Over Corja

Na jarenlang gewerkt te hebben in het onderwijs, geniet ik nu inmiddels al ruim een jaar van mijn pensioen. Ik leerde mijn leerlingen, buiten het reguliere programma, om na te denken, te filosoferen en te dichten. Dat vond ik bijzonder leuk om te doen. En zij ook. Daardoor leerde ik de kinderen steeds beter kennen en het was verrassend te zien waar ze mee voor de dag kwamen en hoe ze daarin groeiden. Ik ben al meer dan veertig jaar moeder van twee lieve, prachtige meiden, die zelf ook weer schatten van kinderen hebben. Met mijn bijzondere dochters heb ik een sterke band; we hebben dan ook veel met elkaar meegemaakt. De kleinkinderen komen vaak nog veel verrassender uit de hoek dan mijn leerlingen ooit. Ik geniet enorm van het voorrecht om hun oma te zijn. Na mijn pensionering ben ik begonnen met het bijhouden van een blog. Schrijven vind ik een leuke bezigheid en er is zoveel om over te schrijven! Ooit zag ik in een tv-programma een boer die schitterende beeldjes maakte van zijn dieren. Zijn uitspraak: "Ik doe het om het te kunnen", is mij op het lijf geschreven. Ik heb het gevoel dat hoe meer ik schrijf, hoe beter ik het leer. Maar het levert me vooral veel genoegen op. En met veel plezier post ik regelmatig een nieuwe tekst, waarvan ik hoop dat die ook met veel plezier gelezen wordt.

Casa Romana in Leiden

Geboren en een heel klein poosje getogen (tien dagen in het Diaconessenhuis) in Leiden, gecombineerd met de herinneringen aan de bezoekjes die ik met mijn opa bracht aan de Hortus en het Museum van Oudheden, maakt het voor mij bijna een noodzaak om in elk geval één keer per jaar naar deze stad terug te keren.
Nu was het weer eens zover. Het moest. En dus togen wij op een mooie, winderige dag naar Leiden, met als doel precies datgene waar mijn opa me zestig jaar geleden mee naartoe nam. Waarmee hij mij besmette, kun je haast wel zeggen.

Het Rijksmuseum van Oudheden is enorm veranderd, sinds ik er voor het eerst een voet over de drempel zette. En opa, bouwkundige Jan van der Sterre, zou er vast wel wat over te zeggen hebben gehad. Buiten is nu ook binnen. De restauratie (alweer jaren geleden trouwens) is ruim opgezet en mooi uitgevoerd. Ik denk wel dat hij het zou hebben kunnen waarderen. De mummies, de Egyptische kunst, waar wij toen voor kwamen – het is er allemaal nog, zoals het hoort. En daar, in die donkere ruimtes, hoor ik altijd nog de enigszins brommerige stem die me dingen uitlegt, me op bijzonderheden wijst, een grapje maakt, vraagt wat ik ervan vind.

Vandaag komen we voor Casa Romana, het dagelijks leven in het oude Rome. We belanden in een zeer zorgvuldig opgezette tentoonstelling. Het voelt aan als een warm bad. Door de bijzondere opstelling en de verduidelijkende teksten waan je je beslist even daar en in die tijd. Maar het verrassende komt vooral doordat onze tijd er letterlijk mee is verweven, door de hedendaagse voorwerpen die zich schijnbaar moeiteloos mengen met de oude schoonheid.

Onwillekeurig ben je voortdurend aan het vergelijken. En daardoor krijgen de oude voorwerpen, teksten, materialen betekenis. Dit is precies waar de samenstellers gebruik van hebben gemaakt. Ze hebben zich dit heel goed gerealiseerd.

Een bijzondere inval moet het zijn geweest om de tentoonstelling op deze manier vorm te geven. Al brainstormend zal er iemand gezegd hebben: “Als we nu eens…Iets nieuws..?” En daar gingen ze los. De oude tijd plaatsen in de nieuwe tijd. En andersom. Hedendaagse kunst en design combineren met de Romeinse kunst en gebruiksvoorwerpen.

Plastic bokalen, groente van stof, foto’s, afdrukken op glas van prachtige tuinen, een 3D-printer die ter plekke een hedendaagse amfora uitspuugt. Teksten aan de muur van gewone daagse gebeurtenissen, gevoelens en gedachten, die ook hedendaagse notities zouden kunnen zijn op Facebook bijvoorbeeld.

Eenvoudige materialen in tegenstelling tot eeuwig marmer. Japonnen losjes gebaseerd op de Romeinse dameskleding. Olielampjes gecombineerd met flakkerende elektrische peertjes. Een boekenkast met onbeschreven papyrusrollen. Wat een vondsten. We vervielen van de ene ahhh in de andere o!

