En dan nu Satie!

Come away

Een goed concept. Daar zijn vriendin H en ik het over eens, als we, een motterig regentje trotserend, door Edam wandelden. De twaalfde Pianowandeling. Voor ons de tweede.

Gelukkig staan de piano’s binnen. In de meest schattige huisjes, in kerken met zand op de vloer, in winkels, galeries en kassen. In het gemeentehuis speelt een jazzcombo, grijze mannen in het zwart. Het dak eraf is teveel gezegd, maar ze doen hun best. De sfeer is geweldig. “Wie is Loesje”, die heerlijke meezinger van de Ramblers, wordt door velen, op dringend verzoek van de zangeres, luidkeels meegezongen. Net als Loesje “voel ik in mijn hart een steek” als ik de wat oudere drummer zo vol vuur zijn drumstel zie en hoor bewerken.

Via een smalle gang betreden we een kamer in een woonhuis. Vrolijke klanken worden voortgebracht door twee quatre-main-spelende dames. De ‘Romantic Rag’ wordt helaas – even – onderbroken. Een dame in het publiek wil graag laten zien dat ook zij het pianospel beheerst en slaat, onhandig friemelend een ezelsoor achterlatend, de bladzij om. Daar hadden de dames niet op gerekend, ze raken in de war en het spel stokt. “Wij doen dit altijd zelf”, is het rustige commentaar en verder spelen zij. Inderdaad, beurtelings slaan zij om en dat gaat heel goed, zonder de minste hapering.

In De Vermaning (zand op de vloer) geen piano, maar orgelspel. In combinatie met alt- en tenorblokfluit. Een mooie combinatie, zowel voor het oor als het oog: met wat tegenlicht door een hoog raam een romantisch plaatje.
Het sieradenatelier van Mei Ling biedt ons de gelegenheid om een jonge vrouw achter de piano en voor de spiegel (mooi effect) te zien en te horen met heerlijke easy-listening nummers. In het kantoor van de makelaar klinkt Einaudi; met enige horten en stoten weliswaar, maar een kniesoor die daarop let. De pianist neemt met een vrolijk-verlegen glimlach het applaus in ontvangst.

En dan Satie. In het lichte atelier van Gea Karhof voel ik mij volstromen met die (te) lang vergeten klanken. Jaren geleden hoorde ik deze muziek voor het laatst live, voortgebracht door Reinbert de Leeuw. Ik beloof mezelf ter plekke dat ik de lp weer eens zal opzoeken. Én draaien. (En zo geschiedde)

Dat rondslenteren en hier en daar luisteren is natuurlijk ontzettend leuk, maar we zijn hier ook met een doel.
Dochter M van vriendin H zal, net als twee jaar geleden, zingen bij het pianospel van haar uitstekende begeleider T. Dus we haasten ons naar de kas van de plaatselijke bloemenwinkel. Kun je je een mooiere entourage wensen? Dit keer hoef ik me niet af te vragen of Schumann van kaas houdt. De geur is totaal anders dan twee jaar geleden, toen hen het kaaspakhuis was toegewezen. De liederen die M heeft gekozen, hebben, heel passend, te maken met bloemen, lente, de liefde en de dood. Uiteraard is Schumann aanwezig. Of zij Quilter heeft uitgezocht vanwege de hobby van haar moeder laten we in het midden. Zeker is dat hij een tekst van Shakespeare op muziek heeft gezet die het aanhoren meer dan waard is: Come away, come away, death. En dit gezongen door een jonge vrouw, dat vraagt om kippenvel.

Een kleine ode aan de zangeres zelf. De kas lijkt bijna te klein voor de krachtige, heldere en zuivere klanken die deze frêle vrouw ten gehore brengt. Het applaus is welverdiend. En dat vinden de vinkjes in het kooitje ook.

Advertenties

Over een aalscholver, Järvi en een kale paukenist.

DSC00155

Het is koud. Maar ik koester me aan warme herinneringen. Twee weken geleden bezochten de ‘oude’ vriendin en ik het jubileumconcert van het Residentie Orkest in de Anton Philipszaal in Den Haag.

