Zo zie je maar

hemelsleutel-sneeuw

Wat is het toch
Dat ons doet smelten voor sneeuw

Het is een koud goedje
Maakt de wegen spekglad
Dooi geeft blubberzooi
Door wind opgejaagde vlokken
Belemmeren het zicht

Zouden wij dag in dag uit
Met sneeuw moeten leven
Wij hadden er geen woorden voor

Toch is het maar zelden
Dat er een goed dik knerpend wit pak
Over het land wordt gevlokt

Je moet er wel van houden
Zo niet van de koude witheid
Dan toch van de
Door tientallen vogelvoetjes
Omgewoelde sneeuw
Bij de zojuist gevulde voerbak

Of van de alpinootjes
Waarmee de skeletjes van de hemelsleutel
Troostend worden getooid

En als inspiratie
Voor een wintergedicht
Is die zogenaamde witte wereld
Eveneens niet te versmaden

In spin…..

DSC00983Het was nogal zoeken geweest, maar hier zouden ze het wel een tijdje kunnen uithouden, dachten ze. De vlucht hierheen had behoorlijk lang geduurd, maar het was het absoluut waard geweest. Dit was een prachtige plek, deze oude, rustige woonwijk. Het mooi aangelegde parkje met de waterpartij en de grote bomen was precies wat ze zochten. Een zonnig grasveld met een bankje. Zo af en toe werd er een hond uitgelaten, maar de troep werd meestal in een plastic zakje meegenomen. Kortom, lang hoefden ze niet na te denken. Het besluit werd genomen en al snel waren ze gesetteld.

Na korte tijd bleek dat deze oase een enorme aantrekkingskracht had. Veel gelijkgestemden kwamen een kijkje nemen, in de hoop zich hier ook te kunnen vestigen. Gelukkig vond niemand het erg om dicht op elkaar te wonen, dus het werd al snel een drukke, gezellige boel. Men liep bij elkaar in en uit en nam het niet zo nauw met het mijn en dijn. Een soort commune werd er gevormd; heel gunstig ook voor als er straks kinderen zouden komen. Want dat hoopten ze allemaal, natuurlijk. Nageslacht, daar was het de meesten toch wel om begonnen.

DSC09466Het nageslacht kwam. Het groeide voorspoedig. De boom in het park, waarin zich de duizenden spinselmotten hadden gevestigd, werd volkomen kaal gevreten. Er was geen blaadje meer te bekennen. De kleintjes groeiden als kool. Eenmaal volgevreten werd het tijd om zich te verpoppen. Kilometers en kilometers zijde werd er gesponnen; zij vierden hun puberteit.
De hele boom werd feestelijk ingepakt van top tot wortel. In dikke klonten hingen de rupsjes te draaien en te kronkelen in enorme zijden zakken.

Nu was het wachten geblazen. De ouders konden tevreden zijn; hun taak zat erop. Ze hadden het goed gedaan. Een nieuw leger spinselmotten was in aantocht.

——————————————————————————————————————
UIT SPUIT? Nee hoor. Er is geen gif aan te pas gekomen gelukkig. Nadat de nieuwe horde motten zich had verspreid, liep de boom vanzelf weer uit. Al twee jaar hoop ik dat het weer gebeurt; het gaf zo’n mooi Marten Toonderachtig effect……

——————————————————————————————————————-
Dit is een verhaal in de categorie WE-300 (voor meer verhalen klik op de link), een schrijfuitdaging van Plato: schrijf een verhaal van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag worden genoemd. Deze keer was het verboden woord: ontgroenen.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Groet van de grutto

DSC00627

Om met Poehbeer te spreken
Vandaag was mijn lievelingsdag:

De magnolia even verderop
Barst stralend open in bloei
De treurwilgen langs de sloot
Hullen zich gestaag in meer teer lentegroen
De twee goudvissen in het vijvertje
Warmen zij aan zij hun rug in de zon
Een jong rood katertje ziet het
Met verbaasde amberkleurige ogen aan

Twee geraniums overleefden de winter
En krijgen verse aarde om het te vieren
De eksters rusten in de appelboom
Vol ijver bouwden zij hun nest

De narcissen op de tuintafel
Verrassen mij met hun onstuitbare bloei

Heerlijk frisse lentelucht
Voelbare warmte van de zon

Maar het meest nog is het een poeh-dag
Omdat om tien voor half drie
De eerste grutto zich opeens laat horen

Zelfs met zo’n lange vlucht in de vleugels
Valt het hem niet te zwaar om
Zijn roepnaam met kracht over ons uit te storten
We zullen het weten

Grutto grutto grutto
De lente is nu pas echt begonnen

Kijken is (de) kunst

DSC00094

De mist maakt van de koeien de aanzet tot een tekening: een donker streepje rug en kop in het omfloerste groen. Vage aanduiding van struikgewas, een enkele boom. Hier en daar lichten de kassen van het Westland oranjegeel op. Wateringen, Kwintsheul, Poeldijk, Naaldwijk, poëtische namen. Al met al goed om in de stemming te komen voor een bezoek aan het Stedelijk Museum in Schiedam.

