Vissen

Zij aan zij, als vanouds
De blik op de smalle sloot
Waar de vis moet zitten
Geduld wordt beloond

Woordeloos genoegen
De rust van het groen
De geur van het water
De roep van de grutto

De zekerheid van vette wormen
In het oude blikje
De emmer die klaarstaat
Alles als vanouds

Terwijl de dobber
De volle aandacht vraagt
Kun je in veiligheid
Je gedachten laten vieren

Straks, tegen het middaguur
Bakken zij twee visjes
Precies zoals oma
Dat vorig jaar nog deed

Vooruit, haal op jongen
Je hebt beet!

De Verzoening

Zolang je er niet in het weekend komt, is het Hembrugterrein de rustigste plek van Zaanstad. Het is er ruim en groen en vooral stil. De prachtige oude gebouwen, fabrieken en werkplaatsen, stralen rust uit, ondanks hun vroegere bestemming. Bordjes met opschriften als: Kanonnenloods, Affuitenhal, Harderij, Slaghoedje en Kardoes geven aan wat er in het verleden gaande was. De begroeiing geeft het een vriendelijk aanzicht. Het verval, dat overduidelijk zichtbaar is, maakt het terrein niet unheimisch. Integendeel. Het geluksgevoel dat me regelmatig overvalt wanneer ik me daar heb geïnstalleerd met mijn thermosje koffie en boek, verbaasde me alleen de eerste keer.

Geleidelijk aan worden de gebouwen opgeknapt, asbest wordt verwijderd, puin geruimd. Soms wordt het oude, het vervallene juist geaccentueerd, gecultiveerd. Dat maakt het spannend. Dit laatste gebeurde bijvoorbeeld bij het gebouw waarin een fantastische fototentoonstelling van Jeroen Swolfs is ingericht. De deuren zijn roestig, aan het interieur is alleen het allernoodzakelijkste aangepast. De bijzondere foto’s komen hier prachtig uit. Veel beter zelfs dan aan glad gestuukte spierwitte muren. Helaas is het niet mogelijk de tentoonstelling te bezoeken, maar door al het glas kan ik een groot deel van de foto’s zien.

De bossen, waar ooit munitie tot ontploffing werd gebracht zijn (nog?) niet toegankelijk. Jammer, maar het bos rukt sowieso op. Onkruid staat hoog en bloeit volop. Vogelgezang, gezoem van insecten, wespen azen op mijn koffie en mijn appelklokhuis. Twee wandelaars maken de door de Volkskrant uitgezette wandeling. Er wordt hard gewerkt in en aan de ateliertjes die in de lege gebouwen zijn gevestigd. Verwijderde apparatuur wordt zo hier en daar ter decoratie buiten opgesteld. Men probeert er echt iets van te maken, van deze fantastische plek.

Maar dan, een rijtje barakken, een hek met prikkeldraad. Even verderop een treinwagon op een afgekapt stuk rails. Een woonhuis achter bomen. Het is er allemaal. De vergelijking met Auschwitz, dat ik een paar jaar geleden bezocht, dringt zich met kracht aan mij op. Ook toen was het prachtig weer. En ondanks alle bezoekers was het er merkwaardig stil. De barakken, zo’n zelfde wagon, het woonhuis van een commandant, alles is er ineens weer. En nu zelfs, heel wrang, in combinatie met het ooit geproduceerde wapentuig. Het verwart me meer dan ik mezelf wil toegeven. Natuurlijk realiseer ik mij ook dat het zich vooral in mijn eigen hoofd afspeelt en ik schud het van me af.

Ik fiets nog even rond en rijd dan het terrein af, richting Noord-Hollands kanaal. Aan de overkant zie ik ineens een puur Hollands plaatje. Een letterlijke verzoening. Verzoening met het verleden, dat zich zo af en toe aan het heden opdringt. Het trekt me weer terug in het hier en nu.

Met een tevreden gevoel fiets ik langs vrolijk bloeiende bermen terug naar huis.

