Gekke vragen!

mooiZe zeiden het weleens, in de klas: “Juf, dit is een gekke vraag, maar…” Waarop mijn eerste antwoord altijd was, dat er geen gekke vragen bestaan. Misschien wel gekke antwoorden, als ze bijvoorbeeld niet bij de vraag passen, of de vraag geen recht doen. Maar een vraag is een vraag. Ik drukte ze op hart altijd vragen te blijven stellen. Van vragen stellen word je wijs.

De vraag stellen is hem namelijk in feite al beantwoorden. Dat je op een vraag komt, geeft aan dat je al aan het denken bent gezet over een bepaald onderwerp, of een bepaald probleem. Heel vaak was dus mijn wedervraag: “Wat denk je zelf? Hoe denk jij dat het is? Vertel eens wat je al weet. Heb je een vermoeden hoe het (ook) zou kunnen?” Dan kwam er een grappig proces op gang. Je zag het aan de gezichten: er werd (na)gedacht.

Natuurlijk kun je kant-en-klare antwoorden proberen te geven, maar dan gebeurt er niet veel in een kinderhoofd. Het is heel goed kinderen aan het denken te zetten, zodat ze met hun eigen oplossingen komen. Daar worden ze pas echt wijs van. En tevreden. En in een enkel geval euforisch: dat heb ik helemaal zelf bedacht, ik ben er zelf uitgekomen, terwijl ik dacht dat het een echt moeilijk probleem was.

Natuurlijk kun je behulpzaam zijn en meedenken. Liefst hardop. En dat kun je het beste in vragende vorm doen. Kinderen zullen dit overnemen en al (be)redenerend naar de antwoorden op hun vragen komen. Van heel ‘eenvoudige’ vragen (bestaan die wel?) tot ‘ingewikkelde(r)’ (bestaan die?). Ook zullen ze ontdekken dat er in veel gevallen meerdere antwoorden mogelijk zijn. Geleidelijk aan zullen ze er achter komen dat er niets vast staat in het leven.

Maar. Er blijken ook vragen te zijn, waar helemaal geen antwoord op wordt verlangd door de vraagsteller. In het dagelijks leven worden we door instanties bestookt met de meest onzinnige vragen. Het zijn geen filosofische vragen waar je wijzer van kunt worden. Vragen die je nu eens even goed aan het denken zetten. Nee. Het zijn vragen die de hebzucht (kunnen) opwekken. Of ergernis.

Dus toch gekke vragen. Op de radio hoor je in de reclame van de NS: “Waar ga jij naartoe vandaag?” De ABN-AMRO vraagt: “Wat is jouw verhaal?” Obvion hypotheken is benieuwd: “Hoe wil jij wonen?” Lidl, klantgericht: “Waar kies jij voor?” NH Hotels wil weten: “Welk uitzicht kiest u deze winter?” Met Allerzielen was het: “Voor wie steek jij een kaarsje op?”

Ik zou wel eens willen weten waar deze trend vandaan komt. Is er iemand benieuwd naar de antwoorden? Absoluut niet. De bedoeling is dat wij gaan beseffen wat we tekort komen. En daar dan zo snel mogelijk verandering in brengen.

De stomste vraag tot nu toe hoorde ik laatst bij Ikea: “Hou je van wonen?”, schalde het door de luidsprekers.
Vraag dat maar eens aan al die vluchtelingen, dacht ik, en wacht op het antwoord.
En luister! (Met een uitroepteken, ja.)

