Het pakje

pandoraZe schudde haar donkere lokken en draaide rond en rond voor de spiegel. Een wellustige glimlach plooide zich rond haar volle lippen. Haar soepele kleed volgde de verleidelijke rondingen van haar welgevormde lichaam. Ze voelde zich goed en sterk. Ze bezat alles wat ze nodig had voor een fantastisch leven. Ze hoefde hier toch hopelijk niet te blijven, op die saaie berg? Bij die ouwe god met zijn plannetjes? “De mensheid straffen”, had ze hem horen mompelen. Er was met vuur gespeeld. Het vuur der goden. En hij zou het de mensen na aan de schenen leggen.

Ze hoorde haar naam noemen en draaide zich loom in de richting van het geluid. Daar kwam hij aan. Tot haar grote verrassing droeg hij iets in zijn handen. Een doos met een mooie strik erom. O, ze was gek op cadeautjes. Dat wist hij wel. Hij had haar tenslotte zelf gecreëerd.

Wat een deceptie toen ze hoorde dat dit mooie cadeau niet mocht worden uitgepakt, laat staan geopend. Ze griste het uit zijn handen en keek hem kwaad aan. “Als het zo moet, blijf ik hier geen dag langer”, beet ze hem toe. “Hoe toevallig”, sprak hij. “Ik ben in een vrijgevige bui, Pandora. Ik doe jou cadeau aan een goede vriend van mij, Epimetheus.”

Cadeau! Ze stampvoette van woede. “Eén ding nog”, sprak de oude Zeus, “wat die man met jou doet, moet hij zelf weten. Als jij je pakje maar dicht laat!”

Later die middag stonden twee mensen gebogen over een half geopende doos. Zij had het lint om haar middel gebonden. De meest verschrikkelijke rampen, ziekten en ellende vlogen door de kier naar buiten. Er stond de mensheid heel wat narigheid te wachten.

Snel drukte de man de doos weer dicht. De hoop was nog niet vervlogen.

——————————————————————————————————————-
Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag worden genoemd. Deze keer was het verboden woord: nadenken.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Het plaatje komt van het internet

Wat is hierop uw antwoord?

20150806_123955

Net toen ze de kwast in de verf doopte, ging de bel. Dat kwam slecht uit. Maar de nieuwsgierigheid won het van de opkomende irritatie, dus ze roffelde de trap af en opende de voordeur. Het felle wit, dat ze door het raampje had zien schemeren, bleek een smetteloos overhemd te zijn, waarboven een vrolijk, bruingebrand gezicht haar toelachte. Daar stond ze dan, in haar verfkloffie. In een flits bekeek ze zichzelf door zijn ogen. Oude spijkerbroek, aftands shirtje. Onder de verfspatten. Hij groette beleefd en liet een pasje zien. Stelde zich voor als François en wapperde met een kaartje. O, nee, dacht ze. Ik koop niks, ik neem geen abonnement, ik vul geen enquête in, ik wil geen kunst. “Ik kom voor gas en licht.” Ach, ja, dat kon ook nog. Ze wees op de meterkast, direct achter de deur. “Nee, ik kom niet opnemen, maar het bedrijf waarvoor ik werk, wil u graag weer terug als klant. Twee jaar geleden bent u overgestapt, maar wij hebben een leuk aanbod voor u…..” Zijn donkere ogen keken haar indringend, maar vriendelijk aan. Ze voelde haar weerstand wegebben. Ze opende de deur nog wat verder en hoorde het als in trance aan. “…als u weer bij ons terugkomt. Hoe hoog is uw verbruik?” “Dat zou ik even moeten opzoeken.” “O, maar ik heb de tijd, ik wacht wel even.”

De zon brandde. Hartje zomer en we gaan het hebben over de verwarming, dacht ze. Ze kon hem toch niet laten staan in die hitte? Voor ze het wist nodigde ze hem binnen. Terwijl de computer opstartte, zette ze koffie. Alleen suiker. Het technische praatje dat hij hield naar aanleiding van de gegevens die ze had uitgeprint ging goeddeels langs haar heen. Wel hing ze aan zijn lippen, maar dat was meer om goed in zich op te nemen hoe ze bewogen. Zijn tanden glansden spierwit wanneer hij zijn glimlach tevoorschijn haalde. Hij tikte wat in op zijn tablet. Met hoeveel personen woont u hier? Ze slikte. “Alleen, ik woon hier alleen”, antwoordde ze hees.