Weet wat je wenst

Twee jaar geleden was het zo ver. Mijn aardige buren hadden definitief de knoop doorgehakt en gingen emigreren naar Zweden. Ze verkochten hun huis aan een jonge knul van begin twintig. Zonder zich een seconde te bedenken begon deze aan een maandenlange uitermate luidruchtige verbouwsessie. Kaalgeschoren, van top tot teen getatoeëerde figuren bonkten op hun zware kisten in en uit. Een aggregaat stond weekendenlang te stampen en te brommen voor het huis. Met veel geweld werd de badkamer uitgebroken. Ja, deze politieagent zou zijn komst in dit rustige wijkje niet onopgemerkt laten plaatsvinden.
Het werd nog erger toen hij eenmaal echt in het huis ging wonen. Al zijn louche verbouwvriendjes werden uitgenodigd om in zijn provisorisch ingerichte shisha lounge, het schuurtje, waterpijp te komen roken. Meestal begon het feest om elf uur ’s avonds en eindigde het rond een uur of twee. Toen het te koud werd, verplaatste de hele club zich naar binnen, waar de herrie op dezelfde voet werd voortgezet.
Gezellig, een nieuwe buurman. Ik wenste hartgrondig dat hij zou gaan verhuizen. Maar daar was natuurlijk geen sprake van, hij woonde hier nog maar net. Natuurlijk zou hij niet weggaan. En toch. Ik wenste het vanuit het diepst van mijn hart. En in mijn fantasie zag ik hem zijn spullen pakken en vertrekken.

Iets grondig en van harte wensen, was mij ooit verteld, zou wel eens gevolgen kunnen hebben. Niet direct, maar het universum zou ermee aan de slag gaan en op een goed moment zou de wens vervuld worden. Maar, was de subtiele waarschuwing, het zou best wel eens een beetje anders kunnen uitpakken dan je je had voorgesteld; je kunt tenslotte niemand de wet voorschrijven. Dus ja, probeer in je formulering in elk geval zo duidelijk mogelijk te zijn. Het was: wensen en loslaten. Over tot de orde van de dag.

Het gedoe bleef en ik probeerde me er zo min mogelijk aan te storen. Dat viel niet mee. Sterker nog ik ergerde me vaak groen en geel. Was soms wanhopig en boos. Hoe kon het dat ik zo’n jochie van begin twintig zoveel macht gaf. Ik liet me uit mijn jarenlange ‘comfortzone’ losweken. Dat schijnt goed en verruimend te werken, maar ik vond het bijster lastig.

Op een dag echter bleek dat hij een vriendin aan de haak had geslagen. Een aardig meisje, dat hem regelmatig tot de orde riep. Letterlijk zelfs. Wat was ik blij met haar! De bezoekjes van het stelletje ongeregeld werden langzaamaan minder. En na nog een half jaar hielden ze zelfs helemaal op. Alles leek zich ten goede te keren. Er kwam rust.

Totdat er in februari van dit jaar, bij iedereen in dit kleine wijkje, een brief op de mat viel. Een straat verderop bleek een huis te zijn verzakt en dat was voor de woningbouwvereniging een mooie gelegenheid om over te gaan tot het aankondigen van de sloop van de twintig huizen die ze al twintig jaar grondig had verwaarloosd. De hele buurt was in rep en roer. In allerijl werd een bewonerscommissie opgericht. Er werd vergaderd. Politieke partijen bemoeiden zich ermee. Maar ja. Het leek niet anders te kunnen. Ook dat ene koophuis zou tot puin vervallen. (Ooit was de woningbouwvereniging van plan alle woningen te verkopen, maar de prijs lag zo hoog, dat niemand daar intrapte. Alleen het huis naast mij is, toen het een keer leeg kwam, verkocht.) Met ingang van april zou iedereen weg moeten uit het groenste wijkje van Zaandijk.

Uiteindelijk werd de soep toch niet zo heet gegeten. We wonen hier nog. De bewonerscommissie trekt alles uit de kast om tot een bevredigende oplossing te komen. Er wordt nu zelfs voorzichtig gedacht over renoveren. Na de vakantie zullen er weer bijeenkomsten worden belegd en dan weten we, hopelijk, waar we aan toe zijn.

Mijn buurman koos eieren voor zijn geld. Het lukte hem om zijn huis weer te verkopen aan de woningbouwvereniging. Hij wilde gaan samenwonen met zijn aardige vriendin. En deze week is hij verhuisd…

Terwijl de vrachtwagen werd volgeladen, zette ik een kopje thee voor bij het ontbijt. Op het labeltje stond een wel heel toepasselijke tekst.

En zo zie je maar: weet wat je wenst!

Noorderzon

“Hier Maarten”, zei de man met het grijze baardje, “neem jij hem maar. Ik houd ermee op.” Maarten keek verbaasd naar wat hij in zijn handen gedrukt kreeg. Wat moest hij met dat uitgerookte barnstenen pijpje? “Maar…”, probeerde hij. De man keek over zijn schouders naar links en naar rechts, constateerde dat Tuinier in geen velden of wegen te bekennen was en vervolgde: “Die hark van je-weet-wel heb ik daar, achter je, aan de wilgen gehangen. Het is uit met de pret.”

