Turkse cinema!

Vijftig jaar geleden maakten we liftend een rondreis door Turkije. Dit is het derde deel van het verslag en een vervolg op: Naar Turkije! en En dan naar Izmir!

Na een middag tomaten sorteren en in kisten pakken, besloten we dat één nacht in het burgemeestershuis logeren wel genoeg was. Er was verder niet veel te doen en een gewoon gesprek voeren zat er uiteraard niet in. Bovendien hadden we het plan om nog naar Ankara te liften en dat was niet naast de deur. Dus bij de avondmaaltijd deelden we, zo goed en zo kwaad als het ging, mee dat we de volgende ochtend weer wilden vertrekken: “Demain partir.” Hoewel de burgemeester enigszins teleurgesteld keek, was het waarschijnlijk ook een opluchting. Ze hadden hun bed aan ons afgestaan en wij vonden dat eigenlijk wel een beetje gênant. Bovendien werden er voortdurend lekkere hapjes aangedragen. Afslaan was onbeleefd, hadden we zo langzamerhand wel geleerd, maar waar moest je het allemaal laten? En ook zij kregen waarschijnlijk wel genoeg van het ‘praten met handen en voeten’ en het kleine beetje Frans. “Bien”, zei hij snel, “maar vanavond wij naar cinema.” We hadden geen idee wat hij bedoelde. Er was toch geen bioscoop in dit godverlaten gehucht? Maar goed, we zouden wel zien.

Na de avondmaaltijd viel de nacht al snel in. De vrouwen trokken zich terug in huis en de mannen maakten zich klaar voor de feestavond in de cinema. Dat betekende dat ze handen en gezicht wasten bij de waterput. Toen konden we gaan. Inmiddels was het pikdonker, maar zij kenden de weg uiteraard, dus wij volgden.

Een onvervalste Turkse nacht. Nog steeds was het warm. De vage geur van houtvuren verspreidde zich over het land. De kreet van een vogel verscheurde heel even de stilte. De mannen fluisterden; zouden ze het over ons hebben? Een lauw briesje stak op en ritselde door het korenveld. In de verte doemden lichtjes op.

De plaats van bestemming bleek een oude houten schuur met een kleine verhoging als podium. Voor de bezoekers stonden er houten stoeltjes. Achter een verveloze tafel, die ooit blauw was geweest, inde een oude Turk met een groen mutsje het entreegeld. Er werd voor ons betaald. We hadden geen idee wat dit vermaak kostte. En ook nog steeds niet wat het vermaak zou zijn.

“De zaal” stroomde snel vol. Vol mannen. Die hadden zich hier kennelijk al tijden op verheugd. Handenwrijvend keken ze vol spanning naar het podium. Gelukkig hoefden ze niet lang te wachten. Muzikanten namen plaats en daarna kwam onder luid applaus een beeldschone vrouw naar voren. Ze lachte naar de mannen, strekte haar armen naar ze uit, schudde haar donkere haar, en de kwastjes, die op twee strategische punten op haar blouse waren bevestigd, deden vrolijk mee. Ze barstte los in een helder gezang. In het zachte licht van de lampjes glansde haar soepele groene rok sprookjesachtig toen zij haar heupen draaide en haar buik liet trillen. Dit was dus de cinema! Ze draaide, wiegde, danste, lachte, en zong het ene lied na het andere. Het publiek reageerde extatisch! De burgemeester keek ons met een vette grijns aan: vonden we dit net zo mooi als hij en zijn kornuiten? We knikten vol overtuiging.

Na de pauze was het tijd voor verzoeknummers. De mannen die er geld voor over hadden, stopten dit in haar boezem, die de zangeres hiervoor genereus aanbood. Ze fluisterden haar in het oor wat ze graag wilden horen. Ze knikte, lachte haar allerliefste glimlach, schudde haar borsten en zweepte het publiek op met haar dans, haar zang, haar gebaren en haar blik.

Wij genoten omdat het zo echt, zo mooi, zo authentiek was. Geen toeristisch optreden, geen verplicht nummer. Onvervalst volksvermaak. Maar we genoten vooral van het publiek, dat er zo intens in opging.

