Een portje met Ina

img178

Lieve Ina,

Wat is het lang geleden, Ien, dat we elkaar spraken. Je bent al zo lang uit ons blikveld verdwenen. Maar toch, elke keer dat wij, van het oude, ter ziele gegane droomgroepje, elkaar zien, valt jouw naam op een goed moment. Er is altijd wel een aanleiding voor: iets wat zich ter plekke voordoet, iets wat we hebben gelezen of gezien, situaties waarin we soms verzeild raken, moeizame vriendschappen, verborgen liefdes. “Ina zou zeggen…….”, roepen we dan. Een gevleugelde uitdrukking inmiddels. Je hebt ons wat dat betreft veel nagelaten. Hoewel we je missen, worden we altijd vrolijk van de herinneringen die we ophalen.

We hebben heel wat met elkaar meegemaakt. Jouw verjaardagen, bijvoorbeeld, met heel veel vrienden op het balkon van je piepkleine flat. De cake die je sneed met het mes waarmee je net de knoflook had gesnipperd voor de hartige taart. Diezelfde taart waaruit we na het bakken nog een stukje folie van het bladerdeeg visten. De zachte kaas die je te vroeg uit de koelkast had gehaald. Het zal wel de stress van de verjaardag zijn geweest, hoewel jij je nooit echt gek liet maken. Maar je had wel een gloeiende hekel aan huishoudelijke klussen. Altijd was er een goede fles wijn, werd er geproost op Het Leven, werd er gelachen, vierde de gezelligheid hoogtij. Toch werd ook dan een serieus gesprek niet uit de weg gegaan. Je genoot intens van zulke momenten. En wij ook. En nooit hebben we gemerkt dat je zoveel ouder was dan wij.

Je zou nu – over een weekje – vijfentachtig zijn geworden. Maar zeven jaar geleden hield jij het hier voor gezien.

Soms vraag ik me af hoe het zou zijn geweest, als je nog had geleefd. Over welke boeken we het zouden hebben, welke films, welke filosofieën. Hoe we elkaar over en weer hadden kunnen inspireren. Maar ik blijf er niet te lang bij stil staan, hoor Ien. “Dat laten we maar open”, was een van je geliefde uitdrukkingen. En daar houd ik me aan.

Door die relativerende opstelling kon je een moeilijk leven aan. Want dat wisten we natuurlijk allemaal, dat je niet de makkelijkste weg had gekozen. Maar je las een mooie, toepasselijke tekst, mediteerde daarover, deed een dansje en dan was je in staat om te accepteren wat er op je pad kwam. Dan ging het weer. En de warmte van jouw eigen omgeving deed de rest; je omringde jezelf met boeken, bloemen, kaarsen, persoonlijke details. Jouw gave om binnen no time een gezellig en warm thuis te creëren, was benijdenswaardig.

Jouw thuis is nu ergens anders. Jij alleen weet waar. En wij weten haast wel zeker dat je “daar” je eigen sfeer creëert. Jouw kennende had je je er terdege op voorbereid.
Wij hebben je los moeten laten. Dat heb je ons altijd voorgehouden en je kunt wat dat betreft trots op ons zijn.

Alleen, Ina, wat zou ik graag nog een keer een glaasje port met je willen drinken bij De Karpershoek……..

——————————————————————————————————————-

Ook over Ina: https://ajroc.wordpress.com/2014/04/09/luchtpost/

Advertenties

Luchtpost

Lieve Ien,

img090Vijf jaar is het nu geleden dat we afscheid namen van jou. Voorgoed. Een afscheid in stijl. Jouw stijl. Met warme woorden. Met mooie teksten. Woorden en teksten die jou op het lijf geschreven waren. Met koekjes, bonbons, koffie en wijn. Jouw gezelligheid voor de allerlaatste keer. Bij het weggaan mochten alle vrienden een engelenkaartje meenemen. Zoals jij vaak deed aan het eind van de dag: “Even een engelenkaartje trekken.” ‘Helderheid’ stond er op dat van mij. Ik heb het nog steeds. Ik weet wel, dat ik het toen, op die bewuste dag, helemaal niet zo helder zag. Jij zei dan altijd: “Dat laten we maar open.” Van jou kon ik het hebben.

