Over Stockholm, aardige mensen en een bobine

Met een lekker gangetje tuffen bijrijder Bram en ik over de A5, op weg naar Den Haag. Eindelijk zullen we, de ‘oude’ vriendin en ik, museum Voorlinden in Wassenaar bezoeken. We hebben door omstandigheden de afspraak een aantal keren moeten verzetten, maar vandaag zál het lukken; het is een mooie dag voor museumbezoek. We hebben er zin in.

Terwijl ik een vrachtwagen inhaal, remt mijn auto spontaan af, doet net of hij over een hobbelige weg rijdt en ontsteekt de feestverlichting. Dat oranje lampje ken ik! Toen dat in mijn vorige auto begon te branden, bleek die ten dode opgeschreven. Dus stoppen! Naar de vluchtstrook, alarmlichten aan en bellen met de mobiliteitsservice. Diep ademhalen en net doen of de paniek die ik net voelde opkomen, onder het asfalt is geschoffeld.
De dame aan de telefoon is bijzonder aardig en behulpzaam. (Zoals het hoort, natuurlijk.) Het lukt me om normaal te antwoorden. Ik geef aan waar ik sta en wat mijn kenteken is. En zij belooft dat er over een half uurtje iemand zal verschijnen om de auto naar de dichtstbijzijnde garage te brengen. Tot zover gaat het goed. Terwijl het verkeer langs me heen raast, voel ik me steeds rustiger worden. Ik bel vriendin HB. Jammer, jammer, maar het komt er waarschijnlijk niet meer van vandaag. Alhoewel, je weet het nooit, misschien valt het toch nog mee.

Met mijn voeten in de zachte berm zet ik het op een wachten. Het verkeer zoeft langs. Af en toe stijgt er tegenover mij een vliegtuig op. Een waterig zonnetje doet zijn best, maar het blijft grijs. Geen regen, gelukkig. Ik tuur in de verte; komt er al iets? Het halve uur wordt drie kwartier en na een uur vind ik het welletjes. Zijn ze me vergeten? Ik bel nog maar een keer; dezelfde vriendelijke dame belooft dat er over tien minuten….. Er zit niet veel anders op dan gewoon maar te blijven wachten. Geduld is een schone zaak.

Dan komt de welbekende gele auto aanrijden. De chauffeur hijst zich in een dito hesje. ‘Mijn’ service heeft toch geen connecties met de Wegenwacht? De schrik slaat me ineens om het hart. Hij komt me natuurlijk de mantel uitvegen: waar is de gevarendriehoek, mevrouwtje? En dat gele hesje, dat in de achterbak ligt, had u dat niet even kunnen aantrekken?! Voor uw eigen veiligheid? Maar hij loopt rustig naar mij toe en stelt zich voor. Hij blijkt onderweg naar een ander pechgeval, maar wilde even informeren. Ik vertel wat er aan de hand is en dat ik wacht op de servicedienst van mijn eigen automerk. Die arriveert op datzelfde moment. De derde aardige persoon van die ochtend. Mijn vertrouwen in de ‘Menschheid’ wordt in razende vaart hersteld.

De auto wordt op de vrachtwagen gereden en daar gaan we, naar de dichtstbijzijnde garage. Er ontspint zich een geanimeerd gesprek: over pensioen, over werk, over het onderwijs, over hobby’s, over de opvoeding, over leeftijd, over geraniums… Zo wil ik wel doorrijden tot Stockholm.
Maar binnen een kwartier rijden we het bedrijventerrein op. Het vertrouwde embleem op de garage. De monteur zal eens kijken wat er aan de hand is en ik word vakkundig de koffiehoek in gemanoeuvreerd.

Tien minuten later valt het verlossende woord. De auto kan nog jaren mee, wanneer De Bobine wordt vervangen. Ik heb geen flauw idee wat dat voor een ding is, maar het klinkt positief. Jammer alleen, dat het onderdeel niet in voorraad is.

Wat is het toch fijn dat er mensen zijn die oplossingsgericht denken. De aardige jongen achter de balie met het leuke geblondeerde haar stelt voor om er een uit eenzelfde model auto – die toevallig net op de brug staat – te slopen en in die van mij te monteren. Dat gebeurt.

