Kleurrijk in zwart-wit

De trein kwam er al aan toen wij nog op de roltrap stonden. We liepen snel naar beneden en trokken een sprintje als een stel zeventienjarigen (het omgekeerde van onze werkelijke leeftijd) en sprongen, met een gesmoorde gil, net na het fluitje van de conducteur, tussen de zich al sluitende deuren door, de propvolle coupé in. Dat vonden we eigenlijk best stoer en we keken elkaar met een tevreden grijns aan. “Zo!, living on the edge!”, wisten we hijgend uit te brengen. En: “Zeventig is het nieuwe zestig!” Op naar Amsterdam. Die gevaarlijke stad.

We waren amper uitgehijgd of daar wrong zich een jonge vrouw in conducteurskleding door de massa. Ze had haar fluitje nog niet opgeborgen. Het bleek, dat ze dit ter illustratie nodig had bij het te houden verhaal. Tegen ons. “Sprongen jullie net nog door de deur, nadat ik al had gefloten?” Aan de toon te horen, leek het me beter maar niet al te bijdehand te doen. Dus de opmerking: “Ja, wat goed hè, van ons ‘oudjes’?”, slikte ik maar in. Ook de blik in haar ogen sprak boekdelen. Een blik van zeven dagen onweer, zei mijn vader vroeger. Ze haalde diep adem en begon ons de les te lezen. “Nooit de trein binnengaan als er is gefloten! Stel dat er iets ergs gebeurd was. Dan had zij aan de noodrem moeten trekken. En dan zou dat weer op ons verhaald moeten worden. Dat zou ons €165,00 de man (vrouw) gekost hebben. Dus we mochten het nooit meer doen. Ze zou het nu door de vingers zien, maar de volgende keer….” Woest en onstuimig leven, het lukt ons nooit echt goed.
Om ons heen bleef het doodstil. Niemand zei iets. Niemand verblikte of verbloosde. Niemand lachte. Niemand keek ons meewarig aan. Of verachtelijk. Of bemoedigend. Of vriendelijk. Niet mee bemoeien, want je weet maar nooit. Het kan je zo een hoop geld kosten.

De ober bij Small Talk deed de naam van het café eer aan. De ene flauwe opmerking na de andere rolde over het terras. Een klein glaasje water bij de koffie werd vertaald in een borrelglaasje. Het zonnetje deed de rest en zo klaarde onze lichtelijk timide stemming geleidelijk aan op.

Verder maar weer, richting Apollolaan voor de tweejaarlijkse beeldenroute van ArtZuid. De tram is afgeladen; voortdurend roept de conductrice dat iedereen moet doorlopen, maar zelfs dat is onmogelijk. Kinderen hoeven van hun ouders tegenwoordig niet meer op te staan, ook niet wanneer ze op een stoeltje hangen dat bestemd is voor iemand die niet zo goed ter been is. Nu hadden wij juist bewezen dat dat allemaal nog aardig in orde was, maar een halte na ons stapte er een oude heer in. Hij kreeg het netjes voor elkaar om het plaatsje van het kind te bemachtigen. Dat mag ook wel, wanneer je zesennegentig bent. Een goedlachse, positieve oude baas. Keurig gestreken zwarte broek met kettingen links en rechts. Helder witte sweater met een borstzakje en spierwitte sneakers. Het plastic tasje van De Trekpleister bleek boterhammen te bevatten die hij ergens op een bankje bij Het Leidseplein zou gaan opeten (nee, niet op een terras, natuurlijk) en daarna ging hij een lekker kopje koffie drinken (wel op een terras). Genieten van het leven, dát deed hij. Ondanks het gemis van zijn vrouw (al zeventien jaar dood, en nee, nooit een ander gehad, hij keek wel uit, straks stond ze hem boven op te wachten en stuurde ze hem zo weer terug, moest hij weer die hele weg bewandelen…) zag hij het leven toch zonnig in. Ze zat in zijn hart. Daar zat nu wel die tramkaart voor, maar ze was er wel. “Ja”, zei hij, met een vette grijns, terwijl hij zijn duim omhoog stak, “optimist, tot in de kist”, waarna de duim omlaag wees.

Leidseplein, hij ging eruit. Hij zakte een beetje door zijn knieën, hield het borstzakje met de tramkaart voor de scanner en checkte uit. Voor zijn zesennegentig jaar sprong hij vlot van de treeplank, vermaakt geschater vanuit de tram in zijn kielzog.

Uiteraard was de beeldenroute heel bijzonder en over het algemeen zeer de moeite waard. Hoewel we bij Minerva met het opgeheven vingertje wel even moesten slikken.

Aan het eind van de middag sloten we deze leerzame dag af met een glas koele witte wijn en een schaaltje gloeiend hete bitterballen. Dat kon er wel af: we hadden tenslotte ieder €165,00 uitgespaard.
En de slogan ‘act your age’ was weer helemaal op ons van toepassing…

Ships that pass en een babypakje

Het is niet druk bij de baby-afdeling van de Hema. Wij zijn met zijn tweeën. De dame pakt een babypakje van het rek en voelt aan het mouwtje. Ik ben op hetzelfde uit. “Leuk hè, die vosjes”, zeg ik, terwijl ik de goede maat zoek. “Ja”, zegt ze, “maar ik twijfel. Het kindje wordt in juli geboren, is het dan niet te warm met die lange mouwtjes?” “Ach, er zijn altijd wat koelere dagen, het lijkt mij dat het wel kan.”

