Over Stockholm, aardige mensen en een bobine

Met een lekker gangetje tuffen bijrijder Bram en ik over de A5, op weg naar Den Haag. Eindelijk zullen we, de ‘oude’ vriendin en ik, museum Voorlinden in Wassenaar bezoeken. We hebben door omstandigheden de afspraak een aantal keren moeten verzetten, maar vandaag zál het lukken; het is een mooie dag voor museumbezoek. We hebben er zin in.

Terwijl ik een vrachtwagen inhaal, remt mijn auto spontaan af, doet net of hij over een hobbelige weg rijdt en ontsteekt de feestverlichting. Dat oranje lampje ken ik! Toen dat in mijn vorige auto begon te branden, bleek die ten dode opgeschreven. Dus stoppen! Naar de vluchtstrook, alarmlichten aan en bellen met de mobiliteitsservice. Diep ademhalen en net doen of de paniek die ik net voelde opkomen, onder het asfalt is geschoffeld.
De dame aan de telefoon is bijzonder aardig en behulpzaam. (Zoals het hoort, natuurlijk.) Het lukt me om normaal te antwoorden. Ik geef aan waar ik sta en wat mijn kenteken is. En zij belooft dat er over een half uurtje iemand zal verschijnen om de auto naar de dichtstbijzijnde garage te brengen. Tot zover gaat het goed. Terwijl het verkeer langs me heen raast, voel ik me steeds rustiger worden. Ik bel vriendin HB. Jammer, jammer, maar het komt er waarschijnlijk niet meer van vandaag. Alhoewel, je weet het nooit, misschien valt het toch nog mee.

Met mijn voeten in de zachte berm zet ik het op een wachten. Het verkeer zoeft langs. Af en toe stijgt er tegenover mij een vliegtuig op. Een waterig zonnetje doet zijn best, maar het blijft grijs. Geen regen, gelukkig. Ik tuur in de verte; komt er al iets? Het halve uur wordt drie kwartier en na een uur vind ik het welletjes. Zijn ze me vergeten? Ik bel nog maar een keer; dezelfde vriendelijke dame belooft dat er over tien minuten….. Er zit niet veel anders op dan gewoon maar te blijven wachten. Geduld is een schone zaak.

Dan komt de welbekende gele auto aanrijden. De chauffeur hijst zich in een dito hesje. ‘Mijn’ service heeft toch geen connecties met de Wegenwacht? De schrik slaat me ineens om het hart. Hij komt me natuurlijk de mantel uitvegen: waar is de gevarendriehoek, mevrouwtje? En dat gele hesje, dat in de achterbak ligt, had u dat niet even kunnen aantrekken?! Voor uw eigen veiligheid? Maar hij loopt rustig naar mij toe en stelt zich voor. Hij blijkt onderweg naar een ander pechgeval, maar wilde even informeren. Ik vertel wat er aan de hand is en dat ik wacht op de servicedienst van mijn eigen automerk. Die arriveert op datzelfde moment. De derde aardige persoon van die ochtend. Mijn vertrouwen in de ‘Menschheid’ wordt in razende vaart hersteld.

De auto wordt op de vrachtwagen gereden en daar gaan we, naar de dichtstbijzijnde garage. Er ontspint zich een geanimeerd gesprek: over pensioen, over werk, over het onderwijs, over hobby’s, over de opvoeding, over leeftijd, over geraniums… Zo wil ik wel doorrijden tot Stockholm.
Maar binnen een kwartier rijden we het bedrijventerrein op. Het vertrouwde embleem op de garage. De monteur zal eens kijken wat er aan de hand is en ik word vakkundig de koffiehoek in gemanoeuvreerd.

Tien minuten later valt het verlossende woord. De auto kan nog jaren mee, wanneer De Bobine wordt vervangen. Ik heb geen flauw idee wat dat voor een ding is, maar het klinkt positief. Jammer alleen, dat het onderdeel niet in voorraad is.

Wat is het toch fijn dat er mensen zijn die oplossingsgericht denken. De aardige jongen achter de balie met het leuke geblondeerde haar stelt voor om er een uit eenzelfde model auto – die toevallig net op de brug staat – te slopen en in die van mij te monteren. Dat gebeurt.

Na wat administratieve rompslomp en een telefoontje naar vriendin, stel ik de navigator in en praat Bram me door een wirwar aan straatjes (keer om!) naar de snelweg. Ook de auto heeft er weer zin in.

En zo rijd ik al snel Den Haag binnen. Vriendin staat al klaar. Op naar museum Voorlinden! Eindelijk!

Advertenties

Rijstebrij en gebak

den-haag

Het was een sombere, koude februaridag. Mijn broer en ik kwamen uit school. Zaterdagmiddag, we hadden vrij. Ook mijn vader kwam thuis uit zijn werk. We aten soep en als toetje mijn lievelingsgerecht: rijst met krenten, met boter, suiker en kaneel. Ik maakte zorgvuldig een bergje op mijn bord en drukte er met mijn lepel een kuiltje in, waarin de boter tot een plasje smolt. Ik at langzaam. De suiker knerste tussen mijn tanden, de geur van kaneel drong mijn neus binnen. Deze rijstebrijberg was voor mij altijd al luilekkerland. Maar toch stelde ik me voor, dat wanneer ik me door de berg heen had gegeten, er iets leuks zou gebeuren.

“Jongens”, zei mijn vader na het eten, “ik lees eerst de krant en daarna gaan we op bezoek bij een collega.” Ik keek op van mijn tekening. Een collega. Wat moest ik me daarbij voorstellen. Voor ik het woordje ‘waarom’ had kunnen formuleren, zei mijn vader: “Hij is jarig. Vandaar.” Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Alsof we naar alle verjaardagen van alle collega’s gingen. Ik voelde dat er iets aan de hand was, maar zei niets. Dit was niet het leuke, waarop ik had gehoopt, dat voelde ik wel. Ik wou maar dat we gingen, dan was dat unheimische gevoel misschien over.

