Over Corja

Na jarenlang gewerkt te hebben in het onderwijs, geniet ik nu inmiddels al ruim een jaar van mijn pensioen. Ik leerde mijn leerlingen, buiten het reguliere programma, om na te denken, te filosoferen en te dichten. Dat vond ik bijzonder leuk om te doen. En zij ook. Daardoor leerde ik de kinderen steeds beter kennen en het was verrassend te zien waar ze mee voor de dag kwamen en hoe ze daarin groeiden. Ik ben al meer dan veertig jaar moeder van twee lieve, prachtige meiden, die zelf ook weer schatten van kinderen hebben. Met mijn bijzondere dochters heb ik een sterke band; we hebben dan ook veel met elkaar meegemaakt. De kleinkinderen komen vaak nog veel verrassender uit de hoek dan mijn leerlingen ooit. Ik geniet enorm van het voorrecht om hun oma te zijn. Na mijn pensionering ben ik begonnen met het bijhouden van een blog. Schrijven vind ik een leuke bezigheid en er is zoveel om over te schrijven! Ooit zag ik in een tv-programma een boer die schitterende beeldjes maakte van zijn dieren. Zijn uitspraak: "Ik doe het om het te kunnen", is mij op het lijf geschreven. Ik heb het gevoel dat hoe meer ik schrijf, hoe beter ik het leer. Maar het levert me vooral veel genoegen op. En met veel plezier post ik regelmatig een nieuwe tekst, waarvan ik hoop dat die ook met veel plezier gelezen wordt.

Dat nam je dan maar…

Als kind al smulden we van de verhalen over zijn jeugd. “Wilt u vertellen over vroeger?” En dan stak hij van wal. Dat we vaak dezelfde verhalen hoorden, maakte ons niets uit; we konden er niet genoeg van krijgen. Vooral de verhalen over de oorlog vonden wij spannend. Maar ook over hoe het er thuis aan toeging, met elf kinderen in een piepklein huis.

De laatste jaren hoef ik hem er niet meer naar te vragen; de verhalen komen vanzelf. Ze worden niet meer aangedikt; hij vertelt niet om mij te vermaken. Nee, hij vertelt omdat hij zich hardop dingen afvraagt. Omdat hij zich verbaast over hoe alles is gegaan. Omdat hij zich realiseert dat alles met alles te maken heeft. Dat dingen gaan zoals ze gaan, dat je in het leven niet overal grip op hebt. Dat je het leven niet naar je hand kunt zetten. Gedane zaken nemen geen keer. Het zijn nog steeds mooie verhalen, maar anders. Hij is wijzer geworden, milder. En ik kan er mijn voordeel mee doen. Het is leerzaam om deze gesprekken te voeren. Zwaarwichtig wordt het nooit; hij weet tenslotte toch alles te relativeren en de humor speelt nog steeds een grote rol.

Als ik na zo’n bezoek naar huis rijd, heb ik veel te overdenken. Maar ook realiseer ik mij dan, dat dit eens ophoudt. Want ook al is hij nog net zo’n charmeur als vroeger, al interesseert hij zich nog steeds voor nieuw uitgekomen filosofische boeken, en al doet hij net of ze niet tellen, de jaren gaan hard. Om het maar ronduit te zeggen: hij is een oude man.

En dan, op een dag, leg ik het minuscule opnameapparaatje voor hem op tafel. Hij kijkt er bevreemd naar. Terwijl ik een bandje uit het cellofaan peuter, leg ik uit wat ik van plan ben. “Vertel, pa”, zeg ik gretig, “vertel nog eens over vroeger. Dit apparaatje neemt alles op en dan zijn uw prachtige verhalen veilig gesteld voor het nageslacht.” Even kijkt hij bedenkelijk. Zo belangrijk is het immers niet, wat hij te vertellen heeft. Ik waag dit te betwijfelen en na wat hints is hij al snel op dreef en is hij het recordertje vergeten.

Veel van wat hij vertelt, heb ik vaker gehoord. Dat is fijn, de vertrouwde verhalen. Maar ik hoor ook nieuwe. Nu hij er echt voor gaat zitten, komt er meer dan ik had gedacht.
Na een uur vinden we het allebei welletjes, het moet leuk blijven, tenslotte. Ik berg alles op. Het bandje zal ik thuis proberen uit te werken tot een goedlopend verhaal.