De vrouw kijkt me aan. “Mijn dochter is zwanger. Ik ben zo blij voor haar!” Haar ogen vullen zich. “Hè, nu schiet ik vol. Het is ook zo bijzonder. Eenenveertig en een kinderwens. Maar geen partner. Wel naar gezocht hoor, maar ach, het lukte niet. En nu is ze toch in verwachting. Van een heel aardige man, een homo. Ook alleen en met een kinderwens.” “O, wat fantastisch. Wat dapper ook, dat ze die keuze heeft gemaakt!” “Ja, en ze wonen – toevallig ook weer – niet ver van elkaar en ze willen het kind samen opvoeden. Maar ze gaan niet samenwonen, natuurlijk. Dus”, besluit ze, “dan moet ik nu ook twee pakjes kopen. Neutraal, want ze weten nog niet wat het wordt. Deze kan ook, toch?” Ik knik. “Ik heb nog drie kleinkinderen, waar ik heel blij mee ben, maar dit vind ik zo mooi, ik had het nooit verwacht. En, ik val in herhalingen, maar ik ben vooral ook zo blij voor haar.” Ze legt twee pakjes over haar arm en kijkt me aan. Ze is nog lang niet uitgepraat. “Mag ik u een kop koffie aanbieden?”, flap ik eruit. “Ja, leuk, graag! Dan reken ik dit eerst even af.”

Even later warmen we onze handen aan een grote kop cappuccino. Het gesprek gaat gewoon verder, of we al jaren goede vriendinnen zijn, terwijl we elkaar blijven aanspreken met ‘u’. Levensverhalen worden uitgewisseld. We herkennen veel van elkaar. De seventies, weet u wel. Raakvlakken zijn er meer dan genoeg voor een levendig gesprek. Over werk, opleiding, relaties. Bizar eigenlijk, dat we dat zomaar met elkaar delen, maar op een of andere manier voelt het heel vertrouwd. Het is ook grappig, er valt veel te relativeren en te lachen.

Na een minuut of twintig lepelen we de laatste restjes schuim uit ons kopje. We nemen afscheid. Misschien komen we elkaar nog weer eens tegen, maar zo niet dan is het ook goed.

Voor nu is het gedicht van Henry Wadsworth Longfellow heel toepasselijk. Zo benoemen we deze ontmoeting ook en wensen elkaar veel geluk.

Ships that pass in the night
And speak each other in passing
Only a signal shown and a
Distant voice in the darkness
So on the ocean of life we pass
And speak one another
Only a look and a voice, then
Darkness again and a silence

Stormy Weather

Even snel een paar boodschappen doen bij de grootgrutter die iedereen wel kent, (“Ah! Bedoel je die?” “Jah!”) leidde tot de tweede bijzondere gebeurtenis van deze week.

Een grijsharige man in korte broek houdt me staande: “Heb je een telefoon bij je?” Ik stap af. “Ja zie je, die van mij ligt thuis, want ik ging alleen even een ommetje maken, maar die boom daar staat op omwaaien, dus we moeten 112 bellen…” Zonder blikken of blozen haal ik mijn mobiel tevoorschijn. Hij belt, maar het valt nog niet mee om de brandweer duidelijk te maken dat er haast bij is. De wind blaast keihard in het toestel dus over en weer kunnen ze elkaar moeilijk verstaan.
Ja, het stormt. De bomen staan vol in blad en vangen dus veel wind. En deze staat met zijn voeten bijna in het water. Geen houvast. Bij elke nieuwe windvlaag helt de boom naar voren, over de weg heen en trekt een flinke plak grond mee omhoog. Het is link: als hij valt, worden er zeker twee auto’s geplet.

Eindelijk is het geregeld, de brandweer wordt opgeroepen en zal zo snel mogelijk naar de Count Basiestraat komen. De man blijft in de buurt om voorbijgangers op het gevaar te wijzen. Ik race weg, doe snel die paar boodschappen en als ik mijn fiets van het slot haal, zie ik in de verte de brandweerwagen al aankomen.

Ik gedraag me als een ware ramptoerist en schaar me bij – hoe gaat dat zo snel? – de menigte die door een politieagent vakkundig op afstand wordt gehouden. De twee auto’s zijn uit de gevarenzone verdwenen.

Hoeveel brandweerlieden passen er in een brandweerwagen? Heel wat, zo blijkt. Wat zien ze er stoer uit in hun bruin-met-gele uniform. Degene die het voor het zeggen heeft, draagt ook nog een lampje op zijn borst, op alles voorbereid. Ze zijn allemaal in vol ornaat. Degene met de motorzaag heeft de belangrijkste taak: vakkundig zet hij het apparaat onder aan de stam en de zaag zoeft er als een mes door de boter doorheen. De plak grond zakt weer en de enorme kruin bedekt een groot deel van de straat.