“Dus we zijn het eens?” Ze knikte. Alle gegevens waren genoteerd. Hij dronk zijn kopje leeg en pakte zijn telefoon. Ik ga nu het bedrijf bellen om deze afspraak door te geven. Daarna wil degene die ik bel u ook aan de lijn om u wat vragen te stellen.” “Eh, dit is toch wel zuivere koffie hè? Ik bedoel, hoeveel mensen laten een vreemde zomaar binnen?” “Dat zijn er inderdaad niet veel”, zei hij, met een veelbetekenende grijns, “de meeste mensen regelen dit soort zaken per internet.” Zie je wel. Stom was ze. Waar zou ze nu met open ogen intuinen? “Als u hier even tekent…” Ze haalde de tablet naar zich toe. Waarom deed ze dit? Met haar wijsvinger zette ze haar handtekening in een vakje. In het vakje daaronder zette hij een krabbel.

Hij had zijn zaken afgehandeld en gaf haar de telefoon. Hun vingers raakten elkaar even. Een schelle vrouwenstem schetterde in haar oor: “Dit is een formaliteit. We willen vooral weten of u kredietwaardig bent, voordat we overgaan tot deze verbintenis. Hebt u geld genoeg?” “Eh, ja…” “Heeft u alle voorwaarden doorgenomen?”, klonk de stem. “Ik denk het wel.” “Bent u bekend met de tarieven?” “Ja, maar…” “Dan weet u ook wat u boven het hoofd hangt als u zich terugtrekt?” “Nee, niet precies.” “Goed, dan stel ik u nu de hoofdvraag: ‘Neemt u F.de H. tot uw wettige echtgenoot?’ Wat is hierop uw antwoord?” Ze wist het! Ze had het al die tijd geweten! Ze had haar kop erbij moeten houden. “Nee!”, wilde ze schreeuwen. Ze kreeg geen geluid uit haar keel. Zweet parelde op haar voorhoofd.

Ze voelde een hand op haar arm. “Rustig maar, mevrouw, u zag er zo verwilderd uit, ineens. Er is niets aan de hand. Het contract wordt u gemaild. Het is in orde. Omdat u ooit al klant bij ons was, is de overstap een fluitje van een cent. U had even een black out. Geen wonder met die verflucht in deze hitte. Bedankt voor de koffie. Goedemiddag, ik kom er zelf wel uit.”

Een dierbare herinnering

img037

De oude vrouw lag roerloos in bed. De lakens opgetrokken tot aan haar kin. Het gerimpelde gezicht straalde berusting uit. Het was goed zo. Het leven was geleefd. Dit waren haar laatste uren.

Het was aangenaam koel in de torenkamer. Door het openstaande raam zag zij de wolken voorbijrazen langs de grijze lucht. Het rook naar regen. In de open haard doofde langzaam het vuur. Weldra zou de nacht invallen. Haar kleindochter zou komen om de kaarsen aan te steken. Met vertedering dacht zij aan het lieftallige meisje. Net zo mooi als zij in vroeger jaren was geweest. Het lange zwarte haar omlijstte het blanke gezichtje, waarin de blauwe ogen schitterden als sterren. De bloedrode mond steeds tot glimlachen bereid.

Gedachten aan haar eigen, tragische jeugd drongen zich steeds vaker op. Ze moest haar kleindochter eindelijk het verhaal vertellen, besloot ze. Voor het te laat was. Ze had de dood al wel vaker in de ogen gekeken, maar deze keer was het menens.

De deur knarste. Het meisje stapte met lichte tred de kamer in. “Grootmoeder?” “Kind, wil je me in mijn stoel helpen? Ik wil de bossen en de heuvels zien.” Het meisje pakte de donkerrode fluwelen kamerjas. Toen ze de ceintuur strikte, schrok de oude vrouw op. Even maar. Ze liet haar begaan. Ook toen het meisje een benen kam uit haar schortzak haalde en het volle grijze haar begon te kammen. “Grootmoeder, je ziet er nog steeds prachtig uit.”

“Kom bij me zitten, mijn kind. Ik wil je wat vertellen. Iets van heel lang geleden. Ik vertel het jou, zodat dit verhaal niet verloren gaat.” Het meisje schoof een stoel bij. Ze pakte een appel van de schaal en poetste die op aan haar jurk tot hij glom als een spiegel. De vrouw keek ernaar, glimlachte en begon……

…… “En toen ik daar lag, in die glazen kist, was ik tot niets meer in staat. Maar ik wist wat er om me heen gebeurde. De kleine mannetjes waren ontroostbaar. Ik kon ze niet vertellen dat ik ze hoorde, dat ik wist van hun verdriet.

