Dat nam je dan maar…

Als kind al smulden we van de verhalen over zijn jeugd. “Wilt u vertellen over vroeger?” En dan stak hij van wal. Dat we vaak dezelfde verhalen hoorden, maakte ons niets uit; we konden er niet genoeg van krijgen. Vooral de verhalen over de oorlog vonden wij spannend. Maar ook over hoe het er thuis aan toeging, met elf kinderen in een piepklein huis.

De laatste jaren hoef ik hem er niet meer naar te vragen; de verhalen komen vanzelf. Ze worden niet meer aangedikt; hij vertelt niet om mij te vermaken. Nee, hij vertelt omdat hij zich hardop dingen afvraagt. Omdat hij zich verbaast over hoe alles is gegaan. Omdat hij zich realiseert dat alles met alles te maken heeft. Dat dingen gaan zoals ze gaan, dat je in het leven niet overal grip op hebt. Dat je het leven niet naar je hand kunt zetten. Gedane zaken nemen geen keer. Het zijn nog steeds mooie verhalen, maar anders. Hij is wijzer geworden, milder. En ik kan er mijn voordeel mee doen. Het is leerzaam om deze gesprekken te voeren. Zwaarwichtig wordt het nooit; hij weet tenslotte toch alles te relativeren en de humor speelt nog steeds een grote rol.

Als ik na zo’n bezoek naar huis rijd, heb ik veel te overdenken. Maar ook realiseer ik mij dan, dat dit eens ophoudt. Want ook al is hij nog net zo’n charmeur als vroeger, al interesseert hij zich nog steeds voor nieuw uitgekomen filosofische boeken, en al doet hij net of ze niet tellen, de jaren gaan hard. Om het maar ronduit te zeggen: hij is een oude man.

En dan, op een dag, leg ik het minuscule opnameapparaatje voor hem op tafel. Hij kijkt er bevreemd naar. Terwijl ik een bandje uit het cellofaan peuter, leg ik uit wat ik van plan ben. “Vertel, pa”, zeg ik gretig, “vertel nog eens over vroeger. Dit apparaatje neemt alles op en dan zijn uw prachtige verhalen veilig gesteld voor het nageslacht.” Even kijkt hij bedenkelijk. Zo belangrijk is het immers niet, wat hij te vertellen heeft. Ik waag dit te betwijfelen en na wat hints is hij al snel op dreef en is hij het recordertje vergeten.

Veel van wat hij vertelt, heb ik vaker gehoord. Dat is fijn, de vertrouwde verhalen. Maar ik hoor ook nieuwe. Nu hij er echt voor gaat zitten, komt er meer dan ik had gedacht.
Na een uur vinden we het allebei welletjes, het moet leuk blijven, tenslotte. Ik berg alles op. Het bandje zal ik thuis proberen uit te werken tot een goedlopend verhaal.

En dat heb ik gedaan. Al een aantal jaren geleden inmiddels. Nu ik het weer eens doorlees, stuit ik vanzelf op dat nare laatste stukje tekst, waardoor mijn hart samen knijpt:

“Ik heb met van Veen, toen ik bij hem in dienst was als slagersknecht, regelmatig na het werk hele gesprekken gevoerd. Diepzinnige gesprekken, over van alles en nog wat. Gesprekken zoals vader en ik nooit hadden. Toen ik daarover eens iets tegen moeder zei, antwoordde zij dat vader mij niet mocht, omdat ik naar haar vader was vernoemd, die hij ook niet mocht. Tja, en dat nam je dan maar zo…”

Ik schuif de papieren in het mapje. Hij nam het maar zo en is verder gegaan met zijn leven. Toch moet het invloed op hem hebben gehad.
Maar ondanks deze slechte ervaring (of misschien zelfs juist daardoor), is hij altijd een sociaal mens, een liefhebbende echtgenoot, een goede vader, een fijne opa en een trotse overgrootvader geweest.

En daar ben ik hem dankbaar voor.

De Trouwfoto

Achtentwintig jaar is ze. Het is vrij laat om te trouwen, maar daar is de oorlog schuld aan. Haar man is vijfentwintig. Haar ouders zijn beide vijfenvijftig, haar schoonouders ook. Het is een mooie herfstdag. Het leven lacht hen toe.