Maarten keek achterom; nee, hij had het nog niet gezien. Aan de voet van de kale boom zag hij ook het kleine botte bijltje van Cornelis liggen, dat kennelijk al eerder was weggesmeten. Hij zuchtte. Dit leek verdacht veel op het einde van een mooie periode met de scherpzinnige denker. Wat was hij een goed voorbeeld geweest voor velen. Wat had hij interessante ideeën. Wat schreef hij gloedvolle verhalen. Hij kon er toch niet zomaar tussenuitknijpen? Terwijl hij de kat aaide die rondjes draaide om zijn klompen, bedacht hij dat hij het niet al te zwart wit moest zien. Hadden ze niet enorm veel wijsheden om op te teren? Moesten ze maar niet gewoon tevreden zijn met het feit zo’n bijzonder mens te hebben gekend?

Hij keek Plato vragend aan, maar die staarde peinzend in de verte. Wat er precies in hem omging, liet hij natuurlijk niet merken.

——————————-

Eenentwintig juni. De langste dag. De warmte lag als een dikke deken over het land. Maarten stak zijn pijpje op en leunde peinzend tegen een wilg. Geen zuchtje wind. De zon in het hoge noorden. Waarom hij uitgerekend vandaag zo sterk aan die oude Zaanse filosoof moest denken… Hij zal toch niet? Met de noorderzon? “Nee”, wist hij, “zover zou het niet komen.”

——————————–

En een dik half jaar later, ziedaar!

——————————————————————————————————————-

Plato is back!

Een zelfbedachte WE-300. De grote meester heeft er geen opdracht voor gegeven. Maar we zijn niet van hem afhankelijk, tenslotte.
Het woord waar het om draait, maar dat in bovenstaande tekst van 300 woorden niet is genoemd, is: MISSEN.

Het plaatje komt van het internet.

Stormy Weather

Even snel een paar boodschappen doen bij de grootgrutter die iedereen wel kent, (“Ah! Bedoel je die?” “Jah!”) leidde tot de tweede bijzondere gebeurtenis van deze week.

Een grijsharige man in korte broek houdt me staande: “Heb je een telefoon bij je?” Ik stap af. “Ja zie je, die van mij ligt thuis, want ik ging alleen even een ommetje maken, maar die boom daar staat op omwaaien, dus we moeten 112 bellen…” Zonder blikken of blozen haal ik mijn mobiel tevoorschijn. Hij belt, maar het valt nog niet mee om de brandweer duidelijk te maken dat er haast bij is. De wind blaast keihard in het toestel dus over en weer kunnen ze elkaar moeilijk verstaan.
Ja, het stormt. De bomen staan vol in blad en vangen dus veel wind. En deze staat met zijn voeten bijna in het water. Geen houvast. Bij elke nieuwe windvlaag helt de boom naar voren, over de weg heen en trekt een flinke plak grond mee omhoog. Het is link: als hij valt, worden er zeker twee auto’s geplet.

Eindelijk is het geregeld, de brandweer wordt opgeroepen en zal zo snel mogelijk naar de Count Basiestraat komen. De man blijft in de buurt om voorbijgangers op het gevaar te wijzen. Ik race weg, doe snel die paar boodschappen en als ik mijn fiets van het slot haal, zie ik in de verte de brandweerwagen al aankomen.

Ik gedraag me als een ware ramptoerist en schaar me bij – hoe gaat dat zo snel? – de menigte die door een politieagent vakkundig op afstand wordt gehouden. De twee auto’s zijn uit de gevarenzone verdwenen.

Hoeveel brandweerlieden passen er in een brandweerwagen? Heel wat, zo blijkt. Wat zien ze er stoer uit in hun bruin-met-gele uniform. Degene die het voor het zeggen heeft, draagt ook nog een lampje op zijn borst, op alles voorbereid. Ze zijn allemaal in vol ornaat. Degene met de motorzaag heeft de belangrijkste taak: vakkundig zet hij het apparaat onder aan de stam en de zaag zoeft er als een mes door de boter doorheen. De plak grond zakt weer en de enorme kruin bedekt een groot deel van de straat.