Er waait een frisse wind door het muffe museumwereldje. Dat was bijvoorbeeld ook voel- en zichtbaar bij Voorlinden. Wat is er mooier dan dat je met een grote glimlach en zeer voldaan het monumentale pand verlaat?
Wie zich ook wil laten verrassen, kan ik deze tentoonstelling van harte aanbevelen!

En dan naar Izmir!

Over een dolmuş, een geit en een verzonken stad.
Vervolg op: Naar Turkije!

We hadden Istanboel wel zo’n beetje gezien. Dus gingen we, volgens plan, richting Izmir. Met een dolmuş reden we vanaf het centrum naar de rand van de stad. Daarna kregen we eerst enkele korte liften. Veel Turken vonden het wel interessant om buitenlanders mee te nemen in de auto. Zo konden ze hun talen een beetje oefenen. De oudere Turken, daar kwamen wij al snel achter, spraken bijna allemaal een mondje Frans. De veertigers oefenden zich suf op Duits. Met het oog op hun toekomst als gastarbeider (ja, dat mocht je toen nog gewoon zeggen) in Europa. Uiteraard gold dit alleen voor de mannen.

Halverwege kregen we een lift in een oude stadsbus, die voor dat doel al lang niet meer diende. Dat het een oud beestje was, merkten we tegen de avond. Na enig onheilspellend gepruttel en gebonk hield de motor er abrupt mee op. Iedereen bemoeide zich ermee, maar niemand wist wat te doen. De nacht viel snel in en er was geen enkele kans meer op een andere lift. Het was stikdonker op de weg en er reed niets meer.
We zeiden dus geen nee tegen de uitnodiging om maar in de bus te gaan slapen en de volgende morgen te zien wat er verder zou gebeuren. Behalve de chauffeur reed er nog een stel boeren mee. Op weg naar de markt, vermoedden wij, gezien de kisten en dozen tomaten, uien, pepers en aubergines die her en der in de bus stonden. De geit kon buiten blijven, aan een touw. Midden in de nacht, waarin ik toch al niet echt lekker ontspannen sliep, moest ik met alle macht en door flink te meppen diverse handen van me afhouden. Mijn vriend had al leren schelden in het Turks en dat kwam enorm goed van pas. De rust keerde weer, maar ik deed geen oog meer dicht.

De volgende ochtend stonden we al vroeg aan de kant van de weg. De man die met zijn oude amerikaan stopte, maakte ons duidelijk dat we konden meerijden tot Izmir. Een buitenkansje.
Hij bleek burgemeester te zijn van een klein dorpje vlakbij Izmir, waar hij de eigenaar was van de waterput. Als we wilden, waren we van harte welkom om een paar dagen bij hem en zijn gezin door te brengen. We namen de uitnodiging graag aan, maar eerst wilden we nog wat van de ruïnes van Izmir zien en al gauw stapten we uit. We beloofden om diezelfde dag nog naar hem toe te komen.

Zon, rust en stilte. Het hete zand trilde van de warmte. Terwijl we de weg overstaken naar de baai, kwam een rode eend de bocht om en door het open dak hoorden we een onvervalst gvd schallen. En wij maar denken dat we de enige Nederlanders waren in dit exotische, zonovergoten land.

We slenterden langs de baai. Al snel hadden we door dat er iets bijzonders te zien was in het kabbelende water. Keien, brokken steen en… muren. We zetten de bagage in het zand en liepen door het lauwe water over een oude stadswal. Zeewier wiegde zachtjes heen en weer. Kleine visjes zwommen rond onze voeten. Het licht speelde met de golfjes. Dit was geluk! We maakten foto’s; we hadden niet voor niets vier Ilford-rolletjes van zesendertig opnames meegenomen.

De man die naar ons toe kwam, was netjes gekleed: grijze terlenka broek, wit overhemd. Hij riep vanaf het strand. Het vreemde gebaar dat hij maakte – hij zwaaide met zijn rechterhand alsof hij ons wilde duiden verder weg te lopen – hadden we gelukkig al eerder iemand zien maken, zodat we wisten dat het betekende dat we juist naar hem toe moesten komen. In zijn beste Frans en met handen en voeten deed hij een heel verhaal. Hij was projectontwikkelaar begrepen we, een beroep in opkomst. Hier aan deze baai zou hij grote hotels laten bouwen. Voor het toerisme. En hij wilde een luxe folder laten drukken. Met foto’s. En of wij misschien zo vriendelijk wilden zijn…? Hij zou de prijs van het fotorolletje betalen en we kregen een maaltijd op zijn kosten.