Na wat administratieve rompslomp en een telefoontje naar vriendin, stel ik de navigator in en praat Bram me door een wirwar aan straatjes (keer om!) naar de snelweg. Ook de auto heeft er weer zin in.

En zo rijd ik al snel Den Haag binnen. Vriendin staat al klaar. Op naar museum Voorlinden! Eindelijk!

Advertenties

Rothko’s rafelranden

DSC00254

Kun je Rothko leren kennen
In een paar uurtjes
Op een grijze zondagochtend
Dwalend door museumzalen

Familiair
Hé, Mark, ik zag een paar
Van je werken
Ja, in dat pakhuis van Berlage
Opeen gepropt in schemerige zalen

Dit als tegenwicht tegen
Zoveel interessante frases
Kennersblikken, bril op, bril af
Dichtbij of juist uitgekiend veraf
Roezemoezige zalen vol

Maar geen van beide
Ik probeer gepaste afstand te bewaren
Tot de levensgrote werken
Tot de figuratieve stukken
Tot de passanten
Want totaal oningewijd

Vertel mij niet wat ik moet zien
Niet wat ik hoor te voelen
Alle zintuigen op scherp
Laat ik mij totaal verrassen

Kom ik dichterbij dan zie ik
Landschappen, vers geploegd
Treinen aan de horizon
Stoom boven de wagons
Warme zomergloed
Koele winterse wegen

Steeds is voelbaar, tastbaar, als het mocht
De intense aandacht waarmee de schilder
Peuk in de mondhoek
Met het publiek in gedachten en voor ogen
Als een meester in meerdere betekenissen
Zwoegend aan de manshoge doeken
Zich overgaf aan religieuze bespiegelingen

In kleine afgeschutte ruimtes
Worden wij gedwongen
Op te gaan in de warmte
Ons te laten omhullen door kleur
Stil en devoot als monniken
Eertijds in hun stille cel

Rothko
Hij reikte mij zijn verfbesmeurde hand
En ik wist
Hij laat mij niet meer los

DSC00253

——————————————————————————————————————-
De illustraties bij dit blog zijn foto’s van details. Dat vond ik er spannend uitzien. De meeste werken zijn heel groot en bestaan uit enkele kleurvlakken. Omdat het zo druk was in het museum, was het bijna onmogelijk om een werk in zijn geheel te fotograferen. Hieronder een waarbij het wel is gelukt. En voor degene die in meer is geïnteresseerd staat er nu een link naar het Gemeentemuseum in Den Haag.

DSC00251

http://www.gemeentemuseum.nl/tentoonstellingen/mark-rothko

Over een aalscholver, Järvi en een kale paukenist.

DSC00155

Het is koud. Maar ik koester me aan warme herinneringen. Twee weken geleden bezochten de ‘oude’ vriendin en ik het jubileumconcert van het Residentie Orkest in de Anton Philipszaal in Den Haag.

Om half tien is het nog heerlijk rustig op de weg. De zon schijnt zo fel dat de zonnebril geen overbodige luxe is. De radio zachtjes aan, rustige zondagochtendmuziek, de aangename stem van de presentator. Wat zou er nu nog fout kunnen gaan? Niets, natuurlijk. Integendeel: het wordt steeds beter. De karakteristieke geur van kerosine dringt de auto binnen: Schiphol. Ik duik de tunnel in en wanneer ik er weer uitkom, zie ik het: enorme zwermen spreeuwen trekken zich niets aan van de activiteiten op deze internationale luchthaven en zwenken zo sierlijk in grote formaties rond dat het een lieve lust is. Het kan niet anders dan dat deze dieren daar plezier aan beleven. Net zo goed als ik het heerlijk vind om naar die vloeiende bewegingen te kijken. Met de blik op de weg zie ik het vanuit mijn ooghoeken gebeuren: op en neer, naar links, naar rechts. Als een soort van eerbetoon aan het volle, vrije leven. Maar, opletten nu. Het hoofd erbij houden. Deze observaties kunnen leiden tot poëtische ontboezemingen. Dat kan nu niet. Later misschien.