Op een zachte lentedag was het zover. Ik hoorde paardenhoeven. En ik wist dat er iets moois ging gebeuren. Plotseling voelde ik het. Twee zachte lippen op mijn mond. Ik opende mijn ogen en ik wist dat het leven begonnen was.

Ja, kind, je hebt hem goed gekend: de vader van jouw moeder, je grootvader.”

De lege lijst

IMG_20150218_124651Het was niet druk in de tram. Daardoor zag ze ze liggen. Een paar leren dameshandschoenen. Snel raapte ze ze op. Wat voelde het gek aan, dat leer. Toch maar weer weggooien? Er ging een bijzondere aantrekkingskracht van uit. Wie zou ze verloren hebben? Een oudere dame, besloot ze. Die zat natuurlijk te suffen in de tram, de handschoenen op schoot. En bij het opstaan vielen ze op de grond. Misschien zou ze ze beter kunnen afgeven, maar er kwam een vreemd hebberig gevoel over haar. Nee! Dat deed ze niet. Eerlijk gevonden.

Nu lagen ze op háár schoot. Vreemd eigenlijk. Ze had niet het idee dat ze veel wogen, maar ze voelde ze wel degelijk liggen. Werktuiglijk kneep ze in de vingers. Ze voelde iets hards. Voor ze het wist liet ze een hand in de rechter handschoen glijden. Hij paste perfect. Daarna de linker, waar ze dat harde voorwerpje in had gevoeld. Terwijl de hand haar weg zocht in het duister voelde ze een ring aan haar ringvinger glijden. Het ging heel makkelijk. Een gouden ring; ze wist het direct, zonder te kijken.

Onrust maakte zich plotseling van haar meester. Struikelend over haar voeten sprong ze bij de eerste de beste halte de tram uit. Automatisch begon ze te lopen in de richting van waaruit de tram gekomen was. De buurt herkende ze niet, maar ze wist intuïtief waar ze moest zijn.

Ze wilde net aanbellen toen de deur open ging. “Daar ben je!” Op het rimpelige gezicht lag een verrukte glimlach. De oude man beduidde haar binnen te komen. Vreemde geuren drongen haar neusgaten binnen. Vreemd, maar toch vertrouwd. “Alles past, zo te zien”, zei hij, “ik verwachtte je. Een waardige vervangster voor mijn laatste overleden vrouw.”

Aan de muur zag zij, naast zeven damesportretten, een lege lijst………

——————————————————————————————————————-
Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin je het sleutelwoord niet mag noemen. Deze keer was het verboden woord: evenaren.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Een sterk staaltje

DSC00266Op de Schaanse Gans was het uitgestorven. Het ijs op de slootjes glansde in het koude maanlicht. Een stevige noordoosten wind joeg over de weilanden. De schapen lagen dicht tegen elkaar aan bij het hek.

Over het smalle pad naderde een donkere figuur. Kromgebogen, de pet diep over de ogen. Handen in de zakken van het oude bonkertje. Het geluid van zijn klompen werd weerkaatst wanneer hij een molen passeerde.

Plotseling stond hij stil. Uit zijn borstzak haalde hij zijn pijpje, een neuswarmertje. Hoewel hij anders ruim de tijd nam om het te stoppen, propte hij de tabak in de kop en zoog de brand erin. Hij hervatte zijn tocht.

Bij de laatste bocht aarzelde hij. Had hij het allemaal goed gedaan? In een opwelling was het gebeurd; een plan had hij niet gehad. Moest hij teruggaan? Praten had geen zin, daarvoor was het al te ver gekomen. Zou hij gaan kijken of het nog terug te draaien was? Of hij nog iets kon bijstellen? Nee. Hij had goed gehandeld. Hij hoefde zich toch niet alles te laten welgevallen? Hij, de beste molenaar van de hele streek. Geen mens hoefde te beweren dat hij hem wel eens een sterk staaltje zou laten zien. Nee, het was eerder andersom.
Hij haalde zijn schouders op. Hoge bomen vangen veel wind. Iedereen zou dat kunnen zien.

De volgende ochtend sneeuwde het. Bij molen ‘De Hond’ stond een groepje toeristen te kleumen.
De man met het bonkertje opende de deur, groette binnensmonds en ging hen voor de molen binnen. Snel klom hij naar boven en kruide de wieken op de wind. Hij trok de vang los en met veel gekraak kwamen ze in beweging.