We laten de grijze wereld voor een paar uur achter ons wanneer we, tussen de reusachtige pilaren door, het neoclassicistische gebouw betreden en rechtstreeks de kapel van het voormalige Sint Jacobs Gasthuis binnenlopen. De preekstoel is prominent aanwezig achter de balie. De museumwinkel met de gebruikelijke gadgets is hier gesitueerd evenals het museumcafé met gezellige zitjes en een leestafel.

In de linkervleugel (waar ooit de oude mannelijke Schiedammers hun dagen konden slijten) moeten we zijn. Hier komen de woorden van de oude dichter Kloos tot leven: “Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten.” Hier is het domein van de drieëntachtigjarige kunstenaar herman de vries (zonder hoofdletters, een residu van de zestiger jaren, vermoed ik), die een beetje god is. Een bescheiden, vriendelijke god, zoals kinderen hem waarschijnlijk voorstellen: grijs haar en een grote grijze baard.

DSC00115

De gedachte schept het beeld. De gedachte brengt een ordening aan in de chaos. herman de vries heeft zijn gedachten en de natuur geordend tot kunstwerken. Onbedoeld bedoeld, onnatuurlijk natuurlijk. Een god die zijn eigen wereld schept. Een wereld waar alles klopt, omdat alles mogelijk is. Spelen met licht en donker. Gebruik maken van het enorme aanbod van de natuur. Alles is voorhanden. Je moet het alleen willen zien. Kijken is de kunst. Zien nog veel meer.

DSC00096

Het werk zet je in eerste instantie aan het denken: heeft hij die blokjes met opzet zo geplaatst, is de schaduwwerking zo bedoeld? Maar het denken maakt al heel snel plaats voor ervaren. Kijken, kijken, kijken. Opgaan in het beeld. Verrast, verbaasd, verrukt, verheugd. Gaandeweg ontdek je als vanzelf dat er veel aan het toeval wordt overgelaten. Hoe iets in de ruimte is geplaatst. Hoe iets op papier is terecht gekomen. Maar toch ook weer niet altijd; er zijn duidelijke aanwijzingen dat de hand van de meester zich heeft geroerd. Nadrukkelijk in een bepaald ritme gedwongen blaadjes, nauwkeurig uitgestalde sikkels, op de juiste afstand geplaatste schaaltjes met specerijen. De toevalstreffer is dan bijvoorbeeld de puntige uitloper van het blad en het extra lange steeltje. Of de dikte van de takken, de grootte van de doorns. Het verschil in grootte van het blad van de sikkel.

DSC00116

DSC00102

Indrukwekkend is een wand totaal gevuld met plastic mapjes met daarin plantjes op een velletje papier. Deze komen van een stukje grond van 16 dm2, 40 bij 40 centimeter. Fantastisch hoe hij dat heeft gerubriceerd -volgens een strak systeem- want elk plantje kun je op zijn eigen plaats weer terugvinden. Zo’n klein stukje grond, uitvergroot tot een hele wand. De vergankelijkheid de baas, hier is het goed geconserveerd.

DSC00108

Vergankelijkheid. Dat is het uitgangspunt van herman de vries. Dat is wat hij ons wil tonen. Waar hij ons van wil doordringen. De verandering die plaatsvindt in de natuur, door de natuur. Want een geplet blikje dat roest en scheurt door de inwerking van de elementen en de tijd, kan ook in een lijstje terechtkomen.

Vergankelijkheid is af te lezen uit een opstelling van schedels en botten van dieren. Of van vreemd gevormde takken en stronken. Hiervan kan de opstelling elke tentoonstelling weer anders zijn, net als de verandering die plaats vindt in de natuur. Toeval. Niets is blijvend.

DSC00114

Aarde in vele kleuren en verschillende soorten as smeert hij ritmisch uit over grote vellen papier en lijst het in. Honderden lijstjes zijn gevuld met takjes, blaadjes, steentjes, schelpen.

Op drie grote vellen papier zie je hoeveel bladeren zijn appelboom heeft losgelaten om respectievelijk een, twee en drie uur ’s middags. De bladeren zorgen zelf voor de compositie, het oog van de kunstenaar ontdekt hierin de schoonheid. Zijn intentie verheft het tot kunst en zijn handen voltooien het werk op ambachtelijke wijze. De toeschouwer, de kijker vervolmaakt het door zijn aandacht.