En dat heb ik gedaan. Al een aantal jaren geleden inmiddels. Nu ik het weer eens doorlees, stuit ik vanzelf op dat nare laatste stukje tekst, waardoor mijn hart samen knijpt:

“Ik heb met van Veen, toen ik bij hem in dienst was als slagersknecht, regelmatig na het werk hele gesprekken gevoerd. Diepzinnige gesprekken, over van alles en nog wat. Gesprekken zoals vader en ik nooit hadden. Toen ik daarover eens iets tegen moeder zei, antwoordde zij dat vader mij niet mocht, omdat ik naar haar vader was vernoemd, die hij ook niet mocht. Tja, en dat nam je dan maar zo…”

Ik schuif de papieren in het mapje. Hij nam het maar zo en is verder gegaan met zijn leven. Toch moet het invloed op hem hebben gehad.
Maar ondanks deze slechte ervaring (of misschien zelfs juist daardoor), is hij altijd een sociaal mens, een liefhebbende echtgenoot, een goede vader, een fijne opa en een trotse overgrootvader geweest.

En daar ben ik hem dankbaar voor.

De Trouwfoto

Achtentwintig jaar is ze. Het is vrij laat om te trouwen, maar daar is de oorlog schuld aan. Haar man is vijfentwintig. Haar ouders zijn beide vijfenvijftig, haar schoonouders ook. Het is een mooie herfstdag. Het leven lacht hen toe.

Ze wist al lang dat hij gek op haar was. Wist hij het ook van haar? Vast wel. Maar een huwelijk zou er wel nooit van komen, vreesden ze allebei. Twee volkomen verschillende milieus, dat kon toch niet samengaan?! Tijdens bijeenkomsten van de jongerenvereniging van de kerk, ontmoetten ze elkaar. Dan trokken ze met elkaar op en organiseerden activiteiten en uitstapjes. Gedreven mensen, zo jong al.

Toen kwam de oorlog roet in het eten gooien. Ze zagen elkaar minder vaak. Hij zat in het verzet, dook geregeld onder wanneer hij weer voor een gevaarlijke klus was gevraagd. Ook bij haar thuis waren de broers actief. Nee, het was te gevaarlijk om contact te hebben. Bovendien kwamen ze nog niet bij elkaar over de vloer; het was nog steeds een geheime verliefdheid.

Ook dit soort verliefdheden kunnen overleven. Toen de oorlog voorbij was, moest het er dan toch echt van komen. Hij wilde om haar hand vragen, maar zo makkelijk was dat niet. Dat moest met beleid worden aangepakt. Hij kende haar ouders goed genoeg om te weten dat er veel bezwaren konden worden gemaakt. Vooral haar moeder wilde haar stand ophouden.
Maar haar tante, een paar dorpen verderop, zou nog wel eens een goed woordje kunnen doen. En die zag dat stel wel zitten. Zij handig, zuinig, praktisch, zorgzaam, hij een denker, ambitieus, sociaal, humoristisch. Ze zouden elkaar aanvullen. Een stevige basis voor een leven samen.

Voordat hij de stoute schoenen zou aantrekken, ging tante haar best eens doen. En met succes. Haar ouders waren wel te overtuigen geweest. Niet in de laatste plaats omdat hun aanstaande schoonzoon een actief lid was van de kerk. Haar vader kwam er al snel achter dat er met deze man diepzinnige gesprekken te voeren waren. Met hem kon hij filosoferen over het geloof, de bijbel en het leven.

De datum van het huwelijk werd vastgesteld. Van het geld dat ze zo goed en zo kwaad als het ging hadden gespaard tijdens de oorlog, kon er een eenvoudige uitzet worden aangeschaft en toen er ook inwoning mogelijk bleek bij een dominee, werden er meubels gekocht. Alles wat zelf gemaakt kon worden, zoals lakens, slopen en zelfs de trouwjurk, werd door haar met veel liefde en aandacht op de handnaaimachine vervaardigd.

En hier staan ze nu. Nog beduusd van alle plechtigheden laten zij zich fotograferen in de tuin achter het huis van haar ouders.

Ik bekijk de foto nog eens goed. Mooie mensen zijn het, mijn toekomstige ouders. Jong en verwachtingsvol na de vijf moeilijke jaren. Aan de gezichten van mijn grootouders te zien, is het nog niet direct een vrolijke boel. Er is te veel gebeurd; het leven is zwaar.
En bovendien hebben alle drie de vrouwen het zojuist weer te horen gekregen in de kerk: “Gij vrouwen, weest uwen eigen mannen onderdanig, gelijk den Heere, want de man is het hoofd der vrouw.”