De volgende ochtend werden we al vroeg gewekt door de vrouw des huizes die voor de slaapkamerdeur in haar handen klapte. Na een ontbijt van vers brood, zoete thee en geurige tomaten werden we met een ezelskar naar de autoweg gebracht. Van hieruit zouden we proberen zo snel mogelijk in Ankara te komen. We bedankten hartelijk voor de gastvrijheid. De heerlijke tomaten, die ons nog waren toegestopt, knoopten we in onze theedoek. Voor onderweg.

Op naar het volgende avontuur. De lange weg naar Ankara.

——————————————————————————————————————-

Dat de foto’s, en vooral die van de vrouwen, zo vaag zijn, komt doordat hij van heel veraf is genomen en wij in die tijd niet over een telelens beschikten. Veel mensen, en zeker de vrouwen, wilden pertinent niet gefotografeerd worden, dus probeerden wij het zo. Met het afdrukken vergrootten we een deel, maar echt scherp werd het dan dus niet. Toch geeft het wel een aardige indruk. Vind ik…
Wat is er in vijftig jaar tijd veel veranderd!

En dan naar Izmir!

Over een dolmuş, een geit en een verzonken stad.
Vervolg op: Naar Turkije!

We hadden Istanboel wel zo’n beetje gezien. Dus gingen we, volgens plan, richting Izmir. Met een dolmuş reden we vanaf het centrum naar de rand van de stad. Daarna kregen we eerst enkele korte liften. Veel Turken vonden het wel interessant om buitenlanders mee te nemen in de auto. Zo konden ze hun talen een beetje oefenen. De oudere Turken, daar kwamen wij al snel achter, spraken bijna allemaal een mondje Frans. De veertigers oefenden zich suf op Duits. Met het oog op hun toekomst als gastarbeider (ja, dat mocht je toen nog gewoon zeggen) in Europa. Uiteraard gold dit alleen voor de mannen.

Halverwege kregen we een lift in een oude stadsbus, die voor dat doel al lang niet meer diende. Dat het een oud beestje was, merkten we tegen de avond. Na enig onheilspellend gepruttel en gebonk hield de motor er abrupt mee op. Iedereen bemoeide zich ermee, maar niemand wist wat te doen. De nacht viel snel in en er was geen enkele kans meer op een andere lift. Het was stikdonker op de weg en er reed niets meer.
We zeiden dus geen nee tegen de uitnodiging om maar in de bus te gaan slapen en de volgende morgen te zien wat er verder zou gebeuren. Behalve de chauffeur reed er nog een stel boeren mee. Op weg naar de markt, vermoedden wij, gezien de kisten en dozen tomaten, uien, pepers en aubergines die her en der in de bus stonden. De geit kon buiten blijven, aan een touw. Midden in de nacht, waarin ik toch al niet echt lekker ontspannen sliep, moest ik met alle macht en door flink te meppen diverse handen van me afhouden. Mijn vriend had al leren schelden in het Turks en dat kwam enorm goed van pas. De rust keerde weer, maar ik deed geen oog meer dicht.

De volgende ochtend stonden we al vroeg aan de kant van de weg. De man die met zijn oude amerikaan stopte, maakte ons duidelijk dat we konden meerijden tot Izmir. Een buitenkansje.
Hij bleek burgemeester te zijn van een klein dorpje vlakbij Izmir, waar hij de eigenaar was van de waterput. Als we wilden, waren we van harte welkom om een paar dagen bij hem en zijn gezin door te brengen. We namen de uitnodiging graag aan, maar eerst wilden we nog wat van de ruïnes van Izmir zien en al gauw stapten we uit. We beloofden om diezelfde dag nog naar hem toe te komen.

Zon, rust en stilte. Het hete zand trilde van de warmte. Terwijl we de weg overstaken naar de baai, kwam een rode eend de bocht om en door het open dak hoorden we een onvervalst gvd schallen. En wij maar denken dat we de enige Nederlanders waren in dit exotische, zonovergoten land.

We slenterden langs de baai. Al snel hadden we door dat er iets bijzonders te zien was in het kabbelende water. Keien, brokken steen en… muren. We zetten de bagage in het zand en liepen door het lauwe water over een oude stadswal. Zeewier wiegde zachtjes heen en weer. Kleine visjes zwommen rond onze voeten. Het licht speelde met de golfjes. Dit was geluk! We maakten foto’s; we hadden niet voor niets vier Ilford-rolletjes van zesendertig opnames meegenomen.