Dan worden de takken verwijderd en de stam wordt in mootjes gezaagd. Het is een gezellige boel; het lijkt een uitje voor zowel politie als brandweer. Gewoon de straat afzetten, mensen op een afstandje houden, een beetje hangen en kletsen en een stukje zagen. Geen narigheid, geen brand, geen gewonden.

Plotseling komt met sirene en zwaailicht brandweerauto nummer twee over de brug aanrijden. Zo erg is het nu ook weer niet, maar je kunt natuurlijk nooit weten. Het doet me denken aan die keer op een camping in Frankrijk, waar een heel legertje pompiers uitrukte om een in de grond verstopt wespennest uit te roken.

En daar is de pers! Een fotograaf van ‘De Stadgenoot’ (nooit van dat sufferdje gehoord…) knipt maar raak. Een buitenkansje. En uiteraard zijn er vele mobieltjes in de aanslag. Die van mij ook.

De grijsharige man geniet volop. “Eigenlijk zouden wij op de foto moeten”, zegt hij met een vette grijns, “zonder ons had niemand zo’n leuke middag gehad.”

De verrassing van plan B

Bijkletsen – of bijbabbelen, zoals kleinzoon II zegt – gaat goed tijdens een wandeling, dus de pas er flink ingezet. Vanuit huis is er best een leuke wandeling te maken, als je het eerste half uur de auto’s negeert en je blik richt op het weidse Zaanse landschap. Water, rietlanden, smalle weilanden, de ‘Amerikaanse watermolen‘. Een zestal geiten graast onder toeziend oog van de bebaarde bok. Gepacht visgebied. Een met flinke bomen begroeid eiland met een half bruggetje waarop een reiger in oude-mannetjes-stand.

Langs het pad groeien wilde peen, wikke, gele rolklaver, duizendblad, smalle weegbree. Nu de bermen steeds meer met rust gelaten worden, waan ik me af en toe in de landjes van mijn jeugd. De enorme plensbuien van de laatste weken hebben vele paddenstoelen gewekt. Rechts van ons, aan de andere kant van de autoweg kijken we uit op weiland, bomen en struiken, schapen, een ooievaarsnest waarop nog nooit een ooievaar is geland, laat staan heeft gebroed en wat wrakke schuurtjes. Daar zullen we op de terugweg lopen. Nu nog geen idee van wat er voor ons in het vat zit.

We hebben onszelf halverwege de tocht een kop koffie beloofd. Helaas. Het restaurant gaat pas in de loop van de ochtend open. De vrouw die de koffie zou moeten serveren, kijkt ons met koude ogen aan. Geen groet. De blik gaat op oneindig en snel beent ze met grote passen weg van het terras. Zaanse vriendelijkheid.

Plan B dan maar. We nemen nu het mooiste stukje van de route. Van ‘het kluffie’ af leidt het pad langs woonboten. Oude doorleefde arken, waar de creativiteit van de bewoners duidelijk zichtbaar is. Nieuwe bouwsels met een verdieping, waarvan het hout nog geurt. Soms aan de andere kant van het pad, waar geen huizen staan, een moestuin. Of een wilde bende. We staan stil. Hangt er nou echt een smal trapje in die boom? Waar zou dat voor dienen? En kijk eens, wat een springbalsemien!

“Wat een wildernis hè?” Achter ons staat een vriendelijke oude man. “Maar, aangelegde, gecontroleerde wildernis.” Hij merkt dat wij belangstellend zijn en steekt van wal. Toen de aanleg van een verbindingsweg niet doorging, kon hij het stuk land van de gemeente kopen. Al veertig jaar lang zijn hij en zijn vrouw bezig om er een wilde tuin van te maken. Bomen geplant, paadjes aangelegd, het moerasje gecultiveerd, de sloot laten dichtgroeien. Zaden verzameld en gezaaid. Voornamelijk wilde planten. Een boek lezen? Dat komt er niet van. De sloot moet geschoond worden voor de herfst invalt. Ook geen ontspanning in het huisje, dat verderop ergens tussen het groen moet staan. Er is altijd wel iets te doen.

Zijn vrouw is bezig met verzamelen van zaden, deelt hij ons mee, maar ze vindt het heerlijk om een rondleiding te geven. Het bruggetje over, het hek dicht en dan bevinden we ons plotseling in een geheime tuin. “Kom”, zegt ze, “maar blijf op het pad. Hier rechts is het moeras.” We lopen over zachte, verende paadjes, bewonderen koningsvaren, cichorei, engelwortel, leeuwebekjes, gagel, boerenwormkruid, duivels naaigaren, hondstong en de plant die de dood van Socrates bewerkstelligde: de gevlekte scheerling. En nog veel en veel meer. We zien het huisje waar ze overdag bivakkeren, het kleine huisje waar de zaden worden bewaard, de ‘volière’, waarin voedsel voor kleine vogels (zij kunnen er wel in, en de grote- die trouwens ook worden gevoed- niet). Een gigantisch insectenhotel. Een met sedum begroeid dakje. Aan sommige bomen groeit maretak; ze hebben de bessen er zelf opgesmeerd. Er is een kattenbegraafplaats, met naambordjes en kattenbeeldjes. Begroeide muurtjes, een vijvertje. De ooit uit het bos meegenomen zaailing is een enorme beuk geworden.