We reden de stad in. Mijn broer bij vader achterop, ik ernaast op mijn nieuwe tweedehands fiets. Ik moest goed opletten dat ik niet in de tramrails terecht kwam. Na een goed kwartier stapten we af voor een huis in een smalle straat. Rechts naast de voordeur was een lege winkel. Er stond een herenfiets in. En een stapel oude dozen. Een gescheurd groen gordijn lag in een hoekje op de grond. “De winkel van zijn ouders,” zei mijn vader zacht. “Zijn die dood?”, vroeg mijn broer. Mijn vader knikte en keerde zich naar de deur, die openging. Voor ons stond een vrij lange man in een enigszins versleten, bruin kostuum. Het donkerblonde haar was met brylcream in model gebracht. Hij glimlachte. “Kom verder. Hang je jas maar op.” De kilte in de gang deed me huiveren. De woonkamer stond vol donkere meubels met bruin-gestreepte bekleding. Op het ronde tafeltje lag een wit gehaakt kleedje. In het midden een overvolle asbak. “Alsjeblieft, Johan, je cadeau”, zei mijn vader terwijl hij hem een mooi ingepakte doos sigaren overhandigde.

Er werd thee geserveerd en heerlijke gebakjes, met crème, groene marsepein en zilveren balletjes. Op de een of andere manier kon ik er niet van genieten. Er hing zo’n sfeer van treurnis om hem heen. Jarig zijn in je eentje. Alleen wij op bezoek, een collega en zijn kinderen. En mijn broer en ik kenden hem niet eens. Was hij zielig? Ik besloot van wel. Toen ik naar het toilet ging, loerde ik door een deur, die op een kiertje openstond. Een kamer zonder ramen met in het midden een grote eettafel en vier stoelen met oranje bekleding. Voor hem alleen. Ik wilde de volgende deur opendoen, maar durfde niet en ging terug naar de zitkamer. In de tuin zag ik sneeuwklokjes bloeien. “Vind je ze mooi? Je mag wel wat plukken.”

Op de terugweg keek ik naar de tere witte bloemen die ik in de opening achter mijn voorlamp had gestoken. Lenteboden, had ik op school geleerd. We mochten blij zijn dat het weer voorjaar werd.
Toch hebben sneeuwklokjes met hun hangende kopjes voor mij sindsdien ook altijd iets treurigs.

Soms moet ik nog wel eens denken aan deze ontmoeting. Zoals vandaag. Dan vraag ik me af of Johan het geluk ooit nog heeft gevonden.

————————————————————————————————

De foto komt van het internet.

Bridget, Banksy en een bizarre film.

20160726_111941

Deze week onderging ik drie totaal verschillende kunstuitingen, die op een of andere manier iets met elkaar te maken hebben. Wat zijn de overeenkomsten? In de eerste plaats dat deze drie activiteiten (bezoek aan Gemeentemuseum in Den Haag, Beurs van Berlage, Amsterdam en Filmhuis, Zaandam) in dezelfde week plaatsvonden. Maar dat kun je uiteraard ook gewoon toeval noemen.

Dan misschien dat het modewoordje ‘bizar’ van toepassing is op alle drie? Evenals het feit dat de drie kunstenaars doelbewust de toeschouwers op het verkeerde been weten te zetten?
Of gewoon het feit dat ik ze per se, coûte que coûte met elkaar in verband wil brengen? Omdat alle drie de kunstenaars een bijzondere kijk op kunst hebben? Of vanwege het feit dat ik de twee tentoonstellingen en de film mede door de ogen van een ander bekeek? En alles daardoor gedeeld en dus anders beleefde?

20160727_114247

Ach, laten we het maar houden op de illusie, waar het hele leven tenslotte op is gebaseerd. Dus zeker ook de kunst, die daar weer een afspiegeling van is. Een schilderij is niet meer dan verf op doek, zegt kunsthistorica Saskia Goddijn. Wat er verder gebeurt doen we zelf. Het is onze invulling- wat we erin zien, wat we voelen, hoe we erover denken. Sommige mensen worden heel onrustig, wanneer de kunstenaar zijn werk labelt: zonder titel. Kunst moet zijn (volgens Kloos): de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. In het verlengde daarvan, vanuit de toeschouwer gezien zal kunst dan moeten zijn: de allerindividueelste ervaring van de allerindividueelste emotie. Vertalen is verraden, zegt men in de Joodse cultuur. Geldt dit ook voor het ‘vertalen’ van kunstuitingen? Is interpreteren dodelijk voor de kunst? Kan daaruit volgen dat alle verklarende kunstboeken waardeloos zijn? Gevaarlijk terrein! Ik wil daar geen oordeel over vellen.

Genoeg gefilosofeerd. Over naar de kunst. Bridget Riley, Banksy en Anders Thomas Jensen.

Bij Bridget Riley is de illusie de beweging in haar werk. Vanuit iedere hoek is het weer anders, bewegen de lijnen, waarvan je weet dat ze vastliggen op papier of doek.

Bridget

Bij Banksy is het de illusie van de kunstenaar zelf; hij bestaat, dat blijkt. Maar wie is hij? De illusie die hij schept is vaak de combinatie van beeld en tekst. We worden volkomen op het verkeerde been gezet.

Banksy1

Ook bij Anders Jensen gaat het om de illusie. Wat is film anders? Maar hij verstaat de kunst om in die illusie een tweede te scheppen en daarin een derde. Een soort matroesjka.

Doordacht, doorwrocht en bereken(en)d, geldt voor Bridget Riley. Ontwerpen op ruitjespapier en deze uitgewerkt op grote doeken. Haar vroegste werk stamt uit de jaren zestig. Maar het zal een levenswerk blijken. De titel van de tentoonstelling is dan ook: Bridget Riley, The Curve Paintings. 1961 – 2014. Op-art. Die stroming vonden we verrassend in de zestiger jaren. Maar nu nog steeds is het verrassend en verfrissend! Werk waar je vrolijk van wordt. Maar ook stil. Het is leuk dit met “de oude vriendin” te zien. Zij is nu bijna negentig, slechts een paar jaar ouder dan de kunstenares. En enthousiast dat ze is! Af en toe hoor ik haar roepen: dit is enig! Met haar smartphone fotografeert ze de bijzondere werken. Ik vraag me opeens af of ik dat over twintig jaar nog net zo zal doen.