De man die naar ons toe kwam, was netjes gekleed: grijze terlenka broek, wit overhemd. Hij riep vanaf het strand. Het vreemde gebaar dat hij maakte – hij zwaaide met zijn rechterhand alsof hij ons wilde duiden verder weg te lopen – hadden we gelukkig al eerder iemand zien maken, zodat we wisten dat het betekende dat we juist naar hem toe moesten komen. In zijn beste Frans en met handen en voeten deed hij een heel verhaal. Hij was projectontwikkelaar begrepen we, een beroep in opkomst. Hier aan deze baai zou hij grote hotels laten bouwen. Voor het toerisme. En hij wilde een luxe folder laten drukken. Met foto’s. En of wij misschien zo vriendelijk wilden zijn…? Hij zou de prijs van het fotorolletje betalen en we kregen een maaltijd op zijn kosten.

Nadat hij de precieze plek had aangewezen en ons had verteld van de verzonken stad, waarvan we al over de muurtjes gelopen hadden, maakten we wat foto’s. We zorgden ervoor de baai mooi uit te laten komen. Zwart-wit, dat wel. Maar dat vond hij prima. Verder liet hij het aan ons over en hij voegde zich bij zijn compagnons in het theehuis. Hij zat er gelukkig nog toen we na een half uur terug kwamen. We overhandigden hem het rolletje. En wij kregen thee en een maaltijd. Daarna bracht hij ons met zijn auto naar het naburige dorp.

Naast de waterput stond inderdaad een landelijk huis. We liepen er omheen en daar zagen we een groep mensen bezig tomaten in kisten te pakken. De burgemeester begroette ons uiterst vriendschappelijk, alsof we elkaar al jaren kenden en stelde ons met trots voor aan de anderen, zijn vrouw, kinderen en personeel. Toen kregen ook wij een stapel kisten om te vullen. Daar zaten we, in het gras, in de schaduw van de moerbeibomen. De tomaten geurden zoals we nog nooit hadden geroken. Wat was het heerlijk ontspannend om zo gedachteloos bezig te zijn. Het voelde alsof we nooit iets anders hadden gedaan.
Het kweekschoolexamen lag al eeuwen achter ons. Daar hadden we al tijden niet meer aan gedacht. Dit was pas leven!

Zo voegden we weer een aantal verrassende ervaringen toe aan onze toch al bijzondere vakantie.
En nooit had ik gedacht dat ik daar vijftig jaar later nog eens een blog over zou schrijven.

Wordt vervolgd.

Naar Turkije!

Vijftig jaar geleden trokken we liftend naar Turkije. Thé place to be. Onze ouders zullen best in de rats hebben gezeten; zowel wat betreft de manier van reizen als de bestemming. Wij waren negentien en zagen geen gevaar. Sterker nog, dit was avontuur van het zuiverste water. Wij konden straks vertellen hoe het was daar, in dat verre exotische land.
Driehonderdvijftig gulden hadden we gezamenlijk verdiend met vakantiewerk en dat bedrag moest volstaan om drie weken vakantie te vieren. Zo niet, dan zouden we wel wat werk zien te vinden.

In een lege touringcar – onze laatste lift – reden we, via de grauwe, unheimische, streng bewaakte grenspost Edirne, Turkije binnen. De bestemming van de bus was een hotel in het centrum van Istanboel, waar Oostenrijkse vakantiegangers moesten worden opgehaald. De vraag werd al snel in gebroken Duits gesteld: willen jullie werken in het hotel? Voor kost en kamer? Groot gebrek aan personeel was een voortdurend probleem. Dat kwam goed uit. Na een nacht op een keihard bed, voorzien van niet al te schoon beddengoed (we zouden de volgende dag al ontdekken hoe dat kwam) en na ons “gewassen” te hebben onder een roestkleurig haperend straaltje (de douche was nu nog kapot, maar morgen was er misschien weer warm water) togen we na een ontbijtje van brood en jam aan het werk. Bedden afhalen en de lakens opstrijken. Heel goor werk, omdat ze van het bed rechtstreeks op de strijkplank belandden; de gasten hadden leuke nachten gehad. ’s Avonds schonken we, in de bar op het dak, biertjes in voor luidkeels van heimwee zingende Oostenrijkers.