Zo is het bij ons nooit gegaan. Mijn ouders waren vastbesloten om hun leven anders vorm te geven. Ze waren totaal verschillend, maar aan elkaar gewaagd. Ze hebben zich weten te ontworstelen aan het kleine dorpse leven, in letterlijke en figuurlijke zin. Ze hebben het goed gedaan, wij kinderen hebben het goed gehad.
Dat zou ik ze nu nog wel eens willen zeggen, maar helaas. Dus dat doe ik dan maar in stilte.

Op dit moment heb ik alleen nog maar een vraag: Ik zou zo dolgraag willen weten wie die twee vrouwen zijn, die, links op de foto, dit hele schouwspel van een afstandje, over de heg heen, staan te bekijken… En, zou de fotograaf ze hebben gezien?

De verjaardag

Jongens, vertel me, waar zijn nu toch ineens
Die lieve mollige handjes gebleven
Die gretig grepen naar speelgoed en koekjes
Ik lette zeker even niet op

En mannen, ook wil ik graag weten
Waar zijn die voetjes, in kleurige slofjes
Waarop jullie nieuwsgierig de wereld betraden
Ik heb waarschijnlijk iets gemist

En trouwens, hoe zit het met dat kleine lijfje
In schattig-stoere kleertjes
Bolle wangetjes en buikje, waar zijn ze nu
Had ik mijn ogen soms in mijn zak?

Jongens, zeg maar niets, zo gaat het dus
Het is verrassend jullie te zien groeien
Leuke peuters veranderen in leuke pubers
Ik kijk verrukt mijn ogen uit

Mijn tijd krimpt, jullie tijd rekt uit
Ik kijk terug, mijmer over vroeger
Jullie gaan in volle vaart het leven tegemoet
Met groot vertrouwen zie ik het gebeuren

Kleurrijk in zwart-wit

De trein kwam er al aan toen wij nog op de roltrap stonden. We liepen snel naar beneden en trokken een sprintje als een stel zeventienjarigen (het omgekeerde van onze werkelijke leeftijd) en sprongen, met een gesmoorde gil, net na het fluitje van de conducteur, tussen de zich al sluitende deuren door, de propvolle coupé in. Dat vonden we eigenlijk best stoer en we keken elkaar met een tevreden grijns aan. “Zo!, living on the edge!”, wisten we hijgend uit te brengen. En: “Zeventig is het nieuwe zestig!” Op naar Amsterdam. Die gevaarlijke stad.

We waren amper uitgehijgd of daar wrong zich een jonge vrouw in conducteurskleding door de massa. Ze had haar fluitje nog niet opgeborgen. Het bleek, dat ze dit ter illustratie nodig had bij het te houden verhaal. Tegen ons. “Sprongen jullie net nog door de deur, nadat ik al had gefloten?” Aan de toon te horen, leek het me beter maar niet al te bijdehand te doen. Dus de opmerking: “Ja, wat goed hè, van ons ‘oudjes’?”, slikte ik maar in. Ook de blik in haar ogen sprak boekdelen. Een blik van zeven dagen onweer, zei mijn vader vroeger. Ze haalde diep adem en begon ons de les te lezen. “Nooit de trein binnengaan als er is gefloten! Stel dat er iets ergs gebeurd was. Dan had zij aan de noodrem moeten trekken. En dan zou dat weer op ons verhaald moeten worden. Dat zou ons €165,00 de man (vrouw) gekost hebben. Dus we mochten het nooit meer doen. Ze zou het nu door de vingers zien, maar de volgende keer….” Woest en onstuimig leven, het lukt ons nooit echt goed.
Om ons heen bleef het doodstil. Niemand zei iets. Niemand verblikte of verbloosde. Niemand lachte. Niemand keek ons meewarig aan. Of verachtelijk. Of bemoedigend. Of vriendelijk. Niet mee bemoeien, want je weet maar nooit. Het kan je zo een hoop geld kosten.

De ober bij Small Talk deed de naam van het café eer aan. De ene flauwe opmerking na de andere rolde over het terras. Een klein glaasje water bij de koffie werd vertaald in een borrelglaasje. Het zonnetje deed de rest en zo klaarde onze lichtelijk timide stemming geleidelijk aan op.