Ze wist al lang dat hij gek op haar was. Wist hij het ook van haar? Vast wel. Maar een huwelijk zou er wel nooit van komen, vreesden ze allebei. Twee volkomen verschillende milieus, dat kon toch niet samengaan?! Tijdens bijeenkomsten van de jongerenvereniging van de kerk, ontmoetten ze elkaar. Dan trokken ze met elkaar op en organiseerden activiteiten en uitstapjes. Gedreven mensen, zo jong al.

Toen kwam de oorlog roet in het eten gooien. Ze zagen elkaar minder vaak. Hij zat in het verzet, dook geregeld onder wanneer hij weer voor een gevaarlijke klus was gevraagd. Ook bij haar thuis waren de broers actief. Nee, het was te gevaarlijk om contact te hebben. Bovendien kwamen ze nog niet bij elkaar over de vloer; het was nog steeds een geheime verliefdheid.

Ook dit soort verliefdheden kunnen overleven. Toen de oorlog voorbij was, moest het er dan toch echt van komen. Hij wilde om haar hand vragen, maar zo makkelijk was dat niet. Dat moest met beleid worden aangepakt. Hij kende haar ouders goed genoeg om te weten dat er veel bezwaren konden worden gemaakt. Vooral haar moeder wilde haar stand ophouden.
Maar haar tante, een paar dorpen verderop, zou nog wel eens een goed woordje kunnen doen. En die zag dat stel wel zitten. Zij handig, zuinig, praktisch, zorgzaam, hij een denker, ambitieus, sociaal, humoristisch. Ze zouden elkaar aanvullen. Een stevige basis voor een leven samen.

Voordat hij de stoute schoenen zou aantrekken, ging tante haar best eens doen. En met succes. Haar ouders waren wel te overtuigen geweest. Niet in de laatste plaats omdat hun aanstaande schoonzoon een actief lid was van de kerk. Haar vader kwam er al snel achter dat er met deze man diepzinnige gesprekken te voeren waren. Met hem kon hij filosoferen over het geloof, de bijbel en het leven.

De datum van het huwelijk werd vastgesteld. Van het geld dat ze zo goed en zo kwaad als het ging hadden gespaard tijdens de oorlog, kon er een eenvoudige uitzet worden aangeschaft en toen er ook inwoning mogelijk bleek bij een dominee, werden er meubels gekocht. Alles wat zelf gemaakt kon worden, zoals lakens, slopen en zelfs de trouwjurk, werd door haar met veel liefde en aandacht op de handnaaimachine vervaardigd.

En hier staan ze nu. Nog beduusd van alle plechtigheden laten zij zich fotograferen in de tuin achter het huis van haar ouders.

Ik bekijk de foto nog eens goed. Mooie mensen zijn het, mijn toekomstige ouders. Jong en verwachtingsvol na de vijf moeilijke jaren. Aan de gezichten van mijn grootouders te zien, is het nog niet direct een vrolijke boel. Er is te veel gebeurd; het leven is zwaar.
En bovendien hebben alle drie de vrouwen het zojuist weer te horen gekregen in de kerk: “Gij vrouwen, weest uwen eigen mannen onderdanig, gelijk den Heere, want de man is het hoofd der vrouw.”

Zo is het bij ons nooit gegaan. Mijn ouders waren vastbesloten om hun leven anders vorm te geven. Ze waren totaal verschillend, maar aan elkaar gewaagd. Ze hebben zich weten te ontworstelen aan het kleine dorpse leven, in letterlijke en figuurlijke zin. Ze hebben het goed gedaan, wij kinderen hebben het goed gehad.
Dat zou ik ze nu nog wel eens willen zeggen, maar helaas. Dus dat doe ik dan maar in stilte.

Op dit moment heb ik alleen nog maar een vraag: Ik zou zo dolgraag willen weten wie die twee vrouwen zijn, die, links op de foto, dit hele schouwspel van een afstandje, over de heg heen, staan te bekijken… En, zou de fotograaf ze hebben gezien?