Om half tien is het nog heerlijk rustig op de weg. De zon schijnt zo fel dat de zonnebril geen overbodige luxe is. De radio zachtjes aan, rustige zondagochtendmuziek, de aangename stem van de presentator. Wat zou er nu nog fout kunnen gaan? Niets, natuurlijk. Integendeel: het wordt steeds beter. De karakteristieke geur van kerosine dringt de auto binnen: Schiphol. Ik duik de tunnel in en wanneer ik er weer uitkom, zie ik het: enorme zwermen spreeuwen trekken zich niets aan van de activiteiten op deze internationale luchthaven en zwenken zo sierlijk in grote formaties rond dat het een lieve lust is. Het kan niet anders dan dat deze dieren daar plezier aan beleven. Net zo goed als ik het heerlijk vind om naar die vloeiende bewegingen te kijken. Met de blik op de weg zie ik het vanuit mijn ooghoeken gebeuren: op en neer, naar links, naar rechts. Als een soort van eerbetoon aan het volle, vrije leven. Maar, opletten nu. Het hoofd erbij houden. Deze observaties kunnen leiden tot poëtische ontboezemingen. Dat kan nu niet. Later misschien.

Vliegtuigstrepen in de helderblauwe lucht: God heeft blijkbaar zin in een spelletje boter-kaas-en-eieren. Maar wie durft het tegen deze grootheid, die ze sowieso allemaal op een rijtje heeft, op te nemen?

Zo geleidelijk aan begint een waar gevoel van euforie zich van mij meester te maken. Een gevoel dat in de loop van de dag steeds weer de kop zal opsteken. Oh, daar zit een aalscholver op een lantaarnpaal. Met de vleugels breed uitgespreid, de kop achterover koestert hij zich verzaligd in de zonnewarmte. Alsof hij weet dat dit voorlopig wel eens de laatste aangename stralen kunnen zijn. Weer vermaan ik mezelf: wis die tranen van ontroering als de donder uit je ogen. Geen tijd voor sentimenteel gedoe. Slikken en over tot de orde van de dag. Neem de juiste afslag!

Na zoveel ritten naar de Hofstad onder de wielen weet ik de weg nu natuurlijk wel te vinden zonder de hulp van Bram. Steeds maar links aanhoudend (ja, ik hoor hem in gedachten nog wel aanwijzingen geven) ben ik uiteindelijk zo ver dat ik afslag Wateringen neem en nu richting Den Haag rijd. Zonder kleerscheuren arriveer ik op de gewenste bestemming. Tramrails in het wegdek zijn niet mijn favoriet.

Een warm weerzien, koffie, banketstaaf, een broodje. Binnen tien minuten zijn we, zoals gewoonlijk, in een geanimeerd filosofisch gesprek gewikkeld. Een ritje met de tram en dan gearmd -de rollator blijft thuis- naar de Anton Philipszaal. De bestelde kaartjes afhalen, betalen, jassen afgeven, nummertje opbergen. De uitleg over de uit te voeren stukken is nog bezig; hiervoor schreven we niet in, dus we lopen richting zaal. O, nee! Vriendin rommelt in haar tas. Waar zijn die kaartjes nou? Kwijt! Welke stoel, welke rij? We gokken: daar, op rij twee, orkestring, zijn twee plaatsen vrij. Iets met dertig weet ze. Hier zou het kunnen zijn. Dan doorzoekt ze, op onze vermeende plaatsen, eens even rustig haar tas. En ja hoor, geen probleem en goed gegokt: de kaartjes zitten tussen het hoesje van haar smartphone. Ons lachsalvo wordt gelukkig gedempt door het vol overgave stemmende orkest. We trekken een strak gezicht: ernst is geboden.

DSC00168

De dirigent, Neeme Järvi komt op: groot applaus voor deze coryfee. Hij heft zijn stokje und da geht’s los. Het eerste stuk is modern. Daarmee ben ik niet zo bekend. Hendrik Andriessen ken ik alleen maar van een straatnaam bij mij in de buurt, maar wat ik hier nu te horen krijg, Ricercare, bevalt me zeer.
Daarna worden we getrakteerd op Celloconcert in b, van Dvorác. Hij schreef het toen hij in New York woonde en hij zijn twijfels over de cello als solo-instrument opzij had gezet. Als ik naderhand in het programmaboekje een min of meer prozaïsche verhandeling lees, ben ik verbaasd. De muziek verklankt naar mijn gevoel heimwee, verlangen. Immens, heftig, groots. Ik zit op het puntje van mijn stoel. In golven komt het langs en over ons heen. Als een spreeuwenvlucht. We zien de weergaloze Noorse cellist, Truls Mørk, op de rug, maar aan die enigszins gekromde rug is te zien hoe intens hij bij deze muziek betrokken is. Hoe hij er volkomen in op gaat en ons zo deelgenoot maakt van datgene wat hij voelt, wat deze muziek bij hem teweegbrengt.