Van een van de wieken woei een rood vaantje. De stropdas van de burgemeester. Eindelijk kon hij zijn gemeente eens van gepaste hoogte overzien.

——————————————————————————————————————

Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin je het sleutelwoord niet mag noemen. Deze keer was het verboden woord: evenaren.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Rechtop, jongen

kerk2-340x192

Als de chauffeur de auto start, ontspant de man op de achterbank. Een onhoorbare zucht ontsnapt hem. Hij voelt zich rustig worden. Eindelijk. De laatste weken is hij zo gespannen als een veer.
Hij denkt aan zijn ouders. Hoe zullen die over hem denken als ze dit horen? Over die actie? Ja, het kan hem wel wat schelen, nu. Vroeger niet. Hij wil weten of ze trots zijn op zijn prestaties. Of ze überhaupt trots zijn op hem, als persoon. Een schurend gevoel van onzekerheid neemt weer bezit van hem. Is er wel iemand die hem ziet op deze godvergeten aarde?

Donker is het. Koud. Natte sneeuw jaagt door de straten. Het gezicht van de chauffeur staat strak. Er valt niets aan af te lezen. Hij kijkt naar zijn eigen bleke spiegelbeeld in de autoruit. Hij zou teleurgesteld moeten zijn. Zich een mislukkeling moeten voelen. Hij voelt opluchting. Hoe heeft het toch zo ver kunnen komen? Ach, hij weet het wel, natuurlijk. Maar het kost hem moeite het te erkennen.

Hij was dertien toen zijn vriendje plotseling verdween. Van de ene op de andere dag was hij er niet meer. Toen hij op een morgen wakker werd en hem vroeg welke broek hij aan moest trekken en welk shirt daar het beste bij stond, kwam er geen antwoord.
Onderweg naar school realiseerde hij zich, dat het echt over was met de vriendschap. Tranen liepen over zijn wangen, terwijl hij prevelde: “Ahmed, kom toch alsjeblieft terug. Please….”
Het was een beslissend moment geweest. Echte vriendjes van vlees en bloed kwamen in zijn leven tot dan toe niet voor. En nu zijn denkbeeldige vriendje, Ahmed, hem had verlaten, werd het stil om hem heen. Het wende uiteindelijk, maar de grote leegte in zijn hart en zijn ziel zou altijd blijven.

Hij balt zijn vuisten. Als hij hieraan denkt, krijgt hij weer een brok in zijn keel. Hij voelt zijn ogen vochtig worden. Niet nu. Niet hier. Verkeerde timing. Sterk blijven. Die uitstraling, weet je nog? Hij hoort weer de stem van een vroegere leraar: rechtop, jongen. Denk aan je ademhaling. Denk jezelf groot. Ook jij mag er zijn. Laat zien dat je er bent. Ieder mens is zowel zender als ontvanger. Zoek het evenwicht. Stel je open voor klasgenoten. Zend geen afwerende boodschappen uit. Sluit je niet af.

Toen bleek dat Ahmed definitief was verdwenen, ontdekte hij geleidelijk aan dat hij de leegte kon vullen met kennis. Hij was slim, leerde makkelijk. De behoefte aan gezelschap loste hij op door een denkbeeldige club op te richten. Alle leden werden door hem persoonlijk gescreend en aangenomen. Hij bedacht van ieder lid een indrukwekkende cv. Het werd een zeer gemêleerd gezelschap. Maar hoe verschillend ook, vereiste was, dat iedereen goed overweg kon met de computer. Net als hij. De lijst was al aangegroeid tot tegen de honderd inschrijvingen. Het kostte hem zoveel tijd, dat zijn studie in het gedrang dreigde te komen. Hij besloot het spel te testen in de werkelijkheid. Hij wilde aandacht. En die zou hij krijgen ook.
Het kostuum paste nog. Als een ware filmheld liet hij het wapen om zijn wijsvinger draaien, tot hij het in de hand nam en richtte. In de spiegel zag het er goed uit. Zo zou hij het doen. En dan zou hij, die eenzame, onzekere jongen, zijn gedachtegoed uitdragen. Miljoenen mensen zouden het zien. Zouden horen welke misstanden hij aan de kaak stelde. Hij was de boodschapper.

De weg maakt een bocht. Iemand spreekt hem aan: “Uitstappen!” In een roes laat hij zich naar de kleine ruimte brengen. De handboeien worden afgedaan. Nu pas voelt hij hoe moe hij is. Hij is tevreden met de afloop. Het plan bedenken is één ding, het ten uitvoer brengen iets heel anders. Ze hadden alleen niet zo tegen hem moeten schreeuwen. Daar heeft hij nooit goed tegen gekund. Hij was toch wel meegegaan. Het was mooi genoeg zo.