Verder maar weer, richting Apollolaan voor de tweejaarlijkse beeldenroute van ArtZuid. De tram is afgeladen; voortdurend roept de conductrice dat iedereen moet doorlopen, maar zelfs dat is onmogelijk. Kinderen hoeven van hun ouders tegenwoordig niet meer op te staan, ook niet wanneer ze op een stoeltje hangen dat bestemd is voor iemand die niet zo goed ter been is. Nu hadden wij juist bewezen dat dat allemaal nog aardig in orde was, maar een halte na ons stapte er een oude heer in. Hij kreeg het netjes voor elkaar om het plaatsje van het kind te bemachtigen. Dat mag ook wel, wanneer je zesennegentig bent. Een goedlachse, positieve oude baas. Keurig gestreken zwarte broek met kettingen links en rechts. Helder witte sweater met een borstzakje en spierwitte sneakers. Het plastic tasje van De Trekpleister bleek boterhammen te bevatten die hij ergens op een bankje bij Het Leidseplein zou gaan opeten (nee, niet op een terras, natuurlijk) en daarna ging hij een lekker kopje koffie drinken (wel op een terras). Genieten van het leven, dát deed hij. Ondanks het gemis van zijn vrouw (al zeventien jaar dood, en nee, nooit een ander gehad, hij keek wel uit, straks stond ze hem boven op te wachten en stuurde ze hem zo weer terug, moest hij weer die hele weg bewandelen…) zag hij het leven toch zonnig in. Ze zat in zijn hart. Daar zat nu wel die tramkaart voor, maar ze was er wel. “Ja”, zei hij, met een vette grijns, terwijl hij zijn duim omhoog stak, “optimist, tot in de kist”, waarna de duim omlaag wees.

Leidseplein, hij ging eruit. Hij zakte een beetje door zijn knieën, hield het borstzakje met de tramkaart voor de scanner en checkte uit. Voor zijn zesennegentig jaar sprong hij vlot van de treeplank, vermaakt geschater vanuit de tram in zijn kielzog.

Uiteraard was de beeldenroute heel bijzonder en over het algemeen zeer de moeite waard. Hoewel we bij Minerva met het opgeheven vingertje wel even moesten slikken.

Aan het eind van de middag sloten we deze leerzame dag af met een glas koele witte wijn en een schaaltje gloeiend hete bitterballen. Dat kon er wel af: we hadden tenslotte ieder €165,00 uitgespaard.
En de slogan ‘act your age’ was weer helemaal op ons van toepassing…

Een ouwe Saab

Ze zag de auto plotseling opdoemen in haar achteruitkijkspiegel. Hij voegde netjes in. Een bruine Saab, ouderwets model. Terwijl ze snel weer op de weg keek, moest ze zichzelf bekennen dat het haar een lichte schok had bezorgd. Het mijmeren kon een aanvang nemen.
De auto bleef rustig achter haar rijden. Dan maar even van de weg af, ze kende zichzelf. Ze zou voortdurend blijven opletten omdat ze wilde weten of ‘hij’ toevallig ook achter het stuur zat. Gevaarlijke situatie.

Bij het eerste het beste wegrestaurant reed ze de parkeerplaats op. De Lucht. Of er al niet genoeg herinneringen boven kwamen. Maar alles op zijn tijd. Ze gunde de Saab voorrang, zowel in haar gedachten als op de weg. Even nog hoopte ze dat hij ook de afslag zou nemen, omdat ‘hij’ haar herkend had. Maar nee, dat was onzin.

Hoe lang was het nu geleden dat de zoon van vriendin Nel haar op een zomerse zaterdagmiddag kwam uitnodigen om mee te gaan naar de film? Zeker dertig jaar, berekende zij snel. Dat zou betekenen dat Peter Jan nu ruim vijftig zou zijn. Destijds een intelligente jongeman die op oudere vrouwen viel. Zij was toen twee keer zo oud als hij. Toch best heel stoer dat hij dat voorstel deed.

“Koffie, dame?” Ze bestelde een cappuccino aan de balie, rekende af en even later zat ze peinzend aan een tafeltje bij het raam.

Charmant was hij wel, onderhoudend ook, maar zij viel niet op jongere mannen. Wel vond ze het leuk om een goede film te zien. De kinderen waren bij hun vader, dus wat lette haar, ze kon makkelijk een avond weg.

Ze duwde het suikerklontje onder het schuim en begon traag te roeren. Ze kon de chaos die nu in haar hoofd ontstond absoluut niet gebruiken. Ze moest nog een heel stuk rijden. Alert blijven, dus.