Vliegtuigstrepen in de helderblauwe lucht: God heeft blijkbaar zin in een spelletje boter-kaas-en-eieren. Maar wie durft het tegen deze grootheid, die ze sowieso allemaal op een rijtje heeft, op te nemen?

Zo geleidelijk aan begint een waar gevoel van euforie zich van mij meester te maken. Een gevoel dat in de loop van de dag steeds weer de kop zal opsteken. Oh, daar zit een aalscholver op een lantaarnpaal. Met de vleugels breed uitgespreid, de kop achterover koestert hij zich verzaligd in de zonnewarmte. Alsof hij weet dat dit voorlopig wel eens de laatste aangename stralen kunnen zijn. Weer vermaan ik mezelf: wis die tranen van ontroering als de donder uit je ogen. Geen tijd voor sentimenteel gedoe. Slikken en over tot de orde van de dag. Neem de juiste afslag!

Na zoveel ritten naar de Hofstad onder de wielen weet ik de weg nu natuurlijk wel te vinden zonder de hulp van Bram. Steeds maar links aanhoudend (ja, ik hoor hem in gedachten nog wel aanwijzingen geven) ben ik uiteindelijk zo ver dat ik afslag Wateringen neem en nu richting Den Haag rijd. Zonder kleerscheuren arriveer ik op de gewenste bestemming. Tramrails in het wegdek zijn niet mijn favoriet.

Een warm weerzien, koffie, banketstaaf, een broodje. Binnen tien minuten zijn we, zoals gewoonlijk, in een geanimeerd filosofisch gesprek gewikkeld. Een ritje met de tram en dan gearmd -de rollator blijft thuis- naar de Anton Philipszaal. De bestelde kaartjes afhalen, betalen, jassen afgeven, nummertje opbergen. De uitleg over de uit te voeren stukken is nog bezig; hiervoor schreven we niet in, dus we lopen richting zaal. O, nee! Vriendin rommelt in haar tas. Waar zijn die kaartjes nou? Kwijt! Welke stoel, welke rij? We gokken: daar, op rij twee, orkestring, zijn twee plaatsen vrij. Iets met dertig weet ze. Hier zou het kunnen zijn. Dan doorzoekt ze, op onze vermeende plaatsen, eens even rustig haar tas. En ja hoor, geen probleem en goed gegokt: de kaartjes zitten tussen het hoesje van haar smartphone. Ons lachsalvo wordt gelukkig gedempt door het vol overgave stemmende orkest. We trekken een strak gezicht: ernst is geboden.

DSC00168

De dirigent, Neeme Järvi komt op: groot applaus voor deze coryfee. Hij heft zijn stokje und da geht’s los. Het eerste stuk is modern. Daarmee ben ik niet zo bekend. Hendrik Andriessen ken ik alleen maar van een straatnaam bij mij in de buurt, maar wat ik hier nu te horen krijg, Ricercare, bevalt me zeer.
Daarna worden we getrakteerd op Celloconcert in b, van Dvorác. Hij schreef het toen hij in New York woonde en hij zijn twijfels over de cello als solo-instrument opzij had gezet. Als ik naderhand in het programmaboekje een min of meer prozaïsche verhandeling lees, ben ik verbaasd. De muziek verklankt naar mijn gevoel heimwee, verlangen. Immens, heftig, groots. Ik zit op het puntje van mijn stoel. In golven komt het langs en over ons heen. Als een spreeuwenvlucht. We zien de weergaloze Noorse cellist, Truls Mørk, op de rug, maar aan die enigszins gekromde rug is te zien hoe intens hij bij deze muziek betrokken is. Hoe hij er volkomen in op gaat en ons zo deelgenoot maakt van datgene wat hij voelt, wat deze muziek bij hem teweegbrengt.