De bijsluiter

DSC00067

Iedereen die wel eens een bijsluiter uit een medicijndoosje heeft gehaald, kent het. Je bent benieuwd naar wat voor narigheid je nog meer kunt krijgen bij, of in plaats van, de kwaal die je wilt bestrijden. Wat de gevolgen zijn van het slikken van dit pilletje. Je vouwt het zorgvuldig gevouwen papiertje open. Je leest zo hier en daar wat. Voordat je panisch wordt van de ellende die je waarschijnlijk te wachten staat besluit je de boel weer dicht te vouwen en terug te stoppen in het doosje. Mis! Voor het op de juiste manier opvouwen heb je minstens een cursus origami nodig.
Gelukkig overkomt me dit maar zelden. Maar mocht ik weer eens zo’n doosje in handen krijgen en in de verleiding komen om de bijsluiter te openen, dan weet ik nu al dat het uiteindelijk in de vorm van een propje in de vuilnisbak belandt. Of, nog beter, bij het oud papier.

Gisteravond gebeurde mij iets dergelijks. De verkiezingen staan voor de deur en er lag ’s middags zo’n mooie kandidatenlijst op de mat. Ik laat daar graag even mijn blik over dwalen. De namen die je op zo’n lijst tegenkomt spreken vaak enorm tot de verbeelding en kunnen de aanzet zijn tot een verhaal. Een kleine greep: Slettenhaar, Rommel, Uitentuis, Oetelmans, Kalverboer, Swijnenburg.
Bij verder kijken ontdek ik zaken, die ik hoogst merkwaardig vind. Wat te denken van de combinaties die worden gemaakt? Lijst VVD gecombineerd met D66, PVDA met Groen Links, PVDD met Ouderenpartij NH, 50Plus gecombineerd met Hart voor Holland. De Piratenpartij opereert logischerwijze alleen. Op de lijst van de VP, Vrouwen Partij, ontwaar ik twee mannen. Wat een vreemde bedoening; ik kan er niet veel logica in ontdekken.

Door het uitspellen van deze bijsluiter word je inhoudelijk niet veel wijzer. Daarvoor moeten er nog allerlei debatten worden gevolgd. En dan weet je van tevoren al waar het op uit zal draaien. Babbels over waar men voor staat. Over wat we niet moeten willen met zijn allen. Loze beloften, vage standpunten. Zogenaamd keiharde meningen.

De kandidatenlijst voor de verkiezing van de leden van het Hoogheemraadschap is helemaal een ratjetoe. Wat moet je je voorstellen bij de partij BoerenBurgersWaterbelang. Of bij Koninklijke Schuttevaer, waarvan o.a. de heren Droog, Mol, Bakker en Groen deel uitmaken. Kunnen wij ons lot gevoeglijk in handen van deze heren leggen? Ach het zal best. Het enige wat ik hoop is dat iedereen in het Hoogheemraadschap erop uit zal zijn om de boel droog en het water fris te houden.

En dan tot slot nog een greepje uit de wegwijzer:
Laat uw stem niet verloren gaan! Stemmen met het rode potlood! De hoofdbewoner wordt verzocht deze stemwijzer ook aan eventuele kiesgerechtigde medebewoner(s) te laten lezen. (Wat overigens een krakkemikkige zinsconstructie is.)
Op een paar zwart-wit foto’s kun je zien hoe je een vakje rood maakt en hoe je je ingevulde stembiljet in de kliko moet deponeren.

Een echte bijsluiter! Het lukt me ook nu niet om dit papier in de oorspronkelijke staat terug te vouwen. Ik houd het maar voor gezien. Deze kan alvast in de kliko. Of, zo u wilt, bij het oud papier.

Maar toch. Als ik op 18 maart in het stemhokje sta, maak ik twee vakjes rood. Ook al weet ik niet precies wat daarvan de gevolgen zijn.

Dank u SinterklaaRsje

220px-HajjiFiruzHet is herfstvakantie. De kleinkinderen logeren bij mij. We kijken naar het jeugdjournaal. Gouda komt in het nieuws. Sinterklaas zal daar in november aanmeren met zijn stoomboot en nu probeert men politiek correct een aantal zwarte pieten te veranderen in kaaskoppen en zoete koekjes. Op mijn vraag aan de kleinzoons (van wie één niet meer gelooft en de ander nog wel) wat ze ervan vinden, krijg ik een eensluidend antwoord: “Raar, zo zien mensen er toch niet uit!” De gelovige poneert: “Ik ben nu gewend aan zwarte, dus dan moeten ze dat niet ineens gaan veranderen.” De ongelovige vindt het te belachelijk om over te praten. Zwart is zwart. Zo hoort het. Punt. Wat dat betreft zijn kinderen behoorlijk conservatief.