…Ze ziet het tafereel nog duidelijk voor zich. Zij, in de middagzon in de kleine tuin aan het water, lezend in – uiteraard – een of ander spiritueel boek. Peter Jan die via het steegje aan komt slenteren, in de stoel tegenover haar neerploft en haar licht geamuseerd aankijkt. Zijn vlotte koetjes-en-kalfjes-babbel, die niet kan verhullen dat hij nerveus is. De donkerrode trui die hij binnenste buiten aanheeft. En het hoge woord dat er wat stotterend en verdraaid uit komt: ”Vind je het leuk om vanavond samen naar de film te gaan? In Amsterdam? In Raltio draait Kaos. Die moet heel goed zijn, volgens mijn moeder.” Hoe ze op haar lip bijt, hem niet verbetert (Peter Jan, het is Rialto en trouwens, je trui zit binnenstebuiten), maar de uitnodiging glimlachend aanneemt. Een herinnering in een gouden lijstje…

’s Avonds zat de trui weer goed. Peter Jan had zijn zenuwen in bedwang en tijdens de korte treinreis bleek hij aangenaam gezelschap. Ze spraken af, dat ze ‘later-als-ze-groot-waren’ allebei een Saab zouden kopen. Een bruine. En dat ze daar flink in zouden gaan scheuren. Maar eerst zijn opleiding afronden. Carrière maken.
Het werd geen kleffe avond. Het was een interessante film en bij een drankje praatten ze nog wat na. Zonder dat het was uitgesproken begreep hij ook wel dat er niet meer in zat dan zo af en toe een gezellige avond. Film en een glas wijn. Dansen bij Zorba de Boeddha. Zo was het goed en zo bleef het leuk.

Op de crematie van Nel, jaren later, was PJ er met zijn gezin: een wat oudere vrouw (wat te verwachten was) en twee mooie mensenkinderen, zoals zijn moeder ze steevast noemde. En nee, hij reed geen Saab.

Ze lepelt het restje melk op en staart uit het raam. Nu Nel er niet meer is, is ze haar zoon ook uit het oog verloren. Een kop koffie lang was het haar vergund te mijmeren over die merkwaardige vervlogen jaren.
En ook al rijdt ze er zelf geen, toch voerde een oude bruine Saab haar even terug in de tijd.

Brief aan mijn moeder

Mam, in stilte feliciteer ik je vandaag. Stel je toch eens voor! Dat je nog leefde! Dan zou je nu 101 jaar geworden zijn. Dat had je misschien wel gewild, maar dan in goeden doen. Oud worden was al niet je favoriete bezigheid, dus nog grijzer, nog meer rimpels, nog minder goed zien, nee, dat was voor jou geen optie geweest.
Die laatste anderhalf jaar van je leven was wat dat betreft helemaal geen pretje, na die eerste hersenbloeding, doordat je slechter liep, moeite had met het gebruiken van je rechterhand, sneller moe was, vergeetachtig werd. Ach, we begrepen allemaal maar al te goed dat het heel moeilijk voor je was. En je wist het waarschijnlijk zelf wel, je zou geen honderd-en-een worden. Zelfs geen negentig. Maar bijna vijfentachtig is een mooie, respectabele leeftijd.

Wat vond ik het moeilijk je te zien vechten, in jouw laatste uur op die winterse ochtend in februari. En ja, het spijt me, maar ik ben even weggelopen. Ik kon het niet aanzien. Jij, die sterke vrouw, die nooit iets mankeerde – althans, je liet het waarschijnlijk niet merken – die altijd gewoon doorging, altijd bezig was, altijd bezig moest zijn, snel-snel. Maar je hebt vast wel gemerkt dat ik weer terug kwam. En dat ik erbij was toen het opeens heel stil werd, daar in dat ziekenhuisbed.

Ze zeggen dat, wanneer je dood gaat, je hele leven aan je voorbij trekt. Kan zijn. Maar terwijl jij lag te sterven, trok mijn hele leven met jou aan mij voorbij. En werd ik me van jouw intense zorgzaamheid bewust, die ik nu voorgoed zou gaan missen. Zoals wij alles zouden we gaan missen.

Wat hebben wij toch geboft met zo’n moeder. Moeder geworden in de moeilijke jaren na de oorlog. In die tijd koos je daar niet voor, het gebeurde. Je moest zien rond te komen met weinig geld, maar niemand zal het aan ons hebben gemerkt. Jij wist van niets iets te maken. Letterlijk en figuurlijk. Oude truien werden uitgehaald en je breide er voor ons nieuwe leuke kindertruien van. Jassen werden gekeerd, zodat er weer jasjes voor ons van konden worden gemaakt. Zuinigheid met vlijt… We aten gezond: bij jou stond het eten niet uren te pruttelen. En het huis was altijd schoon. Reinheid, rust en regelmaat. Jij leerde dit van je ouders, op school, in de praktijk en wij kregen dit motto, onbewust, met de paplepel ingegeven.

