Stormy Weather

Even snel een paar boodschappen doen bij de grootgrutter die iedereen wel kent, (“Ah! Bedoel je die?” “Jah!”) leidde tot de tweede bijzondere gebeurtenis van deze week.

Een grijsharige man in korte broek houdt me staande: “Heb je een telefoon bij je?” Ik stap af. “Ja zie je, die van mij ligt thuis, want ik ging alleen even een ommetje maken, maar die boom daar staat op omwaaien, dus we moeten 112 bellen…” Zonder blikken of blozen haal ik mijn mobiel tevoorschijn. Hij belt, maar het valt nog niet mee om de brandweer duidelijk te maken dat er haast bij is. De wind blaast keihard in het toestel dus over en weer kunnen ze elkaar moeilijk verstaan.
Ja, het stormt. De bomen staan vol in blad en vangen dus veel wind. En deze staat met zijn voeten bijna in het water. Geen houvast. Bij elke nieuwe windvlaag helt de boom naar voren, over de weg heen en trekt een flinke plak grond mee omhoog. Het is link: als hij valt, worden er zeker twee auto’s geplet.

Eindelijk is het geregeld, de brandweer wordt opgeroepen en zal zo snel mogelijk naar de Count Basiestraat komen. De man blijft in de buurt om voorbijgangers op het gevaar te wijzen. Ik race weg, doe snel die paar boodschappen en als ik mijn fiets van het slot haal, zie ik in de verte de brandweerwagen al aankomen.

Ik gedraag me als een ware ramptoerist en schaar me bij – hoe gaat dat zo snel? – de menigte die door een politieagent vakkundig op afstand wordt gehouden. De twee auto’s zijn uit de gevarenzone verdwenen.

Hoeveel brandweerlieden passen er in een brandweerwagen? Heel wat, zo blijkt. Wat zien ze er stoer uit in hun bruin-met-gele uniform. Degene die het voor het zeggen heeft, draagt ook nog een lampje op zijn borst, op alles voorbereid. Ze zijn allemaal in vol ornaat. Degene met de motorzaag heeft de belangrijkste taak: vakkundig zet hij het apparaat onder aan de stam en de zaag zoeft er als een mes door de boter doorheen. De plak grond zakt weer en de enorme kruin bedekt een groot deel van de straat.

Dan worden de takken verwijderd en de stam wordt in mootjes gezaagd. Het is een gezellige boel; het lijkt een uitje voor zowel politie als brandweer. Gewoon de straat afzetten, mensen op een afstandje houden, een beetje hangen en kletsen en een stukje zagen. Geen narigheid, geen brand, geen gewonden.

Plotseling komt met sirene en zwaailicht brandweerauto nummer twee over de brug aanrijden. Zo erg is het nu ook weer niet, maar je kunt natuurlijk nooit weten. Het doet me denken aan die keer op een camping in Frankrijk, waar een heel legertje pompiers uitrukte om een in de grond verstopt wespennest uit te roken.

En daar is de pers! Een fotograaf van ‘De Stadgenoot’ (nooit van dat sufferdje gehoord…) knipt maar raak. Een buitenkansje. En uiteraard zijn er vele mobieltjes in de aanslag. Die van mij ook.

De grijsharige man geniet volop. “Eigenlijk zouden wij op de foto moeten”, zegt hij met een vette grijns, “zonder ons had niemand zo’n leuke middag gehad.”

Advertenties

De verrassing van plan B

Bijkletsen – of bijbabbelen, zoals kleinzoon II zegt – gaat goed tijdens een wandeling, dus de pas er flink ingezet. Vanuit huis is er best een leuke wandeling te maken, als je het eerste half uur de auto’s negeert en je blik richt op het weidse Zaanse landschap. Water, rietlanden, smalle weilanden, de ‘Amerikaanse watermolen‘. Een zestal geiten graast onder toeziend oog van de bebaarde bok. Gepacht visgebied. Een met flinke bomen begroeid eiland met een half bruggetje waarop een reiger in oude-mannetjes-stand.

Langs het pad groeien wilde peen, wikke, gele rolklaver, duizendblad, smalle weegbree. Nu de bermen steeds meer met rust gelaten worden, waan ik me af en toe in de landjes van mijn jeugd. De enorme plensbuien van de laatste weken hebben vele paddenstoelen gewekt. Rechts van ons, aan de andere kant van de autoweg kijken we uit op weiland, bomen en struiken, schapen, een ooievaarsnest waarop nog nooit een ooievaar is geland, laat staan heeft gebroed en wat wrakke schuurtjes. Daar zullen we op de terugweg lopen. Nu nog geen idee van wat er voor ons in het vat zit.