Diep in hun hart, of moet ik zeggen intuïtief, weten ze dat het allemaal verder niets met kleur te maken heeft, maar met een feest. Sinterklaas is niet beter dan zijn pieten. Vaak vinden ze zwarte piet wel zo leuk: hij beheert de zak waarin zich het snoepgoed bevindt. Er heest een gezond gevoel van spanning: je schoen zetten; ook al geloof je niet meer, je hoopt dat er wat in komt. Voor wat, hoort wat: zingen als je je schoen zet, een wortel voor het paard, een tekening voor Sinterklaas. Maar ook een verlanglijstje. En dan op pakjesavond: zou hij komen, de goede Sint? Er wordt op de deur geklopt. Ook al geloof je het hele jaar niet meer, op dat moment zet je het ongeloof in de ijskast en ren je met bonkend hart naar de deur, ouders en grootouders met waterige oogjes achterlatend.

De oudste kleinzoon (een halve Pers) viert in feite zelfs twee keer in het jaar ‘sinterklaas’. Uiteraard in december. En tijdens het Iraanse Nieuwjaar, zo rond 21 maart, nog een keer. De traditie wil dat er dan twee figuren komen opdraven, van wie er één op sinterklaas en de ander op zwarte piet lijkt; respectievelijk: Baba Nohroez en Hadji Firouz. Er worden cadeautjes uitgedeeld en hadji Firouz maakt grapjes. Dit is niet de hoofdmoot van het feest, maar het hoort er wel degelijk bij! En de kinderen vinden het heerlijk.

Natuurlijk gaat het bij beide feesten om de tegenstellingen: lief en stout, zwart en wit, oud en nieuw, enzovoort. De tegenstellingen waarop ons hele bestaan is gefundeerd, en waarvan je spelenderwijs doordrongen wordt. Het is iets universeels.
En het gaat in de donkere dagen van het jaar natuurlijk ook om vrolijkheid en gezelligheid. Om elkaar verrassen en verwennen. Aardig zijn voor elkaar. Deze leuke, warme elementen van het hele gebeuren zouden we gewoon vergeten door al het kille en koude gedoe van tegenwoordig. Door het donker naar het licht. Rascisme? Daar heeft het sinterklaasfeest in de verste verte niets mee te maken.

Ik hoop eerlijk gezegd, dat we vanaf nu niet ieder jaar die “P”-discussie zullen hoeven te voeren. Dat gedram en gedrein over iets wat totaal geen link heeft met het aloude feest zorgt er juist voor dat mensen een grotere liefde opvatten voor de zwarte piet in ons bestaan. Dat zou die zuurpieten toch juist tevreden moeten stemmen?

20140902_174807Nee, het enige waar we over zouden kunnen vallen is de tekst van één van de simpelste sinterklaasliedjes: Sinterklaasje, bonne, bonne, bonne. In groep één van de basisschool leren kinderen al rijmen. Hoe trots kunnen ze zijn, wanneer ze het principe van het rijm doorhebben.
En dan, in de laatste twee zinnen van dit schone lied van slechts vier regels gaat het mis:

Gooi wat in mijn laarsje
Dank u Sinterklaasje.

Dát vinden kinderen nou verwarrend. En dát vind ik een kwalijke zaak.

——————————————————————————————————————-
Nog een zwarte-pietendiscussie, maar dan op een heel ander vlak:
De gele veer.

De foto van Hadji Firouz komt van het internet.