Dan worden de takken verwijderd en de stam wordt in mootjes gezaagd. Het is een gezellige boel; het lijkt een uitje voor zowel politie als brandweer. Gewoon de straat afzetten, mensen op een afstandje houden, een beetje hangen en kletsen en een stukje zagen. Geen narigheid, geen brand, geen gewonden.

Plotseling komt met sirene en zwaailicht brandweerauto nummer twee over de brug aanrijden. Zo erg is het nu ook weer niet, maar je kunt natuurlijk nooit weten. Het doet me denken aan die keer op een camping in Frankrijk, waar een heel legertje pompiers uitrukte om een in de grond verstopt wespennest uit te roken.

En daar is de pers! Een fotograaf van ‘De Stadgenoot’ (nooit van dat sufferdje gehoord…) knipt maar raak. Een buitenkansje. En uiteraard zijn er vele mobieltjes in de aanslag. Die van mij ook.

De grijsharige man geniet volop. “Eigenlijk zouden wij op de foto moeten”, zegt hij met een vette grijns, “zonder ons had niemand zo’n leuke middag gehad.”

De verrassing van plan B

Bijkletsen – of bijbabbelen, zoals kleinzoon II zegt – gaat goed tijdens een wandeling, dus de pas er flink ingezet. Vanuit huis is er best een leuke wandeling te maken, als je het eerste half uur de auto’s negeert en je blik richt op het weidse Zaanse landschap. Water, rietlanden, smalle weilanden, de ‘Amerikaanse watermolen‘. Een zestal geiten graast onder toeziend oog van de bebaarde bok. Gepacht visgebied. Een met flinke bomen begroeid eiland met een half bruggetje waarop een reiger in oude-mannetjes-stand.

Langs het pad groeien wilde peen, wikke, gele rolklaver, duizendblad, smalle weegbree. Nu de bermen steeds meer met rust gelaten worden, waan ik me af en toe in de landjes van mijn jeugd. De enorme plensbuien van de laatste weken hebben vele paddenstoelen gewekt. Rechts van ons, aan de andere kant van de autoweg kijken we uit op weiland, bomen en struiken, schapen, een ooievaarsnest waarop nog nooit een ooievaar is geland, laat staan heeft gebroed en wat wrakke schuurtjes. Daar zullen we op de terugweg lopen. Nu nog geen idee van wat er voor ons in het vat zit.

We hebben onszelf halverwege de tocht een kop koffie beloofd. Helaas. Het restaurant gaat pas in de loop van de ochtend open. De vrouw die de koffie zou moeten serveren, kijkt ons met koude ogen aan. Geen groet. De blik gaat op oneindig en snel beent ze met grote passen weg van het terras. Zaanse vriendelijkheid.

Plan B dan maar. We nemen nu het mooiste stukje van de route. Van ‘het kluffie’ af leidt het pad langs woonboten. Oude doorleefde arken, waar de creativiteit van de bewoners duidelijk zichtbaar is. Nieuwe bouwsels met een verdieping, waarvan het hout nog geurt. Soms aan de andere kant van het pad, waar geen huizen staan, een moestuin. Of een wilde bende. We staan stil. Hangt er nou echt een smal trapje in die boom? Waar zou dat voor dienen? En kijk eens, wat een springbalsemien!

“Wat een wildernis hè?” Achter ons staat een vriendelijke oude man. “Maar, aangelegde, gecontroleerde wildernis.” Hij merkt dat wij belangstellend zijn en steekt van wal. Toen de aanleg van een verbindingsweg niet doorging, kon hij het stuk land van de gemeente kopen. Al veertig jaar lang zijn hij en zijn vrouw bezig om er een wilde tuin van te maken. Bomen geplant, paadjes aangelegd, het moerasje gecultiveerd, de sloot laten dichtgroeien. Zaden verzameld en gezaaid. Voornamelijk wilde planten. Een boek lezen? Dat komt er niet van. De sloot moet geschoond worden voor de herfst invalt. Ook geen ontspanning in het huisje, dat verderop ergens tussen het groen moet staan. Er is altijd wel iets te doen.