Je denkt: hier kan niets meer bij. Dit is zo mooi. Maar na de pauze luisteren we toch gewoon weer naar Symfonie nr. 5 van Sjostakovitsj. Eenendertig jaar was hij pas toen hij dit meesterwerk schreef. Hartstocht, melancholie, humor; Järvi weet ook deze compositie voor ons toehoorders bevattelijk te maken.
Wij zien hem in het gezicht. We zien hoe hij het orkest bespeelt. Het beeld van de aalscholver komt weer boven. Järvi koestert zich aan de warme klanken die hij mede voortbrengt door zijn betrokkenheid, zijn totale overgave aan de muziek. Door het met strenge doch liefdevolle hand leiden van het orkest. En steeds wanneer hij die hand op het hart legt, weet je het zeker: zijn hele ziel en zaligheid legt hij erin. En hij betrekt iedereen daarbij: zowel zichzelf, de musici als het publiek. Die wisselwerking is compleet, voelbaar, zichtbaar, hoorbaar.
Het uitbundige, minutenlange applaus is dik verdiend.

DSC00171

Ik ben blij dat vriendin het weer voor elkaar heeft gekregen om deze plaatsen te reserveren. Orkestring betekent er optimaal bij zijn. Meeleven met de dirigent en het orkest. Musici herkennen. Op de partituur kijken. De triangel zien, en juist daardoor ook echt die ene enkele ‘ping’ horen. De slagwerkers, die zich, slechts luttele minuten, in het zweet werken. De paukenist, die zich beheerst uitleeft. Heerlijk. Wanneer hij voor de zoveelste keer voorover buigt, het vel beroerend om te horen of zijn instrument gestemd moet worden, weet ik het zeker: waar dit orkest ook mag neerstrijken tijdens de verbouwing van hun onderkomen, ik zal het weten te vinden!

DSC00158-001

Emma, Willem, Escher en een rollatorrace

20140617_142926

De oude Haagse vriendin is opgetogen. Eindelijk zal een wens van haar in vervulling gaan: Escher zien in Het Paleis. We maken de heenreis met het taxibusje. Dan start ze fit. En de rollator gaat mee. Terug gaan we wel met de tram, want dan maakt het niet meer uit. “Thuis kan ik weer uitrusten.” En zo gebeurt het.

Wat een luxe: pal voor de ingang worden we afgezet, na een interessant ritje door Den Haag. Geen parkeerproblemen. Het is gelukkig nog rustig in de voormalige woning van koningin Emma.

img105

Escher; we zijn een beetje doodgegooid met zijn werk. Iedereen kent ze wel, de elkaar tekenende handen, het water dat naar boven stroomt, de vogels die vissen worden. Maar wij staan oog in oog met prachtige, onbekende etsen en tekeningen. Het paradijs met Adam en Eva, op de rug gezien, in een vertrouwelijke houding: Adam met de arm om zijn vrouw – met prachtig lang haar – de hand op haar heup en zij met haar hand op die van hem. Jammer genoeg te spiegelend voor een foto. Voor mij is dit een topstuk; het roept zoveel op. Hier laat Escher naar mijn idee zien dat het begin van alles goed is, mooi, vertrouwd, liefde- en beloftevol. In zijn Paradijs woont een poes, die de muis met rust laat.

img103

In een vitrine liggen al zijn reisdagboekjes. Op de omslag staat puntsgewijs waar de reis naartoe ging. Mooi om zijn krachtige, duidelijke handschrift te zien. Veel gereisd, veel getekend. Oneindig veel etsen, litho’s, houtsneden en -gravures, linosneden gemaakt. Maar vooral ook veel gedacht en uitgedokterd. Een mathematicus en filosoof en een harde werker. Eén streek, één kras gezet en dan doorgaan. Tot een goed einde brengen. En altijd met een vleugje humor. We zijn er stil van.

img104

En dit alles samengebracht in een paleisje, waar zijdelings nog verwijzingen zijn te zien naar Emma. Vreemd om te bedenken dat de kleine Wilhelmina hier in deze kamers over dit krakende parket onder de kostbare kroonluchters heeft rond gerend.

DSC09530

Op de bovenste verdieping is een afdeling voor en van deze tijd. Hier kun je een foto van jezelf, een selfie dus, delen op facebook. Hier kun je jezelf zien in de spiegelende bol, waarvan Escher een selfie maakte. Geëtst, uiteraard. En je ziet jezelf geprojecteerd op een scherm, binnen de contouren van de welbekende, wel én niet kloppende kubus.