Hij laat zich op het bed vallen. In zijn droom spreekt hij tot miljoenen mensen. Ze luisteren ademloos. En Ahmed zit vooraan.

——————————————————————————————————————-
De foto van het jongetje op het kerkdak (in Koog aan de Zaan) komt van het internet.

Het slappe handje van Adam

img007Hij kon niet meer terug. Het Woord was gesproken en dat had zoveel effect tot gevolg, dat Hij met verbazing zou hebben gekeken, wanneer Hij niet van tevoren al had geweten hoe het zou gaan. Wat een geraas, gesuis, gerommel en gegier. Oorverdovend, maar Hij stond erboven, het deerde Hem niet. Hij keek het aan: langzaam, heel langzaam kwam de chaos in evenwicht. Het was Hem gelukt. Dit was wat Hij had gehoopt toen de drang tot het creëren van de tegendelen onweerstaanbaar was geworden. Dit schiep beweging in de eeuwige rust. In een flits brak het duister en maakte ruimte voor een puntje licht. Het zwol aan in een razend tempo. Hij keek. Hij zuchtte. Dit was zó goed.

Nu het begin eenmaal een feit was, was er geen houden meer aan. Gelukkig was het stil nu, maar het proces ging door. In duizelingwekkende vaart dijde Zijn universum uit. Onstuitbaar. De remmen waren los. Hij moest het in de hand zien te houden. Structuur aanbrengen. Overzicht houden. Het lukte. Hij richtte Zijn blik op één punt. Tevreden zag Hij hoe kleuren verschoten, hoe de draaiing voorzichtig op snelheid kwam, hoe water wegsijpelde, hoe slik opdroogde en groeisels ontsproten. Hoe de elementen bevolkt raakten. Hoe de damp optrok. Hij glimlachte. Wat was dit goed.

Het kon nog mooier, nog vollediger. Hij zou iets toevoegen dat alles overtrof. Maar niet perfect, dan was het Woord voor niets geweest. Perfectie zou alles weer doen versmelten tot die klont waaruit Hij het wankele evenwicht juist had bevrijd; Zijn creatie zou naar perfectie moeten streven. Was dit overmoed?

DSC00312

Hij strekte Zijn hand, reikte naar die van Zijn evenbeeld. Een vonk, een trilling. De enorme kracht was bijna fataal. Daarna niets. Wegkijkend, zijn armzalig lot tegemoet, trok De Mens zich van Hem terug.

Had Hij zich vergist? Was dit goed? Er was geen houden meer aan…..

——————————————————————————————————————-

Dit is een verhaal in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin je het sleutelwoord niet mag noemen. Deze keer was het verboden woord: waarnemen.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Illustraties:
Wainer Vaccari: Tondo
Michelangelo: De schepping van Adam (het meest bekende detail)

Zonder haar

whisky-fles-met-glas-216x300“Leuk!” Heel overtuigend klonk het niet. Vanonder zijn zware wenkbrauwen keek hij naar het gebogen figuurtje tegenover hem. De gids van het reisbureau lag open voor haar op tafel. Haar donkere haar glansde in het lamplicht. Ingespannen las ze de gegevens. Waarom liet ze dat knopje van die pen niet met rust? Hypernerveus werd hij van dat geluid. Plotseling keek ze hem aan: “Het klinkt of je het niet meent.” “O, ja hoor”, sprak hij afwezig, “best leuk. Alleen…”
Hij maakte zijn zin niet af. Expres. Hij wist dat hij haar hiermee in verwarring bracht. Hij wist dat haar gedachten nu koortsachtig rondtolden door haar hoofd. Dat zij probeerde te bedenken waarom hij zo vaag deed. Of er wat was. Ze vroeg het niet. Nóg niet, maar hij wist dat het zou komen. En daarna zou het weer als vanouds gaan. “Niks! Er is niks!”, zou hij haar toeschreeuwen. Hij zou een dubbele whisky inschenken en daarna nog één en nog één… Zij zou in huilen uitbarsten en de brochure door de kamer smijten. Ze zou roepen dat ze helemaal geen zin meer had in die klotevakantie. En dan waren ze weer waar ze ieder jaar rond de kerstdagen belandden. Uiteindelijk boekte hij gewoon waar hij zin in had: niet te ver van huis, geen drukte en vooral geen vertier. De vakanties kwamen ze in stilte door.