Brief aan mijn moeder

Mam, in stilte feliciteer ik je vandaag. Stel je toch eens voor! Dat je nog leefde! Dan zou je nu 101 jaar geworden zijn. Dat had je misschien wel gewild, maar dan in goeden doen. Oud worden was al niet je favoriete bezigheid, dus nog grijzer, nog meer rimpels, nog minder goed zien, nee, dat was voor jou geen optie geweest.
Die laatste anderhalf jaar van je leven was wat dat betreft helemaal geen pretje, na die eerste hersenbloeding, doordat je slechter liep, moeite had met het gebruiken van je rechterhand, sneller moe was, vergeetachtig werd. Ach, we begrepen allemaal maar al te goed dat het heel moeilijk voor je was. En je wist het waarschijnlijk zelf wel, je zou geen honderd-en-een worden. Zelfs geen negentig. Maar bijna vijfentachtig is een mooie, respectabele leeftijd.

Wat vond ik het moeilijk je te zien vechten, in jouw laatste uur op die winterse ochtend in februari. En ja, het spijt me, maar ik ben even weggelopen. Ik kon het niet aanzien. Jij, die sterke vrouw, die nooit iets mankeerde – althans, je liet het waarschijnlijk niet merken – die altijd gewoon doorging, altijd bezig was, altijd bezig moest zijn, snel-snel. Maar je hebt vast wel gemerkt dat ik weer terug kwam. En dat ik erbij was toen het opeens heel stil werd, daar in dat ziekenhuisbed.

Ze zeggen dat, wanneer je dood gaat, je hele leven aan je voorbij trekt. Kan zijn. Maar terwijl jij lag te sterven, trok mijn hele leven met jou aan mij voorbij. En werd ik me van jouw intense zorgzaamheid bewust, die ik nu voorgoed zou gaan missen. Zoals wij alles zouden we gaan missen.

Wat hebben wij toch geboft met zo’n moeder. Moeder geworden in de moeilijke jaren na de oorlog. In die tijd koos je daar niet voor, het gebeurde. Je moest zien rond te komen met weinig geld, maar niemand zal het aan ons hebben gemerkt. Jij wist van niets iets te maken. Letterlijk en figuurlijk. Oude truien werden uitgehaald en je breide er voor ons nieuwe leuke kindertruien van. Jassen werden gekeerd, zodat er weer jasjes voor ons van konden worden gemaakt. Zuinigheid met vlijt… We aten gezond: bij jou stond het eten niet uren te pruttelen. En het huis was altijd schoon. Reinheid, rust en regelmaat. Jij leerde dit van je ouders, op school, in de praktijk en wij kregen dit motto, onbewust, met de paplepel ingegeven.

Ja, zul je zeggen, nu weet ik het wel. Tijdens de uitvaartdienst kwam dit ook al allemaal ter sprake. Over de doden niets dan goeds. Vertel eens iets nieuws. Waar blijven de negatieve kanten? Is er niet iets te vertellen dat ik nog niet weet?
Ja! Daarom, mam, schrijf ik je nu ook. Nee, ik ga het niet over de negatieve dingen hebben, je vervelende eigenaardigheidjes. Waarom zou ik. Het heeft geen zin; er verandert niets door. Ook niet mijn warme gevoel voor jou.
Wel wil ik je zeggen dat ik je waarschijnlijk te kort heb gedaan. Heb ik je goed genoeg gezien? Heb ik je goed genoeg begrepen? Heb ik genoeg van je gehouden? Ik ben bang dat ik hopeloos tekort ben geschoten. Excuses genoeg, maar hoe moet ik dat nu nog rechtzetten? Lezen jullie daar boven ook? Dat hoop ik maar!

Als ik mijn kleindochter zie lachen dan zie ik jou. Jij kon van zoveel zaken de humor inzien, als je hoofd vrij was. En dan schaterde je net zo als zij dat kan. En weet je nog dat je eens vertelde dat een klasgenootje van jou zei: “Wat lach jij, maid, ik ken so in je keel kaike!” Dat platte taaltje, dat vond je geweldig om na te doen. Maar wij spraken ABN. Laat dat gezegd zijn.
Je was een kei in het onthouden van opvallende uitspraken van anderen om die, als het zo uitkwam, te gebruiken. Nadat ik jou het liefdesbriefje van mijn allereerste vriendje had laten lezen, viste jij daar een zinnetje uit dat later in allerlei situaties van pas kwam. Mocht ik kiezen wat we zouden eten bijvoorbeeld, dan was het: “De keus is geheel aan jou.” Dat was leuk; dan wisten we allebei waar het over ging. Goede herinneringen!

