De Verzoening

Zolang je er niet in het weekend komt, is het Hembrugterrein de rustigste plek van Zaanstad. Het is er ruim en groen en vooral stil. De prachtige oude gebouwen, fabrieken en werkplaatsen, stralen rust uit, ondanks hun vroegere bestemming. Bordjes met opschriften als: Kanonnenloods, Affuitenhal, Harderij, Slaghoedje en Kardoes geven aan wat er in het verleden gaande was. De begroeiing geeft het een vriendelijk aanzicht. Het verval, dat overduidelijk zichtbaar is, maakt het terrein niet unheimisch. Integendeel. Het geluksgevoel dat me regelmatig overvalt wanneer ik me daar heb geïnstalleerd met mijn thermosje koffie en boek, verbaasde me alleen de eerste keer.

Geleidelijk aan worden de gebouwen opgeknapt, asbest wordt verwijderd, puin geruimd. Soms wordt het oude, het vervallene juist geaccentueerd, gecultiveerd. Dat maakt het spannend. Dit laatste gebeurde bijvoorbeeld bij het gebouw waarin een fantastische fototentoonstelling van Jeroen Swolfs is ingericht. De deuren zijn roestig, aan het interieur is alleen het allernoodzakelijkste aangepast. De bijzondere foto’s komen hier prachtig uit. Veel beter zelfs dan aan glad gestuukte spierwitte muren. Helaas is het niet mogelijk de tentoonstelling te bezoeken, maar door al het glas kan ik een groot deel van de foto’s zien.

De bossen, waar ooit munitie tot ontploffing werd gebracht zijn (nog?) niet toegankelijk. Jammer, maar het bos rukt sowieso op. Onkruid staat hoog en bloeit volop. Vogelgezang, gezoem van insecten, wespen azen op mijn koffie en mijn appelklokhuis. Twee wandelaars maken de door de Volkskrant uitgezette wandeling. Er wordt hard gewerkt in en aan de ateliertjes die in de lege gebouwen zijn gevestigd. Verwijderde apparatuur wordt zo hier en daar ter decoratie buiten opgesteld. Men probeert er echt iets van te maken, van deze fantastische plek.

Maar dan, een rijtje barakken, een hek met prikkeldraad. Even verderop een treinwagon op een afgekapt stuk rails. Een woonhuis achter bomen. Het is er allemaal. De vergelijking met Auschwitz, dat ik een paar jaar geleden bezocht, dringt zich met kracht aan mij op. Ook toen was het prachtig weer. En ondanks alle bezoekers was het er merkwaardig stil. De barakken, zo’n zelfde wagon, het woonhuis van een commandant, alles is er ineens weer. En nu zelfs, heel wrang, in combinatie met het ooit geproduceerde wapentuig. Het verwart me meer dan ik mezelf wil toegeven. Natuurlijk realiseer ik mij ook dat het zich vooral in mijn eigen hoofd afspeelt en ik schud het van me af.

Ik fiets nog even rond en rijd dan het terrein af, richting Noord-Hollands kanaal. Aan de overkant zie ik ineens een puur Hollands plaatje. Een letterlijke verzoening. Verzoening met het verleden, dat zich zo af en toe aan het heden opdringt. Het trekt me weer terug in het hier en nu.

Met een tevreden gevoel fiets ik langs vrolijk bloeiende bermen terug naar huis.

Wat de hemel zag…

We hadden het gepland, dus we wilden wel graag dat het door zou gaan. Dat we ons erop hadden verheugd, was te veel gezegd; het zou beslist geen vrolijk uitje worden. We hadden al te veel gehoord.

Op de bewuste dag bezoeken we al vroeg de synagoge. Een goede start, het geeft ons rust en berusting. Daarna lopen we door de zonovergoten stad, niet ver van de Joodse wijk. We nemen alles goed in ons op, we zullen dit niet snel terugzien. In een parkje, te groen eigenlijk voor de prille maand mei, zetten we het gesprek voort, dat we tijdens de wandeling zijn begonnen. Het geloof is maar al te vaak een precair onderwerp. Voor ons niet. Wij wisselen onze ervaringen uit. En die blijken niet heel veel van elkaar te verschillen.

We kopen wat brood voor onderweg, je weet maar nooit. Op de afgesproken tijd staan we klaar met onze luttele bagage. Veel zullen we niet nodig hebben, is ons gezegd. Alleen het toegangsbewijs is essentieel. We wachten. Op het muurtje gezeten hebben we een goed zicht op de weg. De tijd verstrijkt, maar er is in de verste verte geen busje te zien. Ze zullen ons toch niet vergeten zijn? Aan de overkant is het nog steeds druk bij de synagoge. Mensen lopen in en uit. De zon koestert onze gezichten, het is warm voor de tijd van het jaar. Plotseling snelle voetstappen. Een jonge man in een zwart kostuum rent even verderop een zijstraatje uit, knielt net om de hoek met het geweer in de aanslag. Hij loert over de loop, maar schiet niet. Vreemd. Hij neemt de benen wanneer iemand op hem af komt rennen, keert via dezelfde route terug en het tafereel herhaalt zich. Unheimisch? Nee, niet eens. Het lijkt of we midden in een filmopname zijn beland.

Zo langzamerhand begint de tijd te dringen. Waar blijft dat busje nu toch? Nu we eenmaal geboekt hebben voor deze trip, nu we ons erop hebben ingesteld, moet het er ook maar echt van komen. Juist als we erover denken dan maar alsnog op eigen gelegenheid te gaan, loopt iemand op ons af, controleert het kaartje, stelt zich voor als de chauffeur en neemt ons mee. We stappen in. Er zitten al meer mensen in het krappe busje, waaronder een peuter en een baby. De moeder sust het kleintje, de vader houdt de peuter bezig. Na een kilometer of wat stapt er nog een stel in. Het busje zit nu echt propvol.

Een enkele stop onderweg bij een benzinestation. Onze medepassagiers slaan flink wat proviand in en beginnen dat direct weg te werken. Nu nog een dik halfuur rijden. Weilanden, bossen, kleine dorpjes. Vriendelijk landschap. Het staat in schril contrast met waar wij straks zullen aankomen.
De laatste afslag. We hebben de borden onderweg gezien. Nog even. Mijn maag verkrampt. Nu al.

We zijn uitgestapt en worden bij elkaar geroepen. Er voegen zich meer mensen bij onze groep. We krijgen een nummer. Nu is het wachten op degene die ons naar binnen zal begeleiden. Onder de poort door. Die poort waar al zovelen voor ons onderdoor zijn gegaan. Wij weten wat ons te wachten staat, maar toch ook weer niet.

Daar is onze gids, een jonge, frêle vrouw. We laten de pizzeria en de stalletjes met souvenirs achter ons. Ze spreekt ons vriendelijk maar streng toe: Weet waar je bent en gedraag je daarnaar. Dan volgen we haar. In stilte. Het grind knerst onder onze voeten. De tranen springen in mijn ogen: zo moet het ruim zeventig jaar geleden ook geklonken hebben…