Nadat hij de precieze plek had aangewezen en ons had verteld van de verzonken stad, waarvan we al over de muurtjes gelopen hadden, maakten we wat foto’s. We zorgden ervoor de baai mooi uit te laten komen. Zwart-wit, dat wel. Maar dat vond hij prima. Verder liet hij het aan ons over en hij voegde zich bij zijn compagnons in het theehuis. Hij zat er gelukkig nog toen we na een half uur terug kwamen. We overhandigden hem het rolletje. En wij kregen thee en een maaltijd. Daarna bracht hij ons met zijn auto naar het naburige dorp.

Naast de waterput stond inderdaad een landelijk huis. We liepen er omheen en daar zagen we een groep mensen bezig tomaten in kisten te pakken. De burgemeester begroette ons uiterst vriendschappelijk, alsof we elkaar al jaren kenden en stelde ons met trots voor aan de anderen, zijn vrouw, kinderen en personeel. Toen kregen ook wij een stapel kisten om te vullen. Daar zaten we, in het gras, in de schaduw van de moerbeibomen. De tomaten geurden zoals we nog nooit hadden geroken. Wat was het heerlijk ontspannend om zo gedachteloos bezig te zijn. Het voelde alsof we nooit iets anders hadden gedaan.
Het kweekschoolexamen lag al eeuwen achter ons. Daar hadden we al tijden niet meer aan gedacht. Dit was pas leven!

Zo voegden we weer een aantal verrassende ervaringen toe aan onze toch al bijzondere vakantie.
En nooit had ik gedacht dat ik daar vijftig jaar later nog eens een blog over zou schrijven.

Wordt vervolgd.

De Zaandijker kerk in volle glorie

Het is al een tijdje aan de gang in het oude wijkje, een paar straten bij mij vandaan: slopen, breken, graven, egaliseren. En renoveren. Zo kwam het stokoude Zaandijker kerkje letterlijk steeds meer aan het licht.

Toen ik twintig jaar geleden (alweer!) in dit aardige dorpje (natuurlijk, het is een onderdeel van Zaanstad, maar toch) kwam wonen, zag ik vanuit mijn keukenraam het blauwe lichtje op de kerktoren. Ik vond het wel mooi, onder de rook van de kerk te wonen.
Het oude, vervallen gebouw heeft mij altijd aangesproken. Het was een echte kerk zoals kinderen die tekenen: een schip en een toren. Kerkdiensten werden er al lang niet meer gehouden. Zelfs is er een tijdje een paintballcentrum in gevestigd geweest. Dat vond ik raar en zonde van het gebouw. Heiligschennis. Daarna stond het leeg.

Het blauwe lichtje was verdwenen. Het verval sloeg enorm toe. Ramen werden ingegooid. Het was onduidelijk wat er allemaal in dat gebouw gebeurde. En eigenlijk wilde ik dat liever niet weten ook.

Tot er vorige zomer ineens met grof geschut sloopwerk werd verricht. Nee, niet de kerk ging eraan, maar de lelijke gebouwen rondom (wie kent nog de term: punaisebouw?)
De kerk werd in de steigers gehesen en daarna flink onder handen genomen, zowel aan de binnen- als aan de buitenkant. Er werd natuurlijk druk gespeculeerd over wat er met het gebouw zou gaan gebeuren. Stukje bij beetje hebben we de metamorfose kunnen volgen. Deze week werd het laatste gedeelte van de buitenmuur wit geschilderd. En zijn er leibomen omheen geplant. Het terrein is opgeruimd. De klok loopt weer (nog niet op tijd, maar voor de kerk is het noch te vroeg, noch te laat).

Vanochtend reed ik er langs, met de fietstassen vol boodschappen. Ik zag dat de deur wagenwijd openstond. Afstappen dus. Een vriendelijk bordje nodigde uit tot binnenkomen. Het was zelfs mogelijk de toren te beklimmen. Wel via zo’n enge metalen gaatjestrap, maar dat is ook wel weer een uitdaging. Het uitzicht was in elk geval fantastisch.

Binnen rook het heerlijk naar lak en er werd nog driftig getimmerd en gezaagd. De laatste hand voordat de officiële opening vrijdag plaatsvindt. Buiten voor de voordeur staan tien brievenbussen. Tien appartementen zijn er gerealiseerd voor een project begeleid wonen.

Zo heeft de kerk haar leidinggevende functie uiteindelijk toch weten te behouden.

——————————————————————————————————————-
Oplettende lezertjes zullen het woordje hammerbeam op een van de foto’s zijn tegengekomen. Dit is een speciale manier van het aanbrengen van dakspanten, heb ik van een behulpzame bezoeker begrepen. Deze kerk is een van de weinige waarin dat te nog zien is, blijkt. Zo komt de plafondversiering goed tot zijn recht. Hier is dat slechts een randje in ossenbloed rood, maar dat is in elk geval goed zichtbaar.