Hoe AH de kleintjes inpakt

DSC09524

Hamsteren!
Ze zitten op het hek. Nee, niet de drie kleine kleutertjes. Schoolkinderen van een jaar of acht. Gekleed in het oranje. Een begerige, opdringerige blik in de ogen. Een hamsterblik. Wanneer een volwassene in de buurt komt, begint het geschreeuw en geroep. Gezwaai met armen. Graaiende handen. Beestjes willen ze. Oranje beestjes met bolle wangen, die door het personeel van de AH-winkels aan klanten worden verstrekt. Voor elke bestede vijftien euro één hamster.

Wanneer ik eraan kom, krijg ik nauwelijks de tijd mijn fiets op slot te zetten. Mag ik straks je hamster? Vroeger (en nu doe ik dat nog steeds, trouwens) sprak ik volwassen vreemden altijd aan met “U”. Met een hoofdletter. Tegenwoordig hoeft dat niet meer. Van mij ook niet. Maar dat opdringerige gedoe vind ik vervelend. Buiten het feit, dat ik nog steeds niet in het bezit ben van zo’n beestje, zou ik ook moeite hebben ze in die graaiende handen te deponeren, terwijl er van een “dank je wel” geen sprake is. Nee, de meest gehoorde kreet is: “Hèè, die heb ik al.”

Een jongetje met een vrolijke blonde kuif, die het dichtst bij de ingang op het ‘dranghek’ zit, schreeuwt zijn longen uit zijn lijf. Hij heeft twee hamsters aan zijn hand bungelen. Hij hangt zo ver naar voren, dat hij de kassa’s kan zien. Mensen die veel boodschappen op de band zetten, hebben kans op een hamster. En hij bespringt ze bijna als ze naar buiten komen; hij heeft allang gezien dat ze er een paar in hun tas hebben gestopt.

Hoe verzin je het?
Ach, je kunt het die kinderen niet kwalijk nemen. Natuurlijk willen ze die speeltjes graag hebben. Het is ook voor ‘de heb’. Zowel voor de kinderen als voor de multinational, waar iemand heeft bedacht dat je bij vijftien euro aan boodschappen zo’n onooglijk gevalletje kunt krijgen. Een duur speeltje, maar AH vaart er wel bij.
De mensen die dit verzinnen, zouden eens ernstig moeten worden toegesproken. Weten zij wel wat ze veroorzaken?
Kinderen worden opgezadeld met bergen troep waar ze binnen de kortste keren niet meer naar omkijken. Ik vraag het schreeuwende jongetje of hij wel goed naar die rare beestjes heeft gekeken. “Vind je ze echt leuk?”, wil ik weten. “Nee”, zegt hij snel, “maar ik wil ze gewoon allemaal hebben.” Een meisje vult aan: “Ik moet (!) er nog twee en dan ben ik klaar, dan kan ik naar huis.”
Ouders zullen, wanneer ze erin trappen en echt drieëntwintig beestjes bij elkaar willen sparen, tenminste driehonderdvijfenveertig euro kwijt zijn. In de praktijk natuurlijk veel meer, omdat je vaak dubbele zult krijgen.

DSC09525

Allemaal beessies….
In 2010 brengt Albert Heijn het ‘beessie’ op de markt. Die liggen natuurlijk al snel na het WK te verstoffen. Er wordt een nieuwe actie bedacht: lever de pluizige speeltjes in, zodat er weer andere (zielige) kinderen mee kunnen worden blij gemaakt. Dat gun ik ze van harte, maar voor hen is het wel mosterd na de maaltijd. Na het WK een beessie bij de boodschappen van de voedselbank. Dat is pas zielig.