DSC00097

Heel bijzonder is de installatie: rosa damascena. Het topstuk van de tentoonstelling, een vloer vol rozen in knop. De aangename geur verspreidt zich door de gehele vleugel. En dat is de bedoeling; meerdere zintuigen worden aangesproken, ook de reuk wordt bij het ervaren van het kunstwerk ingeschakeld. Aardetinten rondom. Opgaan in het geheel. Heel stil worden. En beseffen hoe vergankelijk we zijn.

DSC00112

De weg terug in omgekeerde richting. De koeien zijn heel. Het gras is groen. Langs de kant van de weg ligt geel blad ongeordend uitgespreid in de bermen.

——————————————————————————————————————-

En natuurlijk wilden wij, als nuchtere Hollanders, ook weten hoeveel rozen….? Honderdacht pond. Door herman de vries eigenhandig uitgestrooid.

Liefdes lot

DSC00004

De poort naar Hades
Staat weer op een kier
Persefone bereidt zich voor
Om schielijk af te dalen

Het frisse jonge groen
Dat haar naar buiten lokte
Heeft dienst gedaan
Verkleurt en valt en sterft

De lieflijk tere bloesem
Heeft zich tot vrucht getransformeerd
‘t Uitbundig kleurenfeest
Verstilt tot ingetogen tinten

De zachte lentebries
Zwelt aan tot najaarsstorm
De lange, zwoele dagen
Korten en verkillen

Daar gaat zij, moedig,
In een laatste zonnestraal
Het koele duister slokt haar op
Haar droevig lot is liefde

——————————————————————————————————————-

Nog een keer Persefone: https://ajroc.wordpress.com/2013/06/13/persefone/

Perdre le Nord

DSC09827

Het noorden van ons land had nooit zo’n aantrekkingskracht op mij. Het leek me te vlak, te weids, te leeg. Te stil ook. Te veel natuur.

Een mens is echter nooit te oud om te leren of te ervaren, dus toen vriendin H mij uitnodigde een paar dagen bij haar in de caravan te logeren, in Pieterzijl, ging ik daar graag op in. En na twee dagen fietsen door slechts een klein stukje van de noordelijke provincies, stel ik mijn vooroordeel graag bij. Natuurlijk was het prachtige zonnige weer in ons voordeel. Maar ook bleek het landschap lieflijker dan ik me had kunnen indenken en minder onherbergzaam en vlak.

DSC09825

Het weidse Groninger land heeft mijn hart gestolen. Rijdend over een kilometers lang pad tussen wuivend koren, zie ik het terpdorpje Niehove steeds groter worden. “O”, denk ik, “dit lijkt wel het buitenland.” Ik haast me mezelf terecht te wijzen. Hoezo buitenland? Kun je er niet gewoon vanuit gaan dat ook het eigen land veel te bieden heeft?! Dat het hier ook mooi is en bijzonder?

Ja, denk ik, dat is waar, en dat weet ik natuurlijk ook wel. Ik moet het anders formuleren. Ik kijk anders. Ik kijk, alsof ik in het buitenland ben: oplettender, hongerig bijna. Omdat ik hier vermoedelijk niet zo snel meer zal komen. Ik kijk, om niet meer te vergeten. Kijk met mijn zintuigen en mijn geheugen op scherp; deze beelden wil ik zo weer kunnen oproepen.

Oud land met geschiedenis. Van alle kanten wordt het ons aangereikt: kerkjes, havens, herbergen, fabrieken. In vervallen staat, hersteld, gerestaureerd. Onder de nieuwe bestrating kun je nog de oude, holle weg vermoeden. Je hoort de paardenhoeven, de karrenwielen knersend over de klinkers, de voerman die zijn bevelen bromt. Terug in de tijd. Het kan.

DSC09812

Ook maak ik kennis met een stukje Friesland. Achteraf heeft het me verbaasd hoeveel verschil er is tussen de twee provincies. Dat grenzen zo allesbepalend zijn (geweest?) voor het leven van de bevolking. Denkbeeldige lijnen op de kaart die een groep mensen met hun eigenheid bij elkaar houden. Verschillen in levensonderhoud, in taal, in wonen.

Terwijl ik vroeger makkelijker alles voor waar aannam, vind ik nu veel van die zogenaamd vaststaande feiten wonderbaarlijk en bijzonder. Ik vraag me meer dingen af dan vroeger. Verwondering, wordt wel gezegd, is het begin van de wijsheid. Zou het dan toch?…..