Hij haalde diep adem en wachtte op haar voorspelbare reactie. Hij pakte een glas en schonk zich maar vast in. Hij zou het nodig hebben.
Toen ze zich naar hem omdraaide wist hij wat er komen ging. De ogen zouden vuur spuwen. Ze zouden zich langzaam vullen met tranen. Het anders zo bleke gezichtje kreeg kleur. De onderlip ging trillen. En….

Ze stond op. “Drink jij tegenwoordig alleen?” Uit de kast pakte ze een whiskyglas en schonk zich in. Een dubbele zag hij. Nooit dronk ze “dat bocht”. Altijd witte wijn. Ze nam een flinke slok. Of het water was. Hij zag de tranen in haar ogen springen. Ze keek hem recht in het gezicht. De hand die ze op zijn arm legde, trilde niet. “Sven”, zei ze schor. Hij slikte. Wat gebeurde er? “Sven, ik heb geen zin om dat spelletje nog langer te spelen. Ik heb geen zin meer om de schijn op te houden. Al jaren probeer je mij met je gemanipuleer te beletten eens een andere vakantiebestemming te kiezen. Jij wilt weer naar dat eeuwige, saaie, oubollige kuuroord: ga dan ook maar. Je krijgt je zin. Maar zonder mij. Ik kan wel wat leukers bedenken. Als je het weten wilt, ik heb al een reisje naar de Cariben geboekt. Met Gerard.”

Alsof hij het in Keulen hoorde donderen. Hoe had hij het nu? Zelf geboekt? Met Gerard? Dat broekje van haar werk? Dit ging helemaal de verkeerde kant op. Dit was totaal niet hoe hij het zich had voorgesteld. Geen geschreeuw, geen gehuil. Maar wel een ellenlange monoloog, voor haar doen. Zij die altijd zo stil en meegaand was. Zo was de lol er voor hem helemaal af.
“Maar…”. Hij kreeg niet de kans om zijn zin af te maken. De kamerdeur werd met een knal dicht gesmeten. Voeten roffelden de trap op. Hij rende achter haar aan, greep haar bij een arm, een vreselijke gil en…..

Toen hij weer bij zinnen kwam, drong de gruwelijke waarheid met een schok tot hem door: gezamenlijke vakanties waren voorgoed verleden tijd.
IJzig kalm draaide hij het alarmnummer en bracht de goudvissen vast maar naar de buren.

——————————————————————————————————————-

De foto komt van het internet.

Beautiful white shoes

WITTE HERENSCHOEN PARIJS SPITSE LEEST

De wekker gaat. Ik geef er een klap op en scheur me los uit een vage droom, waar ik me direct al niets meer van kan herinneren. Terwijl ik me nog een keer omdraai, denk ik aan de ontmoeting van vanmiddag. Vandaag zullen we elkaar weer zien. Eindelijk. Na een periode van, ik reken snel, een half jaar zo ongeveer.

Mijn gedachten gaan naar de laatste keer. “Ik hoop je voorlopig niet meer te zien”, zei hij resoluut. Nog dagen dreunden die woorden door mijn hoofd. Zo gek was het niet, natuurlijk. Ik voelde het ook wel aankomen. Wat hadden we elkaar nou te vertellen? Heel vaak zat ik met een mond vol tanden als ik bij hem was en dan voerde hij het hoogste woord. Ik had al lang mijn conclusies moeten trekken, maar tegen beter weten in bleef ik hem trouw. Daarbij had hij me ook helemaal niet zo fijntjes behandeld, die laatste keer. Ik begreep het wel, hij kon niet anders. Maar toch.

En nu zomaar weer een mailtje. Hij wilde graag opnieuw afspreken. Of er niets gebeurd was. Kortaf, koel en zakelijk. Ik vond het tactloos. C’est le ton qui fait la musique. Maar ik ging overstag, gek genoeg. Ik moest hem zien en ik schoof wat in mijn agenda. Dinsdagmiddag. Wat kwam de afspraak met de kapper, ’s morgens, goed uit.

De dag kroop voorbij. Ik stortte me op simpele huishoudelijke klusjes: stofzuigen, strijken. Verstand op nul. Tegen half drie begon ik pas echt onrustig te worden. Zit mijn haar goed? Tanden poetsen! Geurtje op. Lippenstift? Nee, beter van niet, daar had hij een hekel aan. Door al dat gedoe ging ik bijna nog te laat van huis.