Waarschijnlijk gaat het dit keer net zo. De kinderen op het hek kijken niet echt blij. Het is meer een taak waar ze aan zijn begonnen. Wie a zegt moet ook b zeggen. Eén is niks; je moet ze allemaal hebben. Sparen, dus. Tegen wil en dank na schooltijd voor de winkel gaan rondhangen en hopen dat je onbeleefde, dwingende gezeur nog wat oplevert. Terwijl je misschien liever was gaan spelen met dat mooie weer. En na ‘het heilig moeten’ liggen al die rare hamstertjes ergens in een hoekje en kijkt niemand er meer naar om. Tot een heldere geest plotseling bedenkt, dat er voor de beessies ook een goede tweede bestemming is gevonden. Misschien zou er bij de winkels vast een verzamelton geplaatst kunnen worden, waar ouders de rondslingerende troep direct al in kwijt kunnen. Dan kunnen de ‘zielige’ kinderen nog tijdens de WK meedelen in de feestvreugde.

Een actie tegen de actie?
Misschien moet men bij AH de volgende keer eens goed nadenken over de actie. In de eerste plaats is er de vraag: moet er wel een actie komen? Moet je kinderen leren om te bedelen? Moet je ze onrustig en ontevreden maken? Moet je hen en hun ouders opzadelen met rommel die later weer naar de kringloop gebracht moet worden? Moet je kinderen niet juist enig ethisch en esthetisch bewustzijn bijbrengen?

Is dit allemaal overwogen en blijkt dat er toch onherroepelijk een actie moet komen, verstrek dan liever iets met een educatief tintje. De dierenplaatjes voldeden indertijd aan deze norm.
In geval van een actie ter gelegenheid van een sportief evenement zou het iets kunnen zijn, waarmee of waardoor kinderen gaan bewegen.

Naar huis.
Ik reken mijn boodschappen af. Te weinig voor een hamster. Het oranje jongetje glipt langs me heen. Achter mij staat een vader met twee kleine kinderen. “Hier, voor jou”, hoor ik een schor stemmetje zeggen. Het zoontje straalt: een oranje hamster. “Ik heb hem toch dubbel!”, roept het blonde mannetje, terwijl hij snel naar buiten rent om zijn plaats op het hek weer in te nemen. Vlak voor ik wegrijd, zie ik hem een zakje openscheuren. “Ruilen?”, schreeuwt hij tegen het meisje. Ze knikt. Nu hoeft ze er nog maar één. Ze mag bijna naar huis.

Luxeprobleem?

tataren

Ik zet de tv aan en kom onbedoeld midden in het programma ‘Uitgebloe(i)d’ terecht. De overgang. Daar gaat het over. Programmamaakster Ingeborg Beugel heeft het er erg moeilijk mee. De lichamelijke en geestelijke veranderingen spelen haar parten. Haar ervaringen deelt ze, in een documentaire, met al de vrouwen die onvoorbereid en slecht geïnformeerd de overgang ingaan.

Onvoorbereid? Slecht geïnformeerd? Als vrouw weet je toch wat je op een zekere leeftijd boven het hoofd hangt? Er wordt al decennialang over geschreven. Het boek ‘Overgang’ van Germaine Greer (wat regelmatig in beeld komt) is jaren geleden uitgekomen.

Over het geheel genomen vind ik het een programma met een hoog stampvoetgehalte: vriend begrijpt het niet, de kinderen willen haar nog maar steeds geen kleinkinderen geven, nieuwe vriend wil niets horen over de klachten. Linda wil het onderwerp niet opnemen in haar blad. (Koop dan een Margriet of een Libelle, zou ik zeggen)

Op naar een cursus over de overgang. Allemaal jankende vrouwen onder een rood Ikea-dekentje. Een geleide meditatie om jezelf als meisje terug te zien en daarna allemaal aan het schilderen. Hoera! De zakdoeken zijn niet aan te slepen. Nee, vindt Ingeborg, deze vrouwen zijn niet bezig met de overgang, zij hebben allerlei andere problemen.