20140617_125927

De rollator staat al lang aan de kant. Te lastig en overal staan wel bankjes, waar de vermoeide tachtiger even kan rusten: “Zo’n bankje zou ik zelf wel willen hebben, kijk eens wat een mooie houtverbinding.”

20140617_123836

Zitten kunnen we ook in het restaurant, in de kelder, de voormalige keuken van het paleis. Hol klinkt het daar. Het geluid weerkaatst tegen de betegelde wanden. Een groep vrouwen – er zijn altijd zóveel vrouwen onderweg – is in hevige conversatie gewikkeld en wij kunnen elkaar bijna niet meer verstaan. Na de koffie gaan we weer verder. Een laatste rondje, we willen alles gezien hebben.
En dan lopen we rustig aan Het Lange Voorhout op.

DSC09538

DSC09555

DSC09536

Grandeur!
Jazeker. De titel van de beeldenexpositie. Aan het begin, direct tegenover het paleis, staat een ingepakte sculptuur. Later zal ons duidelijk worden, waarom dat is. We gaan ze nu eerst allemaal bekijken. Wat is het heerlijk om hier te lopen, over de schelpen, ‘unter den Linden’, in de zon, een fris windje om het hoofd. Het is nog steeds niet druk. We genieten van de beelden, de vondsten, de uitwerking, de grapjes. Dit extraatje is zeer de moeite waard.

DSC09548

Wanneer we Pulchri uitkomen, “dat moet je gezien hebben, zo leuk! Zo modern!”, ziet het geel van de veiligheidshesjes: veel politie op de been. Bij de deuren van de Kloosterkerk staan bewakers hun taak ernstig te nemen. Daartegenover zijn een stuk of zes dranghekken opgesteld. Wat is er aan de hand? Er staat iets te gebeuren. Weer zijn het voornamelijk vrouwen die zich verdringen rond de agenten om het fijne van de zaak te weten te komen.

Ah! Willem Alexander komt de expositie openen. Vandaar het ingepakte beeld. Wachten we daarop? Dat doen we. We moeten eigenlijk naar huis, maar wat een kans: we willen hem toch wel eens van zo dichtbij in levenden lijve zien. Dus wachten wij geduldig tot hij naar buiten komt. Een Bulgaarse Nederlandse weet te vertellen dat moeder Beatrix altijd op tijd was. Maar haar zoon lijkt op haar moeder, Juliana; altijd net een beetje aan de late kant.

20140617_161258

Dan is het zover. De deuren gaan open. Een groep genodigden loopt regelrecht naar de plaats waar de plechtigheid zal plaatsvinden. Maar onze koning steekt de straat over. Hij groet vriendelijk: ”Hallo!” Iedereen groet op dezelfde wijze terug (Hoe durven we eigenlijk…niks geen “Goeden middag, Majesteit.”) en gaat zich daarna te buiten aan het fotograferen van ons staatshoofd. Wanneer hij zich via de kopstoot van Zidane naar het begin van de route begeeft, gaan vriendin en ik richting tram.

DSC09557

Heel Den Haag ligt opgebroken, lijkt het wel. In de verte zien we het vernieuwde Mauritshuis, waar Willem Alexander anderhalve week later de opening zal verrichten. De tribunes voor het Hofvijverconcert zijn in aanbouw. De fontein spuit op volle sterkte; de wind voert verfrissende druppels in ons gezicht.

DSC09558

Het is een flink stuk lopen naar de ondergrondse tramhalte. Wanneer we op de roltrap staan, komt lijn twee er al aan. Dat halen we niet meer! Maar dan heb ik niet met deze fitte oude dame gerekend. Ik heb nog nooit iemand zo hard achter een rollator zien rennen; ze loopt mij er finaal uit. De jonge man die uit alle macht de deur open houdt, kan een glimlach niet onderdrukken. We checken in en zijgen neer op een stoeltje. We kijken elkaar aan: een welbestede dag met een gouden, koninklijk randje.