Ja, zul je zeggen, nu weet ik het wel. Tijdens de uitvaartdienst kwam dit ook al allemaal ter sprake. Over de doden niets dan goeds. Vertel eens iets nieuws. Waar blijven de negatieve kanten? Is er niet iets te vertellen dat ik nog niet weet?
Ja! Daarom, mam, schrijf ik je nu ook. Nee, ik ga het niet over de negatieve dingen hebben, je vervelende eigenaardigheidjes. Waarom zou ik. Het heeft geen zin; er verandert niets door. Ook niet mijn warme gevoel voor jou.
Wel wil ik je zeggen dat ik je waarschijnlijk te kort heb gedaan. Heb ik je goed genoeg gezien? Heb ik je goed genoeg begrepen? Heb ik genoeg van je gehouden? Ik ben bang dat ik hopeloos tekort ben geschoten. Excuses genoeg, maar hoe moet ik dat nu nog rechtzetten? Lezen jullie daar boven ook? Dat hoop ik maar!

Als ik mijn kleindochter zie lachen dan zie ik jou. Jij kon van zoveel zaken de humor inzien, als je hoofd vrij was. En dan schaterde je net zo als zij dat kan. En weet je nog dat je eens vertelde dat een klasgenootje van jou zei: “Wat lach jij, maid, ik ken so in je keel kaike!” Dat platte taaltje, dat vond je geweldig om na te doen. Maar wij spraken ABN. Laat dat gezegd zijn.
Je was een kei in het onthouden van opvallende uitspraken van anderen om die, als het zo uitkwam, te gebruiken. Nadat ik jou het liefdesbriefje van mijn allereerste vriendje had laten lezen, viste jij daar een zinnetje uit dat later in allerlei situaties van pas kwam. Mocht ik kiezen wat we zouden eten bijvoorbeeld, dan was het: “De keus is geheel aan jou.” Dat was leuk; dan wisten we allebei waar het over ging. Goede herinneringen!

Je was over het algemeen een vrolijke vrouw, maar ik weet dat er ook verdriet aan jou kleefde. En dat schrijf ik met opzet zo op. Zo voelde het. Het verdriet was er, maar het overspoelde je niet helemaal. Je bleef altijd overeind. Slechts een keer heb ik je zien huilen van diep verdriet. Was dat toen je die miskraam had gehad?

Ik had je veel beter willen kennen, denk ik af en toe. Maar het is misschien wel het lot van ouders en kinderen dat dat niet zo is, dat je elkaar maar voor een deel echt kent. Of is dit soms specifiek iets van moeders en dochters? En weten we niet alles omdat we ons hele leven bezig zijn om van elkaar los te komen? Hebben we het daar zo druk mee, dat we alle gevoelens, alle eigenaardigheden van de ander er niet bij kunnen hebben? Of dat niet willen? De handen vol aan onszelf?

Jij zou hier ook weer nuchter op antwoorden dat het ook gewoon geen zin heeft om zo diep te graven. We hebben van elkaar gehouden, jij van mij en ik van jou. En zo hoort het ook en dat is misschien wel genoeg. Misschien. Ik twijfel nog, zoals je merkt.

Rest me nog om je te zeggen dat ik veel van je heb geleerd. En dat ik dat nog steeds in de praktijk probeer te brengen, al lukt dat soms niet zo goed, omdat ik ook een kind van mijn vader ben. Dan weet jij genoeg!

Stel nu dat ze ook aan verjaardagen doen, daarboven. Dan hoop ik dat vandaag je stoel is versierd met heerlijk geurende lathyrus. En dat er een lekker glaasje wijn voor je klaarstaat en een gouden schaaltje met die kaaswafeltjes waar je zo dol op was.

Proost mam, op je verjaardag!

CAN-CAN

Met open mond luisterde ik naar het nieuwsbulletin op de radio, terwijl de mondhygiëniste met grote vaardigheid het tandsteen van mijn ondertanden bikte.
Het meest opmerkelijke bericht was de vergiftigingsschade bij jongeren door het gebruik van lachgas. Enorm stom, maar ook zeer verontrustend natuurlijk. Roken en drinken moet ontmoedigd worden en daar doet de regering af en toe nog wel eens een poging toe. Maar dit misbruik moet eerst grondig onderzocht worden, voor er actie wordt ondernomen. Slappe hap.

Gelukkig zijn er altijd nog instanties die zich ergens druk over maken. Het volgende item ging namelijk over de CAN. Clean Air Now maakt zich nu het volop zomer is maar weer eens druk over het roken op terrassen. Altijd wanneer deze club ter sprake komt, roept dat bij mij enige vertedering op. Niet vanwege de chagrijnige, geïrriteerde ondertoon waarmee er weer een nieuwe poging wordt gewaagd om zich te laten gelden, maar vanwege het feit dat ik de oprichter goed ken. Kende, is een beter woord: mijn schoonvader is al lang dood.