Doordacht, doorwrocht en maatschappijkritisch past bij het werk van Banksy. De onbekende bekende. Zijn kunst wordt gepresenteerd in het voormalige kapitalistische ‘bolwerk’, de Beurs van Berlage; dat moet voor hem toch even slikken zijn. Zit hij al te broeden op een antwoord? Op een van de muren aan het Damrak op dit monumentale gebouw? Ik kijk nu ook door de ogen van mijn jongste dochter. Het geeft er een speciale dimensie aan. Ook al omdat we dit soort uitjes niet meer zo vaak hebben. En ik zie dat zij weer kijkt met haar prachtige kinderen in gedachten.

20160727_114802

Regisseur Anders Thomas Jensen, kunstenaar op een totaal andere manier, met een totaal ander medium. Men and Chicken is een werkelijk absurde film. Het woordje ‘bizar’ is hier zeker op zijn plaats. Het verhaal is grandioos, en gaat uit van een gegeven waar iedereen waarschijnlijk wel eens zijn gedachten over heeft laten gaan: genetische manipulatie. Terwijl je na de eerste beelden vermoedt dat het er zeer ruig aan toe zal gaan, blijkt er toch ook begrip, goedwillendheid en een zekere warmte te zijn tussen de vijf merkwaardige broers, over wie de film in feite gaat. De plot is groots. Je voelt bijna letterlijk de puzzelstukjes op hun plaats vallen. Meer zal ik er niet over melden, om het verhaal niet weg te geven. “Ga deze film zien!”, is het enige dat ik er nog over wil zeggen. En ook, dat ik deze film zag met (de voor sommigen inmiddels bekende) Ina in gedachten. Ze kan er niet meer bij zijn, maar zij raadde tien jaar geleden de film ‘Adam’s Apples’ aan, van dezelfde regisseur. Menig keer hoorde ik haar schallende lach. Het toeval bracht een gezamenlijke vriendin (die ook ooit was getipt) naar het filmtheater, zodat we na afloop nog even konden proosten op Ien.

men and chicken

Als laatste verbindende factor tussen deze drie kunstenaars zou ik willen noemen: de Humor. De kurk waar het hele leven op drijft!

Tenslotte. Dit was een vermoeiend en tegelijkertijd energiegevend weekje. Zozeer zelfs, dat ik vandaag ook zelf maar eens de kwast ter hand heb genomen. Het plafond van de badkamer ziet er weer piekfijn uit. En nee, geen optische of andere illusies. Gewoon wit.

——————————————————————————————————————-

De afbeelding van de film Men and Chicken komt van het internet.

Nichtjes, forever

20140119_160648

De reis verloopt zonder problemen. Zo ver is het ook niet, van Den Haag naar Leiden met de trein. Het laatste stuk met de bus is vervelend. Ze voelt zich bij het instappen al misselijk. Haar broer gaat snel op de lege bank achterin zitten. Ze wil niet voor hem onderdoen en als hij haar roept, gaat ze snel naar achteren. Ze voelt zich trots dat ze het gehobbel weer weet te trotseren.

Ze kijkt uit naar het bezoek en tegelijkertijd wil ze wel weer hollend naar huis. Maar er is geen ontkomen aan. Het is oma’s verjaardag. De eerste verjaardag na opa’s dood. Ze is bang dat de tantes gaan huilen. Of, nog erger, de ooms. Toen het bericht kwam van het vreselijke ongeluk, een paar maanden geleden, had ze haar vader voor het eerst zien huilen. Ze vond het eng, terwijl ze het ook heel goed begreep.

Ze zijn er. Het is nog maar een klein stukje lopen. Haar keel zit dichtgeschroefd, ze slikt. Ze kucht en schraapt. Zo raar als ze straks alleen maar een piepend geluidje laat horen. Er is geen weg meer terug. Ze moet zich kranig houden, zoals haar andere oma altijd zegt. En dat zal ze doen. Ze haalt diep adem. Ze is twaalf, ze kan het. Dit moet een goede dag worden. Voor haar oma, voor haar vader, voor haarzelf.

Het hekje piept een beetje nu opa het niet meer smeert. Het grind knerst. Gewoon, net als altijd. Roze cyclamens in de vensterbank. De groen geverfde voordeur. Ze zijn er. Hoewel iedereen hen al heeft zien aankomen, wil haar broer toch bellen. Een flinke ruk aan de trekbel. Met een grote grijns kijkt hij haar aan. Tante Rie doet de deur open. In de gang hangt de uitgesproken geur die ze zo goed kent. Die is van de oude brugwachterswoning meeverhuisd, lijkt het wel. Zeil, boenwas, petroleum en vaag nog de geur van de stroopwafels en de borstplaat die oma zelf heeft gemaakt. Aan de kleine kapstok met het spiegeltje in het midden hangen niet veel jassen; het is een mooie zonnige dag. Zij hangen alle vijf hun zomerjas op. Het spiegeltje is niet meer te zien.

Het is vol in de kamer. Iedereen is er. De koffie geurt. Ze hoort vooral het tinkelende geluid van de lepeltjes die hun rondjes draaien in de kopjes. Iedereen een zoen. De ooms maken een grapje, zoals altijd. Dat is gelukkig nog hetzelfde. De tantes bewonderen haar nieuwe jurk: heeft mama die gemaakt? Ook dat is niet veranderd. De stemmen komen van ver. Het is net of haar hoofd vol watten zit. Alles klinkt dof. Ze kijkt de kring rond. De afstand tussen haar en de familie lijkt wel op zijn minst een kilometer. Ze is er, en ze is er niet. Ze observeert de situatie. Die enorme afstand kan ze met geen mogelijkheid overbruggen. Daar is oma, heel klein in de verte. Zal ze schreeuwen? Gefeliciteerd, oma! Hier is de tekening die ik voor u heb gemaakt!