Je denkt: hier kan niets meer bij. Dit is zo mooi. Maar na de pauze luisteren we toch gewoon weer naar Symfonie nr. 5 van Sjostakovitsj. Eenendertig jaar was hij pas toen hij dit meesterwerk schreef. Hartstocht, melancholie, humor; Järvi weet ook deze compositie voor ons toehoorders bevattelijk te maken.
Wij zien hem in het gezicht. We zien hoe hij het orkest bespeelt. Het beeld van de aalscholver komt weer boven. Järvi koestert zich aan de warme klanken die hij mede voortbrengt door zijn betrokkenheid, zijn totale overgave aan de muziek. Door het met strenge doch liefdevolle hand leiden van het orkest. En steeds wanneer hij die hand op het hart legt, weet je het zeker: zijn hele ziel en zaligheid legt hij erin. En hij betrekt iedereen daarbij: zowel zichzelf, de musici als het publiek. Die wisselwerking is compleet, voelbaar, zichtbaar, hoorbaar.
Het uitbundige, minutenlange applaus is dik verdiend.

DSC00171

Ik ben blij dat vriendin het weer voor elkaar heeft gekregen om deze plaatsen te reserveren. Orkestring betekent er optimaal bij zijn. Meeleven met de dirigent en het orkest. Musici herkennen. Op de partituur kijken. De triangel zien, en juist daardoor ook echt die ene enkele ‘ping’ horen. De slagwerkers, die zich, slechts luttele minuten, in het zweet werken. De paukenist, die zich beheerst uitleeft. Heerlijk. Wanneer hij voor de zoveelste keer voorover buigt, het vel beroerend om te horen of zijn instrument gestemd moet worden, weet ik het zeker: waar dit orkest ook mag neerstrijken tijdens de verbouwing van hun onderkomen, ik zal het weten te vinden!

DSC00158-001

La Mélancolie

DSC09200

Vandaag klinkt deze chanson, geschreven door Leo Ferré en gezongen door Catherine Sauvage, weer luid en duidelijk door de kamer.
Het is al de vierde lp die op de pas aangeschafte platenspeler ligt te draaien. Al die heerlijke heimweeplaten die niet op cd verkrijgbaar zijn, maar waar ik toch niet zonder kan, mogen zich erop verheugen nog grijzer gedraaid te worden dan ze al zijn.

Tot mijn stomme verbazing ken ik de volgorde van de liedjes nog, weet ik precies waar die ene kras zit, welk nummer een beetje slipt. Ik weet nog wanneer ik ze kocht, van wie ik ze kreeg en bij welke gelegenheid. Mijn allereerste Franse singletje: Ne me quitte pas, met op de B-kant La valse à mille temps, van Jacques Brel, heb ik net opgediept uit een van de platenkoffers, die dik onder het stof op zolder stonden te wachten op betere tijden. En die zijn nu dus aangebroken.

DSC09204

Allemaal gaan ze door mijn handen: Happy End, van Bertolt Brecht en Kurt Weil, Hildegard Knef, Ramses Shaffy, Peter Blanker, een piepjonge Herman van Veen, Liesbeth List. Maar ook Bob Dylan, Crosby, Stills, Nash and Young, Beatles en Stones. En de Carmina Burana, aangeschaft in de kweekschooltijd, omdat de muziekleraar ons daartoe stimuleerde. Mijn broer, die na zijn stage in de VS niet meer naar Nederland kwam, stuurde platen die hij zelf erg goed vond en die hier niet te krijgen waren. Zo bezit ik onder andere een schitterende plaat van Mike Lipskin and Willy (The Lion) Smith. En All Things Must Pass, van George Harrison, drie lp’s in een doos.

De meeste muziek stemt me heel vrolijk, slechts een paar platen doen me met weemoed denken aan de vergane jaren. Die tijd, toen we dachten dat het leven mooi en goed zou blijven, dat ons niets kon gebeuren, dat we de jeugd, de liefde en de wijsheid in pacht hadden. Zijn we bedrogen uitgekomen?
Nee, Bob Dylan zong het al en wij zongen het uit volle borst mee: The Times, They Are A Changing. En zo is het natuurlijk ook. Tijden veranderen en het is goed om daarin mee te gaan.

Als straks het nieuwtje eraf is, sluit ik de platenspeler aan op de computer en maak ik cd’s van mijn meest geliefde muziek. Makkelijk voor in de auto. Maar toch zal ik ook af en toe nog een plaat draaien, voor dat speciale gevoel.

De aardige vrouw die mij wees op dit koopje, en die nu ook al haar oude platen aan het draaien is, ben ik heel dankbaar. Allebei beleven wij weer een deel van onze jeugd. En we genieten, net als toen, maar met een vleugje melancholie.