Je was over het algemeen een vrolijke vrouw, maar ik weet dat er ook verdriet aan jou kleefde. En dat schrijf ik met opzet zo op. Zo voelde het. Het verdriet was er, maar het overspoelde je niet helemaal. Je bleef altijd overeind. Slechts een keer heb ik je zien huilen van diep verdriet. Was dat toen je die miskraam had gehad?

Ik had je veel beter willen kennen, denk ik af en toe. Maar het is misschien wel het lot van ouders en kinderen dat dat niet zo is, dat je elkaar maar voor een deel echt kent. Of is dit soms specifiek iets van moeders en dochters? En weten we niet alles omdat we ons hele leven bezig zijn om van elkaar los te komen? Hebben we het daar zo druk mee, dat we alle gevoelens, alle eigenaardigheden van de ander er niet bij kunnen hebben? Of dat niet willen? De handen vol aan onszelf?

Jij zou hier ook weer nuchter op antwoorden dat het ook gewoon geen zin heeft om zo diep te graven. We hebben van elkaar gehouden, jij van mij en ik van jou. En zo hoort het ook en dat is misschien wel genoeg. Misschien. Ik twijfel nog, zoals je merkt.

Rest me nog om je te zeggen dat ik veel van je heb geleerd. En dat ik dat nog steeds in de praktijk probeer te brengen, al lukt dat soms niet zo goed, omdat ik ook een kind van mijn vader ben. Dan weet jij genoeg!

Stel nu dat ze ook aan verjaardagen doen, daarboven. Dan hoop ik dat vandaag je stoel is versierd met heerlijk geurende lathyrus. En dat er een lekker glaasje wijn voor je klaarstaat en een gouden schaaltje met die kaaswafeltjes waar je zo dol op was.

Proost mam, op je verjaardag!

Opgescheept?

Jaaa, daar zijn de nichtjes weer!
Op een mooie zonnige zondag, zo’n dag waarop het nog zomer is, maar waarop je de herfst al ruikt. We zien elkaar niet elke week, ook niet elke maand, maar nu zat er wel erg veel tijd tussen de laatste bijeenkomst en deze.

We komen in Delft bij elkaar, bij oudste nicht A. En binnen de kortste keren zitten we aan de koffie. Zo hoort het ook in een v.O.-familie. M verwent ons met een heerlijk krokant taartje van Maison Kelder.
Zij heeft trouwens ook de lunch verzorgd, omdat A nog niet zo goed ‘uit de voeten kan met haar nieuwe heup’. Uiteraard worden de kosten hoofdelijk omgeslagen, want zo is die v.O.-familie natuurlijk ook. Er komt een oude foto en dito brief tevoorschijn, door A opgeduikeld. Mochten we al gevreesd hebben dat het gesprek niet zou vlotten, dit is een prima aanleiding om het te hebben over de keurige handschriften van onze ouders. En over het schijnbaar moeiteloos produceren van leuke en goed leesbare teksten. Het levert vijf trotse dochters op.

Waarover spreken zij nog meer, daar rond die tafel? Tussen de lachsalvo’s door?
Over de enige tante van de familie, de moeder van jongste A, herstellend van een gebroken heup. Het valt niet mee om weer volledig op krachten te komen. Maar toch, still going strong op haar vijfentachtigste!
Over vakantie. We bewonderen de prachtige foto’s die in Afrika zijn gemaakt door M. (Ik wil nog graag een keer het hele album zien!).
Over kinderen en kleinkinderen. Heel spannend dat M binnenkort oma wordt.
Over werk en pensioen.
Over veranderende lijven en kleding, uiteraard. Over schoenen. Over laptops die je op je tenen kunt krijgen, zodat je je gloednieuwe pumps noodzakelijkerwijs maar weer opbergt.
Over gezondheid en over eten; het verschil tussen de pakketten van Hello Fresh en kant-en-klare magnetronmaaltijden.
En over het geloof; van twee kanten komt de vraag: “Wie bezoekt er nog een kerk?” We zijn van huis uit allemaal met het geloof opgevoed en opgegroeid; kan ieder van ons zich daar nog in vinden? En hoe dan? Zouden onze opa en oma erg teleurgesteld zijn in ons? Tja. Een boeiend gespreksonderwerp. Misschien kunnen we daar nog eens dieper op ingaan, bij een volgende ontmoeting.