Je deed enorm je best om op de juiste manier te leven. Bewust. Een gebedje, een tekst. Hoewel je ontzettend veel deed, heel actief was, wist je toch altijd een moment van rust te vinden. Contemplatie. Maar ook kon je soms zo maar zeggen: “Laten we even een dansje doen.” Het serieuze en het luchtige. Jij kon dat als geen ander combineren.

En wat hebben we ook gelachen, Ien. Dan vloog er altijd één been van jou in de lucht. Je schaterde het uit. Weet je nog die keer dat we in Amsterdam een stadswandeling zouden maken? In afwachting van de gids dronken we een kopje koffie. Nadat we al een kwartier onderweg waren in de Jordaan, riep jij ineens, dwars door het verhaal van de gids: ”De koffie! We hebben de koffie niet betaald!” Later maakten we het nog goed.

We volgden samen de cursus: Symboliek van het Hebreeuws. Om de veertien dagen een zaterdagochtend naar Utrecht om de interessante verhalen en uitleg te horen van Jan Wuister. We hingen aan zijn lippen. En daarna napraten over ‘het leven’ bij de lekkerste tomatensoep ooit bij café Orloff. Mooie tijden waren dat. Het is alsof we er gisteren nog waren.
Tijdens zo’n zelfde cursus die ik nu volg, in Amsterdam, moet ik vaak aan je denken. Want ik weet zeker dat jij dat ook graag allemaal had willen horen, zien en meemaken. Het had best gekund: je zou in mei pas drieëntachtig geworden zijn. Maar helaas.

Ien, ik doe mijn best om voor twee te luisteren. En het zou nog best eens kunnen dat je stiekem meekijkt. Want dat jij daar boven zit, op een gouden stoel, dat staat als een paal boven water. Dat is nu helemaal helder!

Een bord spaghetti bij de Bijenkorf

Het was een mooie dag. Nog wel koud, maar de zon deed haar best de aarde op te warmen. Bijna lente. Ze bekeek zichzelf in de spiegel: parelgrijs vest, zwarte broek. Het stond haar goed. Maar haar kledingkast puilde uit van de broeken en truien. Een leuke jurk, vrolijke kleuren, daar had ze behoefte aan.

De trein was op tijd. Drie haltes tot Amsterdam, ze was er zo. Ze liet zich meevoeren door de stroom mensen, die kennelijk hetzelfde doel hadden als zij. Na tien minuten lopen stapte ze de Bijenkorf binnen. De geur van parfum wolkte om haar heen: dit had ze al die wintermaanden gemist. Ze snoof diep. Doelgericht stapte ze op de unit af waar haar lievelingsgeur werd verkocht en wist zich de komende maanden weer voorzien.

Ze had geluk. Op de kledingafdeling hing er een jurk in haar maat. Een mooi, afkledend model. De soepele stof bedrukt met vrolijke bloemen. En, vooruit, ook nog een blouse en een zwierige, stijlvolle rok. Schoenen? Ze was hier nu toch. De eerste de beste lentedag kon ze zich vertonen.

Tevreden met deze aankopen liet ze zich door de roltrap naar boven voeren, naar het restaurant. Na een kop koffie besloot ze om ook maar even te lunchen. Ze koos spaghetti, met een rijke tomatensaus. Ze zocht een tafeltje bij het raam. Bestek! Hoe kon ze dat nu vergeten. Toen ze ermee terug kwam zat er tot haar verbijstering een man achter haar bord. Hij rolde de spaghetti verrassend behendig om zijn vork en at met smaak. Hoe durfde hij. Ze zou hem wel krijgen. Ze zette zich tegenover hem en nam steels een paar happen. Hij reageerde niet. Het bord was leeg. De man stond op en liep weg. Terwijl ze hem nakeek, zag ze op één van de tafeltjes verderop een bord spaghetti staan.