Hoeveel geluk kan een kind verdragen

DSC09573“Ik heb gewonnen”, riep hij. Daan, de roodharige, drukke Daan, slenterde naar me toe. “Kijk”, zei hij zacht, “hier heb ik hem, in mijn zak.” In de zweterige handpalm, die hij een eindje uit zijn broekzak trok, lag een knikker. Een mooie. Een katoog. In drie kleuren: rood, wit en blauw. “Mooi!”, zei ik. “Ga je hem opgooien? Kan nog best. De pauze is nog niet voorbij. Daar moet je zeker meer mee kunnen winnen.” Hij keek me aan of hij water zag branden. “En als ik verlies? Dan ben ik hem kwijt!” “Het risico van het spel.”

Aarzelend liep hij naar het groepje jongens dat stond te joelen om het knikkerpotje onder de plataan, midden op het plein. Gevaarlijk spel, zag ik. Eén had een bonk opgegooid. De volgende was aan de beurt. Daan hield zijn handen diep in zijn broekzakken, bobbelig van de knikkers. Wat zou hij doen? “Kom je, Daan?” Hij schudde zijn hoofd: “Ik heb geen zin meer.” “Ah, kom op nou! Je hebt toch wel een bonk?” Hij haalde zijn neus op, trapte een paar keer tegen de boom, en liep naar het bankje, even verderop. Toen hij met een plof ging zitten, zag ik hoe ongelukkig hij keek.

De volgende ochtend kwam Daan te laat. Dat gebeurde nooit, hij was altijd een van de eersten. Nog even een balletje trappen op het plein. Of knikkeren. Toen hij de klas inkwam, zag ik het al: rode ogen. “Kom even mee de gang op”, zei ik. “Waarom ben je zo laat?” “Die rottige geluksknikker. Ik was zo bang om hem kwijt te raken! Vanochtend ben ik naar de vierde verdieping gegaan. Vanaf de galerij gooide ik hem naar beneden. Kijk: in duizend stukjes.”

Tranen rolden over zijn wangen. De angst voor verlies had gewonnen van zijn geluksgevoel.

——————————————————————————————————————-
Dit is een verhaal in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato (Hier kun je meer leuke, spannende, bijzondere WE-verhalen vinden). Het werkt als volgt: Schrijf een tekst van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: scoren.

Advertenties

Hoe AH de kleintjes inpakt

DSC09524

Hamsteren!
Ze zitten op het hek. Nee, niet de drie kleine kleutertjes. Schoolkinderen van een jaar of acht. Gekleed in het oranje. Een begerige, opdringerige blik in de ogen. Een hamsterblik. Wanneer een volwassene in de buurt komt, begint het geschreeuw en geroep. Gezwaai met armen. Graaiende handen. Beestjes willen ze. Oranje beestjes met bolle wangen, die door het personeel van de AH-winkels aan klanten worden verstrekt. Voor elke bestede vijftien euro één hamster.

Wanneer ik eraan kom, krijg ik nauwelijks de tijd mijn fiets op slot te zetten. Mag ik straks je hamster? Vroeger (en nu doe ik dat nog steeds, trouwens) sprak ik volwassen vreemden altijd aan met “U”. Met een hoofdletter. Tegenwoordig hoeft dat niet meer. Van mij ook niet. Maar dat opdringerige gedoe vind ik vervelend. Buiten het feit, dat ik nog steeds niet in het bezit ben van zo’n beestje, zou ik ook moeite hebben ze in die graaiende handen te deponeren, terwijl er van een “dank je wel” geen sprake is. Nee, de meest gehoorde kreet is: “Hèè, die heb ik al.”

Een jongetje met een vrolijke blonde kuif, die het dichtst bij de ingang op het ‘dranghek’ zit, schreeuwt zijn longen uit zijn lijf. Hij heeft twee hamsters aan zijn hand bungelen. Hij hangt zo ver naar voren, dat hij de kassa’s kan zien. Mensen die veel boodschappen op de band zetten, hebben kans op een hamster. En hij bespringt ze bijna als ze naar buiten komen; hij heeft allang gezien dat ze er een paar in hun tas hebben gestopt.