Het brengt ons bij het eigenlijke doel van deze nichtjesdag: het organiseren van de familiereünie. Plannen en afspraken worden gemaakt en een datum geprikt. Dat betekent dat ‘het werk’ voor vandaag erop zit. Tijd voor (nog meer) ontspanning.

Vanaf acht hoog hebben we het al gezien: daar in de verte installeren mensen zich voor het op handen zijnde ‘Westlands Varend Corso’. Zo dichtbij? Dan willen we ook wel even gaan kijken. Het maakt de middag extra feestelijk, hoewel het jammer is voor oudste nicht, die dat stuk lopen nog niet ziet zitten. Nicht G is zo lief om haar gezelschap te houden en het spektakel, voor zover mogelijk, van bovenaf te bekijken. Wij drieën spoeden ons naar de vaart en genieten een tijdje van al het moois dat langs komt varen.

We laten de andere twee natuurlijk niet al te lang alleen. Trouwens, ook de lunch wacht. Heerlijke soep en broodjes, fruit en wijn.
We lachen ons snel door de afwas heen en dan waaieren we weer uit.

Onderweg dringt het gezegde zich op: Je vrienden kies je, met je familie zit je opgescheept.
“Nou, opgescheept”, denk ik, “deze meiden zou ik stuk voor stuk als vriendin kiezen.”
Maar gelukkig hoeft dat niet meer. Ze zijn het al!

——————————————————————————————————————-

Om verwarring te voorkomen: De volgorde van de nichten van ‘oud’ naar jong: A, G, C, A, M. De jongste A is dus niet ook de jongste nicht.
Met dank aan Oma Johanna, die uiteraard vernoemd moest worden, wat leidde tot drie A’s! De jongste nicht van ons groepje heb ik M genoemd, omdat zij dat zelf ook vaak doet. 🙂

Betrapt

DSC00136

Het is zo’n dag om naar een oud huis te gaan
Aan een rustig pleintje aan de rand van de stad
Waar geen kinderen meer spelen
Doodleuk omdat ze er niet meer wonen
Een oude buurt met alleen nog oude mensen

En dat je weet
Dat er twee mensen zitten voor het raam
Zogenaamd verdiept in krant en boek
En dat zij bij elk geluid van buiten
Hoopvol opkijken en glimlachen naar elkaar
Betrapt, allebei

Dat je dat weet, terwijl je de laatste
Bochten neemt

En dat er dan een frisse groene plant
In de vensterbank staat
En het Chinese beeldje

En dat je weet dat ze direct naar de voordeur komen
Open doen
En vragen
Heb je een goede reis gehad?

En dat je dan zegt
Ja het ging sneller dan anders
Geen file

En dat je denkt tijdens de koffie
Kon dit maar duren
Was ik maar weer kind
Stond mijn bed hier nog maar

Zo’n dag

De woorden vinden

DSC09706Lieve pa,

Ruim een week geleden zou je jarig zijn geweest. Ik heb, uiteraard, aan je gedacht. En aan hoe wij vroeger de verjaardagen vierden.

Altijd was het warm. Daar had je een hekel aan. Maar op de patio was het goed te doen. In gedachten kom ik weer aanrijden en parkeer, op jouw advies, aan de overkant van het pleintje. Daar zal de eerste schaduw komen, dan blijft de auto koel. De goed verzorgde voortuin showt zijn overdaad aan bloemen. Straks laat je het zonnescherm zakken.

De vertrouwde geur als de voordeur open gaat. Warme begroeting. Goede reis gehad? Ik leg mijn sleutels op het glazen haltafeltje met de gekrulde metalen pootjes. De kamerdeur gaat open, vertrouwd geluid, en ik kijk door de eetkamer heen recht in de keuken waar mam het koffiezetapparaat heeft aangezet. Op het theeblad staan de kopjes klaar. Het tinnen suikerpotje. Het zestiger-jaren gebakstel op de keukentafel. Vanochtend vroeg heb jij de bestelde gebakjes bij de bakker opgehaald.

De rotan bank op de patio ziet er uitnodigend uit met de vrolijk gekleurde kussens. Op het tafeltje een geborduurd kleedje. Het tuinbeeldje in de hoek. Begonia’s in de border. Alles netjes.