Ik ben ruim op tijd! Gelukkig. De tuinman is bezig met het weg harken van gevallen blad rond het riante pand. De voordeur staat op een kier. Het bekende luchtje. In de garderobe op de begane grond hang ik mijn jas op. Ik hoor mijn naam. Zo rustig mogelijk loop ik de trap op. De kamerdeur staat open. Hij is er: meteen vallen mij zijn schoenen op. Ik heb iets met schoenen. Spitse neus. Wit, soepel leer. O, ja hoor, ik val weer compleet voor deze man.
Hij kijkt me glimlachend aan. Hij vraagt hoe het met me gaat. “Ga zitten”, zegt hij vriendelijk. “Dank je”, stamel ik.

Terwijl hij met een van die prachtige witte schoenen het pedaal intrapt waardoor de stoel langzaam omhoog komt, pakt hij zijn spiegeltje en zijn haakje en zegt: ”Doe je mond maar open. We zullen eens kijken. Nog ergens last van gehad het afgelopen half jaar?”

——————————————————————————————————————-

De foto van de witte schoen komt van het internet.

De gele veer

DSC00133

“Waarom niet, Yvonne?” Hij stampte van woede. “Ik dacht dat we het er vorige week over hadden gehad? Je was het er toch mee eens?”

Ze keek hem aan. Als hij zo te keer ging, moest ze altijd aan haar vader denken. Het was waar dat een vrouw een man zocht die op haar vader leek. Dat bewijs werd keer op keer geleverd. Maar Herman sloeg niet, dat was een groot verschil.

Had ze maar beter opgelet, acht jaar geleden. Verliefd, verloofd, verloren, dacht ze cynisch. Ze had zo veel jongens kunnen krijgen. Ze was mooi en aantrekkelijk. Ze hield van mannen. En ze koos Herman. Uit dat enorme aanbod wist ze feilloos de verkeerde te kiezen. Ze zuchtte.

“Ja, ik weet het. Vorige week dacht ik er anders over. Maar uiteindelijk heb ik er altijd weer moeite mee. Dat weet jij toch ook?” Hoe moest ze hem dit nu op een nette manier duidelijk maken? Ze probeerde rustig te blijven, maar dat maakte hem nog kwader. Hij griste zijn jas van de kapstok en sloeg de deur met een klap achter zich dicht. Zou hij nu van haar verwachten dat ze achter hem aan kwam? Tot voor kort deed ze dat wel, smeekte met tranen in haar ogen of hij niet weg wilde gaan. Hing aan hem, letterlijk, ging voor hem op haar knieën. Ze piekerde er niet meer over. Nee, die vernedering kon ze zich gevoeglijk besparen. Ze wilde het niet meer, dat afhankelijke gedoe. Ze kon hem toch niet tegenhouden. Bovendien, hij kwam altijd terug, wist ze uit ervaring. Na een uur, een dag. Die ene keer dat hij een heel weekend wegbleef, was een uitzondering.

Ze haalde haar schouders op, streek een blonde lok uit haar gezicht en begon de ontbijtboel af te ruimen. Hij zou wel naar kantoor zijn gegaan. Zij was vandaag vrij. Waardeloos, eigenlijk. Het gaf haar de kans om de hele dag te piekeren. Had ze anders moeten reageren? Nee, het had niet uitgemaakt. Elke reactie zou verkeerd gevallen zijn. Ieder jaar was het weer hetzelfde liedje. Ze had het kunnen weten.

Haar telefoon ging. Ciska, zag ze. Daar had ze nu echt geen zin in. Alsjeblieft even geen verhalen over dat modelgezinnetje. Ze had vast weer een geweldig gezond recept gevonden. Of verantwoorde cadeautjes. Ze wachtte tot de voicemail werd ingesproken. Terugbellen kon altijd nog. Nu had ze opbeurend gezelschap nodig.
Ze zou Romy bellen nadat die klaar was met haar therapie. Dan konden ze misschien even de stad in. Ergens lunchen met veel witte wijn.

Het was behaaglijk in het restaurant. Ze hadden een tafeltje bij het raam. Op het zachtrose tafelkleed stond zowaar al een piepklein kerststukje. Smaakvol, dat wel. Maar toch, het was nog maar eind november. Ze zakte wat onderuit en keek naar haar vriendin die druk bezig was haar make-up bij te werken. Had ze gehuild?