Iemand neemt haar handen in de hare. Ze kijkt naar het gezicht dat steeds dichterbij komt. Ze kan weer focussen. Kleine haartjes op de kin. Rimpeltjes rond de ogen. Het ronde brilletje. De lieve glimlach. “Had je een mooie tekening voor me gemaakt?” Langzamerhand komt ze terug in de kleine kamer. Geroezemoes vult de ruimte. Er klinkt een gierend gelach. Opa is dood, denkt ze, en iedereen lacht. Ze voelt zich verdrietig, maar ook opgelucht. “Kom kind”, zegt oma, “in de keuken staan nog stroopwafels. Gisteren gebakken. Neem er maar eentje mee naar de tuin. De nichtjes zijn op de bleek. Ze wachten op je.”

Panoramisch

DSC00884

Als veel mensen van niets weten, heb je geluk.
Dat is een cryptische omschrijving van: op maandag is het Panorama Mesdag open en dat weet niet iedereen. Wij wisten het. Een zeer gedienstige suppoost tilde de rollator naar boven. Heerlijk rustig was het daar! Het was zelfs zo stil dat we op een gegeven moment met zijn vieren in de verte stonden te turen. Een van die vier was een suppoost, die moest wel, dus die telt niet mee. Bleven over een Japanse toerist en wij, de “oude” vriendin en ik. De eerlijkheid gebiedt te vermelden dat er net daarvoor een groep van twintig mensen naar de boten, golven en duinen stond te kijken en uitleg kreeg in het Ivriet. Maar daarna hadden we weer het rijk alleen. En dat midden in de vakantie!

DSC00912

Het enorme schilderij kreeg een flinke opknapbeurt en ziet er weer fris en helder uit. Wat ik me van eerdere bezoeken niet meer herinnerde, is het licht. Nu viel het me op: de zon die, gefilterd door het enorme doek, op het tafereel schijnt, uiteraard van tijd tot tijd versluierd door een wolk. Het maakt alles zo echt. Je weet dat je naar een levensgroot schilderij staat te kijken, maar je waant je echt aan zee. Je voelt het, ruikt het, hoort het.

DSC00894

DSC00891

DSC00900

DSC00892

Omdat we zo heerlijk rustig konden kijken, zagen we meer dan anders het geval zou zijn geweest. En wat zijn ze leuk, die details. Voor J.T. was het cliché ‘feest der herkenning’ werkelijkheid; opgegroeid in Scheveningen kon ze me tekst en uitleg geven over dat toen nog kleine vissersdorpje. “Haar tijd” in beelden gevat.

DSC00887

De dag eindigde, geheel in stijl, met een grote pan mosselen geserveerd op een terras in Kijkduin met panoramisch uitzicht. Met een uitstekende witte wijn toastten wij op deze mooie dag.

Ze was moe, zei ze toen ik haar thuisbracht, maar wat had ze genoten. Wat ben ik trots op deze (bijna) negenentachtigjarige vrouw, die nog zo midden in het leven staat. En die haar al zo rijke geest blijft voeden. Ik voel me bevoorrecht dat ik daar af en toe getuige van mag zijn.

DSC00921

Over een aalscholver, Järvi en een kale paukenist.

DSC00155

Het is koud. Maar ik koester me aan warme herinneringen. Twee weken geleden bezochten de ‘oude’ vriendin en ik het jubileumconcert van het Residentie Orkest in de Anton Philipszaal in Den Haag.

Om half tien is het nog heerlijk rustig op de weg. De zon schijnt zo fel dat de zonnebril geen overbodige luxe is. De radio zachtjes aan, rustige zondagochtendmuziek, de aangename stem van de presentator. Wat zou er nu nog fout kunnen gaan? Niets, natuurlijk. Integendeel: het wordt steeds beter. De karakteristieke geur van kerosine dringt de auto binnen: Schiphol. Ik duik de tunnel in en wanneer ik er weer uitkom, zie ik het: enorme zwermen spreeuwen trekken zich niets aan van de activiteiten op deze internationale luchthaven en zwenken zo sierlijk in grote formaties rond dat het een lieve lust is. Het kan niet anders dan dat deze dieren daar plezier aan beleven. Net zo goed als ik het heerlijk vind om naar die vloeiende bewegingen te kijken. Met de blik op de weg zie ik het vanuit mijn ooghoeken gebeuren: op en neer, naar links, naar rechts. Als een soort van eerbetoon aan het volle, vrije leven. Maar, opletten nu. Het hoofd erbij houden. Deze observaties kunnen leiden tot poëtische ontboezemingen. Dat kan nu niet. Later misschien.

Vliegtuigstrepen in de helderblauwe lucht: God heeft blijkbaar zin in een spelletje boter-kaas-en-eieren. Maar wie durft het tegen deze grootheid, die ze sowieso allemaal op een rijtje heeft, op te nemen?

Zo geleidelijk aan begint een waar gevoel van euforie zich van mij meester te maken. Een gevoel dat in de loop van de dag steeds weer de kop zal opsteken. Oh, daar zit een aalscholver op een lantaarnpaal. Met de vleugels breed uitgespreid, de kop achterover koestert hij zich verzaligd in de zonnewarmte. Alsof hij weet dat dit voorlopig wel eens de laatste aangename stralen kunnen zijn. Weer vermaan ik mezelf: wis die tranen van ontroering als de donder uit je ogen. Geen tijd voor sentimenteel gedoe. Slikken en over tot de orde van de dag. Neem de juiste afslag!

Na zoveel ritten naar de Hofstad onder de wielen weet ik de weg nu natuurlijk wel te vinden zonder de hulp van Bram. Steeds maar links aanhoudend (ja, ik hoor hem in gedachten nog wel aanwijzingen geven) ben ik uiteindelijk zo ver dat ik afslag Wateringen neem en nu richting Den Haag rijd. Zonder kleerscheuren arriveer ik op de gewenste bestemming. Tramrails in het wegdek zijn niet mijn favoriet.