We hebben onszelf halverwege de tocht een kop koffie beloofd. Helaas. Het restaurant gaat pas in de loop van de ochtend open. De vrouw die de koffie zou moeten serveren, kijkt ons met koude ogen aan. Geen groet. De blik gaat op oneindig en snel beent ze met grote passen weg van het terras. Zaanse vriendelijkheid.

Plan B dan maar. We nemen nu het mooiste stukje van de route. Van ‘het kluffie’ af leidt het pad langs woonboten. Oude doorleefde arken, waar de creativiteit van de bewoners duidelijk zichtbaar is. Nieuwe bouwsels met een verdieping, waarvan het hout nog geurt. Soms aan de andere kant van het pad, waar geen huizen staan, een moestuin. Of een wilde bende. We staan stil. Hangt er nou echt een smal trapje in die boom? Waar zou dat voor dienen? En kijk eens, wat een springbalsemien!

“Wat een wildernis hè?” Achter ons staat een vriendelijke oude man. “Maar, aangelegde, gecontroleerde wildernis.” Hij merkt dat wij belangstellend zijn en steekt van wal. Toen de aanleg van een verbindingsweg niet doorging, kon hij het stuk land van de gemeente kopen. Al veertig jaar lang zijn hij en zijn vrouw bezig om er een wilde tuin van te maken. Bomen geplant, paadjes aangelegd, het moerasje gecultiveerd, de sloot laten dichtgroeien. Zaden verzameld en gezaaid. Voornamelijk wilde planten. Een boek lezen? Dat komt er niet van. De sloot moet geschoond worden voor de herfst invalt. Ook geen ontspanning in het huisje, dat verderop ergens tussen het groen moet staan. Er is altijd wel iets te doen.

Zijn vrouw is bezig met verzamelen van zaden, deelt hij ons mee, maar ze vindt het heerlijk om een rondleiding te geven. Het bruggetje over, het hek dicht en dan bevinden we ons plotseling in een geheime tuin. “Kom”, zegt ze, “maar blijf op het pad. Hier rechts is het moeras.” We lopen over zachte, verende paadjes, bewonderen koningsvaren, cichorei, engelwortel, leeuwebekjes, gagel, boerenwormkruid, duivels naaigaren, hondstong en de plant die de dood van Socrates bewerkstelligde: de gevlekte scheerling. En nog veel en veel meer. We zien het huisje waar ze overdag bivakkeren, het kleine huisje waar de zaden worden bewaard, de ‘volière’, waarin voedsel voor kleine vogels (zij kunnen er wel in, en de grote- die trouwens ook worden gevoed- niet). Een gigantisch insectenhotel. Een met sedum begroeid dakje. Aan sommige bomen groeit maretak; ze hebben de bessen er zelf opgesmeerd. Er is een kattenbegraafplaats, met naambordjes en kattenbeeldjes. Begroeide muurtjes, een vijvertje. De ooit uit het bos meegenomen zaailing is een enorme beuk geworden.

Dan ronden we een bocht en lopen langs de boom met het ‘trapje’. We zien nu pas dat dit een gedeelte van een hooihark is. Het raadsel is opgelost, net voor we de tuin verlaten.

Later constateren we dat we ruim een half uur in die stilte hebben doorgebracht. Een half uur? Het voelde niet als tijd. Het ging om kleur, geur, aandacht en liefde. Wat zijn we dankbaar. Wat voelden we ons welkom. Wat hebben we veel geleerd. Wat een cadeautje!
Zo voelt de eeuwigheid, misschien.

Maar we leven nu en nu hebben we zin in de uitgestelde koffie. De Zaanse Schans biedt uitkomst. Denken we. Bij het eerste tentje zullen we worden bediend als we onder het afdak gaan zitten, zegt de juffrouw achter de balie. Maar nee, dat hadden we gedroomd, ze is nog niet klaar met… Ja met wat eigenlijk? Dan maar naar ‘De Walvis’. Op het terras is een vakantiehulp druk bezig met… Ja met wat eigenlijk? “Kunnen we koffie bestellen?”, blijkt een gekke vraag te zijn. “Nee, die moet u daar verderop halen.” Hij wijst vaag. En ja, tien meter verderop is een soort loket waar je koffie kunt kopen. Je mag het wel op het terras van dit luxe restaurant opdrinken.

