mij ooit verteld, zou wel eens gevolgen kunnen hebben. Niet direct, maar het universum zou ermee aan de slag gaan en op een goed moment zou de wens vervuld worden. Maar, was de subtiele waarschuwing, het zou best wel eens een beetje anders kunnen uitpakken dan je je had voorgesteld; je kunt tenslotte niemand de wet voorschrijven. Dus ja, probeer in je formulering in elk geval zo duidelijk mogelijk te zijn. Het was: wensen en loslaten. Over tot de orde van de dag.

Het gedoe bleef en ik probeerde me er zo min mogelijk aan te storen. Dat viel niet mee. Sterker nog ik ergerde me vaak groen en geel. Was soms wanhopig en boos. Hoe kon het dat ik zo’n jochie van begin twintig zoveel macht gaf. Ik liet me uit mijn jarenlange ‘comfortzone’ losweken. Dat schijnt goed en verruimend te werken, maar ik vond het bijster lastig.

Op een dag echter bleek dat hij een vriendin aan de haak had geslagen. Een aardig meisje, dat hem regelmatig tot de orde riep. Letterlijk zelfs. Wat was ik blij met haar! De bezoekjes van het stelletje ongeregeld werden langzaamaan minder. En na nog een half jaar hielden ze zelfs helemaal op. Alles leek zich ten goede te keren. Er kwam rust.

Totdat er in februari van dit jaar, bij iedereen in dit kleine wijkje, een brief op de mat viel. Een straat verderop bleek een huis te zijn verzakt en dat was voor de woningbouwvereniging een mooie gelegenheid om over te gaan tot het aankondigen van de sloop van de twintig huizen die ze al twintig jaar grondig had verwaarloosd. De hele buurt was in rep en roer. In allerijl werd een bewonerscommissie opgericht. Er werd vergaderd. Politieke partijen bemoeiden zich ermee. Maar ja. Het leek niet anders te kunnen. Ook dat ene koophuis zou tot puin vervallen. (Ooit was de woningbouwvereniging van plan alle woningen te verkopen, maar de prijs lag zo hoog, dat niemand daar intrapte. Alleen het huis naast mij is, toen het een keer leeg kwam, verkocht.) Met ingang van april zou iedereen weg moeten uit het groenste wijkje van Zaandijk.

Uiteindelijk werd de soep toch niet zo heet gegeten. We wonen hier nog. De bewonerscommissie trekt alles uit de kast om tot een bevredigende oplossing te komen. Er wordt nu zelfs voorzichtig gedacht over renoveren. Na de vakantie zullen er weer bijeenkomsten worden belegd en dan weten we, hopelijk, waar we aan toe zijn.

Mijn buurman koos eieren voor zijn geld. Het lukte hem om zijn huis weer te verkopen aan de woningbouwvereniging. Hij wilde gaan samenwonen met zijn aardige vriendin. En deze week is hij verhuisd…

Terwijl de vrachtwagen werd volgeladen, zette ik een kopje thee voor bij het ontbijt. Op het labeltje stond een wel heel toepasselijke tekst.

En zo zie je maar: weet wat je wenst!