Een warm weerzien, koffie, banketstaaf, een broodje. Binnen tien minuten zijn we, zoals gewoonlijk, in een geanimeerd filosofisch gesprek gewikkeld. Een ritje met de tram en dan gearmd -de rollator blijft thuis- naar de Anton Philipszaal. De bestelde kaartjes afhalen, betalen, jassen afgeven, nummertje opbergen. De uitleg over de uit te voeren stukken is nog bezig; hiervoor schreven we niet in, dus we lopen richting zaal. O, nee! Vriendin rommelt in haar tas. Waar zijn die kaartjes nou? Kwijt! Welke stoel, welke rij? We gokken: daar, op rij twee, orkestring, zijn twee plaatsen vrij. Iets met dertig weet ze. Hier zou het kunnen zijn. Dan doorzoekt ze, op onze vermeende plaatsen, eens even rustig haar tas. En ja hoor, geen probleem en goed gegokt: de kaartjes zitten tussen het hoesje van haar smartphone. Ons lachsalvo wordt gelukkig gedempt door het vol overgave stemmende orkest. We trekken een strak gezicht: ernst is geboden.

DSC00168

De dirigent, Neeme Järvi komt op: groot applaus voor deze coryfee. Hij heft zijn stokje und da geht’s los. Het eerste stuk is modern. Daarmee ben ik niet zo bekend. Hendrik Andriessen ken ik alleen maar van een straatnaam bij mij in de buurt, maar wat ik hier nu te horen krijg, Ricercare, bevalt me zeer.
Daarna worden we getrakteerd op Celloconcert in b, van Dvorác. Hij schreef het toen hij in New York woonde en hij zijn twijfels over de cello als solo-instrument opzij had gezet. Als ik naderhand in het programmaboekje een min of meer prozaïsche verhandeling lees, ben ik verbaasd. De muziek verklankt naar mijn gevoel heimwee, verlangen. Immens, heftig, groots. Ik zit op het puntje van mijn stoel. In golven komt het langs en over ons heen. Als een spreeuwenvlucht. We zien de weergaloze Noorse cellist, Truls Mørk, op de rug, maar aan die enigszins gekromde rug is te zien hoe intens hij bij deze muziek betrokken is. Hoe hij er volkomen in op gaat en ons zo deelgenoot maakt van datgene wat hij voelt, wat deze muziek bij hem teweegbrengt.

Je denkt: hier kan niets meer bij. Dit is zo mooi. Maar na de pauze luisteren we toch gewoon weer naar Symfonie nr. 5 van Sjostakovitsj. Eenendertig jaar was hij pas toen hij dit meesterwerk schreef. Hartstocht, melancholie, humor; Järvi weet ook deze compositie voor ons toehoorders bevattelijk te maken.
Wij zien hem in het gezicht. We zien hoe hij het orkest bespeelt. Het beeld van de aalscholver komt weer boven. Järvi koestert zich aan de warme klanken die hij mede voortbrengt door zijn betrokkenheid, zijn totale overgave aan de muziek. Door het met strenge doch liefdevolle hand leiden van het orkest. En steeds wanneer hij die hand op het hart legt, weet je het zeker: zijn hele ziel en zaligheid legt hij erin. En hij betrekt iedereen daarbij: zowel zichzelf, de musici als het publiek. Die wisselwerking is compleet, voelbaar, zichtbaar, hoorbaar.
Het uitbundige, minutenlange applaus is dik verdiend.

DSC00171

Ik ben blij dat vriendin het weer voor elkaar heeft gekregen om deze plaatsen te reserveren. Orkestring betekent er optimaal bij zijn. Meeleven met de dirigent en het orkest. Musici herkennen. Op de partituur kijken. De triangel zien, en juist daardoor ook echt die ene enkele ‘ping’ horen. De slagwerkers, die zich, slechts luttele minuten, in het zweet werken. De paukenist, die zich beheerst uitleeft. Heerlijk. Wanneer hij voor de zoveelste keer voorover buigt, het vel beroerend om te horen of zijn instrument gestemd moet worden, weet ik het zeker: waar dit orkest ook mag neerstrijken tijdens de verbouwing van hun onderkomen, ik zal het weten te vinden!

DSC00158-001

En zij weende

img125

In de logeerkamer staat al een paar jaar een doos foto’s van mijn ouders. Die moeten eindelijk eens worden uitgezocht, vind ik. Het is er echt zo’n dag voor. Een grijze dag.
Van alles gaat er door mijn handen: vakantiekiekjes, foto’s van de afscheidsreceptie van het werk, de moestuin, familiebijeenkomsten, feestjes met vrienden. Foto’s van vage kennissen, althans voor mij, kunnen wel weg. Van de vakantiefoto’s houd ik een enkele over. Familiefoto’s zijn leuk, die bewaar ik. Uiteindelijk moet het een handzaam stapeltje worden, wat klein- en achterkleinkinderen een leuk, representatief beeld geeft van een stel bijzondere mensen: hun opa en oma, i.c. overgrootouders.

Onder in de doos ligt een foto die ik maar al te goed herken. Oud en verfomfaaid. Het is een klassenfoto uit, naar ik schat, 1957. De vierde klas. Drieënveertig kinderen, tweeënveertig en een half, eigenlijk. Zo nauw keek de fotograaf kennelijk niet. Een stampvolle klas. Maar te hanteren. Armen over elkaar en luisteren. De fotograaf lijkt midden onder het werk te zijn binnengekomen. Drie meisjes gaan daar plichtsgetrouw gewoon mee door, vier kinderen hebben de armen maar over elkaar gedaan. De grapjas vooraan heeft één hand onder zijn pullover.

Het is niet goed uit de foto op te maken in welk jaargetijde hij is gemaakt. Zomerjurken, wintertruien, korte en lange broeken. Misschien najaar, afgaand op de kleding van de juf. Vrolijke kinderen; waarschijnlijk lachend om de grap van de fotograaf. Aardige kinderen ook? De meeste wel, maar toch weet ik ook dat er werd gepest. Het donkere meisje, dat met kop en schouders boven iedereen uitsteekt, moest het vaak bezuren. Ze kwam bij ons in de vierde klas (van de Dr. Albert Schweitzerschool in Den Haag) toen het schooljaar al een tijdje bezig was.