Over Stockholm, aardige mensen en een bobine

Met een lekker gangetje tuffen bijrijder Bram en ik over de A5, op weg naar Den Haag. Eindelijk zullen we, de ‘oude’ vriendin en ik, museum Voorlinden in Wassenaar bezoeken. We hebben door omstandigheden de afspraak een aantal keren moeten verzetten, maar vandaag zál het lukken; het is een mooie dag voor museumbezoek. We hebben er zin in.

Terwijl ik een vrachtwagen inhaal, remt mijn auto spontaan af, doet net of hij over een hobbelige weg rijdt en ontsteekt de feestverlichting. Dat oranje lampje ken ik! Toen dat in mijn vorige auto begon te branden, bleek die ten dode opgeschreven. Dus stoppen! Naar de vluchtstrook, alarmlichten aan en bellen met de mobiliteitsservice. Diep ademhalen en net doen of de paniek die ik net voelde opkomen, onder het asfalt is geschoffeld.
De dame aan de telefoon is bijzonder aardig en behulpzaam. (Zoals het hoort, natuurlijk.) Het lukt me om normaal te antwoorden. Ik geef aan waar ik sta en wat mijn kenteken is. En zij belooft dat er over een half uurtje iemand zal verschijnen om de auto naar de dichtstbijzijnde garage te brengen. Tot zover gaat het goed. Terwijl het verkeer langs me heen raast, voel ik me steeds rustiger worden. Ik bel vriendin HB. Jammer, jammer, maar het komt er waarschijnlijk niet meer van vandaag. Alhoewel, je weet het nooit, misschien valt het toch nog mee.

Met mijn voeten in de zachte berm zet ik het op een wachten. Het verkeer zoeft langs. Af en toe stijgt er tegenover mij een vliegtuig op. Een waterig zonnetje doet zijn best, maar het blijft grijs. Geen regen, gelukkig. Ik tuur in de verte; komt er al iets? Het halve uur wordt drie kwartier en na een uur vind ik het welletjes. Zijn ze me vergeten? Ik bel nog maar een keer; dezelfde vriendelijke dame belooft dat er over tien minuten….. Er zit niet veel anders op dan gewoon maar te blijven wachten. Geduld is een schone zaak.

Dan komt de welbekende gele auto aanrijden. De chauffeur hijst zich in een dito hesje. ‘Mijn’ service heeft toch geen connecties met de Wegenwacht? De schrik slaat me ineens om het hart. Hij komt me natuurlijk de mantel uitvegen: waar is de gevarendriehoek, mevrouwtje? En dat gele hesje, dat in de achterbak ligt, had u dat niet even kunnen aantrekken?! Voor uw eigen veiligheid? Maar hij loopt rustig naar mij toe en stelt zich voor. Hij blijkt onderweg naar een ander pechgeval, maar wilde even informeren. Ik vertel wat er aan de hand is en dat ik wacht op de servicedienst van mijn eigen automerk. Die arriveert op datzelfde moment. De derde aardige persoon van die ochtend. Mijn vertrouwen in de ‘Menschheid’ wordt in razende vaart hersteld.

De auto wordt op de vrachtwagen gereden en daar gaan we, naar de dichtstbijzijnde garage. Er ontspint zich een geanimeerd gesprek: over pensioen, over werk, over het onderwijs, over hobby’s, over de opvoeding, over leeftijd, over geraniums… Zo wil ik wel doorrijden tot Stockholm.
Maar binnen een kwartier rijden we het bedrijventerrein op. Het vertrouwde embleem op de garage. De monteur zal eens kijken wat er aan de hand is en ik word vakkundig de koffiehoek in gemanoeuvreerd.

Tien minuten later valt het verlossende woord. De auto kan nog jaren mee, wanneer De Bobine wordt vervangen. Ik heb geen flauw idee wat dat voor een ding is, maar het klinkt positief. Jammer alleen, dat het onderdeel niet in voorraad is.

Wat is het toch fijn dat er mensen zijn die oplossingsgericht denken. De aardige jongen achter de balie met het leuke geblondeerde haar stelt voor om er een uit eenzelfde model auto – die toevallig net op de brug staat – te slopen en in die van mij te monteren. Dat gebeurt.

Na wat administratieve rompslomp en een telefoontje naar vriendin, stel ik de navigator in en praat Bram me door een wirwar aan straatjes (keer om!) naar de snelweg. Ook de auto heeft er weer zin in.