Als er overdag plaats was bij een excursie, mochten we mee. Zo kwamen we onder andere in het Topkapi museum en zagen we de Blauwe Moskee en de Aya Sophia. We struinden door smalle steegjes. Aaiden schurftige katten. Zagen wat armoede was. Op de bazaar genoten we van geluiden, geuren en kleuren en lieten ons de maat nemen. Nog steeds moet ik daar bij een aardige kleermaker een groen leren jasje ophalen………

Toch wilden we verder. Het werk werd vervelend. Het personeel was heel aardig, maar ook wel wat opdringerig. De koks, Ali en Mehmet, stopten ons voortdurend vol met lekkere hapjes; zij vonden ons veel te mager. Maar we kregen er toch genoeg van. We wilden meer zien van het land. We hadden nog maar twee weken. Daarna zou ik me moeten gaan voorbereiden op mijn eerste baan voor de klas.

Naar Izmir, was het plan. Het was niet moeilijk om een lift te krijgen, integendeel, de ritjes werden ons vaak opgedrongen. Dat kwam natuurlijk ook goed uit, maar voor ons hoefde het ook weer niet al te snel, we wilden eerst deze bijzondere ervaring verwerken.
We reden in relaxt tempo met ezelskarren, sukkelden over de weg in stokoude taxi’s, brachten zelfs een nacht door in een gammele lijnbus, toen die er na uren hikken en rammelen mee ophield. We werden uit een vrachtwagen gezet toen de bestuurders gingen proberen hun kapotte vehikel weer aan de praat te krijgen, maar werden direct opgepikt door een rijke, beringde Turk in een snelle luxe auto.

We hadden enorm genoten van ons avontuurlijke verblijf in Istanboel. We hadden kennis gemaakt met vriendelijke mensen. We hadden ons vergaapt aan de prachtige oude moskeeën. We hadden nieuwe gerechten geproefd. Niet allemaal even smakelijk (de schapendarmensoep had wat mij betreft niet per se gehoeven, maar nee zeggen tegen de uitnodiging zou vreselijk onbeleefd zijn geweest.) We dronken heerlijke zoete thee uit met goud versierde glaasjes. En daarbij aten we simit, kleine ronde broodringen met sesamzaad.

Laatst las ik ergens dat Tayyip Erdogan als dertienjarig jochie in Istanboel straatventer was. Dat hij precies in de tijd dat wij daar waren achter een glazen karretje gevuld met simit over de hobbelige straten liep. Dat hij daarmee een poging deed zijn arme ouders te helpen.
Nog steeds vraag ik mij af, of we niet heel toevallig bij hem……. Het zou inderdaad wel heel toevallig zijn.
Het lijkt nu wel, dat hij enorm zijn best doet om zijn armoedige jeugd en wat niet al, te overschreeuwen. Als je goed kijkt, zie je het straatvechtertje van toen. Klaarblijkelijk heeft hij niet geleerd, dat schreeuwen en op die manier je verhaal halen meestal averechts werkt. Dat je hiermee naast vrienden ook vijanden maakt. Ik hoop dat hij nog tot inzicht en inkeer komt.
Misschien zou het helpen als iemand samen met hem een glas thee zou drinken. En hem zou trakteren op simit. Dat ze zouden zeggen: “Weet je nog?” Wie weet………………….
————————————————————————————————
‘Naar Turkije’ wordt vervolgd.

(Ik heb hiermee niet de bedoeling een politiek statement te maken. Het wordt een reisverhaal, maar het gegeven diende zich aan.)

Zij wonen in Zweden

Ruby

Door het overdadige groen in mijn voortuin zie ik het zachte metallic blauw schemeren van een Fiat. De buren zijn thuis, denk ik. En direct weet ik dat er iets niet klopt; dat lichtblauwe koekblik hadden ze een paar jaar geleden al ingeruild voor een dito zwarte. En hun laatste vervoermiddel was een zilverkleurig busje. Maar er is meer niet juist in mijn constatering. Misschien zijn de buren thuis, maar niet hier. En het is nog maar de vraag of ze ‘daar’ nog altijd buren zijn.