Dr Albert Schweitzerschool

Er werd wat geschoven met kinderen en ze werd naast mij geplaatst. Uit Indonesië kwam ze. Ik weet nog hoe bijzonder ik dat vond, zo ver! (We waren natuurlijk ook niets gewend, toen…) Ze was heel aardig en vrolijk. Ze kon prachtig tekenen. En ik herinner me ook de mooie sinterklaassurprise, die ze maakte. We raakten al snel bevriend. De naam Tielman werd door sommige jongetjes nogal eens pesterig verbasterd tot ‘pielman’, wat me erg boos maakte, maar waar ik niets van durfde te zeggen. Ik moest er tegen de anderen ook niet over beginnen dat ik met haar wel eens bij haar Indische oma kwam. Volgens sommige meisjes was dat een heks, die je wilde vergiftigen. Niemand was nog gewend aan de kleuren en geuren van het typisch Indische interieur en het vreemde eten. Maar oma was een lief, klein vrouwtje; ze had het allerbeste met ons voor. Spekkoek; ik kende het niet, maar het was heerlijk. Het was er warm en gezellig, ook al was het soms moeilijk haar gebroken Nederlands te verstaan.
Achteraf denk ik dat Hedi familie was van de Tielman Brothers, misschien wel de dochter van één van hen. Maar dat is -helaas- nooit duidelijk geworden.

De juffrouw. Zij heeft me, onbewust, geïnspireerd het onderwijs in te gaan. Ze gaf goed en leuk les. Ze had er op een natuurlijke manier de wind onder. Haar bordtekeningen waren prachtig, ze was zeer creatief. We zongen veel. En wat was ze lief. Ik geloof zelfs, dat er jongetjes verliefd op haar waren.
Nu zie ik dat ze nog heel jong was. Toch was zij in onze ogen een vrouw van de wereld. Een vrouw met geheimen. Op een of andere manier straalde ze dat uit. En op een middag wisten we het zeker. We stonden om half twee gewoontegetrouw in de rij buiten op het plein te wachten tot ze ons kwam halen. Tot onze verbazing werden we niet door haar, maar door “het hoofd der school” naar binnen geloodst. We hingen onze jassen op en gingen wat onzeker het lokaal in: wat zou er zijn? Was ze ziek?

Ze stond stil bij het raam en staarde naar buiten. In haar hand een verfrommelde zakdoek. En zij weende.
En wij, wij wisten allemaal honderd procent zeker dat er liefde in het spel was.

Phia

Ik ruk me los. De foto’s van mijn ouders doe ik in een kleinere doos. De schoolfoto neem ik mee naar beneden. De trip down memory-lane mag nog even duren. Ik zoek in mijn poesiealbum (letterlijk uitspreken, a.u.b.!) naar haar bijdrage. Ik heb het gedicht, dat ze vermoedelijk zelf schreef, altijd heel bijzonder gevonden. Natúúrlijk schreef ze poëzie. En ze plakte geen poesieplaatjes in, maar maakte zelf een tekening. Met ballpoint, wat we ook bijzonder vonden. Een roos met doorns. Symbolisch bedoeld? En dat krasje, rechtsonder naast de steel, is dat een vraagteken? Vanaf het moment dat ik het onder ogen kreeg heb ik me dat afgevraagd. Nooit zal ik het weten. Juffrouw Phia van Kuilenburg zal voor eeuwig een raadsel blijven.

——————————————————————————————————————

Klik op deze link voor meer foto’s met een verhaal

De foto van de Dr. Albert Schweitzerschool komt van het internet.

Emma, Willem, Escher en een rollatorrace

20140617_142926

De oude Haagse vriendin is opgetogen. Eindelijk zal een wens van haar in vervulling gaan: Escher zien in Het Paleis. We maken de heenreis met het taxibusje. Dan start ze fit. En de rollator gaat mee. Terug gaan we wel met de tram, want dan maakt het niet meer uit. “Thuis kan ik weer uitrusten.” En zo gebeurt het.

Wat een luxe: pal voor de ingang worden we afgezet, na een interessant ritje door Den Haag. Geen parkeerproblemen. Het is gelukkig nog rustig in de voormalige woning van koningin Emma.

img105

Escher; we zijn een beetje doodgegooid met zijn werk. Iedereen kent ze wel, de elkaar tekenende handen, het water dat naar boven stroomt, de vogels die vissen worden. Maar wij staan oog in oog met prachtige, onbekende etsen en tekeningen. Het paradijs met Adam en Eva, op de rug gezien, in een vertrouwelijke houding: Adam met de arm om zijn vrouw – met prachtig lang haar – de hand op haar heup en zij met haar hand op die van hem. Jammer genoeg te spiegelend voor een foto. Voor mij is dit een topstuk; het roept zoveel op. Hier laat Escher naar mijn idee zien dat het begin van alles goed is, mooi, vertrouwd, liefde- en beloftevol. In zijn Paradijs woont een poes, die de muis met rust laat.

img103

In een vitrine liggen al zijn reisdagboekjes. Op de omslag staat puntsgewijs waar de reis naartoe ging. Mooi om zijn krachtige, duidelijke handschrift te zien. Veel gereisd, veel getekend. Oneindig veel etsen, litho’s, houtsneden en -gravures, linosneden gemaakt. Maar vooral ook veel gedacht en uitgedokterd. Een mathematicus en filosoof en een harde werker. Eén streek, één kras gezet en dan doorgaan. Tot een goed einde brengen. En altijd met een vleugje humor. We zijn er stil van.

img104

En dit alles samengebracht in een paleisje, waar zijdelings nog verwijzingen zijn te zien naar Emma. Vreemd om te bedenken dat de kleine Wilhelmina hier in deze kamers over dit krakende parket onder de kostbare kroonluchters heeft rond gerend.