Dus zo komt het dat we even later met een dik betaald kartonnen bekertje straffe drab aan een wiebelig tafeltje neerstrijken. Geen service, geen vriendelijk woord, geen gastvrijheid, geen behulpzaamheid, geen bediening. Geen koekje!

En toch. Het kan de pret niet drukken. We denken terug aan een heerlijk halfuur. Mensen die tijd hadden. Voor ons, voor elkaar, voor hun levenswerk. Daar kunnen wij een voorbeeld aan nemen.

Olterterp, in beelden

Bloed vloeide hier in vroeger tijden
En nu nog steeds als je niet uitkijkt
Een ware pleisterplaats die wij verkenden
Verwachtingsvol en kinderlijk verrast

Wapens kletterden en schreeuwen klonken
Geschiedenis van oud gebied herleeft
In bomen rond het stille meer
Geronk van motorzagen is reeds lang verstomd

Nu loeren blanke beelden uit de schors
Turend over verzonnen zeeën
Dromend van vijanden die nooit verschijnen
De houten zwaarden rustend aan de voet

Zij zullen eeuwig of totdat de boom bezwijkt
Het woud bij Olterterp bevolken
Oeroude verhalen blijven zij herhalen
Voor ieder die hen woordeloos begrijpt

Bakkeveen, na regen

Eiken ritselen als cadeaupapier
De natuur pakt feestelijk uit
Zachtrose dopjes van de erica
Frisgroen sterretjesmos en geel muizenoor

Het zware hek klapt dicht
Onverstoorbaar grazen de paarden
De zware geuren van het bos zijn voor ons
En helder vogelgezang

IJstijden vormden dit landschap
Een rietomzoomd meertje even verderop
De in eeuwen uitgesleten holle weg en de
Glooiende grafheuvels, mensenwerk

In dit oeroude land werden de bijlen geslepen
Stukjes vuursteen her en der in het vochtige zand
De aarde is er stil van
En wij van de weeromstuit ook

Zo zie je maar

hemelsleutel-sneeuw

Wat is het toch
Dat ons doet smelten voor sneeuw

Het is een koud goedje
Maakt de wegen spekglad
Dooi geeft blubberzooi
Door wind opgejaagde vlokken
Belemmeren het zicht

Zouden wij dag in dag uit
Met sneeuw moeten leven
Wij hadden er geen woorden voor

Toch is het maar zelden
Dat er een goed dik knerpend wit pak
Over het land wordt gevlokt

Je moet er wel van houden
Zo niet van de koude witheid
Dan toch van de
Door tientallen vogelvoetjes
Omgewoelde sneeuw
Bij de zojuist gevulde voerbak

Of van de alpinootjes
Waarmee de skeletjes van de hemelsleutel
Troostend worden getooid

En als inspiratie
Voor een wintergedicht
Is die zogenaamde witte wereld
Eveneens niet te versmaden

In spin…..

DSC00983Het was nogal zoeken geweest, maar hier zouden ze het wel een tijdje kunnen uithouden, dachten ze. De vlucht hierheen had behoorlijk lang geduurd, maar het was het absoluut waard geweest. Dit was een prachtige plek, deze oude, rustige woonwijk. Het mooi aangelegde parkje met de waterpartij en de grote bomen was precies wat ze zochten. Een zonnig grasveld met een bankje. Zo af en toe werd er een hond uitgelaten, maar de troep werd meestal in een plastic zakje meegenomen. Kortom, lang hoefden ze niet na te denken. Het besluit werd genomen en al snel waren ze gesetteld.

Na korte tijd bleek dat deze oase een enorme aantrekkingskracht had. Veel gelijkgestemden kwamen een kijkje nemen, in de hoop zich hier ook te kunnen vestigen. Gelukkig vond niemand het erg om dicht op elkaar te wonen, dus het werd al snel een drukke, gezellige boel. Men liep bij elkaar in en uit en nam het niet zo nauw met het mijn en dijn. Een soort commune werd er gevormd; heel gunstig ook voor als er straks kinderen zouden komen. Want dat hoopten ze allemaal, natuurlijk. Nageslacht, daar was het de meesten toch wel om begonnen.