Om met Adamo te spreken: N’est ce pas merveilleux?

Lundi Bleu, maar niet wat u denkt!

img070

En zo ging de Engels/Amerikaanse hype, Blue Monday, soepeltjes over in een wonderschone avond met een humoristische Franse slag, waarin Strijkorkest Lundi Bleu de hoofdrol speelde…..

Of ik mee wilde naar een concert, waar dochter M zou zingen met haar koor Convivium, vroeg vriendin H. Daar hoefde ik niet lang over te denken: altijd leuk! Dus togen we vroeg in de avond naar Amsterdam, naar het Orgelpark.

Het Orgelpark is gevestigd in de voormalige Parkkerk, grenzend aan het Vondelpark. Een groot aantal orgels is hier samengebracht. Elders waren deze overtollig, kwamen niet tot hun recht, stonden te verstoffen, enzovoort. Hier zijn ze liefdevol opgenomen en op deze wijze worden ze ook bespeeld.

Vanuit de donkere straat stappen wij een warm verlichte ruimte binnen. We hebben niet gereserveerd, want wie gaat er nu op zo’n dag naar een concert, dachten wij argeloos. We krijgen de laatste twee kaartjes.

Terwijl we wachten op, volgens de tekst op de flyer, een mix van troostrijke strijkersmuziek, orgel, accordeon en zang, laat ik mijn blik door de in frisse kleuren geschilderde ruimte gaan: inderdaad, prachtige, bijzondere orgels, rondom. Wat veel! Indrukwekkend! Rechts van ons een strak orgel, wat ik meen te herkennen: zo’n orgel heb ik in mijn jeugd veel gezien en gehoord, in de Adventkerk in Den Haag. Zou het? Ik kan het me bijna niet voorstellen.

DHadvent

Bijna vol is de zaal, wanneer Daniël Koopmans het woord neemt. Het concert van Lundi Bleu heeft ons, naar hij veronderstelt, gered “van de rest van de avond futloos op de bank doorbrengen, alwaar wij net in uiterste vertwijfeling een bak met Euroshopper lasagne naar binnen hebben gewerkt”. De toon is gezet. Alle muziek die gedurende de avond ten gehore zal worden gebracht, heeft een melancholieke ondertoon. De vette knipoog naar, ja hij wrijft het ons nog maar weer eens in, de blauwe maandag, de meest deprimerende dag van het jaar. Zo zullen we ervaren dat het nog niet zo slecht met ons is gesteld.

Het koor opent de avond met De Profundis van Glück. Ze zullen na de pauze nog een keer terugkomen met Gabriel Fauré: Cantique De Jean Racine. Prachtig gezongen en als altijd op bezielende wijze gedirigeerd.

De strijkers spelen, zonder dirigent, de schitterende Elegie uit de Strijkersserenade van Tsjaikovsky.
Van Caspar Terra is de compositie: Blauwe maandag: dood en verderf, verdriet en pijn. Heerlijk als het er zo dik bovenop ligt.

Op het Van Stratenorgel wordt een waanzinnige compositie ten gehore gebracht. Dit geweldige spel ontlokt bewondering en een glimlach.

20140120_200451

Iedereen in het publiek is zwaar onder de indruk van Astor Piazzolla’s prachtige, opzwepende Invierno porteño, waarin Johan Olof de sublieme solist is. De Radio 4-luisteraars kunnen dit zondagochtend al hebben gehoord.

20140120_211930

Na de pauze genieten we van een onvervalste Amsterdamse smartlap. De witte rozen die Jantje kocht waren uiteindelijk niet voor het nieuwe zusje; ze kwamen op moeders en zusjes graf.
De gedragen Suite voor strijkers van Leoš Janácek wordt geïllustreerd met hilarische tekeningen, ter plekke gemaakt door Suus van den Akker en via de beamer geprojecteerd op een groot scherm. Twee uitersten, ernst en humor, op vindingrijke wijze samengebracht en alles klopt.

De enige onvoorziene ‘valse noot’ in het geheel is misschien de gesprongen kam van een van de violen. Gelukkig kon de violiste dit snel repareren en wist de presentator te vertellen dat zoiets slechts een keer in je leven gebeurt. Maar dan uiteraard wel op… uiteraard, Blue Monday.

Spectaculair is het laatste stuk: Concert voor orgel, pauken en strijkers, van Poulenc. Wat een kracht, bezieling en enthousiasme! Het applaus spreekt voor zich.

20140120_200517

Wanneer ik, eenmaal thuis, de website van het Orgelpark bezoek, ontdek ik, dat ik de hele avond inderdaad in één ruimte heb vertoefd met het Van Leeuwenorgel uit mijn jeugd. Dus toch! Wat een heerlijk toeval!