Een tweetal gynaecologen doet nog, niet onverdienstelijk, een positieve duit in het zakje, evenals een echtscheidingsadvocate.
Toch blijkt, al met al, dat er doorgaans weinig begrip en interesse is voor de vrouw in de overgang. De overbodige vrouw, want ‘vroeger’ zouden vrouwen deze leeftijdsfase niet eens bereikt hebben. In het dierenrijk gaan vrouwtjes dood, wanneer er geen eitjes meer worden geproduceerd.

Op de middelbare school wordt er ook al nauwelijks of geen aandacht aan het fenomeen geschonken. Ja, in het biologieboek wordt het woord genoemd, overgang, groen gedrukt, maar dat is dan ook alles. De biologieleraar geeft met enige tegenzin toe, dat het misschien wat uitgebreider ter sprake zou kunnen komen. Beugel spreekt er een aantal jongeren over aan. Echt geïnteresseerd kan ik ze niet vinden, deze pubers, en geef ze eens ongelijk; hun leven staat op het punt te beginnen, en moeten deze jongens(!) zich nu echt gaan verdiepen in een probleem, waar ze straks misschien alleen maar zijdelings mee te maken krijgen? Wat ze nooit aan den lijve zullen ondervinden?

Gelukkig krijgt de programmamaakster via vriend nummer één een kleinkind wat ze kan knuffelen, zodat het gelukshormoon (oxytocine) geactiveerd wordt en koopt vriend nummer twee een dure bolide en maakt hij mooie foto’s van haar. Gelukkig vindt vriend één het niet zo heel erg dat vriend twee in haar leven is gekomen, want zij is een ‘full-time-job’. Vriend twee heeft het liever niet over nummer één en schenkt haar nog een glas dure wijn in.

Laten we hopen dat dit voor een aantal vrouwen een interessant en verhelderend programma is geweest. Voor de maakster heeft het waarschijnlijk (hopelijk) als een soort van therapie gewerkt. Alle dingen op een rijtje gezet en erachter gekomen dat je niet gek bent. Ervaren dat het toch wel goed komt, dat het leven nog steeds aangenaam en zinvol kan zijn. Dat iemand je nog steeds leuk kan vinden, dat je nog niet uitgerangeerd bent. Dan ben ik blij voor haar.

Dat mannen het niet (willen) begrijpen is eigenlijk wel logisch. Er zijn nogal wat zaken in het leven, die je pas kunt invoelen wanneer je het zelf hebt meegemaakt. Daarom kun je al deze ervaringen op het gebied van de overgang beter met vrouwen delen: een fles goede wijn op tafel, chocola erbij, een kaaskoekje, desnoods zakdoeken en dan alle verhalen een beetje aandikken. ‘Lekker’ zeuren. Jezelf niet al te serieus nemen.
En wanneer er echt problemen zijn – dat komt zeker voor, ik ben de laatste om het te bagatelliseren – dan zijn er specialisten bij wie je terecht kunt voor deskundige hulp.

———————————————————

Dan begint Nieuwsuur. De situatie op De Krim is zorgelijk. Voor de kleine groep Tataren die daar woont is het leven sowieso bijzonder moeilijk. Veel van hen speelt het verleden nog parten. Een oudere vrouw komt aan het woord. Ze houdt het niet droog tijdens haar schrijnende verhaal. Zelfs het knuffelen met haar kleinkind zal niet voldoende oxytocine aanmaken om haar geluksgevoel te verhogen; gelukkig is ze al jaren niet meer.

Ook zij was eens in de overgang. Ze heeft geen cursus gedaan, geen boeken gelezen. En ze heeft er zeker geen vriend met een grote, dure auto op nagehouden. Waarschijnlijk heeft ze niet eens de tijd gehad om zich met het verschijnsel overgang bezig te houden, laat staan zich erin te verdiepen. Misschien is er niet eens een woord voor.

Overgangsklachten? Cultuurgebonden? Een Westers luxeprobleem?
Het zou het laatste wel eens kunnen zijn.

———————————————————-

De foto van de Tataren komt van het internet.