Hoe verzin je het?
Ach, je kunt het die kinderen niet kwalijk nemen. Natuurlijk willen ze die speeltjes graag hebben. Het is ook voor ‘de heb’. Zowel voor de kinderen als voor de multinational, waar iemand heeft bedacht dat je bij vijftien euro aan boodschappen zo’n onooglijk gevalletje kunt krijgen. Een duur speeltje, maar AH vaart er wel bij.
De mensen die dit verzinnen, zouden eens ernstig moeten worden toegesproken. Weten zij wel wat ze veroorzaken?
Kinderen worden opgezadeld met bergen troep waar ze binnen de kortste keren niet meer naar omkijken. Ik vraag het schreeuwende jongetje of hij wel goed naar die rare beestjes heeft gekeken. “Vind je ze echt leuk?”, wil ik weten. “Nee”, zegt hij snel, “maar ik wil ze gewoon allemaal hebben.” Een meisje vult aan: “Ik moet (!) er nog twee en dan ben ik klaar, dan kan ik naar huis.”
Ouders zullen, wanneer ze erin trappen en echt drieëntwintig beestjes bij elkaar willen sparen, tenminste driehonderdvijfenveertig euro kwijt zijn. In de praktijk natuurlijk veel meer, omdat je vaak dubbele zult krijgen.

DSC09525

Allemaal beessies….
In 2010 brengt Albert Heijn het ‘beessie’ op de markt. Die liggen natuurlijk al snel na het WK te verstoffen. Er wordt een nieuwe actie bedacht: lever de pluizige speeltjes in, zodat er weer andere (zielige) kinderen mee kunnen worden blij gemaakt. Dat gun ik ze van harte, maar voor hen is het wel mosterd na de maaltijd. Na het WK een beessie bij de boodschappen van de voedselbank. Dat is pas zielig.

Waarschijnlijk gaat het dit keer net zo. De kinderen op het hek kijken niet echt blij. Het is meer een taak waar ze aan zijn begonnen. Wie a zegt moet ook b zeggen. Eén is niks; je moet ze allemaal hebben. Sparen, dus. Tegen wil en dank na schooltijd voor de winkel gaan rondhangen en hopen dat je onbeleefde, dwingende gezeur nog wat oplevert. Terwijl je misschien liever was gaan spelen met dat mooie weer. En na ‘het heilig moeten’ liggen al die rare hamstertjes ergens in een hoekje en kijkt niemand er meer naar om. Tot een heldere geest plotseling bedenkt, dat er voor de beessies ook een goede tweede bestemming is gevonden. Misschien zou er bij de winkels vast een verzamelton geplaatst kunnen worden, waar ouders de rondslingerende troep direct al in kwijt kunnen. Dan kunnen de ‘zielige’ kinderen nog tijdens de WK meedelen in de feestvreugde.

Een actie tegen de actie?
Misschien moet men bij AH de volgende keer eens goed nadenken over de actie. In de eerste plaats is er de vraag: moet er wel een actie komen? Moet je kinderen leren om te bedelen? Moet je ze onrustig en ontevreden maken? Moet je hen en hun ouders opzadelen met rommel die later weer naar de kringloop gebracht moet worden? Moet je kinderen niet juist enig ethisch en esthetisch bewustzijn bijbrengen?

Is dit allemaal overwogen en blijkt dat er toch onherroepelijk een actie moet komen, verstrek dan liever iets met een educatief tintje. De dierenplaatjes voldeden indertijd aan deze norm.
In geval van een actie ter gelegenheid van een sportief evenement zou het iets kunnen zijn, waarmee of waardoor kinderen gaan bewegen.

Naar huis.
Ik reken mijn boodschappen af. Te weinig voor een hamster. Het oranje jongetje glipt langs me heen. Achter mij staat een vader met twee kleine kinderen. “Hier, voor jou”, hoor ik een schor stemmetje zeggen. Het zoontje straalt: een oranje hamster. “Ik heb hem toch dubbel!”, roept het blonde mannetje, terwijl hij snel naar buiten rent om zijn plaats op het hek weer in te nemen. Vlak voor ik wegrijd, zie ik hem een zakje openscheuren. “Ruilen?”, schreeuwt hij tegen het meisje. Ze knikt. Nu hoeft ze er nog maar één. Ze mag bijna naar huis.