DSC09823

De middag in het stadje Dokkum staat in het teken van de geschiedenis van H. Voor haar is het een trip down memory lane. Hier woonde haar familie: grootouders, tantes en ooms. Alle huizen zijn nog goeddeels in de staat, waarin zij ze heeft gekend. Haar eigen geboortehuis staat er nog alsof er niets is gebeurd, de afgelopen vijfenzestig jaar. De betonnen bank, waarop haar ouders elkaar ooit de liefde verklaarden, is weliswaar een paar honderd meter verplaatst, maar nog intact. Nu kijk je vanaf de steenharde zitting niet meer uit op een stinkslootje, maar op de Dokkumer Ee met aan de overkant het huis van een geliefde oom.

Pieterzijl

Het kan niet anders dan dat H’s voorliefde voor Jugendstil in deze noordelijke plaats is ontloken. Prachtige, goed bewaarde, kleurige decoratie tooit de statige huizen in de zonovergoten straten.

Terug door de weiden. Koeien, kalfjes aan de uier. Schapen bij het likblok. De vervallen schoorsteen van een steenfabriek. Wilde peen, pastinaak. Pluizen van het wilgenroosje. Hele wouden van uitgebloeide reuzenberenklauw. Wolken en water, bruggen en bootjes.

DSC09809

Het waren mooie dagen, met dank aan H. Herinneringen staan als een huis. Ik mis de weidse natuur van het noorden – een beetje.

Fietsend door Groningen

DSC09838

Echt, het bestaat
Goudgeel wuivend koren
Zover je kijken kunt
Het buigt en ruist
En de zoete geuren
Zijn voor ons

Het wegje in het koren
Kerstboek, kinderboek
Herinneringen op afroep beschikbaar

Strogele balen opgetast
De wagen volgeladen
Hier zal de voorspelde regen
Geen vat op krijgen
Voor de bui de buit binnen

Innig tevreden met deze dag, dit uur
Moment van verstilling
Om me heen en in mij

Fietsend met een lekker gangetje
De wind in de rug
Mijn schaduw vooruit
Denk ik het leven te vatten

Dat had ik gedacht….

DSC09840

Een pond veren…

DSC09131

In zoveel gedaantes
Toont hij zich, de reiger
In het voorjaar
Met hongerige moed
Stoer stappend langs
De rijkgevulde slootjes
In de polder
Geduld, geduld
En dan snel en slikken
Een vis als adamsappel

Op zomerdagen
De vleugels uitgespreid
Een briesje onder de oksels
Soezend in zonnige weilanden
Maar altijd de blik op scherp
De krachtige snavel gereed

De herfst boetseert hem
Tot een gebogen oud mannetje
Geleund tegen de wind
Opgetrokken schouders
Slordige fladderveren op de borst
Het kuifje verwaaid

Een schreeuw
En dat is echt klapwieken
Wat zijn sterke vleugels doen
Pijlsnel en hoog
De ranke poten gestrekt
Voorzichtig neerstrijkend weer
Of hij op eieren landt

En nu dan winter
Een grijze dag
Langs het grijze asfalt
Een hoopje grijze veren
Een pond misschien
Maar vliegen is er niet meer bij

De vogel is gevlogen

——————————————————————————————————————–

Bert Schierbeek schreef ooit het gedicht:
een pond veren
vliegt niet als
er geen vogel in zit

Hoe waar dat is, heb ik vanmiddag ervaren toen ik de reiger vond. Hij zag er weerloos uit; de snavel verborgen. Geknakt en gebroken (in tegenstelling tot de kaardenbol….)
Ik houd van reigers. Hij rust nu onder een stenen vis in mijn tuin.

DSC09135

Kaardenbol

DSC05746

Statig en stijf rechtop
De stekelige stengel langgerekt
Verheven boven het kleine grut
In de zomerse tuin
Vangt zij de stralen van zon en regen
De zachtlila bloempjes in kransen

Vanuit het midden
Bloeit zij in fasen
Niet te veel ineens
Beheerst, bedachtzaam bijna

Gezweef en gezoem rondom
Ze weten haar te vinden
Vlinders, hommels, bijen
Terwijl deze zich wijden
Aan de magie van het leven
Bestuiven, bevruchten
Begerig naar nectar
Vinden in bladerbekkens
In verzameld regenwater
Vele vliegers en kruipers
De dood

Ook zij sterft tenslotte
Barstensvol zaden
Vogelverwennerij

Door de wind geschud
Verspreidt zij haar nageslacht
Over de donkere, koude aarde
Geknakt, niet gebroken

De toekomst is dichterbij
Dan gedacht
Leven genesteld in dood

DSC09030

——————————————————————————————————————

Een jaar geleden mijn eerste blog: Sneeuw, http://wp.me/s36K0e-sneeuw