Buitenspelen zou een vak op school moeten zijn (2)

wpid-johan-cruijff-foundation-buiten-spelenNa een goed jaar bouwen was het nieuwe schoolgebouw zover dat we aan de inrichting van het plein konden gaan denken. Iedereen die in het onderwijs werkt, weet dat er dan een Commissie wordt benoemd, die Plannen gaat maken en deze daarna gaat Presenteren aan het Team. Ook weet men dan dat het Budget sowieso te klein is om welke plannen dan ook te realiseren.
Zo kon het gebeuren dat het droombeeld van een ruig, spannend speelveld met heuveltjes met (rioolbuis)tunnels, bomen en struiken geen doorgang kon vinden. Niet alleen vanwege een beperkt budget. Iedereen die in het onderwijs werkt, weet ook dat je met handen en voeten aan allerlei regels en regeltjes gebonden bent.

Ons plein werd dus volledig betegeld inclusief vier tegels met een knikkerpotje en twee genummerde hinkelbaantjes, er werden een klim- en een speeltoestel geplaatst, een set van drie duikelstangen en een zandbak van 2m x 2m. (In de praktijk bleek de zandbak natuurlijk te klein en te ondiep. Bovendien was hij vlak naast een afvoerputje geplaatst, zodat de juffen er altijd aan moesten denken dit met een stuk linoleum te bedekken.) Ook kwam er een betonnen tafel met daarop een schaakbord, wat een dambord had moeten zijn. Wat een spannend en uitdagend speelterrein….

Bij toerbeurt wordt er door onder-, midden- en bovenbouw buiten gepeeld. Drie keer per ochtend rennen er twintig minuten zo’n honderd kinderen over het plein. De rest van de tijd is de ruimte voor de kleuters.

De praktijk: de meeste jongens willen het liefst alleen maar voetballen. Op zich zou je dit moeten toejuichen, omdat ze dan tenminste spelen. Ze nemen dat spel heel serieus, wat best grappig is om te zien. De keerzijde is, dat ze dan totaal geen oog meer hebben voor de andere kinderen, alleen hun spel is nog maar belangrijk. Sommige kinderen doen verstoppertje, waarbij de schaaktafel dienst doet als buutplaats. Echte verstopplekken zijn er niet op dat kale plein. Een grote groep kinderen rent doelloos gillend rond; geen idee wat ze moeten met hun energie. En ondanks het feit dat er twee ‘lieveheersbeesttegels’ in het plein zijn verwerkt, is er sprake van veel duw- en trekwerk en regelrecht geknok. De knikkerpotjes slibben dicht, omdat niemand meer knikkert. De hinkelbanen zijn gesitueerd in het voetbalgebied, maar ach, ze werden toch al niet gebruikt. Het klimrek wordt al snel door groep acht in gebruik genomen om als hangplek te dienen en het speeltoestel wordt, vooral gedurende het weekend, vakkundig gesloopt. De duikelstangen worden het liefst gebruikt voor het oefenen van de ‘dodensprong’. Met de springtouwen kun je kinderen vastbinden en met stelten kun je lekker meppen. Het boompje midden op het plein overleeft de pauzes niet, want wat is er nou leuker dan kijken hoe ver dat stammetje doorbuigt als je eraan gaat hangen?

Natuurlijk is dit enigszins gechargeerd. Maar het komt er wel op neer, dat kinderen uit zichzelf vaak niet goed raad weten met de ruimte en de vrijheid. En met elkaar; zoveel kinderen tegelijk op een beperkte ruimte. Leuk spelen lukt dan niet meer zo goed.