Mijn schoonvader haatte roken. Mede doordat zijn vader, waar hij toch al geen goede band mee had, de ene sigaret met de andere aanstak. (Het vreemde daarvan was, dat ook hij eigenlijk faliekant tegen roken was, maar het zijn knechten in zijn kwekerij niet kon of wilde verbieden en toen zelf ook maar zijn toevlucht zocht in de tabak.) En zijn zoon (met wie ik was getrouwd) draaide de ene na de andere zware Van Nelle. Geen goed gezelschap dus.

In 1974 was hij het zat. Ging hij een avondje uit – dansen vond hij geweldig, iets dat ik me absoluut niet kon voorstellen – dan wilde hij niet ook nog eens meeroken in het toch al bedompte zaaltje van het dorpshuis. En zijn vrouw kreeg het er ronduit benauwd van, vanwege haar zwakke longen. COPD was nog niet uitgevonden, maar zij zou nu zeker de diagnose krijgen.

Hij had al langer met de gedachte gespeeld om een verbod te laten instellen op het roken in openbare ruimtes. Maar in zijn eentje kon hij natuurlijk niet veel uitrichten. Nu probeerde hij medestanders te vinden voor zijn ‘Club van Actieve Niet-rokers’. En die vond hij. Wat aarzelend ging het van start, maar al snel werd het een bloeiende vereniging.
Na verloop van tijd droeg hij het voorzitterschap over. Hij had namelijk nog veel meer zaken waarmee hij zich bezighield en die zijn energie opslokten.

Mijn schoonvader overleed in 1999. De vereniging bestond 25 jaar en in de loop van een kwart eeuw waren er heel wat zaken aangepakt en veranderd. Was er in de begintijd nog wel sprake van enige humor bij de leden, het praatje dat de toenmalige voorzitter op de crematieplechtigheid ten beste gaf was een drammerig, verongelijkt gemopper op de grote boze rookwereld. Geen woord van dank voor de grote verdiensten van de oprichter van de club, maar één grote litanie over datgene dat men nog voor elkaar wilde krijgen en waarin men enorm werd tegengewerkt. Het chagrijn droop ervan af.

Nu, vijfenveertig jaar na de oprichting, is Clean Air Now (wanneer de naamsverandering heeft plaatsgevonden weet ik niet) weer eens in het nieuws. Ik word weer even geconfronteerd met een bijzonder stukje verleden.
En ik kan niet anders dan hopen dat er voor deze club ook nog wat te lachen valt.

(Update: Ik hoor net bij het nieuws dat we nu te maken hebben met Clean Air Nederland. Klinkt toch net iets minder dwingend dan Clean Air Now. En het maakt me benieuwd: waar zouden ze nog meer opereren?)

Geluk in het water

Winterjas aan, sjaal om
De handschoenen ook weer
Tevoorschijn gehaald
Lekker warm
Tegenwind natuurlijk
Flink doortrappen dan maar

Houdt die kou dan nooit op?
De bomen botten gestaag uit
Bloesem en blad
In tere tinten
Waar blijft nu toch het
Bijbehorende zachte lenteweer?

Ik rijd het dorp uit
Een beetje narrig
Maar al gauw niet meer
Aan mijn rechterhand de snelweg
En links van het fietspad
Wild golvend water

De zes streepjesfuutjes
Volgen hun trotse moeder
Pa neemt een flinke duik
Als hij meters verder bovenkomt
Zijn de kleintjes allemaal
Op moeders rug geland

O, die poëzie

De poëzie loopt als een rode draad door mijn leven. Het begon al heel vroeg in mijn jeugd.
Mijn moeder las voor uit de vier deeltjes: Lente, Zomer, Herfst en Winter, geschreven en geïllustreerd door Rie Cramer. Wanneer ik er nu in blader, komt de gezelligheid van toen weer helemaal terug. In de zon, op moeders schoot, luisteren naar de lieflijke gedichtjes. Ik herken ze allemaal nog en ik zou ze, met een beetje goede wil, uit mijn hoofd kunnen opzeggen. Wat zullen die boekjes vaak zijn voorgelezen! Niet in de laatste plaats omdat mijn moeder ze ook heel leuk vond.

Kun je Piggelmee ook poëzie noemen? Niet echt. Het is meer een verhaal op rijm. Mijn vader las dit voor. Herhaalde malen. Ook dit prachtige verhaal-met-een-moraal zit nog in mijn hoofd. Ik lees het nu aan mijn kleindochter voor en ze vindt het heerlijk. Ze “snapt de grap”, zoals ze zelf zegt.

