Communes en zo

Kollektivet

Eindelijk gingen we weer eens naar filmhuis De Fabriek. Daar hadden we echt naar uitgekeken: thee op het zonnige terras aan de Zaan en dan een heerlijke film. Kollektivet draaide en dat leek ons de moeite waard. Onze verwachtingen werden niet beschaamd. Sowieso staat de regisseur garant voor goede films. Wie Festen heeft gezien, weet genoeg. En Thomas Vinterberg heeft ook nu weer een bijzonder fraaie film afgeleverd.

Kollektivet gaat over een vers opgestarte commune en alle perikelen die dat met zich mee brengt. Het door Erik geërfde huis is te groot voor het kleine gezin en het lijkt Anna een goed idee om het met meerdere personen te gaan bewonen. Het kost enige moeite haar man over te halen, maar uiteindelijk is ook hij voor het idee te porren. Kandidaten melden zich aan voor een sollicitatiegesprek en geleidelijk aan krijgt de commune gestalte. Puberdochter Freja beschouwt het hele gedoe van een afstandje en gaat lekker haar eigen gang.

Het lijkt zo eenvoudig, gezellig, avontuurlijk, efficiënt en economisch, met elkaar een huis te delen, maar het blijkt in de praktijk toch niet zo simpel. Zet een aantal mensen met hun hebbelijkheden, behoeftes en wensen bij elkaar en ziedaar: een uitgelezen recept voor problemen.
Het avontuurlijke liefdesleven van Erik gaat Anna op den duur parten spelen, waardoor zij haar rol in de commune moet herzien en zich moet gaan bezinnen op wat zij wil en nodig heeft.

Kollektivet geeft een goed beeld van het functioneren van een commune, of beter, hoe de mensen daarin functioneren. – Ook de film Together (in het Zweeds: Tillsammans), uit 2000, zoomt hierop in. De hilariteit van sommige situaties in de commune kan het onvermogen, de onbeholpenheid en de frustraties van de bewoners maar nauwelijks camoufleren. –
Het is daarbij een waar tijdsdocument. Alles klopt (op twee kleine dingetjes na, maar ach): van de rommelige inrichting met veel groene planten tot de ongedwongen vrolijkheid en de keiharde manier van overleggen. De gezamenlijke maaltijden, overgoten met enorme hoeveelheden drank, worden vaak benut om urgente en gevoelige kwesties aan te kaarten.

Zo ging het er in de jaren zeventig aan toe: je voerde serieuze gesprekken, er werd doorgevraagd. Altijd moest het gesprek ergens over gáán. Het was de tijd van de sensitivity-training. Je moest alles kunnen zeggen, kritiek kunnen leveren, elkaar kunnen kwetsen, ‘weet-je-wel’. Je moest gekwetst kunnen worden en tegelijkertijd voor jezelf opkomen. Behoorlijk ingewikkeld, dus.

Kollektivet kent een behoorlijk zware emotionele lading. Bijna vliegt de regisseur uit de bocht, wanneer een jong kind overlijdt, maar hij houdt op tijd in en gelukkig wordt het nergens sentimenteel of goedkoop. Het loopt goed af, tenminste als je het ‘open eindje’ voor lief neemt.

De film werkt als een trigger. Terug op de fiets buitelen de beelden over elkaar heen. Bij ons is het nooit tot een commune gekomen, maar we waren al een goed eind op weg.

Wij, als jong gezin, bewoonden een grote boerderij in de Achterhoek. We maakten plannen. In de schuur konden minstens vier wooneenheden worden gerealiseerd. De deel zou plaats kunnen bieden aan een grote gemeenschappelijke ruimte. In de enorme tuin zouden we onze eigen groente en fruit kunnen verbouwen. Nee, we zouden het geen commune noemen, maar een woon-werkgemeenschap. In de advertentie die we plaatsten in Vrij Nederland stond dit dan ook nadrukkelijk vermeld. We namen contact op met ‘De Kleine Aarde’ in Boxtel, werden er hartelijk ontvangen en van veel nuttige informatie voorzien. Om inspiratie op te doen bezochten we Orvelte en de Hobbitstee. We vonden dat we behoorlijk goed voorbereid waren.

Daar kwamen de gegadigden. Praktisch elk weekend kregen we gezinnen over de vloer. Grote pannen vegetarische soep stonden op de houtkachel te pruttelen. En maar praten en plannen maken.