Als buitenspelen een vak zou zijn op school dan zou het (moeten) worden aangeleerd. Dan zouden er faciliteiten en materialen zijn, net als bij de reguliere lessen. Leerkrachten zouden zich er gericht en actief mee bezig (moeten) houden. Dus niet, een kopje koffie in de hand, met elkaar de teleurstellende uitslagen van de rekentoets doornemen, maar het touw draaien, bijvoorbeeld. Hoe actiever de leerkracht zich opstelt, hoe minder hij zich als politieagent hoeft te gedragen. En op zo’n manier leren kinderen dat buitenspelen op een plein met nog honderd anderen best mogelijk is.

Maar, als buitenspelen een vak op school zou zijn, dan zou het, vrees ik, ook getoetst moeten worden. Het Cito zou er wel raad mee weten. Voor voetballen een A, voor knikkeren een E. De leerkrachten stellen gewoon weer een (groeps)handelingsplan op. En zo komt het allemaal toch goed.

Lees ook: Buitenspelen zou een vak op school moeten zijn (1): http://wp.me/p36K0e-bh

Een goed rapport?

Gisteren op de voorpagina van Trouw een artikel met de opmerkelijke kop: Zorgleerlingen deren klas niet. Met als onderkop: ‘Gewone’ scholieren scoren net zo goed als anders, ongeacht aantal klasgenoten met problemen. De NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) presenteert deze week het onderzoeksrapport: Prestaties en loopbanen van zorgleerlingen.
Uit deze titel blijkt al waar het om gaat: de zorgleerling. Wie kan nu nog hard maken dat er onderzoek is gedaan naar de andere 75 % uit de groep, namelijk de ‘gewone’ scholier? Ja, er is gebruik gemaakt van databestanden, waarin de ontwikkeling van de scholieren is vastgelegd; bij onderwijsmensen beter bekend als het Leerling Volg Systeem (LVS). Maar is er verder ook nog naar kinderen gekeken?
De studie is bedoeld als nulmeting, zodat de komende jaren gevolgd kan worden wat het effect is van de invoering van de wet op het Passend Onderwijs. Dit houdt in dat leerlingen met een ‘rugzakje’, op de gewone basisschool blijven en niet naar zo’n dure school voor speciaal onderwijs worden doorverwezen. Dat kan betekenen dat er dan in een groep sprake is van een fifty-fifty verhouding aan zorg- en gewone leerlingen. Alles in het kader van de onvolprezen bezuinigingen op het onderwijs.
Waarschijnlijk is dit onderzoek gedaan door mensen die sinds hun eigen basisschoolperiode geen voet meer in een school hebben gezet. Men heeft kennelijk ook niet met leerkrachten gesproken, maar zich alleen met de droge cijfertjes bezig gehouden, getuige de opmerking: “Het lijkt erop dat leerkrachten in staat zijn beide groepen kinderen in één klas goed te begeleiden.”
Iedereen die werkzaam is in het onderwijs weet dat de leerlingpopulatie drastisch veranderd is de afgelopen tien, vijftien jaar. Naast de ‘gewone’ leerling (maar wat is gewoon?) zijn er veel meer kinderen met een ‘krasje’. Leerkrachten zijn inderdaad over het algemeen in staat een groep kinderen op de juiste manier te begeleiden. Maar hoeveel energie en vindingrijkheid dat kost, daar kan een buitenstaander zich nauwelijks een voorstelling van maken.
Ook de ‘gewone’ leerling moet vaak alle zeilen bijzetten om goed te blijven presteren; de zorgleerling brengt vaak – onbedoeld en ongewild -onrust in de groep.

Het is heel fijn dat er weer een (duur) rapport klaarligt, zodat de regering haar snode plannen kan doordrukken. Toch had het allemaal simpeler gekund: gewoon luisteren naar de leerkrachten. Zij beschikken over de kracht (!) om kinderen goed te begeleiden. Maar net zo goed als voor de kinderen een optimale leeromgeving moet worden geschapen, zal er voor de leerkracht de mogelijkheid moeten worden gecreëerd om zich optimaal in te kunnen zetten ter meerdere eer en glorie van goed onderwijs. De speciale school was zo gek nog niet.

DSC07839