En zo rijd ik al snel Den Haag binnen. Vriendin staat al klaar. Op naar museum Voorlinden! Eindelijk!

Naar Turkije!

Vijftig jaar geleden trokken we liftend naar Turkije. Thé place to be. Onze ouders zullen best in de rats hebben gezeten; zowel wat betreft de manier van reizen als de bestemming. Wij waren negentien en zagen geen gevaar. Sterker nog, dit was avontuur van het zuiverste water. Wij konden straks vertellen hoe het was daar, in dat verre exotische land.
Driehonderdvijftig gulden hadden we gezamenlijk verdiend met vakantiewerk en dat bedrag moest volstaan om drie weken vakantie te vieren. Zo niet, dan zouden we wel wat werk zien te vinden.

In een lege touringcar – onze laatste lift – reden we, via de grauwe, unheimische, streng bewaakte grenspost Edirne, Turkije binnen. De bestemming van de bus was een hotel in het centrum van Istanboel, waar Oostenrijkse vakantiegangers moesten worden opgehaald. De vraag werd al snel in gebroken Duits gesteld: willen jullie werken in het hotel? Voor kost en kamer? Groot gebrek aan personeel was een voortdurend probleem. Dat kwam goed uit. Na een nacht op een keihard bed, voorzien van niet al te schoon beddengoed (we zouden de volgende dag al ontdekken hoe dat kwam) en na ons “gewassen” te hebben onder een roestkleurig haperend straaltje (de douche was nu nog kapot, maar morgen was er misschien weer warm water) togen we na een ontbijtje van brood en jam aan het werk. Bedden afhalen en de lakens opstrijken. Heel goor werk, omdat ze van het bed rechtstreeks op de strijkplank belandden; de gasten hadden leuke nachten gehad. ’s Avonds schonken we, in de bar op het dak, biertjes in voor luidkeels van heimwee zingende Oostenrijkers.

Als er overdag plaats was bij een excursie, mochten we mee. Zo kwamen we onder andere in het Topkapi museum en zagen we de Blauwe Moskee en de Aya Sophia. We struinden door smalle steegjes. Aaiden schurftige katten. Zagen wat armoede was. Op de bazaar genoten we van geluiden, geuren en kleuren en lieten ons de maat nemen. Nog steeds moet ik daar bij een aardige kleermaker een groen leren jasje ophalen………

Toch wilden we verder. Het werk werd vervelend. Het personeel was heel aardig, maar ook wel wat opdringerig. De koks, Ali en Mehmet, stopten ons voortdurend vol met lekkere hapjes; zij vonden ons veel te mager. Maar we kregen er toch genoeg van. We wilden meer zien van het land. We hadden nog maar twee weken. Daarna zou ik me moeten gaan voorbereiden op mijn eerste baan voor de klas.

Naar Izmir, was het plan. Het was niet moeilijk om een lift te krijgen, integendeel, de ritjes werden ons vaak opgedrongen. Dat kwam natuurlijk ook goed uit, maar voor ons hoefde het ook weer niet al te snel, we wilden eerst deze bijzondere ervaring verwerken.
We reden in relaxt tempo met ezelskarren, sukkelden over de weg in stokoude taxi’s, brachten zelfs een nacht door in een gammele lijnbus, toen die er na uren hikken en rammelen mee ophield. We werden uit een vrachtwagen gezet toen de bestuurders gingen proberen hun kapotte vehikel weer aan de praat te krijgen, maar werden direct opgepikt door een rijke, beringde Turk in een snelle luxe auto.

We hadden enorm genoten van ons avontuurlijke verblijf in Istanboel. We hadden kennis gemaakt met vriendelijke mensen. We hadden ons vergaapt aan de prachtige oude moskeeën. We hadden nieuwe gerechten geproefd. Niet allemaal even smakelijk (de schapendarmensoep had wat mij betreft niet per se gehoeven, maar nee zeggen tegen de uitnodiging zou vreselijk onbeleefd zijn geweest.) We dronken heerlijke zoete thee uit met goud versierde glaasjes. En daarbij aten we simit, kleine ronde broodringen met sesamzaad.

Laatst las ik ergens dat Tayyip Erdogan als dertienjarig jochie in Istanboel straatventer was. Dat hij precies in de tijd dat wij daar waren achter een glazen karretje gevuld met simit over de hobbelige straten liep. Dat hij daarmee een poging deed zijn arme ouders te helpen.
Nog steeds vraag ik mij af, of we niet heel toevallig bij hem……. Het zou inderdaad wel heel toevallig zijn.
Het lijkt nu wel, dat hij enorm zijn best doet om zijn armoedige jeugd en wat niet al, te overschreeuwen. Als je goed kijkt, zie je het straatvechtertje van toen. Klaarblijkelijk heeft hij niet geleerd, dat schreeuwen en op die manier je verhaal halen meestal averechts werkt. Dat je hiermee naast vrienden ook vijanden maakt. Ik hoop dat hij nog tot inzicht en inkeer komt.
Misschien zou het helpen als iemand samen met hem een glas thee zou drinken. En hem zou trakteren op simit. Dat ze zouden zeggen: “Weet je nog?” Wie weet………………….
————————————————————————————————
‘Naar Turkije’ wordt vervolgd.