Dan ronden we een bocht en lopen langs de boom met het ‘trapje’. We zien nu pas dat dit een gedeelte van een hooihark is. Het raadsel is opgelost, net voor we de tuin verlaten.

Later constateren we dat we ruim een half uur in die stilte hebben doorgebracht. Een half uur? Het voelde niet als tijd. Het ging om kleur, geur, aandacht en liefde. Wat zijn we dankbaar. Wat voelden we ons welkom. Wat hebben we veel geleerd. Wat een cadeautje!
Zo voelt de eeuwigheid, misschien.

Maar we leven nu en nu hebben we zin in de uitgestelde koffie. De Zaanse Schans biedt uitkomst. Denken we. Bij het eerste tentje zullen we worden bediend als we onder het afdak gaan zitten, zegt de juffrouw achter de balie. Maar nee, dat hadden we gedroomd, ze is nog niet klaar met… Ja met wat eigenlijk? Dan maar naar ‘De Walvis’. Op het terras is een vakantiehulp druk bezig met… Ja met wat eigenlijk? “Kunnen we koffie bestellen?”, blijkt een gekke vraag te zijn. “Nee, die moet u daar verderop halen.” Hij wijst vaag. En ja, tien meter verderop is een soort loket waar je koffie kunt kopen. Je mag het wel op het terras van dit luxe restaurant opdrinken.

Dus zo komt het dat we even later met een dik betaald kartonnen bekertje straffe drab aan een wiebelig tafeltje neerstrijken. Geen service, geen vriendelijk woord, geen gastvrijheid, geen behulpzaamheid, geen bediening. Geen koekje!

En toch. Het kan de pret niet drukken. We denken terug aan een heerlijk halfuur. Mensen die tijd hadden. Voor ons, voor elkaar, voor hun levenswerk. Daar kunnen wij een voorbeeld aan nemen.

Het goede doel

20150519_195937

“Mevrouw…” Ik stap van mijn fiets bij het stoplicht en kijk opzij. Een jongetje van een jaar of acht staat op de vluchtheuvel te midden van een heleboel troep. Hij kijkt me met zijn grote grijsblauwe ogen ernstig aan en vraagt, terwijl hij een verlepte stengel van een kamerplant als een vlag omhoog houdt: “Wilt u misschien iets kopen?” Ik zit niet direct te springen om een geroest tuinschepje, een uitgeharde meniekwast, wat oude schroeven, een afgedankte spijkerbroek of een verdroogde kamerplant. Hij ziet dat ik aarzel, dus hij besluit wat zwaarder geschut in stelling te brengen. “We halen geld op voor Azië, voor de aardbeving.” ‘We’, dat blijken hij en zijn vriendje. Ze verkopen allebei spullen voor het goede doel. “Het is heel erg daar. Dat heb ik op school gehoord, dus we dachten…..” “Is het een actie van school?” Ik haal mijn portemonnee tevoorschijn. “Ja”, zegt hij hoopvol, “de hele school doet eraan mee.” Ik zeg hem dat ik niets nodig heb, maar hem gewoon wat geld geef. Dat ik het een erg goede actie van hem vind.

Terwijl hij het muntje dankbaar in ontvangst neemt, komt er een vrouw aanlopen. “Wat is dit? Wat ben jij aan het doen?”, vraagt zij hem. En mij: “Waarom geeft u hem geld?” Allebei willen we graag uitleggen wat er aan de hand is. Hij begint en vertelt van de actie voor Azië. “We hadden het erover met Nieuwsbegrip.” En ik: “Het is geweldig dat hij zo betrokken is. Daarom gaf ik wat. En ik heb niet echt iets nodig uit het aanbod…..” De vrouw schiet in de lach. Ze is zijn moeder. Zijn vader is schilder en werkt vlakbij. Daar waar die container staat, achter het hek. De uitgestalde spullen had hij daar vandaan. Nu snap ik die oude kwast en de besmeurde spijkerbroek. Vader komt erbij staan en wordt op de hoogte gesteld. Drie paar ogen kijken vertederd naar het kleine mannetje. “Kom”, zegt moeder, “we gaan naar huis, eten.” En mij verzekert ze dat ze erop zal toezien dat het geld op school in de pot zal gaan. Voor Nepal. De oude spullen verdwijnen weer in de container. Met elkaar zullen ze een andere, schonere actie bedenken.

Ik fiets naar huis met een grote glimlach op mijn gezicht. Er is nog hoop voor de wereld.

De ondraaglijke triestheid van het kluizenaarsbestaan

Marche

Het was halverwege de zestiger jaren en de wereld lag aan onze voeten. En we zouden het gaan maken ook, in die grote-mensen-wereld. Dat dit niet helemaal gelukt is, kan geen van ons verweten worden. Het leven liep zoals het liep. Geen schuld, geen boete. Wel veel herinneringen. En soms piept er zo maar eentje met kop en schouders boven alle andere uit. En boven de dagelijkse beslommeringen. Vandaar dit blogje.

Halverwege de zestiger jaren dus, liftten wij naar de Ardennen. Naar La Roche, om precies te zijn. Hij was daar in het bezit van een kasteeltje. Zei hij. Het bleek een aardig verzinsel. Fantasie genoeg. Het was leuk om er in rond te dwalen, in die bouwval. Maar er een weekje verblijven was absoluut geen optie. Geen nood. In een nabijgelegen dorpje kende hij iemand waar we zeker zouden kunnen overnachten. Zou het echt? Ik hoopte het vurig, want het zou niet lang meer duren voor de avond viel.

