CAN-CAN

Met open mond luisterde ik naar het nieuwsbulletin op de radio, terwijl de mondhygiëniste met grote vaardigheid het tandsteen van mijn ondertanden bikte.
Het meest opmerkelijke bericht was de vergiftigingsschade bij jongeren door het gebruik van lachgas. Enorm stom, maar ook zeer verontrustend natuurlijk. Roken en drinken moet ontmoedigd worden en daar doet de regering af en toe nog wel eens een poging toe. Maar dit misbruik moet eerst grondig onderzocht worden, voor er actie wordt ondernomen. Slappe hap.

Gelukkig zijn er altijd nog instanties die zich ergens druk over maken. Het volgende item ging namelijk over de CAN. Clean Air Now maakt zich nu het volop zomer is maar weer eens druk over het roken op terrassen. Altijd wanneer deze club ter sprake komt, roept dat bij mij enige vertedering op. Niet vanwege de chagrijnige, geïrriteerde ondertoon waarmee er weer een nieuwe poging wordt gewaagd om zich te laten gelden, maar vanwege het feit dat ik de oprichter goed ken. Kende, is een beter woord: mijn schoonvader is al lang dood.

Mijn schoonvader haatte roken. Mede doordat zijn vader, waar hij toch al geen goede band mee had, de ene sigaret met de andere aanstak. (Het vreemde daarvan was, dat ook hij eigenlijk faliekant tegen roken was, maar het zijn knechten in zijn kwekerij niet kon of wilde verbieden en toen zelf ook maar zijn toevlucht zocht in de tabak.) En zijn zoon (met wie ik was getrouwd) draaide de ene na de andere zware Van Nelle. Geen goed gezelschap dus.

In 1974 was hij het zat. Ging hij een avondje uit – dansen vond hij geweldig, iets dat ik me absoluut niet kon voorstellen – dan wilde hij niet ook nog eens meeroken in het toch al bedompte zaaltje van het dorpshuis. En zijn vrouw kreeg het er ronduit benauwd van, vanwege haar zwakke longen. COPD was nog niet uitgevonden, maar zij zou nu zeker de diagnose krijgen.

Hij had al langer met de gedachte gespeeld om een verbod te laten instellen op het roken in openbare ruimtes. Maar in zijn eentje kon hij natuurlijk niet veel uitrichten. Nu probeerde hij medestanders te vinden voor zijn ‘Club van Actieve Niet-rokers’. En die vond hij. Wat aarzelend ging het van start, maar al snel werd het een bloeiende vereniging.
Na verloop van tijd droeg hij het voorzitterschap over. Hij had namelijk nog veel meer zaken waarmee hij zich bezighield en die zijn energie opslokten.

Mijn schoonvader overleed in 1999. De vereniging bestond 25 jaar en in de loop van een kwart eeuw waren er heel wat zaken aangepakt en veranderd. Was er in de begintijd nog wel sprake van enige humor bij de leden, het praatje dat de toenmalige voorzitter op de crematieplechtigheid ten beste gaf was een drammerig, verongelijkt gemopper op de grote boze rookwereld. Geen woord van dank voor de grote verdiensten van de oprichter van de club, maar één grote litanie over datgene dat men nog voor elkaar wilde krijgen en waarin men enorm werd tegengewerkt. Het chagrijn droop ervan af.

Nu, vijfenveertig jaar na de oprichting, is Clean Air Now (wanneer de naamsverandering heeft plaatsgevonden weet ik niet) weer eens in het nieuws. Ik word weer even geconfronteerd met een bijzonder stukje verleden.
En ik kan niet anders dan hopen dat er voor deze club ook nog wat te lachen valt.

(Update: Ik hoor net bij het nieuws dat we nu te maken hebben met Clean Air Nederland. Klinkt toch net iets minder dwingend dan Clean Air Now. En het maakt me benieuwd: waar zouden ze nog meer opereren?)

Pijnlijk genoeg

tandartsAls kind werd hij al eenzelvig genoemd. Hij vermaakte zich met niets en had zijn eigen verhalen. Hij was graag alleen. – Tegenwoordig zou zo’n kind bestempeld worden als autistisch. – Hij ging daarom ook niet graag mee op bezoek. Maar zijn ouders vonden dat hij zich daar overheen moest zetten. Een jongen moet flink zijn. Voor zijn zusje werden andere maatstaven gehanteerd.

Sommige bezoekjes vonden niet meer dan een keer of drie per jaar plaats. Aan zijn enige tante bijvoorbeeld. Altijd ongetrouwd gebleven en totaal niet geïnteresseerd in kinderen. Vreselijk vond hij het daar. Hij nam altijd een boek mee; al lezend sloot hij zich af.

Maar het ergst zag hij op tegen de bezoekjes die hij alleen met zijn moeder en zusje aflegde. Een keer in de zomer en een keer in de winter. Zijn zusje had daar, net als hij, ook een vreselijke hekel aan, maar omdat er altijd iets leuks tegenover stond, gingen ze zonder opvallend gemor mee.
Hij weet nog goed hoe er dan over hen gepraat werd. Met open mond luisterden ze naar de onbegrijpelijke gesprekken die er over hun hoofden heen werden gevoerd. Die ongezellige koude kamer. En die penetrante geur!
Tijdens zijn puberteit probeerde hij zo goed en zo kwaad als het ging deze bezoekjes te omzeilen. Meestal lukte het.

Eenmaal volwassen besloot hij geen contacten meer te leggen zonder dat er een uiterste noodzaak toe was. Maar nu was die noodzaak er. Al dagenlang voelde hij dat er geen ontkomen meer aan was. Pijnlijk genoeg.
Hij kondigde zijn bezoek telefonisch aan. Hij kon direct terecht. Het zweet stond in zijn handen toen hij de kamer betrad. Hij groette beleefd. Er werd hem een comfortabele stoel aangeboden.

“Zo meneer, doet u uw mond maar wijd open. Hopelijk bent u goed verzekerd; dat wordt een kunstgebit.”

——————————————————————————————————————-

Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijf-uitdaging van Plato. De opdracht is: Schrijf een verhaal van 300 woorden, waarin het woord waar het om gaat niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: verwaarlozen.

De foto komt van het internet.

*******************************************************************************************************************
Meer WE-300 verhalen lezen? Klik op deze link: https://ajroc.wordpress.com/category/we-300/