Een mooie oude vrouw

woman

Ze had zich bedacht, zei ze door de telefoon. Ze had het idee dat het geplande uitje naar het Rijksmuseum, zondag, haar niet goed zou bekomen. We spraken af om het te verzetten. Iemand van zevenentachtig mag per dag beslissen wat wel en wat niet gaat, tenslotte. We zouden wel zien.

Zondagochtend, negen uur; de telefoon gaat. “Ja, heel gek”, klinkt het van de andere kant, “maar ik voel me vandaag prima. Wat vind je ervan, is het te laat om nog te gaan? Voordat ik er ben…” Ik vind dat het best kan en zo zetten we een leuk middagje Amsterdam op stapel. Zij reist met het Boekenweekgeschenk vanuit Den Haag. Ik pik haar op en samen lopen we naar lijn vijf. De bronskleurige wandelstok (“Gisteren gekocht. Chique hè?”) hangt er maar een beetje bij; ze loopt nog als een kievit. Voor de tram goed en wel is vertrokken, zijn we – zoals altijd – in een geanimeerd gesprek gewikkeld. Wanneer ze haar smartphone tevoorschijn haalt om wat foto’s te laten zien en te vertellen dat whatsapp ‘het niet deed’ en ze me dus maar een sms’je heeft gestuurd onderweg, draait de persoon voor ons zich om, met een grote grijns: “Zo leuk, als mensen met hun tijd mee gaan!” Ja, dat vind ik ook. Deze Haagse dame is nog heel erg bij de tijd; leest de krant, leest boeken, kijkt tv, denkt na, gaat naar musea en concerten.

Om nou een uur in de rij te gaan staan voor het Rijksmuseum is geen goed idee. “Mijn rug, weet je…” Bij het Van Gogh is de rij een stuk korter. Na een kwartier zijn we binnen en genieten van Felix Vallotton. Ik heb de expositie eerder deze week al gezien, maar nu geniet ik door haar ogen. En weer zie ik dat mensen door haar enthousiasme, humor en onbevangen kijk op het werk geraakt en geamuseerd worden.

Couple_epingle_Vallotton

De middag vliegt om. Na de koffie en het gebruikelijke bezoek aan de museumwinkel wordt het tijd om naar huis te gaan. Onderweg wijst ze me op het tere groen van de uitbottende bomen. En het gesprek gaat over ouder worden en jong blijven. In de trein installeert ze zich pontificaal voor het raam met ‘Een mooie jonge vrouw’ van Tommy Wieringa.

“Hoe is het met je?”, vraag ik later via de telefoon. “Als ik niks doe, kan ik nog alles”, is haar gevatte antwoord. Een mooie oude vrouw…..

——————————————————————————————————————–
De afbeelding van ‘de oude en jonge vrouw’ en de houtsnede van Vallotton, ‘De mooie speld’, komen van het internet.

Oud en nieuw

IMG-20131226-WA0002

Ik ben net binnen, wanneer de telefoon gaat. Ze neemt op: “Ja, ik vraag het wel. Nee, nog niet. Nou, dag.” Lichtelijk geïrriteerd zet ze een kopje koffie voor me neer. Ik trek mijn wenkbrauwen op. “Jaaa”, moppert ze, “ik heb zo’n ding, je weet wel, zo’n telefoon.” “Een smartphone? Laat eens zien.” “Ik heb hem gekregen, maar ik kan er niks mee. Die simkaart moet maar weer in mijn oude toestel.”

Hij is van hetzelfde merk als die van mij; ik help haar een beetje op weg. Een kwartier later maakt ze een foto van een kerststukje op het dressoir en verstuurt die via whatsapp aan de zoon, die haar ‘dat ding’ cadeau deed. “Dit ben ik straks weer vergeten hoor!” “Geeft niet, voorlopig ben ik hier nog.” Maar de grootste weerstand is weg, zie ik. En de irritatie ook.