La Roche e A

We kregen een lift in een oude bestel-eend naar Marche-en-Famenne. Tot het hotel. Niet dat we daar zouden gaan overnachten. We waren liftend, tenslotte. Een vakantiebaantje leverde nou ook weer niet zo veel op. Tegenover het hotel leidde een pad vrij steil de berg op. Klimmen dus. Inmiddels wist ik waar we naar op weg waren en naar wie. En ja, na bijna een uur stug doorklimmen waren we beland op de top en zagen we de spaarzame lichtjes van Marche beneden ons. De zware geuren van bos, vermengd met die van houtvuren, drongen onze neuzen binnen. Vreemde geluiden. Een wild zwijn scharrelde voor onze voeten over het bemoste pad.

Een deur knarste open: “C’est qui?” De man in de deuropening keek ons vriendelijk aan. Toen ontdekte hij wie mijn metgezel was. Hij grijnsde, omhelsde hem, sloeg hem op zijn schouders. Het klopte, ze kenden elkaar. “Entree!” Bukkend door de lage deuropening. We kwamen in een kleine, door kaarsen verlichte ruimte. Een zweem van wierook. Boeken, veel boeken. Een oude tafel in het midden, een houten bank aan een kant, een paar wrakke stoelen aan de andere. We namen plaats. Er kwam brood op tafel, uien, worst en kaas. En goede wijn. Er werden herinneringen opgehaald; er moest een jaar worden bijgepraat. Ik deed mijn uiterste best het rappe Frans te volgen. En ja, dank zij de gedegen lessen op de HBS, lukte dat goeddeels.

Deze kleine Belg, in zijn donkere pij, had uit vrije wil het klooster verlaten om op deze onherbergzame plek zijn leven te slijten. Wat hij op zijn geweten had, is ons niet verteld. We konden er slechts naar raden. Belangrijk was het verder niet op dat moment. We hadden een goed gesprek. Hij was aardig en gastvrij. Hij bood ons zijn slaapplaats aan en overnachtte zelf op de harde bank.

De volgende ochtend stonden twee nonnen voor de deur met melk, kaas en groente. Zij zorgden ervoor dat hij niet hoefde te verhongeren en ze klommen met liefde een paar maal per maand de steile berg op om hem van proviand te voorzien. Een non zorgde wekelijks dat er verse bloemen waren in de kleine kapel, die grensde aan de kluis. Elke zondag droeg hij de mis op. Er kwam altijd wel iemand. Ook wisten de mensen de kapel te vinden om er te bidden voor genezing van de meest uiteenlopende kwalen, ziekten en gebreken. Alle wanden hingen vol met ex voto’s: krukken, houten benen, hartjes in soorten en maten, hoorapparaten, babykleertjes. Er brandden altijd kaarsen.

We beloofden nog eens terug te komen, bedankten voor de gastvrijheid en vervolgden onze weg. Vakantie vierend en overnachtend in jeugdherbergen.
De trouwkaart, die we hem een paar jaar later stuurden, kwam onverrichter zake terug. In de herfst van dat jaar gingen we poolshoogte nemen. Weer klommen we dat hele eind naar boven. De kapel was gesloten. We klopten op de deur van zijn bescheiden woning. Geen reactie.

Beneden, in het hotel wist men te vertellen dat een van de nonnen hem die zomer had gevonden in de kapel. Men had de klok slechts kort horen luiden, maar van een viering was het nooit meer gekomen. Een kort briefje maakte duidelijk wat velen al waren gaan vermoeden. Het celibaat maakt meer kapot dan de mens lief is.

“Dag juf!”

koning_willem-alexander

Terwijl hij doelgericht naar de biertjes loopt in de supermarkt, roept hij mijn naam: “Dag juf!” Ik herken hem niet direct, maar als ik wat beter kijk, weet ik het: P. “Ik was die lastige leerling”, zegt hij, zonder op antwoord te wachten. Ik kijk naar hem op en zeg: “Nee, je was niet lastig, ik vond je niet lastig.” Moet ik het hem zeggen: “Ik had met je te doen?” Beter van niet. Hoewel het de waarheid is. Hij luistert nauwelijks. Dat herken ik van hem. Maar ook het zachte gezicht. De blauwe ogen, die nog steeds een beetje verwilderd kijken. Het blonde haar. Hij is stevig geworden, gespierd, dat iele jongetje van toen. “Ik werk in de haven”, antwoordt hij, op mijn vraag wat hij is gaan doen. “Leren was niks voor mij. Werken wel. Hard werken. Buffelen.” “Wat goed van je”, is mijn simpele antwoord. Ik voel me klein.

Hij moest eens weten wat er in mijn hoofd omgaat. Ik herinner me de keren dat we met zijn moeder spraken; ook zij had het moeilijk. Die keer dat hij een stoel door de klas smeet. Hij weet het vast nog, maar ik durf het niet te noemen. Niet nu. Niet vanavond. Hij staat voor mij met een tray biertjes in zijn hand. Het is de avond voor Koningsdag. Hij zegt het: “De koning is jarig. Dat gaan we vieren.”