De wens is de vader van de gedachte; ‘mijn’ buren wonen namelijk sinds kort in Zweden. Daar waar rust en ruimte is. Daar waar je sneeuw op de bergen ziet. Daar waar natuur nog gewoon natuur is. Daar waar buren kilometers van elkaar af wonen. Een aantal weken geleden is eindelijk hun Grote Plan verwezenlijkt. Hun vakanties in Zweden zetten een enorm raderwerk in beweging. Wat raakten zij verslingerd aan dat land. Over één nacht ijs was natuurlijk geen optie. En zo leerden zij de taal, hielden zich bezig met de cultuur en levenswijze, gingen nóg weer eens op vakantie. Stonden al tijden met een been in het vaderland, maar met het andere en met al meer dan het halve hart in het land van hun dromen. Uiteindelijk viel de definitieve beslissing: we gaan naar Zweden. Voorgoed.

De tijd van plannen maken werd afgesloten en de realisatie van het nieuwe leven werd een feit. Stapje voor stap werd alles in gereedheid gebracht. Het grootste obstakel was de verkoop van het huis. Tot drie keer toe werd er een poging gewaagd. En ja, de markt trok aan en plotseling was het zover: het huis werd verkocht en de nieuwe toekomst lag aan hun voeten.

Dit overpeins ik in die paar seconden dat ik de blauwe auto zie staan. Met weemoed denk ik terug aan de weken die we bezig waren met het vervangen van de wrakke schutting. Niks kant-en-klare schotten, zelf bouwen! Nog steeds kijk ik met veel genoegen naar dit staaltje van gezamenlijke klusvlijt. Verder leefden we rustig naast elkaar, overliepen elkaar niet. We wisten wat we aan elkaar hadden.

En zo kwam dan toch ineens de dag van het afscheid. Het busje stampvol afgeladen. De hond nog één keer het vertrouwde rondje. En daar gingen ze. Ik slikte een brok weg. Alle goeds, mensen!

O, wat gun ik hun het nieuwe bestaan. Maar wat vind ik het toch nog steeds jammer om ze niet meer te zien. En wat is het vreemd om alle vertrouwde geluiden te missen. Die zijn vervangen door geschuur, geboor, geroep en gebonk.
De nieuwe buren beginnen aan hun nieuwe toekomst.

——————————————————————————————————————-

De wederwaardigheden van de ‘oude buren’ zijn te volgen op hun blog: https://wijwoneninzweden.wordpress.com/

Moedertje Wolga

DSC03190

Flaneren langs de Wolga. Op een zwoele lenteavond. Vriendin H en ik hadden een jaar geleden niet kunnen denken dat dat er nog eens van zou komen. Maar nu zijn we hier toch echt. De enige dissonant zijn de wolken muggen, die we moeilijk van ons af kunnen houden. Maar verder is het heerlijk. De geur van water, niet specifiek, maar je weet het gewoon, zo ruikt het als er water in de buurt is. Alles klinkt ook anders; water weerkaatst alle geluiden en lijkt ze tegelijkertijd enigszins te dempen. Het voelt goed. Het voelt geweldig! Heel anders dan een wandelingetje langs de ons zo welbekende Zaan.

Waar wij nu zijn, in Tver (zeg Tveer), ontspringt de Wolga en vanaf hier zal zij met haar lengte van ruim 3600 km door Rusland stromen tot aan de Kaspische Zee. Moedertje Wolga. Op haar breedst is de rivier 26 km. Hier niet. We kunnen de overkant makkelijk zien.

De schemering valt en de lucht kleurt roze. Het wateroppervlak kleurt van grijs naar donkerblauw tot zwart. Lichtjes weerspiegelen. Gouden koepels, tussen het groen aan de overkant, trekken de aandacht. Sprookjesachtig mooi is het hier. Voor het echt donker wordt, lopen we terug naar het centrum. Bij dit geluksgevoel hoort een glaasje wodka. We slaan dat niet in een keer achterover, we zijn tenslotte geen volleerde Russen; nippend mijmeren we nog wat na. Wat goed dat we hier zijn. En hopelijk niet voor het laatst.

DSC03211

In de ochtend ziet de rivier er weer heel anders uit. Alsof ze met frisse moed aan de nieuwe dag begint. Waar de zon de golfjes beschijnt, glinstert het water zilverachtig. Vanaf de oever hebben we uitzicht op de oudste ijzeren brug over de Wolga, even verderop. Een magische plek. Je kunt afdalen tot vlak bij het water. Dan komt het erop aan je evenwicht goed te bewaren als je op de wiebelige steenblokken stapt en je handen in het Wolgawater wast. Zo weet je zeker dat je eens terug zult komen.

