Op Hodenpijl

Een gewone dinsdagmiddag, even eruit.
Kijkend naar het westen, weilanden en kassen,
moet ik wel concluderen:
dit is het Westland.

In dit groene, grazige gebied groeide ik op.
Uien en selderij ruik ik,
als ik, starend in de grijze verte,
de geuren van toen gastvrij onthaal.

Toe maar, ook de beelden:
mijn broer en ik, achterop bij onze ouders.
Zorgeloos zingend, alle vier.
Uitrusten achter een hek bij een boerensloot.

Een kinderavontuur: knijpend tegen de zon
zien wij de boer in de verte.
Als hij voor ons staat
houdt mijn vader zich dover dan hij is.

Ze hebben het over vliegen vangen
en wie hier nou eigenlijk de baas is.
Wij begrijpen het niet.
Een paar koeien komt nieuwsgierig dichterbij.

De voeten op de stepjes,
het ijzeren steuntje in de rug.
Een briesje steekt op, flink doortrappen dus.
We zingen niet meer. Thuis is er thee…

Wij bestellen koffie.
“Herinnering is als een hond”, zei een schrijver,
“die gaat liggen waar hij wil.”
Ook hier, bij knapperend haardvuur.