Op een goed (!) moment werd het duidelijk dat er te veel onderlinge verschillen waren. Het voorstel om de was gezamenlijk te doen in een gezamenlijke wasmachine bleek bijvoorbeeld voor sommigen al een reden om af te haken. Allerlei plannen werden opgevoerd, waarover weer hoogoplopende discussies ontstonden. Hoeveel zouden de buitenshuis werkenden moeten afdragen aan de gezamenlijke pot? En wie zou die beheren? Konden we van elkaars eerlijkheid op aan? Moest er een soort van corvee-lijst worden opgesteld? Zouden we bij toerbeurt ons eigen brood bakken? Konden we toe met één auto? Mochten we eigenlijk nog wel auto rijden? Moest er vegetarisch dan wel macrobiotisch worden gegeten? Stond iedereen achter homeopathie? En zo ontstond er een hele waslijst aan zaken die geregeld zouden moeten worden voor de Woon-Werk-Gemeenschap Neede daadwerkelijk een feit zou zijn.

Om kort te gaan: het is niet van de grond gekomen. Als we gewoon maar waren begonnen, zoals in de film, zou de gemeenschap wellicht organisch hebben kunnen groeien. Dan hadden we tijdens wekelijkse bijeenkomsten kunnen evalueren (ook al zo belangrijk in die tijd!). Iedereen had zijn zegje kunnen doen. We hadden stevige, opbouwende discussies kunnen voeren. We hadden zwak en sterk kunnen en mogen zijn. Dan was het misschien toch gelukt. Voor een tijdje.

Met twee personen samenleven was al een hele klus. Dat is gebleken. Met vijf gezinnen samenwonen was veel te hoog gegrepen.
En met dit gegeven in het achterhoofd en een grote grijns op het gezicht, geniet ik dubbel na van de heerlijke film, Kollektivet. Zij wel……
——————————————————————————————————————-

De afbeelding komt van het internet.

Koiere en Kaike

Nou, nou, nou. Wat een drukte in mijn anders zo rustige straatje. De ene na de andere auto wordt geparkeerd. Als alle parkeerhavens vol zijn, dan gewoon op de stoep, in de bocht, op het gras, tussen de struiken. Even verderop, op de Lagedijk is de Kaike en Koieremarkt. Voor degenen die het Zaans niet beheersen: kijken en kuieren. Overal hangen de plaatselijke vlaggen aan de gevels. Feest! Het is aan mij niet besteed, dit soort feestjes. Ik voel me een beetje ontheemd. Zoveel mensen. Een gehaaste blik in de ogen; stel je voor dat dat ene koopje net voor je neus wordt weggekaapt. Maar ik gun het ze van harte. Gezellig is het zeker, als je ervan houdt. Ik hoop dat ze het droog houden; het is traditiegetrouw een regenachtige dag.

DSC00981

Tegen de middag zie ik aan de overkant, aan de andere kant van het slootje, steeds kleine groepjes mensen lopen. Stevige schoenen aan. Rugzak op. Heuptasje om. Papier in de hand. Een wandeltocht, begrijp ik. Er wordt gestopt, de beschrijving wordt nog eens gelezen, een paar meter teruggelopen, nee, het was toch goed. De sokken er weer in. Verstand op nul, blik op oneindig. Ach nee, dit laatste klopt niet, natuurlijk. De blik moet gericht op het papier, zodat er van lekker rondkijken niet veel zal komen. Ernstig. Wandelen is een serieuze bezigheid. Jammer, want dit is een leuk stukje Zaanstad. Maar, ieder zijn meug.

DSC00982

Daartussendoor, in dezelfde richting, mensen met plastic tasjes. Die lopen anders. Ontspannen, rustig. Juist! Die komen van de jaarmarkt en hebben hun slag geslagen. Ze kletsen gezellig met elkaar. Kijken vrolijk. Drie paar sokken voor een tientje. En er waren lekkere hapjes, goede koffie en Zaans bier. Het was weer gezellig, ondanks de regen.

DSC00983

Ook in deze richting, maar dan op het schelpenpad langs het slootje, de mensen die hun hond uitlaten. Die lopen weer anders. Ze slenteren een beetje, laten de hond snuffelen en zijn behoefte doen. Met de handen in de zakken kijken ze uit naar andere hondenbezitters. Hebben oog voor de omgeving.