We staan tegenover elkaar. Zijn vrienden zijn in de buurt, maar hij neemt de tijd. Het lijkt wel alsof hij zich wil excuseren voor zijn gedrag van twintig jaar geleden. Maar er is geen excuus nodig: ik begreep hem, ik begreep wat hem bezielde. Met zo’n achtergrond kon je niet veel anders verwachten. Hij neemt de draad weer op. Nog steeds communiceert hij een beetje onhandig, net als toen. Indringend kijkt hij me aan: “Nog steeds niet compleet grijs!”, is zijn constatering. Hij herhaalt het een aantal keren, alsof hij zich erover verbaast. Met hem als leerling had het wel zo moeten zijn, misschien? Hij buigt zijn hoofd en wrijft over zijn stekeltjes: “Ik word al kaal!” Hij lacht.

“Maar nu gaan we feesten! De koning is jarig.” Met zijn vrienden en zijn biertjes loopt hij naar de kassa, mij enigszins vertwijfeld achterlatend. Ook net als toen.

Ik had hem veel meer willen zeggen: dat ik begreep, waarom hij het zo moeilijk had. Dat ik wist dat leren niet zijn grootste hobby was. Dat ik het fantastisch vind hem in zo goede doen te ontmoeten; groot en sterk en evenwichtig. Zelfverzekerd ook. Dat ik het enorm waardeer dat hij zo hard werkt. Dat ik eigenlijk niet anders had verwacht. Dat het niet voor iedereen is weggelegd om uit boeken te leren. Dat hij van het leven zelf heeft geleerd. En hoe bijzonder ik dat vind.
Ook had ik hem willen vragen hoe het met zijn moeder gaat.

Hij heeft geen tijd meer. Hij geeft me een hand, kijkt me aan. Een officieel afscheid.
De monarchie gaat voor.

——————————————————————————————————————-

De foto komt van het internet.

Lees ook: “Hé juf!”: http://wp.me/p36K0e-lP

Een lief hart

400px-Pieter_Bruegel_the_Elder_-_The_Tower_of_Babel_(Vienna)_-_Google_Art_Project_-_edited

Hij is een Koerd. Een vriendelijke man. Ik ontmoet hem regelmatig op het volkstuincomplex. Hij houdt ervan een praatje te maken. Dat valt nog niet mee, een gesprek met hem voeren. Hij woont al zo’n twintig jaar in Nederland, maar de taal beheerst hij slecht. Soms is het gissen wat hij bedoelt en hij begrijpt ook niet alles wat wij zeggen. En daarbij gaat het uiteraard nog het meest om wat er ‘tussen de regels’ wordt gezegd. Hier hebben we te maken met een cultuurbarrière. Maar er is geen probleem wanneer het over de tuin gaat, een concreet onderwerp; met aanwijzen kom je ook een heel eind.

Hij werkt hard in zijn tuin. Hij kan goed tuinieren. Hij zaait veel, en geeft ook makkelijk plantjes weg. De paprika’s die wij vorig jaar aten, kwamen van hem. Ook is hij regelmatig bereid om je op een of andere manier van dienst te zijn met advies. Dit moet je nu zaaien, oogsten, planten, wieden. In het begin had ik het gevoel dat ik hem een beetje moest afhouden, dat hij te opdringerig zou worden. Maar niets van dat alles. Het is allemaal goed bedoeld. Kortom, hij stelt zich sociaal op, is vriendelijk. Een warme man, zoals een medetuinierster het uitdrukte.

Ook is hij op andere manieren handig. Een kas bouwen, daarvoor draait hij zijn hand niet om. Alle materialen komen van pas. Of het er een beetje netjes uit ziet, is van minder belang. Of het veilig is, je je handen er niet aan open haalt, ach, dat ook. Maar hij is bereid om kleine aanpassingen te doen, op verzoek.

Gisterochtend was ik op de tuin. Het was prachtig weer: licht en stil, warm en vrolijk. Vogels doen hun best op liefdesliedjes. Lieveheersbeestjes koesteren zich in het zonnetje op een warme steen. Heerlijk rustig is het. Hier en daar zijn mensen, zonder jas, bezig met spitten, harken, zaaien. Belofte van een nieuw, hopelijk vruchtbaar jaar.

Wanneer ik het onkruid naar de belt wil brengen, staat hij plotseling voor me op het pad. Zo goed en zo kwaad als het gaat ontspint zich een koetjes-en-kalfjesgesprek. Vind ik zijn tuin er niet mooi bijliggen? Alles gespit en geharkt. Bedjes gemaakt. In de opgeknapte kas heeft hij al het een en ander gezaaid, paprika’s onder andere. Bij hem is er geen sprietje onkruid meer te zien. En zo’n mooie dag! Zon!

Dan, ineens, komt het hoge woord eruit. Hij daar, hij wijst met zijn hoofd in de richting van een tuin, even verderop, heeft ruzie met hem gemaakt. ‘Hij daar’ had tegen hem geroepen, geschreeuwd alsof hij een kind was.