Zijn vrouw is bezig met verzamelen van zaden, deelt hij ons mee, maar ze vindt het heerlijk om een rondleiding te geven. Het bruggetje over, het hek dicht en dan bevinden we ons plotseling in een geheime tuin. “Kom”, zegt ze, “maar blijf op het pad. Hier rechts is het moeras.” We lopen over zachte, verende paadjes, bewonderen koningsvaren, cichorei, engelwortel, leeuwebekjes, gagel, boerenwormkruid, duivels naaigaren, hondstong en de plant die de dood van Socrates bewerkstelligde: de gevlekte scheerling. En nog veel en veel meer. We zien het huisje waar ze overdag bivakkeren, het kleine huisje waar de zaden worden bewaard, de ‘volière’, waarin voedsel voor kleine vogels (zij kunnen er wel in, en de grote- die trouwens ook worden gevoed- niet). Een gigantisch insectenhotel. Een met sedum begroeid dakje. Aan sommige bomen groeit maretak; ze hebben de bessen er zelf opgesmeerd. Er is een kattenbegraafplaats, met naambordjes en kattenbeeldjes. Begroeide muurtjes, een vijvertje. De ooit uit het bos meegenomen zaailing is een enorme beuk geworden.

Dan ronden we een bocht en lopen langs de boom met het ‘trapje’. We zien nu pas dat dit een gedeelte van een hooihark is. Het raadsel is opgelost, net voor we de tuin verlaten.

Later constateren we dat we ruim een half uur in die stilte hebben doorgebracht. Een half uur? Het voelde niet als tijd. Het ging om kleur, geur, aandacht en liefde. Wat zijn we dankbaar. Wat voelden we ons welkom. Wat hebben we veel geleerd. Wat een cadeautje!
Zo voelt de eeuwigheid, misschien.

Maar we leven nu en nu hebben we zin in de uitgestelde koffie. De Zaanse Schans biedt uitkomst. Denken we. Bij het eerste tentje zullen we worden bediend als we onder het afdak gaan zitten, zegt de juffrouw achter de balie. Maar nee, dat hadden we gedroomd, ze is nog niet klaar met… Ja met wat eigenlijk? Dan maar naar ‘De Walvis’. Op het terras is een vakantiehulp druk bezig met… Ja met wat eigenlijk? “Kunnen we koffie bestellen?”, blijkt een gekke vraag te zijn. “Nee, die moet u daar verderop halen.” Hij wijst vaag. En ja, tien meter verderop is een soort loket waar je koffie kunt kopen. Je mag het wel op het terras van dit luxe restaurant opdrinken.

Dus zo komt het dat we even later met een dik betaald kartonnen bekertje straffe drab aan een wiebelig tafeltje neerstrijken. Geen service, geen vriendelijk woord, geen gastvrijheid, geen behulpzaamheid, geen bediening. Geen koekje!

En toch. Het kan de pret niet drukken. We denken terug aan een heerlijk halfuur. Mensen die tijd hadden. Voor ons, voor elkaar, voor hun levenswerk. Daar kunnen wij een voorbeeld aan nemen.

De Zaandijker kerk in volle glorie

Het is al een tijdje aan de gang in het oude wijkje, een paar straten bij mij vandaan: slopen, breken, graven, egaliseren. En renoveren. Zo kwam het stokoude Zaandijker kerkje letterlijk steeds meer aan het licht.

Toen ik twintig jaar geleden (alweer!) in dit aardige dorpje (natuurlijk, het is een onderdeel van Zaanstad, maar toch) kwam wonen, zag ik vanuit mijn keukenraam het blauwe lichtje op de kerktoren. Ik vond het wel mooi, onder de rook van de kerk te wonen.
Het oude, vervallen gebouw heeft mij altijd aangesproken. Het was een echte kerk zoals kinderen die tekenen: een schip en een toren. Kerkdiensten werden er al lang niet meer gehouden. Zelfs is er een tijdje een paintballcentrum in gevestigd geweest. Dat vond ik raar en zonde van het gebouw. Heiligschennis. Daarna stond het leeg.

Het blauwe lichtje was verdwenen. Het verval sloeg enorm toe. Ramen werden ingegooid. Het was onduidelijk wat er allemaal in dat gebouw gebeurde. En eigenlijk wilde ik dat liever niet weten ook.

Tot er vorige zomer ineens met grof geschut sloopwerk werd verricht. Nee, niet de kerk ging eraan, maar de lelijke gebouwen rondom (wie kent nog de term: punaisebouw?)
De kerk werd in de steigers gehesen en daarna flink onder handen genomen, zowel aan de binnen- als aan de buitenkant. Er werd natuurlijk druk gespeculeerd over wat er met het gebouw zou gaan gebeuren. Stukje bij beetje hebben we de metamorfose kunnen volgen. Deze week werd het laatste gedeelte van de buitenmuur wit geschilderd. En zijn er leibomen omheen geplant. Het terrein is opgeruimd. De klok loopt weer (nog niet op tijd, maar voor de kerk is het noch te vroeg, noch te laat).