Deze laatste manier bevalt me het meest. Een beetje achter je neus aan, of die van je hond, natuurlijk. Beetje kijken. Er is altijd wel wat te zien, ook al heb je dezelfde route al honderd keer gelopen. Waterhoentjes met het laatste nest jongen van dit jaar. Een zwanenpaar dat statig ronddrijft. Prachtige witte waterlelies.

DSC00938

Zo zou het hele leven moeten zijn. Een beetje koiere, een beetje kaike. Niet al te serieus. Van tijd tot tijd wat lekkers eten en drinken. Een paar goeie nieuwe sokken. En mochten er wat diepere gedachten komen bovendrijven, dan mag je hopen dat er af en toe iemand naast je loopt, die begrijpend kijkt als je je zielenroerselen verwoordt.
En dat mag best een hond zijn.

Confusions about a goldfish

download (1)

Kleinzoon A is met vakantie en daarom pas ik op zijn goudvissen. Nou is oppassen een groot woord. Zonnebloem en Zonnetje zwemmen uit zichzelf rustig rond. Ze springen niet uit de bak en ze doen verder ook niets waar ik me mee zou moeten bemoeien of me zorgen over zou moeten maken. Het enige wat er van me wordt verwacht, is ’s morgens wat vlokken uit een potje in het water strooien. En de bak een keer schoonmaken in die veertien dagen dat ze hier zijn. A was een beetje bang dat Zonnebloem dood zou gaan tijdens zijn afwezigheid, maar ze zwemt vrolijk rond. De aanwijzingen die hij had gegeven over doosjes en begraven hoef ik niet uit te voeren. Niets wijst erop dat ze de pijp aan Maarten wil geven. Integendeel, ze is zo levendig als een vis.

Als ik ’s morgens beneden kom en de kamerdeur open doe, zwemmen ze direct naar voren, naar het hoekje. Daar blijven ze hangen, tot ik wat voer in het water strooi. Ik wens ze smakelijk eten, ze zwemmen naar boven en beginnen aan hun ontbijt. Ik heb het gevoel dat er een soort van communicatie is, maar dat is misschien wel wat ik wil zien.

Vanochtend was ik het hele voerritueel vergeten. Stom, maar er wordt gezegd dat een vis wel een paar dagen zonder voer kan. Dus zo erg was het niet. De vissen in mijn minivijvertje krijgen ook maar eens in de drie dagen te eten.
Erger was natuurlijk dat zij er wel op gerekend hadden. Hoe ik dat weet? Toen ik vanmiddag de kamer in kwam, en als vanzelf naar de bak keek, zag ik beide vissen voor het glas (plastic) hangen, met grote vragende ogen. – Dat vragende vul ik zelf in – Ik maakte mijn fout goed en gaf ze waar ze recht op hadden. Kan een vis tevreden kijken? Zeker! De vlokjes gingen erin als koek.

Meteen moest ik denken aan John Kongos, die zo’n prachtige tekst heeft geschreven over “the goldfish in his bowl“. In de zeventiger jaren hebben we die plaat grijs gedraaid. Ik zet het nummer weer eens op (sweet memories) en bedenk hoe wonderlijk het leven in elkaar zit.
Ik weet dat ik hun god niet ben, zo goed ken ik de tekst wel. Maar, zouden ze Kerst hebben gevierd?

Je pense que je suis

De illusie van het bestaan (Filosofie van de koude Zaanse grond)

DSC08543

Sommige dingen in het leven gaan ongemerkt. Zo waren er sinds 2009 alweer vijf jaar verstreken. Ja, logisch natuurlijk, maar het werd me extra duidelijk gemaakt toen de brief van de gemeente in de bus viel. Of ik wel wist dat mijn paspoort bijna was verlopen en dat ik een nieuwe nodig had. Ik wist dat niet, want zo’n document gebruik je niet dagelijks, maar ik nam het direct aan.