(Ik heb hiermee niet de bedoeling een politiek statement te maken. Het wordt een reisverhaal, maar het gegeven diende zich aan.)

Gelokt

Het kind leidde de man aan de hand naar buiten. Het kleine knuistje voelde warm aan. De hete, droge lucht benam hem bijna de adem. Hoe lang was hij niet buiten geweest? Hij schudde zijn hoofd. Hij wilde niet denken aan die lange dagen in de kerker. De kleine jongen naast hem neuriede een drietonig deuntje. Hij kreeg zin om mee te doen. Om zich een te voelen met dit kind. Hij had een zoon kunnen hebben, als hij niet zo onberekenbaar was geweest. Als hij zich gewoon had gehouden aan wat God van hem had gevraagd.

Dienstbaar had hij moeten zijn. Dat was hem zwaar gevallen. Hij de vrijbuiter, die zich door niets en niemand liet tegenhouden. Die het recht in eigen hand nam. De sterke, niet bang voor een leeuw als die op zijn pad kwam. Een lichtend voorbeeld? Zijn naam, de zongelijkende, zou het doen vermoeden. Hoe het niet moest, dat had hij de wereld getoond. Blind voor de juiste weg. Zo blind als hij vandaag in werkelijkheid was.

De kleine jongen zei iets tegen hem. Hij boog zich naar hem toe en fluisterde: ”Het is goed jongen, breng me ergens waar ik wat steun heb.” Het plein voor de tempel was vol feestende Filistijnen. Geroep, geschreeuw, gelach. De klim was zwaarder geweest dan hij vroeger ooit had kunnen denken. Vroeger. Hij leunde tegen een pilaar en liet de zon zijn gezicht beschijnen. Beneden hem lag het land waar hij zo vaak doorheen was getrokken. Waar hij honing vond, toen hij op weg was naar zijn eigen bruiloft. Waar hij vossen met brandende fakkels aan hun staart doorheen had gejaagd. Waar hij duizend man versloeg met alleen een ezelskaak. Zijn gedachten gingen met hem op de loop.

De soldaat die zijn boeien losmaakte, schamperde: “Die mooie vriendin van je heeft je toch maar mooi te grazen genomen. Jij speelt niks meer klaar”, en hij smeet de kettingen voor zijn voeten op de grond.

De schande die over hem was gekomen- hij wilde het liever vergeten. Hij had zich zijn grote geheim laten ontfutselen. Zonder zijn lange, nooit geknipte lokken was hij geen cent meer waard geweest. De snelheid waarmee hij werd overmeesterd, verbaasde hem nog altijd.

Vertwijfeld haalde hij zijn handen door zijn enigszins gegroeide haardos. O God, wat zou ik ze dit alles nog eens betaald willen zetten. Had ik toch maar voor even mijn kracht terug.

Hij voelde een tikje tegen zijn been. De kleine jongen bracht hem een beker water. Na de eerste slok voelde hij een vreemde siddering door zijn lichaam gaan. Het was zover. “Jongen”, riep hij, “ren voor je leven. Hier gaan vreselijke dingen gebeuren!” Toen hij geen voetstappen meer hoorde, richtte hij zich op tussen twee pilaren. Met alle kracht die in hem was, drukte Simson ze uit elkaar.

————————————————————————————————

Meer verhalen geïnspireerd door de bijbel:

De verloren zoon http://wp.me/p36K0e-J3
Gezegend ben je…. http://wp.me/p36K0e-HZ
Exodus http://wp.me/s36K0e-exodus
Wijsheid door moederliefde http://wp.me/p36K0e-En
Het slappe handje van Adam http://wp.me/p36K0e-BB
Geheel volgens blauwdruk http://wp.me/p36K0e-wt
Het lot http://wp.me/p36K0e-pS
Panta Rhei http://wp.me/p36K0e-p4
Overstag http://wp.me/s36K0e-overstag

Schaduwrijk

Hij ligt er weer, de geurende, dampende, zwarte berg compost. Iedereen op het tuincomplex weet dat vanaf vandaag het tuinseizoen echt begonnen is. Natuurlijk is er al veel werk verzet. Er is gespit, geharkt, gesnoeid. Maar dit is het ultieme sein. Vanaf nu keert alles zich weer ten goede. We zien de bloesem al als roze-witte vlinders aan de fruitbomen, de kapucijners zich wentelen rond de stok, de tomaten kleurend van groen naar rood. Wel moet er nog even hard gewerkt worden, want het is de bedoeling dat de vruchtbare grond over de tuin wordt verspreid.