De stemming is goed. We zijn blij elkaar te zien. Bloemen voor mam. Jij pakt het cadeau uit. Natuurlijk een boek. En niet zomaar een. Vroeger zei je oudste zoon al ‘dat jij altijd God-boeken las’. Het moest wel ergens over gaan; religie, filosofie, evolutie.

Voor deze verjaardag – je zou drieënnegentig zijn geworden – heb ik weer een boek voor je gekocht. Ik weet zeker dat je het graag had gelezen. Nu lees ik het. Met jou in gedachten. Je zei wel eens: ”Om dit soort boeken te begrijpen, moet je wel wat ouder zijn.” Zover is het nu.

In dank, je dochter.

——————————————————————————————————————-

Dit is een tekst in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato (Hier kun je meer leuke, spannende, bijzondere WE-verhalen vinden). Het werkt als volgt: Schrijf een tekst van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: gedenken.

Lees ook: Sterven in juni

Zo’n ochtend

sterappel

Het is zo’n dag waarop
Bij het ontwaken
De sterren steels verbleken
En de maan verdwijnt
De zon, nog net niet op
Blijk geeft van haar verschijnen
En de tortel in de verte
Zijn liedje steeds niet
Tot een kloppend einde brengt

Ik denk aan haar
Zij was mijn moeder
Gewoon zoals een moeder hoort te zijn
Maar heb ik haar gekend?
Wist ik wat haar bewoog?
Ik dacht het wel te weten
Dochtersovermoed

Op zo’n zelfde ochtend
Als vandaag
Sloot zij haar toekomst af
Haar geheimen
Nam ze met zich mee
En liet ons achter met de vraag
Of het geluk haar had gekend
En vice versa

Vertel nog eens…..

Een foto met een verhaal (3)

img070

Het fotoalbum laat alle foto’s los; de lijm is verdroogd. Het is zo’n album uit de zeventiger jaren. Nadat de foto’s op het lichtgegomde blad zijn gerangschikt, bedek je ze met het folielaagje, dat je eerst hebt teruggeslagen. Zo blijven ze mooi op hun plaats en er komen geen vieze vingers op. Ja, dat moesten we vroeger vaak horen: ‘Niet met je (vette) vingers op de foto’s!’ Kostbaar waren ze, toen nog. Dat is wel veranderd sinds de komst van de digitale fotografie.

Een van de foto’s die op de grond terecht zijn gekomen, trekt mijn aandacht. Geen foto, maar een ansichtkaart. In het bovenste witte randje zit een punaisegaatje. Waar zou hij gehangen hebben, vraag ik mij af. Het is een luchtfoto. Gezien de datering op de achterkant, is dat wel bijzonder. Op de adresseringslijntjes staat: Stichting “Rosenburg”, 1 Augustus ’39 – 31 October ‘39
Op de voorkant staat onder de foto: Stichting “Rosenburg”, Loosduinen. En: KLM Foto Copyright No 10401

Wat doet deze kaart in een fotoboek met voornamelijk trouwfoto’s van broers en zusters van mijn vader? Waarom heb ik hem nooit eerder gezien? Gelukkig is het gegeven niet helemaal onbekend. Als wij vroegen: “Ah, pap, vertel nog eens over vroeger?”, dan vertelde hij soms over die periode in zijn leven, over zijn werk bij de Stichting Rosenburg. Het lokte de nodige hilariteit uit, bij ons kinderen, maar altijd vertelde mijn vader met respect over de mensen waar hij in die tijd mee te maken had. En hij vond het belangrijk ons dat mee te geven. Hij hield van het werk en hij hield van de mensen. Het werd in die tijd nog een krankzinnigengesticht genoemd. Nu zou je dat niet meer in je hoofd halen. Als ik aan zijn spaarzame verhalen terugdenk, komen ze overeen met de beelden uit de film ‘One Flew Over The Cuckoos Nest’.

Wat hij toen niet vertelde, kwam pas tegen het eind van zijn leven ter sprake. En veel woorden wilde hij er ook niet aan vuil maken.

