Je pense que je suis

De illusie van het bestaan (Filosofie van de koude Zaanse grond)

DSC08543

Sommige dingen in het leven gaan ongemerkt. Zo waren er sinds 2009 alweer vijf jaar verstreken. Ja, logisch natuurlijk, maar het werd me extra duidelijk gemaakt toen de brief van de gemeente in de bus viel. Of ik wel wist dat mijn paspoort bijna was verlopen en dat ik een nieuwe nodig had. Ik wist dat niet, want zo’n document gebruik je niet dagelijks, maar ik nam het direct aan.

Een afspraak maken dus. Bij de gemeente, afdeling burgerzaken. Tegenwoordig komt daar geen telefoon meer aan te pas. Via de computer kom ik op een site, waar ik een keuze kan maken voor dag en tijd. Het valt mee: al over een week kan ik terecht.
Wat heb ik nodig? Mijn oude pas, pasfoto’s en geld. Makkelijk zat.
Makkelijk? Het oude paspoort ligt gewoon in het laatje. Er wordt verwacht dat ik pin, dus dat is ook geen probleem. Nee, de bottleneck zijn de foto’s. De fotograaf weet precies hoe de foto’s voor een paspoort gemaakt moeten worden, lees ik op de site. Gelukkig, denk ik. Want hoe is het nu: wel lachen, niet lachen? Een bril op, of juist geen bril? Oren vrij of niet?

Pasfoto’s. Bijna nog erger dan de tandarts. Maar vooruit, voor het goede doel. Zonder aarzelen loop ik naar de fotozaak waar ik altijd kwam, aan het begin van de winkelstraat. Hm, dat is jammer. Een groot bord op het raam meldt dat het pand te huur is. Aan het eind van de straat moet er ook nog een zijn. Een gerenommeerde zaak, waar ook dure apparatuur wordt verkocht. Luxe pasfoto’s. Ik verbaas me erover dat het pand er verveloos uit ziet. De kozijnen rotten weg. De etalage is bijna leeg, op een paar tweedehands camera’s na. Geen klanten, terwijl je anders altijd lang op je beurt moest wachten. Ook al op de nominatie om te verdwijnen. Maar ik heb geluk: pasfoto’s kunnen nog gewoon gemaakt worden. In een hokje achterin de zaak. Een blik in de spiegel ter controle. Ja hoor, kom maar op. Het worden drie foto’s met en drie zonder bril; het is op dit moment onduidelijk wat er gewenst wordt. Haar achter de oren, en zo’n blik van: laat maar over me heen komen. Ik stop het mapje diep onder in mijn tas. Voor overmorgen.

Anderhalve dag en een begrafenis later sprint ik op mijn fiets naar het nieuwe gemeentehuis. Ik voer mijn afspraaknummer in in de computer en het nummertje rolt eruit. Exact om tien uur ben ik aan de beurt. En om één minuut voor tien heb ik ontdekt dat mijn portemonnee nog in de tas zit, die ik gisteren mee had naar de uitvaart. Stom. Maar misschien hoef ik pas bij afhalen te betalen. Ik kijk naar het gezicht van de vrouw achter de balie: het staat op onweer. Het wordt er niet beter op, als ik opbiecht dat mijn portemonnee nog thuis ligt. “U kent dat vast wel”, zeg ik nog, inspelend op het vrouw zijn, “de verkeerde tas meegenomen.” Een mondhoek plooit zich in een zuurzoet lachje. Nee, denk ik, dat ken jij niet. Je bent vast geen tasjesmens. Je hebt er waarschijnlijk maar één. “Dan moet u een nieuwe afspraak maken”, zegt ze vinnig. “U moet namelijk bij aanvraag betalen.” Ik druip af. Vanavond heeft zij bij het avondeten een goed verhaal: zo’n stom mens vandaag aan de balie!