Toen Annie M.G. Schmidt in mijn leven kwam, kon ik zelf lezen. De Lapjeskat, De Veertien Uilen, deze boekjes kreeg ik voor mijn verjaardag cadeau. Ik las en herlas al die vrolijke versjes. Wat er hier met taal werd gedaan had ik niet heel bewust door, maar de aantrekkingskracht was groot. Mijn moeder stimuleerde mij om gedichten uit het hoofd te leren en zo kwam het dat ik op een feestavond van de kerk, met de bibbers in mijn lijf en met een witgestippelde rode jurk aan, Rineke Tineke Peuleschil voordroeg.
Dat was leuk en het ging goed. Tijd voor wat serieuzer werk, vond mijn moeder kennelijk. Ze las herhaaldelijk voor uit een mooi verzorgd bundeltje van Willem de Mérode en geleidelijk aan bleef het gedicht Vitellus, De Wafelverkoper hangen. Het begint zo vrolijk en eindigt zo triest. Wat ik niet begreep, legde ze geduldig uit.

Het eind van de vertrouwde lagereschooltijd naderde. Iedere zesdeklasser mocht voor de afscheidsavond iets voorbereiden. Ik stortte me op Het Schrijverke, van Guido Gezelle. Ook weer op aanraden en zacht aandringen van mijn moeder. Makkelijk was het niet, maar het lukte met haar hulp en zonder haperen wist ik het zo mooi mogelijk te declameren.

Op de middelbare school, de HBS, kwam vanaf de vierde klas ook buitenlandse poëzie in beeld. Het bundeltje Goldene Worte Deutscher Dichter staat nog steeds in de boekenkast.

Echt leuk werd het toen we op de kweekschool te maken kregen met de poëzie van de vijftigers. Experimenteel. En je kon er goed over nadenken en vooral stevig over discussiëren. Iedereen moest voor de klas een gedicht voorlezen. En dan werd het helemaal uitgeplozen. Hilarisch was de keer dat een klasgenoot de inhoudsopgave voorlas van een dichtbundel, op de manier alsof het om een echt, vrij ingewikkeld gedicht ging, met een duistere bedoeling. Ons had hij op de hoogte gesteld, maar de leraar uiteraard niet, en deze ging er zeer serieus op in. Toen hem later werd verteld dat het als grap was bedoeld, kon hij dat niet echt waarderen; poëzie was tenslotte een ernstige zaak.

De leraar drama op dezelfde school studeerde met ons een gedicht in van Martinus Nijhoff: Het Uur U. We voerden het op als een soort van minimalistisch bewegingstheater. Iedereen in het “jaren-zestig-zwart” gekleed, simpel in col(!)trui en lange broek. Pasjes, loopjes, plotseling omdraaien, stilstaan, vooruit, achteruit, opzij, één richting uitkijken, wijzen… Het was bijzonder, uitdagend en leerzaam. En onvergetelijk.

Over vergeten gesproken. Bij het opruimen van de boekenkast, enige tijd geleden, stuitte ik op een in linnen gebonden bundeltje. Een boekje uit de schoolbibliotheek. Een beetje vergeten in te leveren… En, zo zijn we weer terug bij waar het blog mee begon, met een illustratie van Rie Cramer.

Poëzie. Mijn leven binnen gekomen en nooit meer weggegaan. Ik denk met een warm en dankbaar gevoel aan mijn moeder, die mij op dit spoor zette. Een mooiere erfenis kun je je niet wensen.

De Drie Gratiën

De aanblik van de marmeren meisjes
Doet mij naar adem happen
Schoonheid, vreugde en geluk
Gracieus gevangen in harde steen

Het witte marmer lijkt zacht en soepel
Een wang, een schouder een borst
Voile-achtige gewaden voegen zich naar het
Ranke lichaam, een heup, een knie
Vingertoppen tippen vederlicht
Aan slanke hals, aan gezicht
Hoe zacht, aardig en aandachtig
Zij weerspiegelen elkaars glimlach
In hun marmerogen

Fluisteren zij elkaar geheimpjes toe?
Bespreken zij wie er wel en wie niet
Door de beugel kunnen
Om wie ze zo vreselijk moeten lachen-
Is het soms de man van wie de telefoon
Op volle sterkte om aandacht schreeuwt-
In deze stemmige, stille zaal van hun logement,
De Hermitage aan de Amstel?

Traag dimt het licht, draait weg
En weer op volle sterkte gericht
Lijken zij gereserveerd, serieus, koel
Afscheid is op handen

Nog even dan vliegen deze dames
Dik ingepakt terug
Naar hun eigen riante onderkomen
De Hermitage aan de Neva