Vanochtend reed ik er langs, met de fietstassen vol boodschappen. Ik zag dat de deur wagenwijd openstond. Afstappen dus. Een vriendelijk bordje nodigde uit tot binnenkomen. Het was zelfs mogelijk de toren te beklimmen. Wel via zo’n enge metalen gaatjestrap, maar dat is ook wel weer een uitdaging. Het uitzicht was in elk geval fantastisch.

Binnen rook het heerlijk naar lak en er werd nog driftig getimmerd en gezaagd. De laatste hand voordat de officiële opening vrijdag plaatsvindt. Buiten voor de voordeur staan tien brievenbussen. Tien appartementen zijn er gerealiseerd voor een project begeleid wonen.

Zo heeft de kerk haar leidinggevende functie uiteindelijk toch weten te behouden.

——————————————————————————————————————-
Oplettende lezertjes zullen het woordje hammerbeam op een van de foto’s zijn tegengekomen. Dit is een speciale manier van het aanbrengen van dakspanten, heb ik van een behulpzame bezoeker begrepen. Deze kerk is een van de weinige waarin dat te nog zien is, blijkt. Zo komt de plafondversiering goed tot zijn recht. Hier is dat slechts een randje in ossenbloed rood, maar dat is in elk geval goed zichtbaar.

Verwondering in de Zaanstreek

dsc04991
Na de mooie tv-serie Tuinen van Verwondering, wordt het hoog tijd voor een serie blogjes over de bijzondere tuinen in mijn eigen omgeving. Natuurlijk, maar helaas, zijn er in dit Zaanse gebied geen tuinen van enorme afmetingen te vinden, maar in het klein valt er veel te genieten. En er is genoeg om je over te verwonderen.

Haaldersbroek is zo’n karakteristieke plek. Hier vind je oude (maar ook nieuwe) Zaanse huizen, een oud schoolgebouwtje – nu woonhuis – en een enkele kleine boerderij. Een daarvan bezocht ik in de jaren tachtig met enige regelmaat. Hier bevond zich namelijk galerie Bramkha, door Jan Kees Vergouw opgericht in 1984. De naam herinnert aan zijn vader, Abraham Vergouw, een niet onverdienstelijk schilder en beeldhouwer, die de laatste jaren van zijn leven werkte in het atelier van zijn zoon. Vele (Zaanse) kunstenaars werden hier in de gelegenheid gesteld hun werk te tonen. Op de zondagmiddagen was het bezoeken van de exposities een leuk uitje, dat ik vooral met Ina ondernam.

Dit is al lang verleden tijd. Ina is gestorven en in 1992 sloot de galerie zijn deuren. De naam ‘Bramkha’ (Brams plek) zal niet veel mensen meer wat zeggen.

Toch is gelukkig niet alles verdwenen; de beeldentuin, naast het huis, is nog volledig intact. Als eerbetoon van Jan Kees Vergouw aan zijn vader. Hoe vaak ik er ook langskom op mijn wandelingen, hoe vertrouwd de plek ook is, het verveelt nooit. In alle seizoenen, alle weersomstandigheden, op de verschillende momenten van de dag, steeds weer ziet de tuin er anders uit. De betonnen beelden blijven boeien. De tijd doet hen goed.

dsc04396

En toch lijkt het steeds weer dat de tijd stilstaat: het gras groeit, de bomen botten uit, dor blad dwarrelt her en der – stoïcijns houden de beelden op hun eigen plek de blik van de bezoeker gevangen. Streng en speels. Een organisch geheel. Al meer dan veertig jaar.

dsc04399

Zo ook vandaag. Ik scheur mij los. Al filosoferend sla ik linksaf. Langs weiden en water. Hier liggen de woonboten, aan tot kleine paradijsjes vertroetelde tuintjes. Ook hier valt het blad. Dat wat verscholen was, komt genadeloos aan het licht. En zo sta ik dan plotseling oog in oog met een uit de kluiten gewassen voorwerp, dat ik maar al te goed ken.

kaasschaaf

Met een vette grijns en in opperste verwondering vervolg ik mijn weg.

De Haremakerai

haremakerai

Na de teleurstellende ervaring bij de kapper van een tijdje geleden, besluit ik mijn heil te zoeken bij een andere zaak. Want hoe je het ook wendt of keert, haar blijft groeien. En zoals ik al eerder schreef – ik vind het zo leuk om deze uitdrukking van mijn moeder weer te gebruiken – op een gegeven moment kijk je ’s morgens in de spiegel en denk je: wat ziet dat haar er lijzig uit, daar moet de schaar in!