DSC09466Het nageslacht kwam. Het groeide voorspoedig. De boom in het park, waarin zich de duizenden spinselmotten hadden gevestigd, werd volkomen kaal gevreten. Er was geen blaadje meer te bekennen. De kleintjes groeiden als kool. Eenmaal volgevreten werd het tijd om zich te verpoppen. Kilometers en kilometers zijde werd er gesponnen; zij vierden hun puberteit.
De hele boom werd feestelijk ingepakt van top tot wortel. In dikke klonten hingen de rupsjes te draaien en te kronkelen in enorme zijden zakken.

Nu was het wachten geblazen. De ouders konden tevreden zijn; hun taak zat erop. Ze hadden het goed gedaan. Een nieuw leger spinselmotten was in aantocht.

——————————————————————————————————————
UIT SPUIT? Nee hoor. Er is geen gif aan te pas gekomen gelukkig. Nadat de nieuwe horde motten zich had verspreid, liep de boom vanzelf weer uit. Al twee jaar hoop ik dat het weer gebeurt; het gaf zo’n mooi Marten Toonderachtig effect……

——————————————————————————————————————-
Dit is een verhaal in de categorie WE-300 (voor meer verhalen klik op de link), een schrijfuitdaging van Plato: schrijf een verhaal van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag worden genoemd. Deze keer was het verboden woord: ontgroenen.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Groet van de grutto

DSC00627

Om met Poehbeer te spreken
Vandaag was mijn lievelingsdag:

De magnolia even verderop
Barst stralend open in bloei
De treurwilgen langs de sloot
Hullen zich gestaag in meer teer lentegroen
De twee goudvissen in het vijvertje
Warmen zij aan zij hun rug in de zon
Een jong rood katertje ziet het
Met verbaasde amberkleurige ogen aan

Twee geraniums overleefden de winter
En krijgen verse aarde om het te vieren
De eksters rusten in de appelboom
Vol ijver bouwden zij hun nest

De narcissen op de tuintafel
Verrassen mij met hun onstuitbare bloei

Heerlijk frisse lentelucht
Voelbare warmte van de zon

Maar het meest nog is het een poeh-dag
Omdat om tien voor half drie
De eerste grutto zich opeens laat horen

Zelfs met zo’n lange vlucht in de vleugels
Valt het hem niet te zwaar om
Zijn roepnaam met kracht over ons uit te storten
We zullen het weten

Grutto grutto grutto
De lente is nu pas echt begonnen

Kijken is (de) kunst

DSC00094

De mist maakt van de koeien de aanzet tot een tekening: een donker streepje rug en kop in het omfloerste groen. Vage aanduiding van struikgewas, een enkele boom. Hier en daar lichten de kassen van het Westland oranjegeel op. Wateringen, Kwintsheul, Poeldijk, Naaldwijk, poëtische namen. Al met al goed om in de stemming te komen voor een bezoek aan het Stedelijk Museum in Schiedam.

We laten de grijze wereld voor een paar uur achter ons wanneer we, tussen de reusachtige pilaren door, het neoclassicistische gebouw betreden en rechtstreeks de kapel van het voormalige Sint Jacobs Gasthuis binnenlopen. De preekstoel is prominent aanwezig achter de balie. De museumwinkel met de gebruikelijke gadgets is hier gesitueerd evenals het museumcafé met gezellige zitjes en een leestafel.

In de linkervleugel (waar ooit de oude mannelijke Schiedammers hun dagen konden slijten) moeten we zijn. Hier komen de woorden van de oude dichter Kloos tot leven: “Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten.” Hier is het domein van de drieëntachtigjarige kunstenaar herman de vries (zonder hoofdletters, een residu van de zestiger jaren, vermoed ik), die een beetje god is. Een bescheiden, vriendelijke god, zoals kinderen hem waarschijnlijk voorstellen: grijs haar en een grote grijze baard.

DSC00115

De gedachte schept het beeld. De gedachte brengt een ordening aan in de chaos. herman de vries heeft zijn gedachten en de natuur geordend tot kunstwerken. Onbedoeld bedoeld, onnatuurlijk natuurlijk. Een god die zijn eigen wereld schept. Een wereld waar alles klopt, omdat alles mogelijk is. Spelen met licht en donker. Gebruik maken van het enorme aanbod van de natuur. Alles is voorhanden. Je moet het alleen willen zien. Kijken is de kunst. Zien nog veel meer.