We drinken koffie en zijn, zoals altijd, binnen de kortste keren in een diepzinnig gesprek verwikkeld. De dood is een gegeven in haar leven: haar man, haar dochter. En nu, vorige week, overleed haar zus. Haar toespraak is een wondertje van eenvoud, en zo mooi geschreven. Geen overbodigheden, een gevoelig aandenken aan een verbondenheid die zelfs de dood niet scheidt. Het raakt me diep.

De zon breekt door, wanneer we op Oud Eik en Duinen aankomen. De bloemen van de crematie zijn op het graf van hun vader gelegd. De as zal daar worden bijgezet. We vegen wat dood blad weg, herschikken de kransen. En dan zien we het ineens: de dode berkenstam, vol met grote zwammen. Ze haalt de telefoon uit haar zak en maakt een foto. Ook van de prachtige bloemen op het graf.

Eenmaal thuis verstuurt ze de foto’s aan haar zoon.
Ze is een vrouw van zevenentachtig. Ze staat nog volop in het leven.

IMG-20131226-WA0001

De foto’s zijn gemaakt door H.B., met haar nieuwe telefoon en naar mij verstuurd via whatsapp 😉

Herinnering aan een middag aan zee

DSC05800

Denkend aan Holland
Zie ik stranden en duinen
Zon door de wolken
En schuimende zee
Rijen ontelbare dagjesmensen
Bepakt en bezakt
Zonnebrand mee
En in de verte
De windmolenparken
De vergane glorie
Van strandtent en pier
Helmgras en schelpen
Krabben en zeester
Kwallen en mossels
Drijfhout en wier
Grijs wordt de lucht
De zon achter wolken
Iedereen schrikt
Men snelt ervandoor
En mist in de haast
De storm te ontvluchten
Hoe prachtig de zee is
Bij negen Beaufort

(Vrij naar H. Marsman)

Met ‘de oude vriendin’ in Scheveningen.

Lees ook:
Een oude vriendin, http://wp.me/p36K0e-N
Op reis met Bram, http://wp.me/p36K0e-2Q

Op reis met Bram

De oude vriendin ligt in het ziekenhuis. Longontsteking. Natuurlijk ga ik haar bezoeken. Je hoeft niets mee te nemen hoor, op mijn vraag. Wel neem ik tulpen mee. Mooie, kreukelige roze, met een wit randje langs het blad.

Samen met Bram stap ik in de auto. Na de sneeuw van die ochtend, nu zon. Nat, spiegelend asfalt. Hoewel ik de route ken, naar Den Haag, ben ik toch blij met iemand die de weg weet. Geduldig legt hij me uit dat ik links moet aanhouden. Neem de afslag, zegt hij tot drie maal toe. Vind je het goed als ik even wacht tot we die vrachtwagen zijn gepasseerd? Het maakt hem niet uit. Wat zeg je nou? Keer om en sla linksaf? Nee, dat kan niet kloppen. Ik kijk stug voor me uit en neem de afslag naar rechts. Zie je wel. Hoor ik nu een vinnige stem: Houd links aan? Nee toch, we zouden er een gezellige middag van maken.
We passeren de haai, langs de A4. Vermomd als finishvlag. Er daalt een airbus. Jaren ‘80 muziek op de radio. Sade met Smooth Operator. Een genoeglijke middag.

ResizeImage

Den Haag Zuid. We zijn er bijna. Maar eerst nog een sightseeingtour door Den Haag, blijkbaar. Is het echt nodig via de Veenendaalkade te rijden? Ik volg gedwee de suggesties op. Aan het einde van de weg rechtsaf, op de rotonde rechtdoor: de tweede afslag. Bijna geef ik de moed op. Dan, wachtend voor het stoplicht (rechtsaf, jahaa, even wachten, het is rood!) zie ik een enorme bouwput, waarachter ik het ziekenhuis vermoed. En ja hoor, wanneer we de weg zijn overgestoken zie ik wat ik tegelijkertijd hoor. Een opgewekte stem roept: Bestemming bereikt. Dank je wel Bram.