De afspraak is snel gemaakt. Ik kan terecht bij de Haremakerai, een salon in de buurt, die wordt gerund door een oud-leerling. Een leuke bijkomstigheid. Deze jonge vrouw heeft het goed voor elkaar. Het lieve bescheiden meisje dat twintig jaar geleden bij mij in de klas zat, heeft haar droom verwezenlijkt: een eigen kapperszaak met vier man (vrouw!) personeel, waar ze haar creativiteit kwijt kan en waar ze stagiaires opleidt, zodat ook haar andere passie, het onderwijs, een plaats in haar leven heeft kunnen krijgen.

De gevel is, hoe kan het ook anders, fris ‘Zaans’ groen geschilderd. Het bijzondere logo is een ontwerp van haar kunstzinnige zus. Je vindt de karakteristieke items van de Zaanstreek erin terug: de industrie, de wind, de walvisvaart en uiteindelijk, waar het hier tenslotte om gaat: de haren.

logo-h

Wat een vondst om je kapperszaak De Haremakerai te noemen! Een echte Zaanse naam en precies zoals de rasechte Zaankanters ‘harenmakerij’ uitspreken. Zaanser kan bijna niet.
Dit vraagt wellicht om enige uitleg. In de oliemolens van de Zaanstreek gebruikte men bij het persen paardenharen matten. Deze werden gemaakt van het haar van staarten en manen in de enige ‘harenmakerij’ die dit gebied rijk was en die op zo’n vijftig meter afstand van de kapsalon heeft gestaan. In de zestiger jaren van de vorige eeuw is dit pand in zijn geheel naar de nabij gelegen Zaanse Schans getransporteerd, waar het nog steeds bewoond wordt.

klaas-harenmaker

Eindelijk is het vrijdag. Ik ben wat aan de vroege kant en ga aan de grote leestafel zitten. De ruimte is netjes en gezellig ingericht; schoon, licht, warm, creatief, met een bijzondere touch.
Er worden twee kleine jongens geknipt. En ‘mijn’ kapster is nog bezig met een klant. Er liggen recente tijdschriften, er wordt een heerlijk kopje koffie geserveerd. Er staat een rekje met informatie over activiteiten in de Zaanstreek. Een folder van Kledingbank Zaanstad stop ik in mijn tas. Ik voel me hier op mijn gemak; het is net een gezellige huiskamer.

Dan neem ik plaats voor de grote spiegel. De excuses omdat het wat is uitgelopen, wuif ik weg; ik heb de tijd. En het kan gebeuren. Het is mensenwerk en dat kan niet in een keurslijf worden geperst. Bovendien kan het ook in mijn voordeel werken, wanneer er optimaal aandacht aan de klant wordt besteed.

We bekijken hoeveel eraf kan. Niet te kort, vindt ook zij. Dan begint het avontuur, waar ik me vol vertrouwen aan overgeef. Zorgvuldig en met aandacht wordt er geknipt. Het lijkt net of er niets gebeurt, zo vanzelfsprekend voelt het aan, maar toch zie ik steeds meer grijze plukjes op de zwarte kapmantel vallen. Na een half uurtje schud ik op verzoek mijn hoofd. Simpele, maar doeltreffende methode, zo valt het haar op een natuurlijke manier op zijn plaats. Ze controleert of er nog wat uitsteekt, knipt de laatste haartjes weg, et voilà! Zo strak en recht is mijn haar nog nooit geknipt.

Was het proces bij het bedrijf van Klaas Harenmaker een goed bewaard geheim, voor de Haremakerai geldt dat niet. Al snap ik absoluut niet hoe deze vrouw in een handomdraai met kam en schaar een perfect zittend, tot volle tevredenheid stemmend kapsel tevoorschijn tovert.