Een afspraak maken dus. Bij de gemeente, afdeling burgerzaken. Tegenwoordig komt daar geen telefoon meer aan te pas. Via de computer kom ik op een site, waar ik een keuze kan maken voor dag en tijd. Het valt mee: al over een week kan ik terecht.
Wat heb ik nodig? Mijn oude pas, pasfoto’s en geld. Makkelijk zat.
Makkelijk? Het oude paspoort ligt gewoon in het laatje. Er wordt verwacht dat ik pin, dus dat is ook geen probleem. Nee, de bottleneck zijn de foto’s. De fotograaf weet precies hoe de foto’s voor een paspoort gemaakt moeten worden, lees ik op de site. Gelukkig, denk ik. Want hoe is het nu: wel lachen, niet lachen? Een bril op, of juist geen bril? Oren vrij of niet?

Pasfoto’s. Bijna nog erger dan de tandarts. Maar vooruit, voor het goede doel. Zonder aarzelen loop ik naar de fotozaak waar ik altijd kwam, aan het begin van de winkelstraat. Hm, dat is jammer. Een groot bord op het raam meldt dat het pand te huur is. Aan het eind van de straat moet er ook nog een zijn. Een gerenommeerde zaak, waar ook dure apparatuur wordt verkocht. Luxe pasfoto’s. Ik verbaas me erover dat het pand er verveloos uit ziet. De kozijnen rotten weg. De etalage is bijna leeg, op een paar tweedehands camera’s na. Geen klanten, terwijl je anders altijd lang op je beurt moest wachten. Ook al op de nominatie om te verdwijnen. Maar ik heb geluk: pasfoto’s kunnen nog gewoon gemaakt worden. In een hokje achterin de zaak. Een blik in de spiegel ter controle. Ja hoor, kom maar op. Het worden drie foto’s met en drie zonder bril; het is op dit moment onduidelijk wat er gewenst wordt. Haar achter de oren, en zo’n blik van: laat maar over me heen komen. Ik stop het mapje diep onder in mijn tas. Voor overmorgen.

Anderhalve dag en een begrafenis later sprint ik op mijn fiets naar het nieuwe gemeentehuis. Ik voer mijn afspraaknummer in in de computer en het nummertje rolt eruit. Exact om tien uur ben ik aan de beurt. En om één minuut voor tien heb ik ontdekt dat mijn portemonnee nog in de tas zit, die ik gisteren mee had naar de uitvaart. Stom. Maar misschien hoef ik pas bij afhalen te betalen. Ik kijk naar het gezicht van de vrouw achter de balie: het staat op onweer. Het wordt er niet beter op, als ik opbiecht dat mijn portemonnee nog thuis ligt. “U kent dat vast wel”, zeg ik nog, inspelend op het vrouw zijn, “de verkeerde tas meegenomen.” Een mondhoek plooit zich in een zuurzoet lachje. Nee, denk ik, dat ken jij niet. Je bent vast geen tasjesmens. Je hebt er waarschijnlijk maar één. “Dan moet u een nieuwe afspraak maken”, zegt ze vinnig. “U moet namelijk bij aanvraag betalen.” Ik druip af. Vanavond heeft zij bij het avondeten een goed verhaal: zo’n stom mens vandaag aan de balie!

Op het plein voor het stadhuis is een straatveger in druk gesprek gewikkeld met een wat oudere man. “Hoe zie jij dat dan?”, vraagt die. “Nou”, zegt de man met het gele hesje, gesticulerend met zijn vrije hand, “het existentialisme, weet je wel? Je pense que je suis.”

Ja, denk ik, terwijl ik doorloop. Ongewild heeft deze man de spijker op zijn kop geslagen: Ik denk dat ik besta. Dat is het. Denken we niet allemaal dat we bestaan? Alles is illusie.
Gek genoeg ben ik nu degene die niet meer denkt en niet meer bestaat, dankbaar. Als ik niet naar zijn begrafenis was geweest, had ik mijn portemonnee gewoon bij me gehad en zou ik deze wijze levensles hebben gemist. Dank je, Gijs.

Toen ik vanmiddag, mét portemonnee, een boodschap deed, stond ik achter een wat oudere vrouw in de rij voor de kassa. Ze had haar mouwen opgestroopt, zodat de tatoeage op haar onderarm goed zichtbaar was. Tot mijn stomme verbazing las ik de tekst die ik vanochtend in aangepaste vorm hoorde: cogito ergo sum. Dit keer precies zoals Descartes het ooit heeft gezegd: ik denk, dus ik besta.

Toch vind ik de tekst van de filosofische straatveger tien keer beter dan die van de grote geleerde.