Een kruiwagen vol scheppen, het pad over, het bruggetje ‘nemen’, nog een pad, een bocht ronden en dan kan het zwarte goud gestort worden. En dit ritueel herhaalt zich. Na een paar uur en zo’n drie kilometer in de benen, liggen er twaalf hoopjes te dampen op de vers gespitte aarde. Heerlijk. Het geeft ons een uiterst tevreden gevoel.

Het zware werk wordt verlicht door de praatjes die je hier en daar maakt. Je rust even, je wisselt wat uit, een kwinkslag hier en daar. Het prachtige weer is vol beloften. De warme zon doet de geplaagde rug goed.

En toch. Hoe gezellig het ook is, hoe hard er ook wordt gewerkt, hoeveel grappen er ook worden gemaakt, en ondanks het vrolijke zonnige weer, toch is elke tuinder zich bewust van de schaduw die er over deze dagen hangt.

Tuinder E die een paar weken geleden plotseling overleed laat letterlijk een gat vallen in de gesloten tuinenrij. Niemand kan het nog bevatten. Zo’n sterke man, zo vriendelijk. Een tuinder in hart en nieren. Alles op zijn tuin was altijd keurig in orde; op tijd gespit, gezaaid, gewied. Het was dus bijna logisch dat als tegenprestatie zijn fruitbomen in bloei stonden, afgelopen herfst.

De twaalf hoopjes compost, die op zijn nog onlangs gespitte grond een beetje misplaatst liggen te zijn, hebben medetuinders daar gebracht. De tuin zal snel weer verhuurd worden.
Voor zijn dochter, die even verderop een tuin heeft, is het confronterend om steeds langs de lege tuin te lopen. Ze doet het. Ze houdt zich goed. Ze is sterk.

Tuinder A die normaal gesproken opgewekt en vrolijk aan het werk is, is nu stil en ernstig. Hij heeft een paar weken geleden afscheid moeten nemen van zijn vrouw. Voorgoed. Zij was ook de zus van tuinder D., die pas sinds januari een tuin heeft. We kennen hem nog niet zo goed, maar toch merken we ook de stilte rond hem op, terwijl hij bezig is een stuk zwarte, enigszins verwaarloosde grond om te toveren tot een mooie moestuin.

We missen tuinder W nu al een paar dagen. Dat is vreemd; hij is er bijna altijd. Tuinieren zit hem in het bloed, al veertig jaar. Net als E is hij een gedreven tuinder en een markante persoonlijkheid. Dat zijn ze trouwens allemaal, de oude bazen die al zo lang lid zijn van de vereniging. Later die dag wordt ons duidelijk waarom hij verstek laat gaan: zijn oudste zoon, in de bloei van zijn leven, is deze week overleden. W’s kruiwagen, nog vol compost, staat eenzaam te wachten bij het hek. Halsoverkop vertrokken…..

Het noodlot heeft de touwtjes in handen. In anderhalve maand drie sterfgevallen.
We weten het: de dood hoort bij het leven. Maar we worden nu stevig in ons nekvel gegrepen en met de neus op de feiten gedrukt.
Wat een verdriet heerst er op de tuin. We zijn er allemaal stil van. Bij sommigen rijt dit alles oude wonden open.

Dan laat plotseling de eerste de grutto zijn vrolijke roep horen. Hij heeft zijn prestatie geleverd en zal straks gaan nestelen in de Zaanse weilanden. De natuur gaat zijn gang. Zo is het nu eenmaal.
Aan de treurwilg verschijnen de eerste blaadjes.

Stil genieten

De stilte was oorverdovend. Zo’n gewone uitdrukking. Maar soms voelt het toch echt zo. ‘Soms’ was de woensdag na de logeerpartij van mijn drie kleinkinderen in hun voorjaarsvakantie.

Terwijl ik de knutselspullen bij elkaar zocht en ze daarna met monopoly en damspel naar de logeerkamer bracht, miste ik de gezellige gesprekken. De enthousiaste uitroepen, de lieve vragen: “Hé oom, mag ik…..?”, en dan moet het wel een heel gek voorstel zijn, wil ik er geen toestemming voor geven. De pop baden in de afwasteil? Natuurlijk! ‘Melk’ maken van maïzena en water voor in de fles van de pop? Ook dat is goed. Koekjes bakken? Gezellig. Nóg een aflevering van Buurman en Buurman? Van de familie van der Ploeg? Vanzelfsprekend. Een half uur ‘op de tablet’? Ja hoor. Een vierde potje monopoly? Graag. Een kleurplaat uitprinten? Ga je gang, je weet hoe het werkt.
Zo verliepen er twee heerlijke dagen.