Ik weet waar hij op duidt. Twee dagen geleden was ik op de tuin en heb het zien en horen gebeuren. Maar het was geen ruzie, er was niemand boos, er werd ook niet geschreeuwd.
Toen de Koerd een enorme stapel metalen buizen achter het kruiwagenhok wilde dumpen, werd hij daarvan weerhouden. Een van de bestuursleden die dit zag, riep, naar hem toe lopend, dat dat niet de bedoeling was. Hij legde het ook uit: Het hele complex was net opgeruimd, een enorme container met troep was afgevoerd. Dus nu geen afval meer op die plaats, graag. Dat kan beter naar de oud-ijzerboer. Doordat dit zeer stellig werd geponeerd, leek het misschien of er boze woorden werden gebruikt.
Er is duidelijk sprake van een misverstand. En onbegrip. Maar ik laat hem zijn frustratie uiten.
“Ik wil altijd aardig zijn”, zegt hij tegen mij. Ik zie zijn donkere ogen glazig worden. Maar mensen moeten ook aardig tegen hem doen. Gewoon tegen hem praten, niet schreeuwen. En hij vertelt dat hij twaalf jaar gevangen heeft gezeten en is gemarteld; hij is politiek vluchteling. Als iemand zijn stem verheft, komt het verleden weer naar boven. Dat is niet goed voor zijn gezondheid, voor zijn hart. Hij is voor rede vatbaar, maar niet zomaar boos worden op hem.

Ik begrijp wat er aan de hand is. Hoe gevoelig hij is voor – vermeende – bevelen. Ik zeg dat ik met de bewuste persoon zal praten, maar ook dat ik zeker weet dat er geen kwaad achter zit. Dat ik ervan overtuigd ben dat het niet zo bedoeld is, als hij het heeft ervaren. Juist die persoon is geen ruziemaker, integendeel. Het komt goed, zeg ik. Ik zal zorgen dat jullie het met elkaar uitpraten.

Hij lacht. “Ik geen boos hart”, zegt hij, “ik lief hart.” En hij legt zijn hand op die plaats. Terwijl hij me paprikaplanten belooft, voel ik mijn ogen vochtig worden.

DSC09233

De foto van De Toren Van Babel, van Pieter Brueghel de Oude, komt van het internet.

“Hé juf!”

DSC09003

Ik kwam haar tegen in een gedeelte van de stad waar ik niet vaak kom. Op weg naar de Heemtuin. Ik was net afgestapt om een foto te maken van bloeiend fluitenkruid. In januari, ik kon mijn ogen bijna niet geloven.

“Hé juf!”

Een aantal jaren geleden zat ze bij mij in groep 8. Een lieve meid, die hard werkte, haar best deed, zo goed en zo kwaad als dat ging. De thuissituatie was problematisch, zoals dat heet. Ze was creatief, tekende graag en schreef mooie gedichten.
Op de afscheidstekening die ik van haar kreeg, schreef ze: Ik hoop dat ik u nog eens zie. Dat hoopte ik ook, al was het alleen maar om te weten of het goed met haar ging. Zoals alle kinderen met wie het niet van een leien dakje ging, had ze een speciaal plekje veroverd in mijn hart.

“Hé juf!”

Inmiddels heb ik het haar al ettelijke malen horen zeggen. We zijn elkaar al heel wat keren tegengekomen. Toen ze nog bezig was met haar opleiding tot kok. Toen ze bij La Place werkte. Toen ze liep te winkelen met haar zoontje van een paar weken. Steeds waren het korte, levendige gesprekken. Altijd optimistisch van toon, al vertelde ze en passent en niet met zoveel woorden, dat het leven niet over rozen ging, maar dat ze er het beste van maakte.

“Hé juf!”

Ze stapt af. Ze woont nu in deze rustige, groene buurt, een eigen flatje. Nee, niet meer met de vader van haar kind. Hij kon de verantwoordelijkheid niet aan, was te veel met zijn eigen leven bezig. Maar er zijn afspraken gemaakt. Met het zoontje gaat het goed. Anderhalf is hij nu, hij begint al te praten. Wat wil je, met zo’n moeder: een spraakwaterval. Er is zoveel te vertellen. Het gaat goed, ze is vol levenslust. Vol plannen. Een webshop met zelfgemaakte taarten. Ze schrijft. Nog steeds gedichten. En (advies van “de juf”) pen en papier is altijd bij de hand: in haar tas, naast haar bed. Snel iets noteren, voor het te laat is. Ze wil ze uitgeven, misschien. Een eigen dichtbundel. Ze tekent; op haar telefoon tientallen foto’s van prachtig werk. Met haar zoontje onderneemt ze leuke dingen; ze zorgt goed voor hem. Nee, ze heeft even geen werk. Druk bezig met de therapie, voor het syndroom dat bij haar is geconstateerd. Misschien gaat het ooit over.

Er staat een koude wind. Maar toch wil ze nog wat essentiële zaken kwijt. De problemen die ze als kind ondervond, zijn nog steeds niet opgelost. Hoezeer ze ook haar best heeft gedaan die ene ouder te bereiken, zeker nu hij een kleinkind heeft, het is niet gelukt. Ze voelt zich gekwetst, maar het maakt haar ook op een goede manier strijdbaar. Ze weet wat ze wil. De brief ligt klaar. Het is nu wachten op het juiste moment om hem te versturen.
Haar moeilijke jeugd heeft ertoe bijgedragen dat ze een eigen wijsheid heeft kunnen ontwikkelen die er niet om liegt. En vanuit een soort instinct weet ze hoe ze moet handelen om het leven van haar kind zo optimaal mogelijk te laten verlopen.