Waren we de vorige reis al opgetogen dat we de Moskva zagen, in grijs regenweer, dat we nu de grootste Russische rivier hebben uitgedaagd voor onze terugkeer te zorgen, stemt ons helemaal tevreden.

Wolgaslepers

Een paar dagen later zien we in Het Russisch Museum in Sint Petersburg het indrukwekkende schilderij van Ilja Repin: De Wolgaslepers. Het keiharde leven, niks romantiek.

Maar voor ons is de cirkel rond.

——————————————————————————————————————-

Blog over dezelfde reis, ook met SRC-reizen; klik op de link: https://ajroc.wordpress.com/2016/06/07/to-russia-with-love/

To Russia, with love.

Matroesjka

Gepikt en gedreven; de reis naar Rusland kan beginnen. Aan alles is gedacht: van ondergoed tot visum, van diarreeremmer tot extra sd-kaart voor de camera. Opmerkingen hebben we zo goed mogelijk gepareerd: ga je naar dat land van Poetin? Ja, wij gaan naar ‘dat land van Poetin’. Dat land heeft namelijk ons hart gestolen en onze tweede reis naar Rusland wordt een schitterende aanvulling op de eerste, verwachten wij.

En die verwachtingen worden niet beschaamd. Integendeel. Moskou is nog zoals het was. Moskou is zoals Moskou moet zijn. De gouden koepels tegenover de strakke architectonische hoogstandjes. De drukke tienbaanswegen tegenover de rustige achterafstraatjes. De dichtbevolkte, levendige binnenstad tegenover de stille parken. Maar het is vooral Moskou. De stad sluit om ons heen als een goedzittende warme mantel. We voelen ons thuis.
De laatste avond in deze fascinerende stad brengen we door op en rond het Rode Plein, waar we in de vallende schemering opgaan in het geroezemoes van de Moskovieten die hier, in paren rondslenterend, het weekend afsluiten. De nieuwe werkweek is in zicht.

rode plein

Dan volgt de geplande, wonderbaarlijke, schitterende reis over het Russische platteland langs de Gouden Ring -die meer dan genoeg stof oplevert voor nog een aantal blogs- waarna we aankomen in Sint Petersburg. Overvol opgedane indrukken belanden we nu in een totaal andere wereld.

Wat een omschakeling! We willen de rust, de stilte, de schoonheid nog even vasthouden. Maar er is geen houden aan. De magie van Sint Petersburg doet haar werk er we stromen mee in het bruisende leven. Verkeer, lawaai, mensen. Vooral mensen.

Moskou, een van oudsher gegroeide en nog steeds groeiende stad. Sint Petersburg, gepland en gebouwd volgens een vooropgezet plan. Beide steden mooi, authentiek, ruim, bijzonder, aantrekkelijk, boeiend, verrassend, maar vooral verslavend. Hier wil je zijn, zien, horen, ervaren, ademen, lopen, en altijd weer terugkomen.

En dan: “De Rus”. Een wonderlijk volk. In Moskou zien alle mannen eruit of ze Boris heten; Sint Petersburg lijkt vooral bevolkt door de Igors. De vrouwen hier zijn de Natalja’s; in Moskou de Irina’s. En overal is drukte, is activiteit, beweging. Men is onderweg. Óf men rijdt rond in dikke, dure auto’s van en naar Belangrijke Bijeenkomsten, óf men schommelt over straat met een schamel tasje met boodschappen, óf men slentert en flaneert mooi aangekleed, heerlijk geurend en vaak gebotoxt over de Arbat in Moskou of de Nevskij in Petersburg.

In functie is de Rus streng en zich van zijn plicht bewust. Controle bij de winkeldeur: heb jij je aankopen wel eerlijk afgerekend en zit het bonnetje in je tas? Op het vliegveld: lijk jij wel op de foto in je paspoort? Heb je echt al je spullen op de controleband gelegd? Ja, ook het fototoestel dat je in je hand houdt! In de kerk: uh-uh-uh, géén foto’s maken! De Russische blikken kunnen echt heel streng zijn! En dan doe je met opgewekte tegenzin wat er van je wordt verwacht.