DSC00096

Het werk zet je in eerste instantie aan het denken: heeft hij die blokjes met opzet zo geplaatst, is de schaduwwerking zo bedoeld? Maar het denken maakt al heel snel plaats voor ervaren. Kijken, kijken, kijken. Opgaan in het beeld. Verrast, verbaasd, verrukt, verheugd. Gaandeweg ontdek je als vanzelf dat er veel aan het toeval wordt overgelaten. Hoe iets in de ruimte is geplaatst. Hoe iets op papier is terecht gekomen. Maar toch ook weer niet altijd; er zijn duidelijke aanwijzingen dat de hand van de meester zich heeft geroerd. Nadrukkelijk in een bepaald ritme gedwongen blaadjes, nauwkeurig uitgestalde sikkels, op de juiste afstand geplaatste schaaltjes met specerijen. De toevalstreffer is dan bijvoorbeeld de puntige uitloper van het blad en het extra lange steeltje. Of de dikte van de takken, de grootte van de doorns. Het verschil in grootte van het blad van de sikkel.

DSC00116

DSC00102

Indrukwekkend is een wand totaal gevuld met plastic mapjes met daarin plantjes op een velletje papier. Deze komen van een stukje grond van 16 dm2, 40 bij 40 centimeter. Fantastisch hoe hij dat heeft gerubriceerd -volgens een strak systeem- want elk plantje kun je op zijn eigen plaats weer terugvinden. Zo’n klein stukje grond, uitvergroot tot een hele wand. De vergankelijkheid de baas, hier is het goed geconserveerd.

DSC00108

Vergankelijkheid. Dat is het uitgangspunt van herman de vries. Dat is wat hij ons wil tonen. Waar hij ons van wil doordringen. De verandering die plaatsvindt in de natuur, door de natuur. Want een geplet blikje dat roest en scheurt door de inwerking van de elementen en de tijd, kan ook in een lijstje terechtkomen.

Vergankelijkheid is af te lezen uit een opstelling van schedels en botten van dieren. Of van vreemd gevormde takken en stronken. Hiervan kan de opstelling elke tentoonstelling weer anders zijn, net als de verandering die plaats vindt in de natuur. Toeval. Niets is blijvend.

DSC00114

Aarde in vele kleuren en verschillende soorten as smeert hij ritmisch uit over grote vellen papier en lijst het in. Honderden lijstjes zijn gevuld met takjes, blaadjes, steentjes, schelpen.

Op drie grote vellen papier zie je hoeveel bladeren zijn appelboom heeft losgelaten om respectievelijk een, twee en drie uur ’s middags. De bladeren zorgen zelf voor de compositie, het oog van de kunstenaar ontdekt hierin de schoonheid. Zijn intentie verheft het tot kunst en zijn handen voltooien het werk op ambachtelijke wijze. De toeschouwer, de kijker vervolmaakt het door zijn aandacht.

DSC00097

Heel bijzonder is de installatie: rosa damascena. Het topstuk van de tentoonstelling, een vloer vol rozen in knop. De aangename geur verspreidt zich door de gehele vleugel. En dat is de bedoeling; meerdere zintuigen worden aangesproken, ook de reuk wordt bij het ervaren van het kunstwerk ingeschakeld. Aardetinten rondom. Opgaan in het geheel. Heel stil worden. En beseffen hoe vergankelijk we zijn.

DSC00112

De weg terug in omgekeerde richting. De koeien zijn heel. Het gras is groen. Langs de kant van de weg ligt geel blad ongeordend uitgespreid in de bermen.

——————————————————————————————————————-

En natuurlijk wilden wij, als nuchtere Hollanders, ook weten hoeveel rozen….? Honderdacht pond. Door herman de vries eigenhandig uitgestrooid.

Liefdes lot

DSC00004

De poort naar Hades
Staat weer op een kier
Persefone bereidt zich voor
Om schielijk af te dalen

Het frisse jonge groen
Dat haar naar buiten lokte
Heeft dienst gedaan
Verkleurt en valt en sterft

De lieflijk tere bloesem
Heeft zich tot vrucht getransformeerd
‘t Uitbundig kleurenfeest
Verstilt tot ingetogen tinten

De zachte lentebries
Zwelt aan tot najaarsstorm
De lange, zwoele dagen
Korten en verkillen

Daar gaat zij, moedig,
In een laatste zonnestraal
Het koele duister slokt haar op
Haar droevig lot is liefde

——————————————————————————————————————-

Nog een keer Persefone: https://ajroc.wordpress.com/2013/06/13/persefone/

Perdre le Nord

DSC09827

Het noorden van ons land had nooit zo’n aantrekkingskracht op mij. Het leek me te vlak, te weids, te leeg. Te stil ook. Te veel natuur.