DSC09530

Op de bovenste verdieping is een afdeling voor en van deze tijd. Hier kun je een foto van jezelf, een selfie dus, delen op facebook. Hier kun je jezelf zien in de spiegelende bol, waarvan Escher een selfie maakte. Geëtst, uiteraard. En je ziet jezelf geprojecteerd op een scherm, binnen de contouren van de welbekende, wel én niet kloppende kubus.

20140617_125927

De rollator staat al lang aan de kant. Te lastig en overal staan wel bankjes, waar de vermoeide tachtiger even kan rusten: “Zo’n bankje zou ik zelf wel willen hebben, kijk eens wat een mooie houtverbinding.”

20140617_123836

Zitten kunnen we ook in het restaurant, in de kelder, de voormalige keuken van het paleis. Hol klinkt het daar. Het geluid weerkaatst tegen de betegelde wanden. Een groep vrouwen – er zijn altijd zóveel vrouwen onderweg – is in hevige conversatie gewikkeld en wij kunnen elkaar bijna niet meer verstaan. Na de koffie gaan we weer verder. Een laatste rondje, we willen alles gezien hebben.
En dan lopen we rustig aan Het Lange Voorhout op.

DSC09538

DSC09555

DSC09536

Grandeur!
Jazeker. De titel van de beeldenexpositie. Aan het begin, direct tegenover het paleis, staat een ingepakte sculptuur. Later zal ons duidelijk worden, waarom dat is. We gaan ze nu eerst allemaal bekijken. Wat is het heerlijk om hier te lopen, over de schelpen, ‘unter den Linden’, in de zon, een fris windje om het hoofd. Het is nog steeds niet druk. We genieten van de beelden, de vondsten, de uitwerking, de grapjes. Dit extraatje is zeer de moeite waard.

DSC09548

Wanneer we Pulchri uitkomen, “dat moet je gezien hebben, zo leuk! Zo modern!”, ziet het geel van de veiligheidshesjes: veel politie op de been. Bij de deuren van de Kloosterkerk staan bewakers hun taak ernstig te nemen. Daartegenover zijn een stuk of zes dranghekken opgesteld. Wat is er aan de hand? Er staat iets te gebeuren. Weer zijn het voornamelijk vrouwen die zich verdringen rond de agenten om het fijne van de zaak te weten te komen.

Ah! Willem Alexander komt de expositie openen. Vandaar het ingepakte beeld. Wachten we daarop? Dat doen we. We moeten eigenlijk naar huis, maar wat een kans: we willen hem toch wel eens van zo dichtbij in levenden lijve zien. Dus wachten wij geduldig tot hij naar buiten komt. Een Bulgaarse Nederlandse weet te vertellen dat moeder Beatrix altijd op tijd was. Maar haar zoon lijkt op haar moeder, Juliana; altijd net een beetje aan de late kant.

20140617_161258

Dan is het zover. De deuren gaan open. Een groep genodigden loopt regelrecht naar de plaats waar de plechtigheid zal plaatsvinden. Maar onze koning steekt de straat over. Hij groet vriendelijk: ”Hallo!” Iedereen groet op dezelfde wijze terug (Hoe durven we eigenlijk…niks geen “Goeden middag, Majesteit.”) en gaat zich daarna te buiten aan het fotograferen van ons staatshoofd. Wanneer hij zich via de kopstoot van Zidane naar het begin van de route begeeft, gaan vriendin en ik richting tram.

DSC09557

Heel Den Haag ligt opgebroken, lijkt het wel. In de verte zien we het vernieuwde Mauritshuis, waar Willem Alexander anderhalve week later de opening zal verrichten. De tribunes voor het Hofvijverconcert zijn in aanbouw. De fontein spuit op volle sterkte; de wind voert verfrissende druppels in ons gezicht.

DSC09558

Het is een flink stuk lopen naar de ondergrondse tramhalte. Wanneer we op de roltrap staan, komt lijn twee er al aan. Dat halen we niet meer! Maar dan heb ik niet met deze fitte oude dame gerekend. Ik heb nog nooit iemand zo hard achter een rollator zien rennen; ze loopt mij er finaal uit. De jonge man die uit alle macht de deur open houdt, kan een glimlach niet onderdrukken. We checken in en zijgen neer op een stoeltje. We kijken elkaar aan: een welbestede dag met een gouden, koninklijk randje.

Een mooie oude vrouw

woman

Ze had zich bedacht, zei ze door de telefoon. Ze had het idee dat het geplande uitje naar het Rijksmuseum, zondag, haar niet goed zou bekomen. We spraken af om het te verzetten. Iemand van zevenentachtig mag per dag beslissen wat wel en wat niet gaat, tenslotte. We zouden wel zien.

Zondagochtend, negen uur; de telefoon gaat. “Ja, heel gek”, klinkt het van de andere kant, “maar ik voel me vandaag prima. Wat vind je ervan, is het te laat om nog te gaan? Voordat ik er ben…” Ik vind dat het best kan en zo zetten we een leuk middagje Amsterdam op stapel. Zij reist met het Boekenweekgeschenk vanuit Den Haag. Ik pik haar op en samen lopen we naar lijn vijf. De bronskleurige wandelstok (“Gisteren gekocht. Chique hè?”) hangt er maar een beetje bij; ze loopt nog als een kievit. Voor de tram goed en wel is vertrokken, zijn we – zoals altijd – in een geanimeerd gesprek gewikkeld. Wanneer ze haar smartphone tevoorschijn haalt om wat foto’s te laten zien en te vertellen dat whatsapp ‘het niet deed’ en ze me dus maar een sms’je heeft gestuurd onderweg, draait de persoon voor ons zich om, met een grote grijns: “Zo leuk, als mensen met hun tijd mee gaan!” Ja, dat vind ik ook. Deze Haagse dame is nog heel erg bij de tijd; leest de krant, leest boeken, kijkt tv, denkt na, gaat naar musea en concerten.