Vriendin ziet er klein uit in het ziekenhuisbed. Blij met de tulpen – haal niet al het groen eraf hoor, dan zien ze er zo zielig uit – en de dichtbundel. Het medisch verslag houdt ze zo summier mogelijk; de kuil in het matras stoort haar nog het meest. Misschien vóór het weekend al naar huis. Ja, ik lees hier alleen maar niemendalletjes. En Van Gogh in de Beurs van Berlage, zou dat er nog van komen? Natuurlijk. Eerst helemaal opknappen en dan plannen maken. De bezoektijd wordt ruimschoots overschreden.

Bram brengt me in no time op de snelweg. Dus het kan wel. Ik zeg het maar niet hardop.
Denken doe ik des te meer. Hier zit ik in de auto met een postume stem. Vanuit het universum wijst Bram me de weg. Geen wonder dat hij zo geduldig is.

Een oude vriendin

In de jaren vijftig woonden wij in Den Haag. In een van de naoorlogse nieuwbouwwijken. Deze wijken trokken uiteraard veel jonge gezinnen. Zo leerden wij veel kinderen kennen en mijn ouders veel gelijkgestemde volwassenen. De oorlog was voorbij. Er moest gewerkt worden; iedereen begon met goede moed aan een nieuw bestaan. Er was weer toekomst.

Wij speelden veel buiten. Er was genoeg ruimte, er was weinig verkeer en als de werklui naar huis waren, kon je heerlijk in de bouw rondscharrelen. Er waren “landjes”, waar het flink drassig kon zijn, zodat je laarzen overliepen. Er groeiden al snel wilgen, waar je in kon klimmen. We bouwden hutten, zochten rupsen en waterslakken.

images

De volwassenen wisten niet wat we uitspookten, al zullen ze wel een vermoeden hebben gehad, wanneer we moe en onder de modder thuiskwamen. Het was natuurlijk erg onschuldig allemaal, maar wij hadden het idee dat we de wereld ontdekten. Dat we grote geheimen hadden. Dat alles voor de eerste keer gebeurde, wat in zekere zin ook zo was.

Ik ben wel eens benieuwd hoe het iedereen is vergaan, die vriendjes en vriendinnetjes van weleer. We stonden aan het begin van ons leven en zijn uiteindelijk alle kanten opgegaan.

Wij op onze beurt wisten nauwelijks waar de volwassenen zich mee bezig hielden. Ook zij ontdekten de wereld, hun nieuwe wereld. Mijn ouders kwamen uit een dorp en ze moesten acclimatiseren in de grote stad. Het ging ze goed af. Al snel bouwden zij een vriendenkring op. Dat ze lid waren van de kerk was daarbij een prettige bijkomstigheid. Zij bespraken zaken met elkaar waar wij geen weet van hadden. Zo gaat het en dat is ook goed.

Maar nu ben ik benieuwd naar hoe het leven van onze ouders in die tijd was. Waar hielden ze zich mee bezig? Waar spraken zij over? Wat was belangrijk voor hen? Wat was essentieel? Wat verschafte hen vreugde, wat veroorzaakte verdriet? Welke plannen hadden ze?

We verhuisden een aantal keer, maar de goede vriendschappen van mijn ouders bleven intact.
Toen mijn moeder overleed kwam een van de vroegere vriendinnen naar de crematie. Wij spraken elkaar kort, maar het was een warm gesprek. Ze woonde nog steeds in Den Haag. Niet ver van de plaats waar wij in de jaren vijftig woonden. Een goed verzorgde dame van tegen de tachtig. Weduwe inmiddels.

Nadat mijn vader was overleden kwam zij weer, zoals het goede vrienden betaamt. We spraken af, dat we contact met elkaar zouden opnemen. Dat deden we echt. We bellen elkaar nu zelfs regelmatig. Sturen elkaar kunstkaarten. Raden elkaar boeken aan. En we ontmoeten elkaar. Het mooie is, dat we na een museumbezoek of een concert aan de praat raken over die Haagse tijd. Ik kom zaken aan de weet, die vaag waren, of waar ik alleen maar naar kon gissen, maar die voor de herinnering aan mijn ouders grote waarde hebben.

Door de bijzondere gesprekken met haar, gaan mijn ouders voor mij weer een beetje leven. En voor haar herleeft “die goede oude tijd”.