Maar, o, wat zijn er in de normale omgang toch een aardige mensen. Oude vrouwtjes (met die plastic tasjes met boodschappen) leggen met handen en voeten uit waar je het woonhuis van Dostojewski kunt vinden. Vrolijke jongens maken je in hun beste Engels duidelijk welke smakelijke broodjes zij je het liefst serveren bij de heerlijke koffie Americano die ze je net hebben voorgezet. De aardige dame van het winkeltje in het museum legt met liefde uit waar de uitgang is. Een lief, grijs omaatje, dat de rol van suppoost vervult, verkondigt trots met een breed gebaar dat alles wat er in ‘haar’ zaal hangt prachtig is. Hetgeen wij van harte beamen.

Het is ook weer goed om thuis te zijn. Het geeft de mogelijkheid om nog eens te vertrekken naar dat bijzondere en prachtige land. Naar mijn lievelingsstad Moskou. En daarna naar Sint Petersburg.

Een heerlijk vooruitzicht.
With love to Russia..….

——————————————————————————————————————-
Nog een blog over dezelfde reis; klik op de link: https://ajroc.wordpress.com/2016/06/15/moedertje-wolga/

Blog over de vorige reis, naar Moskou en Sint Petersburg.
Klik op de link: https://ajroc.wordpress.com/2015/10/06/ontmoedigend-overweldigend/

Blog over een nieuw boek over de Romanovs.
Klik op de link: https://ajroc.wordpress.com/2016/07/06/de-romanovs-van-montefiore/

Ontmoedigend overweldigend

DSC01319

Weer twee stipjes op de kaart bezocht. Op de wereldkaart, welteverstaan. Deze reis behoefde een degelijke voorbereiding. Een visum. Een nieuwe koffer. Enig leeswerk kon ook geen kwaad. Maar echt goed voorbereid op hoe het zal zijn ben je natuurlijk nooit. De werkelijkheid is altijd anders. Gelukkig maar, anders kwam je nooit uit je luie stoel.

DSC01519

Wat je ook mag denken over Rusland en zijn president, het is een feest rond te lopen door een waar fotoboek. En meer dan dat. Regelmatig spreek ik mezelf toe: Kijk goed! Je loopt hier echt! Het is tastbaar! Stamp, voel, proef, ruik! Adem de lucht die zo anders is dan thuis. Voeg je voetstappen toe aan die miljarden andere. Zie wat je ziet!

Dat stenen je kunnen ontroeren, had ik nog niet eerder meegemaakt. Maar het gebeurde. Moskou, stad van koepels, kathedralen, pleinen, brede straten, schone gevels, mozaïeken, moderne zakencentra, dure warenhuizen. Uniformen, drukte, een spetter regen. En nog een paar.

DSC01294

DSC01338

De Moskva, het grijze water, de bruggen, de parken vol kleurige paraplu’s. De zon op het goud, de overdaad. En mensen. Veel mensen. Feest! Vuurwerk! Ook een stad kan haar verjaardag vieren. Controles, een enkeling verkleed als de (wrede) heersers van vroeger en nu, klaar voor de foto.

DSC01138

Kraampjes met matroesjka’s, bontmutsen, prullaria. “Gollandia? Nog nooit van gehoord.” Paardenraces op het Rode Plein. Muziek! De graven, monumenten. De melancholie, het verdriet, de eenzaamheid, opborrelend gezang, bronzen stemmen. Hoe cliché wil je het hebben. Ach, het wordt me zo in de schoot geworpen en ik neem het dankbaar aan. Spasiba!

DSC01132

Moskou. Als een levend wezen stelt de stad zich aan mij voor. Omarmt mij. Ik voel me geborgen als in een levende matroesjka. Het pijnlijke gevoel van het vertrek wordt verzacht door het vooruitzicht nog een paar dagen in Sint Petersburg rond te kijken. Anders, maar zeker zo mooi.

Ja, weer twee stipjes op de kaart bezocht. En in het hart gesloten. Tijdens de terugvlucht overvalt me een vreemd gevoel van weemoed. Hoe meer ik zie, hoe groter de wereld wordt. Ik besef mijn onmogelijke kleinheid. Ontmoedigend overweldigend ligt de wereld onder mij.
Ik moet daar letterlijk en figuurlijk genoegen mee nemen.

DSC02215