Een mens is echter nooit te oud om te leren of te ervaren, dus toen vriendin H mij uitnodigde een paar dagen bij haar in de caravan te logeren, in Pieterzijl, ging ik daar graag op in. En na twee dagen fietsen door slechts een klein stukje van de noordelijke provincies, stel ik mijn vooroordeel graag bij. Natuurlijk was het prachtige zonnige weer in ons voordeel. Maar ook bleek het landschap lieflijker dan ik me had kunnen indenken en minder onherbergzaam en vlak.

DSC09825

Het weidse Groninger land heeft mijn hart gestolen. Rijdend over een kilometers lang pad tussen wuivend koren, zie ik het terpdorpje Niehove steeds groter worden. “O”, denk ik, “dit lijkt wel het buitenland.” Ik haast me mezelf terecht te wijzen. Hoezo buitenland? Kun je er niet gewoon vanuit gaan dat ook het eigen land veel te bieden heeft?! Dat het hier ook mooi is en bijzonder?

Ja, denk ik, dat is waar, en dat weet ik natuurlijk ook wel. Ik moet het anders formuleren. Ik kijk anders. Ik kijk, alsof ik in het buitenland ben: oplettender, hongerig bijna. Omdat ik hier vermoedelijk niet zo snel meer zal komen. Ik kijk, om niet meer te vergeten. Kijk met mijn zintuigen en mijn geheugen op scherp; deze beelden wil ik zo weer kunnen oproepen.

Oud land met geschiedenis. Van alle kanten wordt het ons aangereikt: kerkjes, havens, herbergen, fabrieken. In vervallen staat, hersteld, gerestaureerd. Onder de nieuwe bestrating kun je nog de oude, holle weg vermoeden. Je hoort de paardenhoeven, de karrenwielen knersend over de klinkers, de voerman die zijn bevelen bromt. Terug in de tijd. Het kan.

DSC09812

Ook maak ik kennis met een stukje Friesland. Achteraf heeft het me verbaasd hoeveel verschil er is tussen de twee provincies. Dat grenzen zo allesbepalend zijn (geweest?) voor het leven van de bevolking. Denkbeeldige lijnen op de kaart die een groep mensen met hun eigenheid bij elkaar houden. Verschillen in levensonderhoud, in taal, in wonen.

Terwijl ik vroeger makkelijker alles voor waar aannam, vind ik nu veel van die zogenaamd vaststaande feiten wonderbaarlijk en bijzonder. Ik vraag me meer dingen af dan vroeger. Verwondering, wordt wel gezegd, is het begin van de wijsheid. Zou het dan toch?…..

DSC09823

De middag in het stadje Dokkum staat in het teken van de geschiedenis van H. Voor haar is het een trip down memory lane. Hier woonde haar familie: grootouders, tantes en ooms. Alle huizen zijn nog goeddeels in de staat, waarin zij ze heeft gekend. Haar eigen geboortehuis staat er nog alsof er niets is gebeurd, de afgelopen vijfenzestig jaar. De betonnen bank, waarop haar ouders elkaar ooit de liefde verklaarden, is weliswaar een paar honderd meter verplaatst, maar nog intact. Nu kijk je vanaf de steenharde zitting niet meer uit op een stinkslootje, maar op de Dokkumer Ee met aan de overkant het huis van een geliefde oom.

Pieterzijl

Het kan niet anders dan dat H’s voorliefde voor Jugendstil in deze noordelijke plaats is ontloken. Prachtige, goed bewaarde, kleurige decoratie tooit de statige huizen in de zonovergoten straten.

Terug door de weiden. Koeien, kalfjes aan de uier. Schapen bij het likblok. De vervallen schoorsteen van een steenfabriek. Wilde peen, pastinaak. Pluizen van het wilgenroosje. Hele wouden van uitgebloeide reuzenberenklauw. Wolken en water, bruggen en bootjes.

DSC09809

Het waren mooie dagen, met dank aan H. Herinneringen staan als een huis. Ik mis de weidse natuur van het noorden – een beetje.