Ook de uitdrukking ‘stille getuigen’, is nogal belegen en versleten. Maar dit keer kwam ik er zoveel tegen; kleine getuigen van kleine gebeurtenissen.

Een druppel ‘hele goeie’ haargel op de badkamerspiegel.
Drie washandjes gebroederlijk naast elkaar op de radiator.
Drie lege tandenborstelbekers.
Een gekraakte, maar niet opgegeten walnoot in de schaal.
Een Pokémonkaart onder een hoofdkussen.
De ‘bijzondere’ schelp waar ineens een klein stukje van af is. Net als van de neus van het spekstenen nijlpaardje.
De nog nadruppende pop die in de keuken op de radiator zit op een stapeltje keukenpapier.
De lege verpakking van de maïzena in de keukenkast.
Een tictacje op de vloer voor de achterbank in de auto. In gedachten hoor ik de vraag: “Hoeveel mag je er?” De vraag die alleen gesteld wordt door kleindochter. De jongens houden zich bezig met de vraag wie er (eerlijk) aan de beurt is om het doosje open te maken en de snoepjes uit te delen. Ieder twee!
Een per ongeluk in de auto achtergelaten knuffeltje. Heel zielig natuurlijk. Zowel voor het knuffeltje als voor de liefhebbende eigenaresse.
Maar het mooiste en het liefste vind ik de tekst op het whiteboard in de keuken. Geschreven met een bijna lege stift, maar daarom niet minder dierbaar. Ik maak een foto…..

…… en dan pak ik de stofzuiger en zuig de restjes anijshagel op.

Dire Straits *)

Het onvermijdelijke is gebeurd. Veel te snel (maar wie zijn wij om daar een oordeel over te hebben) keerde hij terug naar… ja, wie weet waarheen. Een ruime maand geleden zag ik hen voor het laatst samen. Toen schreef ik onderstaande tekst, maar twijfelde of ik het zou plaatsen.
Uiteindelijk doe ik dat nu toch. Uit eerbetoon aan een bijzonder mens.

schuim

In het nauw

Hij ziet er zo oud uit
Als hij niet meer zal worden
Het grijze haar verzorgd
Achterover gekamd

Toch nog een kwinkslag
Want hoe ernstig ook de situatie
Zijn humor verlaat hem niet

Zo kort geleden nog
In de warmte van de late nazomer
De wijn fonkelend in onze glazen
Klonken wij drieën op het leven
Wat wisten wij van Ispahaan

Straks weet ik eindelijk hoe het is
Zegt hij zonder een spoortje angst
Geen boosheid ook
Hij heeft zich al zo lang voorbereid
Op het onvermijdelijk menselijk lot
Zijn Private Investigations

Straks is samen voorbij
Zij zijn het zich bewust
In hun ogen wijlt verdriet
Om wat niet meer zal zijn
En zachte glans als zij spreken
Over hun herinneringen
Van kort en lang geleden
Berusting toont de ingekeerde blik
En rotsvast vertrouwen in elkaar
Love Over Gold

Eenmaal weer thuis is de enige optie
Het aansteken van een kaars
En het draaien van de muziek
Die hij me leerde kennen
In de dagen van weleer

Toen we dachten
Dat er nooit een einde kwam
Aan voor de vuist weg leven

*) Dire straits: Je in een moeilijke situatie bevinden, in het nauw zitten

Zo zie je maar

hemelsleutel-sneeuw

Wat is het toch
Dat ons doet smelten voor sneeuw

Het is een koud goedje
Maakt de wegen spekglad
Dooi geeft blubberzooi
Door wind opgejaagde vlokken
Belemmeren het zicht

Zouden wij dag in dag uit
Met sneeuw moeten leven
Wij hadden er geen woorden voor

Toch is het maar zelden
Dat er een goed dik knerpend wit pak
Over het land wordt gevlokt

Je moet er wel van houden
Zo niet van de koude witheid
Dan toch van de
Door tientallen vogelvoetjes
Omgewoelde sneeuw
Bij de zojuist gevulde voerbak

Of van de alpinootjes
Waarmee de skeletjes van de hemelsleutel
Troostend worden getooid

En als inspiratie
Voor een wintergedicht
Is die zogenaamde witte wereld
Eveneens niet te versmaden