Zalm met pesto en rucola op een knapperige ciabatta. De zilveren wijnkoeler binnen handbereik. Het aangename gezelschap van haar beste vriendin. Zou ze het vertellen, straks? Of was dat toch lichtelijk gênant? Ze wachtte af. Eerst maar eens horen hoe het Romy was vergaan bij de psychiater. Ja, daar vertelde ze graag over. Ze viel wel op die man, probeerde hem te verleiden. Maar hij was oud en getrouwd, deed of hij niets in de gaten had. Hij gedroeg zich afstandelijk, professioneel. “Die man is echt blind!”, riep ze schaterend uit, “volgende keer doe ik een nog korter rokje aan en een nog dieper decolleté!” “En als hij er nou onverwacht toch eens op ingaat?”, vroeg Yvonne . “Hij is getrouwd. En veel te oud voor jou. Je wilt toch geen lijk in je bed?” “Nee, bah, natuurlijk niet.” Romy beweerde dat ze er helemaal niet op uit was om echt iets met hem te beginnen. Dit was gewoon leuk, een spel. Dat wist zij toch ook wel? Ja. Dat wist ze. Maar het leek heel ver weg gestopt.

Vanuit haar ooghoek zag ze de ober naar haar staren. Ja, ze wist het inderdaad nog wel: zo begon het. Maar ze had er geen zin in. Ze wenkte de jongen en bestelde een tweede fles wijn. Ze voelde zich lichter worden, losser. Zou ze het nu vertellen? Beter van niet. Met Romy wist je het nooit. Die kletste zo haar mond voorbij. Ze wilde Herman ook niet voor gek zetten. “Hé, ik vroeg of jullie nog wat doen aan Sinterklaas.” Romy keek haar vriendin onderzoekend aan. “Is er wat?” “Nee, er is niks, beetje moe en dan vier glazen wijn. Je kent dat wel. Nee, vertel verder, ik luister.” Terwijl het verhaal voortkabbelde met af en toe een gierende uithaal, bedacht zij hoe ze het aan zou pakken. Ze voelde zich rustiger nu. Toegeeflijker. Zoveel kwaad stak er toch niet in. Dat het elk jaar op hetzelfde uitdraaide was natuurlijk niet zo erg. Het gaf zelfs wel wat vastigheid. En als ze zich erop instelde, vond ze het deze keer misschien nog wel leuk ook. Zeker wanneer ze op pakjesavond ook een hele fles wijn soldaat zou maken. “Oké, vooruit!”, zei ze hardop. “Wat?”, wilde Romy weten. “Eh, ik denk dat ik maar eens opstap. Het wordt al schemerig. Er moet nog gekookt worden vanavond, dus ik ga even wat boodschappen doen”

Stipt om zes uur knarsten de wielen over het grind. Het autoportier werd dicht geknald. Ze glimlachte. Hij moest eens weten. Ze hoorde de wc doortrekken, het kraantje lopen. Eindelijk kwam hij de kamer binnen. De tafel was feestelijk gedekt. Kaarsen brandden. Wijn fonkelde in de kristallen karaf. Hij kon toch niet boos blijven?

Ze zag de trilling in zijn bovenlip. Een goed teken. Eenmaal aan tafel besloot ze het er maar op te wagen. “Herman”, begon ze, “vanochtend was ik er niet zo voor in de stemming. En ik vond het ineens zo kinderachtig, dat hele gedoe. Maar ik heb er nog eens over nagedacht. Laten we het maar weer doen. Je kijkt er tenslotte het hele jaar naar uit. Nee, laat me uitpraten. Ik weet het zeker: we doen het.” Ze overhandigde hem een pakje. Hij kleurde tot onder zijn haar toen hij het uitpakte. “Nieuw?”, vroeg hij, happend naar adem, “met schmink?” Met twee handen hield hij het pietenpak omhoog: paars en groen, zijn lievelingskleuren. Hij raakte haar wang aan met de gele veer van de baret. Ze huiverde, maar liet niets merken. Hij raapte de bruine schmink op van de vloer, rook eraan. “Dus, de hele avond? Zoals we hadden afgesproken? En dan met alles aan naar bed?” Hij straalde. Ze zuchtte onhoorbaar. Sloot even de ogen.

Dat zou ze die nacht ook doen. Ze zou zich eraan overgeven. Maar ze wilde beslist niet zien hoe die stomme gele veer boven haar hoofd heen en weer bewoog.

——————————————————————————————————————-

Met dit verhaal doe ik mee aan een schrijfwedstrijd. Wie het leuk vindt, kan erop stemmen. If so: hartelijk dank!
http://www.editio.nl/schrijfwedstrijd/