Op het plein voor het stadhuis is een straatveger in druk gesprek gewikkeld met een wat oudere man. “Hoe zie jij dat dan?”, vraagt die. “Nou”, zegt de man met het gele hesje, gesticulerend met zijn vrije hand, “het existentialisme, weet je wel? Je pense que je suis.”

Ja, denk ik, terwijl ik doorloop. Ongewild heeft deze man de spijker op zijn kop geslagen: Ik denk dat ik besta. Dat is het. Denken we niet allemaal dat we bestaan? Alles is illusie.
Gek genoeg ben ik nu degene die niet meer denkt en niet meer bestaat, dankbaar. Als ik niet naar zijn begrafenis was geweest, had ik mijn portemonnee gewoon bij me gehad en zou ik deze wijze levensles hebben gemist. Dank je, Gijs.

Toen ik vanmiddag, mét portemonnee, een boodschap deed, stond ik achter een wat oudere vrouw in de rij voor de kassa. Ze had haar mouwen opgestroopt, zodat de tatoeage op haar onderarm goed zichtbaar was. Tot mijn stomme verbazing las ik de tekst die ik vanochtend in aangepaste vorm hoorde: cogito ergo sum. Dit keer precies zoals Descartes het ooit heeft gezegd: ik denk, dus ik besta.

Toch vind ik de tekst van de filosofische straatveger tien keer beter dan die van de grote geleerde.

Soezen

soezenAl vanaf zijn vroegste jeugd hield hij van mollig. Het liefst lag hij als baby tegen de volle, zachte, warme boezem van zijn oma. Als kleuter speelde hij altijd met wat steviger meisjes. Zij vonden hem ook leuk. En aardig. Vaak nam hij van huis stiekem snoep mee, om hen te verrassen.

Hij groeide op tot een leuke puber. Vriendelijk voor iedereen, maar nog steeds met een voorkeur voor dikke meisjes. Die genoten van zijn aandacht en zijn gulheid. Het was een aangenaam tegenwicht tegen het gepest door klasgenoten vanwege hun omvang.

Toen hij als student een aantal maanden om Tracey heen had gedraaid, en haar rijkelijk had voorzien van marsen en frisdrank bij de automaat, vond hij het tijd worden om haar verkering te vragen. Gretig ging zij hierop in.

Hij vestigde zich als arts. De bruiloft werd gevierd en het stel trok in een riante bungalow. De praktijk liep zo goed, dat Tracey niet hoefde te werken. Wat werd ze in de watten gelegd. Elke dag nam hij dozen gebak voor haar mee van de banketbakker. En koken hoefde niet: hij zorgde voor pizza’s, of iets van de snackbar.

Toen zij niet meer kon lopen, liet hij een extra verstevigd bed voor haar maken. Ook begon zij nu om eten te vrágen. Met liefde nam hij het voor haar mee. Hij wist alles van calorieën; hoe meer Tracey, hoe heerlijker hij het vond.
Zijn verdriet was daarom groot, toen hij op een middag thuiskwam met een grote doos soezen en zijn vrouw met gebroken ogen tegen de kussens geleund zag. Ontroostbaar was hij.

Het was een sobere begrafenis. Hij hield een korte toespraak en klampte zich in zijn wanhoop vast aan de uitvaartleidster. Hij drukte zijn gezicht in haar volle, warme boezem. Liefste, kom, ik heb nog soezen, sprak hij gesmoord….

——————————

Dit is een verhaal in de serie WE-300. Een schrijfuitdaging van Plato (http://platoonline.wordpress.com/, hier kun je ook andere leuke, spannende, ontroerende verhalen lezen). De bedoeling is een verhaal te schrijven van 300 woorden, waarin een bepaald woord niet mag voorkomen, terwijl het wel duidelijk moet zijn dat het daarom gaat. In dit geval was het verboden woord: verwennen

Zie ook andere berichten in de categorie WE-300, bijvoorbeeld:
De brief: http://wp.me/p36K0e-bl
In The Looking Glass: http://wp.me/p36K0e-9N
Struikelen over het verleden: http://wp.me/p36K0e-9U

Foto van internet