——————————————————————————————————————–

Lees ook:
Houdt Schumann van Kaas? http://wp.me/p36K0e-52
Bach in de Bullekerk. http://wp.me/p36K0e-4S

Houdt Schumann van kaas?

Het afgelopen weekend verliep in zijn geheel in culturele sfeer. De Bachcantate was nog niet verklonken, of we waren alweer op weg naar Edam, waar zondag de jaarlijkse Piano Wandeling plaats vond. In heel Oud Edam kun je op diverse lokaties van pianomuziek genieten. En dit jaar al voor de tiende keer.

20130526_140507

Vriendin H en ik togen dus naar dit leuke oude stadje. Niet in de laatste plaats omdat haar dochter, M, zou zingen, daarbij op de piano ondersteund door haar vaste begeleider T.
Parkeren was tot onze verbazing totaal geen probleem en al snel liepen wij richting centrum. Prachtige stadsdoorkijkjes alom. Bij de VVV ontvingen wij een plattegrond en een deelnemerslijst. Het optreden van M was gesitueerd in een pand op de Voorhaven. Dat bleek een kaaspakhuis te zijn – ja, wat wil je, het is tenslotte Edam. Omdat het nog lang geen tijd was, waren we snel weer buiten: frisse lucht.

20130526_135811

Een wandeling door een koud en winderig Edam volgde. We ontdekten dat de Japanse Kanako Inoue, protégé van gezamenlijke vriendin M, ook was ingedeeld. Dus toen het kwart voor twee sloeg, zaten we pontificaal klaar in De Speeltoren om ons te laven aan haar virtuoze pianospel. Na het rondo van Mozart, wat zij met zichtbaar veel plezier ten gehore bracht, gingen wij toch maar richting kaaspakhuis.

Afbeelding 001

Dochter M heeft ons verrast. Mooie, schijnbaar moeiteloos gezongen liederen van Schumann, Schubert, Mozart, Fauré. Liederen over jonge mensen aan het begin van hun leven. Over afscheid en dood. Ze wist, ondanks haar jeugdige leeftijd, de juiste toon te treffen bij het lied waarin een vrouw terugkijkt op haar leven. Een enigszins ondeugend stuk van Mozart, uit Don Giovanni, bracht ze zoals het een operazangeres betaamt. Een zelfbewuste houding en de kleding en air van een professionele zangeres. En ze beschikt over een enorm repertoire.

Na een uur zat haar optreden erop en vertrokken we met zijn drieën. We praatten na bij koffie en thee. En over kaas heeft niemand het meer gehad.

Bach in de Bullekerk

Spandoek-cantate-klein

Na jaren was ik zaterdagmiddag weer eens in de Bullekerk om een Bach-cantate te beluisteren. In de tijd dat Jan Pasveer daar de scepter (en het dirigeerstokje) zwaaide, kwam ik er steevast de laatste zaterdag van de maand. ‘Zijn’ cantatekoor was een begrip in de Zaanstreek. De inleiding die hij gaf was zeer informatief; of hij Bach zelf gekend had en met hem overleg had gepleegd over de uit te voeren cantate. En in zijn laatste zin wist hij het meestal zo te manoeuvreren, dat hij de collecte aan het eind van harte aanbeval. Bijna altijd lokte dit een lachsalvo uit en werden de mandjes bij de uitgang goed gevuld.

In 2005 overleed hij plotseling. Geen maandelijkse cantates meer, en geen Christmas Carols, die zo sfeervol de kersttijd inluidden.

Het stokje werd overgenomen door Cor Brandenburg, met het Collegium Vocale Zaandam. Deze laatste zaterdag van mei heeft hij mij ervan weten te overtuigen dat het zeer de moeite waard is om de uitvoeringen weer te gaan bezoeken, één keer per maand. Ook zijn inleiding is zeer kundig en wordt met humor gebracht.

Het barokensemble ‘Eik en Linde’ opende met het grandioos gespeelde Concerto no 8 van Vivaldi en begeleidde daarna niet minder gloedvol het koor. De Pinkstercantate, BWV 68, werd prachtig en zuiver uitgevoerd. De sopraan vertolkte de aria: ‘Mein gläubiges Herze’ met volle overtuiging. De bas verraste: zo’n vol en diep geluid voortgebracht door zo’n tengere zanger.

Het applaus verstierf. Tevreden keek ik om mij heen. Ook jaren geleden viel het publiek al op door het grijze haar, de hoorapparaten en de wandelstokken.
Met het eerste doe ik nu mee……