Ik bewonder de manier waarop ze haar leven vormgeeft, tegen de verdrukking in. En ik hoop vanuit de grond van mijn hart dat het allemaal goed komt. Dat ze haar plannen kan verwezenlijken. Ik heb zo mijn twijfels. Ondanks alles bespeur ik een wankel evenwicht.

Ze kijkt op haar mobiel: zo laat al. “Ik stuur u mijn gedichten”, belooft ze, net als anderhalf jaar geleden. Ik ben benieuwd. Ze sjeest weg. Het kinderzitje klappert aan het stuur. Ik zie haar om de hoek verdwijnen.

Ik maak de foto van het fluitenkruid en laat de rest van mijn plannen voor die middag varen.
Ik heb het ijskoud….

Een sterk verhaal

(Of hoe een bezoekje aan de bibliotheek voor nogal wat opschudding kan zorgen….)

DSC08819De middag loopt al op zijn eind, wanneer ik bedenk dat ik nog een verjaardagskaart wil kopen. Ik heb een doos vol kaarten, maar ze zijn geen van alle geschikt.

Onderweg op de fiets verbaas ik me over alles wat mensen verliezen: een speen, handschoenen, aanstekers liggen tussen rottend blad tegen de stoeprand. Verhalen ontspinnen zich in mijn hoofd.

Plotseling valt mijn blik op een mobieltje. Een oud model. Ik aarzel even, maar stap toch af. Op de stoep staat een jongen zijn fiets te repareren. “Is deze telefoon van jou?”, vraag ik hem. Hij kijkt me meewarig aan: zijn smartphone ligt naast hem op de grond. Naar de politie dan maar, denk ik.

De kaart is gekocht en ik rijd de stad in. Hé, hier was toch altijd het politiebureau? Borden met Kijkshop en Uitzendbureau logenstraffen mijn aanname. In het nieuwe gemeentehuis misschien? Ach nee. Ik laat het centrum achter mij; in mijn eigen dorp kan ik terecht. Daar staat het nog altijd aangegeven in jaren-zestig-stijl: politieburo.

Terwijl ik het telefoontje uit mijn zak haal, verlies ik zelf een handschoen, die me gelukkig door een vertrekkende agent wordt aangereikt. Achter de balie een agente die mij vriendelijk maar resoluut te woord staat. “Nee mevrouw, gevonden voorwerpen nemen we niet meer aan. Al vanaf december 2012 – spreekt ze me bestraffend toe – moeten die op het nieuwe gemeentehuis in het centrum worden afgegeven.” Nou ja! Daar kom ik net vandaan. Wel heeft ze nog een tip: de site ‘verloren en gevonden’, daar kan ik ook op terecht. Ik bedank voor de informatie.
Onderweg naar huis, het mobieltje brandend in mijn zak, bedenk ik hoe ik dit ga oplossen. Op een site zetten? Niks ervan. Dit gaan we eens professioneel aanpakken. Vanavond nog moet alles geregeld zijn en de telefoon terug bij de rechtmatige eigenaar.

Klepje open. Menu. Telefoonnummers. Naam zoeken. Een lijstje met twintig namen verschijnt. Bianca staat bovenaan. Ik bel. Een vrouw neemt op en ik stel me voor: “U heeft misschien het nummer gezien, maar ik ben niet degene die u daarop zou verwachten.” Zij is niet Bianca, maar haar moeder, in Amsterdam. En Bianca is juist vanochtend naar het buitenland vertrokken. Zij heeft een ander nummer, maar door woningruil….. “Ik bel haar man”, zegt ze kordaat. “En mag ik uw nummer, zodat ik daarna terug kan bellen?” Zo gebeurt. Zij belt terug en meldt dat Tim, de echtgenoot, mij zal bellen. Inmiddels heb ik wat namen uit het lijstje genoteerd. Dat kan misschien voor wat meer duidelijkheid zorgen. “Ja”, zegt Tim, “dit zijn allemaal namen uit onze familie. Bel mij eens met dat toestel, dan kan ik het nummer noteren”. Daarna belt hij met één van de mensen uit het lijstje, een neef, van wie hij verwacht dat hij het nummer zal herkennen. Dat is het geval. Deze neef blijkt een kleinzoon van de opa, die het mobieltje is verloren toen hij naar de bieb ging. Klopt, daar vond ik het.

Neef belt mij. Hij komt met opa zo snel mogelijk langs. En inderdaad. Nog geen tien minuten later staat hij voor de deur. Een vrolijke knul met een zo mogelijk nog vrolijker bos rode krullen. Opa zit in de auto. “Hij had hem nog geeneens gemist”, zegt hij met een grote grijns. “Maar hij heeft nu wel weer een mooi sterk verhaal!”

“Ja”, denk ik, terwijl ik glimlachend de deur achter hem dichtdoe, “en ik heb een onderwerp voor een blog.”