Om nou een uur in de rij te gaan staan voor het Rijksmuseum is geen goed idee. “Mijn rug, weet je…” Bij het Van Gogh is de rij een stuk korter. Na een kwartier zijn we binnen en genieten van Felix Vallotton. Ik heb de expositie eerder deze week al gezien, maar nu geniet ik door haar ogen. En weer zie ik dat mensen door haar enthousiasme, humor en onbevangen kijk op het werk geraakt en geamuseerd worden.

Couple_epingle_Vallotton

De middag vliegt om. Na de koffie en het gebruikelijke bezoek aan de museumwinkel wordt het tijd om naar huis te gaan. Onderweg wijst ze me op het tere groen van de uitbottende bomen. En het gesprek gaat over ouder worden en jong blijven. In de trein installeert ze zich pontificaal voor het raam met ‘Een mooie jonge vrouw’ van Tommy Wieringa.

“Hoe is het met je?”, vraag ik later via de telefoon. “Als ik niks doe, kan ik nog alles”, is haar gevatte antwoord. Een mooie oude vrouw…..

——————————————————————————————————————–
De afbeelding van ‘de oude en jonge vrouw’ en de houtsnede van Vallotton, ‘De mooie speld’, komen van het internet.

Lundi Bleu, maar niet wat u denkt!

img070

En zo ging de Engels/Amerikaanse hype, Blue Monday, soepeltjes over in een wonderschone avond met een humoristische Franse slag, waarin Strijkorkest Lundi Bleu de hoofdrol speelde…..

Of ik mee wilde naar een concert, waar dochter M zou zingen met haar koor Convivium, vroeg vriendin H. Daar hoefde ik niet lang over te denken: altijd leuk! Dus togen we vroeg in de avond naar Amsterdam, naar het Orgelpark.

Het Orgelpark is gevestigd in de voormalige Parkkerk, grenzend aan het Vondelpark. Een groot aantal orgels is hier samengebracht. Elders waren deze overtollig, kwamen niet tot hun recht, stonden te verstoffen, enzovoort. Hier zijn ze liefdevol opgenomen en op deze wijze worden ze ook bespeeld.

Vanuit de donkere straat stappen wij een warm verlichte ruimte binnen. We hebben niet gereserveerd, want wie gaat er nu op zo’n dag naar een concert, dachten wij argeloos. We krijgen de laatste twee kaartjes.

Terwijl we wachten op, volgens de tekst op de flyer, een mix van troostrijke strijkersmuziek, orgel, accordeon en zang, laat ik mijn blik door de in frisse kleuren geschilderde ruimte gaan: inderdaad, prachtige, bijzondere orgels, rondom. Wat veel! Indrukwekkend! Rechts van ons een strak orgel, wat ik meen te herkennen: zo’n orgel heb ik in mijn jeugd veel gezien en gehoord, in de Adventkerk in Den Haag. Zou het? Ik kan het me bijna niet voorstellen.

DHadvent

Bijna vol is de zaal, wanneer Daniël Koopmans het woord neemt. Het concert van Lundi Bleu heeft ons, naar hij veronderstelt, gered “van de rest van de avond futloos op de bank doorbrengen, alwaar wij net in uiterste vertwijfeling een bak met Euroshopper lasagne naar binnen hebben gewerkt”. De toon is gezet. Alle muziek die gedurende de avond ten gehore zal worden gebracht, heeft een melancholieke ondertoon. De vette knipoog naar, ja hij wrijft het ons nog maar weer eens in, de blauwe maandag, de meest deprimerende dag van het jaar. Zo zullen we ervaren dat het nog niet zo slecht met ons is gesteld.

Het koor opent de avond met De Profundis van Glück. Ze zullen na de pauze nog een keer terugkomen met Gabriel Fauré: Cantique De Jean Racine. Prachtig gezongen en als altijd op bezielende wijze gedirigeerd.

De strijkers spelen, zonder dirigent, de schitterende Elegie uit de Strijkersserenade van Tsjaikovsky.
Van Caspar Terra is de compositie: Blauwe maandag: dood en verderf, verdriet en pijn. Heerlijk als het er zo dik bovenop ligt.

Op het Van Stratenorgel wordt een waanzinnige compositie ten gehore gebracht. Dit geweldige spel ontlokt bewondering en een glimlach.

20140120_200451

Iedereen in het publiek is zwaar onder de indruk van Astor Piazzolla’s prachtige, opzwepende Invierno porteño, waarin Johan Olof de sublieme solist is. De Radio 4-luisteraars kunnen dit zondagochtend al hebben gehoord.

20140120_211930

Na de pauze genieten we van een onvervalste Amsterdamse smartlap. De witte rozen die Jantje kocht waren uiteindelijk niet voor het nieuwe zusje; ze kwamen op moeders en zusjes graf.
De gedragen Suite voor strijkers van Leoš Janácek wordt geïllustreerd met hilarische tekeningen, ter plekke gemaakt door Suus van den Akker en via de beamer geprojecteerd op een groot scherm. Twee uitersten, ernst en humor, op vindingrijke wijze samengebracht en alles klopt.

De enige onvoorziene ‘valse noot’ in het geheel is misschien de gesprongen kam van een van de violen. Gelukkig kon de violiste dit snel repareren en wist de presentator te vertellen dat zoiets slechts een keer in je leven gebeurt. Maar dan uiteraard wel op… uiteraard, Blue Monday.

Spectaculair is het laatste stuk: Concert voor orgel, pauken en strijkers, van Poulenc. Wat een kracht, bezieling en enthousiasme! Het applaus spreekt voor zich.

20140120_200517

Wanneer ik, eenmaal thuis, de website van het Orgelpark bezoek, ontdek ik, dat ik de hele avond inderdaad in één ruimte heb vertoefd met het Van Leeuwenorgel uit mijn jeugd. Dus toch! Wat een heerlijk toeval!

——————————————————————————————————————–

Lees ook:
Houdt Schumann van Kaas? http://wp.me/p36K0e-52
Bach in de Bullekerk. http://wp.me/p36K0e-4S