Buitenspelen zou een vak op school moeten zijn (2)

wpid-johan-cruijff-foundation-buiten-spelenNa een goed jaar bouwen was het nieuwe schoolgebouw zover dat we aan de inrichting van het plein konden gaan denken. Iedereen die in het onderwijs werkt, weet dat er dan een Commissie wordt benoemd, die Plannen gaat maken en deze daarna gaat Presenteren aan het Team. Ook weet men dan dat het Budget sowieso te klein is om welke plannen dan ook te realiseren.
Zo kon het gebeuren dat het droombeeld van een ruig, spannend speelveld met heuveltjes met (rioolbuis)tunnels, bomen en struiken geen doorgang kon vinden. Niet alleen vanwege een beperkt budget. Iedereen die in het onderwijs werkt, weet ook dat je met handen en voeten aan allerlei regels en regeltjes gebonden bent.

Ons plein werd dus volledig betegeld inclusief vier tegels met een knikkerpotje en twee genummerde hinkelbaantjes, er werden een klim- en een speeltoestel geplaatst, een set van drie duikelstangen en een zandbak van 2m x 2m. (In de praktijk bleek de zandbak natuurlijk te klein en te ondiep. Bovendien was hij vlak naast een afvoerputje geplaatst, zodat de juffen er altijd aan moesten denken dit met een stuk linoleum te bedekken.) Ook kwam er een betonnen tafel met daarop een schaakbord, wat een dambord had moeten zijn. Wat een spannend en uitdagend speelterrein….

Bij toerbeurt wordt er door onder-, midden- en bovenbouw buiten gepeeld. Drie keer per ochtend rennen er twintig minuten zo’n honderd kinderen over het plein. De rest van de tijd is de ruimte voor de kleuters.

De praktijk: de meeste jongens willen het liefst alleen maar voetballen. Op zich zou je dit moeten toejuichen, omdat ze dan tenminste spelen. Ze nemen dat spel heel serieus, wat best grappig is om te zien. De keerzijde is, dat ze dan totaal geen oog meer hebben voor de andere kinderen, alleen hun spel is nog maar belangrijk. Sommige kinderen doen verstoppertje, waarbij de schaaktafel dienst doet als buutplaats. Echte verstopplekken zijn er niet op dat kale plein. Een grote groep kinderen rent doelloos gillend rond; geen idee wat ze moeten met hun energie. En ondanks het feit dat er twee ‘lieveheersbeesttegels’ in het plein zijn verwerkt, is er sprake van veel duw- en trekwerk en regelrecht geknok. De knikkerpotjes slibben dicht, omdat niemand meer knikkert. De hinkelbanen zijn gesitueerd in het voetbalgebied, maar ach, ze werden toch al niet gebruikt. Het klimrek wordt al snel door groep acht in gebruik genomen om als hangplek te dienen en het speeltoestel wordt, vooral gedurende het weekend, vakkundig gesloopt. De duikelstangen worden het liefst gebruikt voor het oefenen van de ‘dodensprong’. Met de springtouwen kun je kinderen vastbinden en met stelten kun je lekker meppen. Het boompje midden op het plein overleeft de pauzes niet, want wat is er nou leuker dan kijken hoe ver dat stammetje doorbuigt als je eraan gaat hangen?

Natuurlijk is dit enigszins gechargeerd. Maar het komt er wel op neer, dat kinderen uit zichzelf vaak niet goed raad weten met de ruimte en de vrijheid. En met elkaar; zoveel kinderen tegelijk op een beperkte ruimte. Leuk spelen lukt dan niet meer zo goed.

Als buitenspelen een vak zou zijn op school dan zou het (moeten) worden aangeleerd. Dan zouden er faciliteiten en materialen zijn, net als bij de reguliere lessen. Leerkrachten zouden zich er gericht en actief mee bezig (moeten) houden. Dus niet, een kopje koffie in de hand, met elkaar de teleurstellende uitslagen van de rekentoets doornemen, maar het touw draaien, bijvoorbeeld. Hoe actiever de leerkracht zich opstelt, hoe minder hij zich als politieagent hoeft te gedragen. En op zo’n manier leren kinderen dat buitenspelen op een plein met nog honderd anderen best mogelijk is.

Maar, als buitenspelen een vak op school zou zijn, dan zou het, vrees ik, ook getoetst moeten worden. Het Cito zou er wel raad mee weten. Voor voetballen een A, voor knikkeren een E. De leerkrachten stellen gewoon weer een (groeps)handelingsplan op. En zo komt het allemaal toch goed.

Lees ook: Buitenspelen zou een vak op school moeten zijn (1): http://wp.me/p36K0e-bh