Met een goed gevoel sta ik even later buiten. De nieuwe afspraak is gemaakt. En ze heeft gelukkig beloofd me in het vervolg te tutoyeren.

rook

Over de oorspronkelijke harenmakerij:
http://onh.nl/nl-NL/verhaal/1859/voormalige-harenmakerij-uit-de-18e-eeuw

Als de Russen komen

dsc04871

De Russische buurt in Zaandam is een begrip. Tussen de markt en de Hogendijk ligt een vreemde mengeling van huizen verscholen. Het dertig jaar geleden opgezette nieuwbouwwijkje lijkt in redelijk goede staat. De gevels zijn in diverse tinten ‘Zaans groen’ geschilderd, wat wel een frisse aanblik geeft.

dsc04892

De oorspronkelijke woningen uit het begin van de vorige eeuw bestaan uit slecht onderhouden kleine huurhuizen en wat grotere koopwoningen. Die laatste krijgen nog wel eens een verfje, maar echt fanatiek onderhoud wordt er niet gepleegd, zo te zien.

dsc04864

Het oudste pand is het behuizinkje van Gerrit Kist, een timmerman uit de achttiende eeuw. Hier heeft Peter de Grote een aantal dagen doorgebracht. Het is dan ook terecht het Tsaar Peterhuisje genoemd. Met zijn twee meter drie moest de Russische vorst zich opvouwen in een krappe bedstee. En hij ging gebukt door de lage deur. Hij schijnt het niet erg te hebben gevonden; zijn kamer thuis, in Sint Petersburg, was niet groot en zeer eenvoudig ingericht met simpele houten meubels. Het huisje staat onder een soort stolp, een huisje in een huisje, zodat het goed geconserveerd blijft.

dsc04872

Het is niet direct een buurt die uitnodigt tot een fijne wandeling. “Maar”, moet iemand bij de gemeente hebben gedacht, “daar gaan we iets aan doen.” Na de bouw van het nieuwe winkelcentrum, de Hermitage (!) leek het wel een goed idee om de Russische buurt er ook wat meer bij te betrekken. Te beginnen bij de straatnaambordjes.

Dus toen ik er deze week toevallig doorheen fietste, vielen mij die grote, glanzende, fonkelnieuwe bordjes wel degelijk op. Daar heeft iemand zijn stinkende best op gedaan. Uitgezocht wie al de Russen waren die op de oude bordjes vermeld stonden en er nog wat verhelderende informatie aan toegevoegd.
Tja, vraag je je dan af, waarom is er niet een commissietje benoemd om de boel te controleren en een beetje bij te sturen.

dsc04866

Zo lees ik op het bordje bij de Tolstoistraat dat de goede man een aantal ‘epossen’ heeft geschreven. Altijd gedacht dat het meervoud epen was, maar inderdaad, het blijkt dat epossen ook mag. En verder heb ik ooit geleerd dat een epos een heldendicht is. Nu zijn Anna Karenina en Oorlog en Vrede wel prachtige (vuistdikke) romans, maar beslist geen epen! Even verderop in de straat staat een beeld van een stevige, gedrongen tuinkabouter, die bij nadere beschouwing Tolstoi blijkt te moeten voorstellen. Hij bewaakt met strenge blik een reusachtig tafelvoetbalspel.

dsc04869

Het Sacharov’plein’ (vergelijk dit met de immense pleinen in Moskou en Sint Petersburg!) is een speeltuintje, waar ik mijn kleinkinderen niet zou laten spelen. Je weet niet wat er allemaal rondzwerft aan troep.

dsc04875

De Czarinastraat, die de Hogendijk met de markt verbindt, is een aaneenschakeling van koffieshops. En overal ligt afval. Huizen zijn verveloos en vies. Nee, mooie naambordjes kunnen het armoedige en sleetse van het wijkje helaas niet verhullen.

dsc04877

Jammer, jammer. Als ‘de Russen komen’, moeten we ze maar via het Krimp (what’s in a name) naar het Tsaar Peterhuisje loodsen, langs de ‘Moestuin van Monet’. En niet via die gribus van de Russische buurt.

dsc04882

Ik heb me er evengoed wel vermaakt. Er is altijd meer te zien dan je denkt. En de fantasie gaat snel met me op de loop. Een vrouw met hoofddoek hangt uit een raam, zoals ik me dat voorstel bij de vrouwen uit Russische romans. Een oude baas in het zwart lijkt zo weggelopen uit Schuld en Boete. Het zwartglanzende water van de Dijksloot zou zomaar een Petersburgse gracht kunnen zijn…..

dsc04886

Het onooglijke straatje, Het Vorstenbosch, waar ik ooit deelnam aan dichtersavonden in een souterrain, leidt naar een klein gemaal, dat in het stille water wordt weerspiegeld.
Het blad op straat glanst rood en goud in de zon.
Toch een vorstelijk buurtje.

dsc04885

————————————————————————————————

Over ‘De Moestuin van Monet’: http://wp.me/p36K0e-yd