We zaten in zijn kamer in het zorgcentrum. Ik vroeg: “Pa, vertel nog eens iets over je jeugd, over vroeger?” En hij: “Jij hebt toch mama’s naaibox gekregen? Heb je daarin die zilveren naaldenkoker gevonden?” Ik begreep niet goed waar hij heen wilde; wat had dit nu met zijn jonge jaren te maken. “Weet je nog, dat ik wel eens over Rosenburg vertelde? We verzorgden niet alleen de zieken, we deden nog meer. We verborgen er Joden. En we zorgden ervoor dat ze goed wegkwamen, op een vertrouwd onderduikadres. Eén van die mensen was de heer P. Jaren na de oorlog, ergens in de zeventiger jaren, is hij bij ons aan de deur geweest. Hij had mij opgespoord – wat niet eenvoudig was, vanwege al onze verhuizingen – en kwam ons uit dankbaarheid een zilveren naaldenkoker brengen”. Ik keek hem met open mond aan. Dit was nieuw. Spannende verhalen over zijn jaren bij het verzet hadden we vaak gehoord (daar konden we geen genoeg van krijgen), maar dit…

DSC08227

Pas nu ik de tekst in zijn zwierige handschrift op de achterkant van de ansichtkaart lees, realiseer ik mij dat hij toen nog maar achttien jaar was. En dat hij ook toen al graag notities maakte van belangrijke data.

Toch bijven er nog vragen:
Wie zou die kaart opgeprikt hebben? En waar? En wanneer?
Maar vooral: waarom had hij ons dit verhaal bijna onthouden?

img069

Lees ook:
Een foto met een verhaal: http://wp.me/p36K0e-2E
Een foto met een verhaal (2): http://wp.me/p36K0e-5a

Sterven in juni

Waarom zou je sterven in juni? Na de voorzichtige start in mei is de natuur nu echt op dreef. De zon heeft zijn grootste kracht; de dagen zijn zo lang als het maar kan. Een zoele wind voert de zoete geuren van de zomer mee. Het leven is vol beloften.

Maar er sterven mensen in juni. Mijn vader stierf in juni. Met een gelukzalige, tevreden glimlach op het bleke gelaat. Klaar met het leven, dat er niet makkelijker op werd. Goed geleefd; zo goed mogelijk. Naar eer en geweten. Alle talenten benut. Een huwelijk met ups en downs, maar liefdevol. Drie kinderen met toewijding groot gebracht. Vijf kleinkinderen liefde en aandacht gegeven. Drie achterkleinkinderen vertederd op schoot genomen.

Een leven met mensen. Met God. Met boeken. Filosofisch, sociaal, intelligent, betrokken. Verwondering. Bewondering voor alles wat leeft. De natuur als leidraad. Het boerenleven als ideaal. Maar alles met een knipoog; humor is een groot goed.

Mijn vader stierf in juni. De maand van volop leven. De maand van groei en bloei. De oogst al zichtbaar.
In de moestuin laat ik mijn gedachten de vrije loop. De schrepel die hij in zijn tuin gebruikte in de hand, het onkruid te lijf. Ik leg bonen, aard de aardappels aan. Zaai wortels naast uien. De vragen die ik hem nog had willen stellen worden woordeloos uitgesproken. Doe ik het zo goed? Antwoord komt altijd. Het stemt me dankbaar.

Het is niet makkelijk
Te sterven in juni
Terwijl
Het leven uit zijn voegen barst
Maar je weet
Dat het klaar is
Je schikt je in het
Onvermijdelijke
Je geeft je over
Je laat je gaan

En wij verstild
Nu definitief
Op eigen benen
Goed toegerust
Maar toch
De eerste stappen
Onwennig en onvast

Not April is the cruelest month
But June

En vader, weet je nog
Van toen
Die dag dat je mij
Mijn ware naam onthulde
Op een stukje papier
Gescheurd van de krant
In jouw vertrouwde
Verzorgde handschrift
Een document

Nooit zo genoemd
En toch
Een beetje opnieuw geboren

DSC07855

In memoriam Johannes
10 juli 192121 juni 2010

Vissen

DSC06470

Zomerse dag
Stilte
Een zachte bries
De koeien loom in de wei
Buiten is het goed

Mijn vader
Was hij toen al mijn vader?
Karakteristiek:
De mouwen opgerold
De stropdas thuis gelaten
Horloge om de pols
De hengel losjes in de hand

Staren en denken
Levensvragen dobberen
Op het gladde water
Wie bijt?
Wat haal je op?

Je intens gelukkig weten
Mens te zijn
Hier en nu

Beet!