Gelijke munt

img206

Dus het zijn vrouwen
Van middelbare leeftijd
Ik kijk haar niet begrijpend aan
Je dochters, verduidelijkt ze
In de veertig toch

Ja maar
Alles in mij protesteert
Eergisteren nog legde ik ze in de wieg
Onder een zachte wollen deken
Gisteren bracht ik ze naar school
En nu, vandaag
Zijn het mooie jonge vrouwen
Die hun kinderen opvoeden

Natuurlijk
Ze zijn een jaartje ouder
Kleine fijne rimpeltjes accentueren
De schoonheid van hun zachte huid

Ik zie ze nog als de kleine meisjes
Bij wie ik net de papillotten voorzichtig
Heb losgeknoopt

De tijd neemt een loopje
Met het argeloos geheugen

In de veertig…
Ja, zeg ik
Net als jouw zoons
Toch?

Advertenties

Referentiekader

img101

Liftend waren we zover gekomen
Thessaloniki, een tussenstop
Het reisdoel was Turkije
Maar deze stad was een goede voorbode

De chauffeur van de vrachtwagen
Hielp onze bagage afladen
En trakteerde ons in een kleine taverne
Handen- en voetentaal
Moeder achter het fornuis
Stoofpot en knapperig brood
Fris water
En wijn met de smaak van hars

Wij slenterden langs de boulevard
Onbekende geuren
Zwoele warmte
Muziek om van te houden
Dansende mensen midden op straat
Alles was nieuw, ik was erbij
Maakte het intens mee
Toch is mijn geschiedenis
In een waas verpakt

De foto in de krant port mijn geheugen wakker
Nee niet die onafzienbare rij hotels

Maar ronde broodjes met sesamzaad
Soldaten marcherend door de straten

Eind zestiger jaren
En ik was half zo oud
Als mijn dochters nu

Faith

De beste psychologen
Zijn mijn dochters
Je moet er maar doorheen
Zeggen zij
Als ik een bepaalde popster
Te erg vind om aan te horen
Anders lig je
Over twintig jaar
Bij de psychiater
Om het alsnog door te maken
En ze draaien
Voor mijn bestwil
De volumeknop
Nog wat verder open

De aanleiding
Voor het schrijven
Van bovenstaande regels
Nu ruim twintig jaar geleden
Was de muziek die ik
Kortgeleden weer hoorde
Op de radio

Zoete herinnering
En een lichte pijn
Om de vervlogen jaren

Een foto met een verhaal (1)

DSC06603

Op het zwart-witfotootje met de witte kartelrand uit de vijftiger jaren, zijn drie mensen te zien. Op de rotan bank zitten mijn oma, mijn moeder en ik. Mijn oma draagt een bloemetjesjurk met lange mouwen. Mijn moeders jurk heeft een, voor die tijd, moderne print, die van mij is gestreept. Allebei met korte mouwen. Mijn moeder draagt schoenen met hoge hakken. Oma heeft een knotje, mijn moeder gepermanent haar en mijn haar is kort en zo steil als het maar kan.

Op de stoel zit iemand met de krant op schoot, Het Parool. Dat is mijn vader – omdat hij degene is die de krant leest – maar te zien is hij niet, alleen een arm.
Omdat het overduidelijk zomer is, moet het de verjaardag van mijn moeder zijn, begin augustus. Haar ouders zijn op bezoek.
Op het ronde tafeltje ligt een smaakvol kleedje en daarop staat een rechthoekig wit bakje met twee decoratieve plantjes. Tussen de bank en de stoel waarop mijn vader zit, staat een krukje met een groene plant. Aan de muur een hangplant. De groene vingers van mijn moeder drukken een stempel op de inrichting.

Wij beiden kijken naar oma. We lachen. Wat zou ze hebben gezegd? Dat ze onze jurken leuk vindt? Dat ze het knap vind van mijn moeder dat ze die zelf heeft gemaakt? Dat ze er trots op is een dochter te hebben die van een klein inkomen een heel huishouden runt? Dat ze vindt dat mijn moeder smaak heeft en haar huis origineel weet in te richten? Mijn moeder had het graag willen horen, dat weet ik zeker. Maar ook weet ik zeker dat het nooit ter sprake is geweest. Oma zal het uiteraard hebben gezien, maar daarover zei je niets, dat hoorde niet. Daar zou je dochter maar ‘hovaardig’ van worden.

Zo werkt een foto van meer dan vijftig jaar geleden door in het nu. Zeg ik wel eens tegen mijn dochters dat ik ze waardeer? Weten ze wel dat ik vind dat ze hun kinderen goed en leuk opvoeden? Hebben ze wel van mij gehoord dat ze een goede smaak hebben? En vooral: zeg ik wel dat ik van ze houd?
Dat laatste bij deze: Lieve meiden, ik houd van jullie!

Kinderspel

Wanneer de uitdrukking: ‘Dat is (maar) kinderspel’ gebruikt wordt, bedoelt men meestal dat iets heel simpel is.

Vroeger, toen ik mijn dochters zag en hoorde spelen, had ik daar al andere ideeën over. En nu maak ik dit met mijn kleinzoons (zes en zeven) weer mee en ik weet heel zeker: kinderspel is geen kinderspel!
In de eerste plaats vindt er een zeer ingewikkelde vermenging plaats van heden, verleden en toekomst. Let maar op het taalgebruik: “En toen was deze ridder ‘gedodigd’ en toen moest die van jou vluchten, maar hij was niet echt bang.” Hun spel vindt plaats in het heden, maar wat er gedaan moet worden, of wat er gaat gebeuren, de toekomst dus, wordt in de verleden tijd gezegd. Dat is reuze ingewikkeld, maar het rolt er zo uit, zij hebben daar geen enkele moeite mee. Verder ontstaat het spel vaak uit niets. Een doos kan een boerderij zijn, een kistje is een vijver. Een wc-rol doet dienst als pistool. Ze spélen niet met de auto’s, ze zijn ze: welke wil jij zijn? Vaak zijn ze er dan ook nog twee tegelijk. Auto’s rijden niet per se over de grond. Al het meubilair wordt benut: ze rijden over de voor hun bereikbare planken van de boekenkast, over de stoelen, de bank, de schoorsteenmantel, de tafel. In hun hoofd ontstaat een heel parcours, wat ze beiden exact op dezelfde manier gebruiken, zonder dat daar vaste afspraken over zijn gemaakt.
Het spel speelt zich altijd af tussen slechteriken en ‘goeieriken’. De laatsten winnen natuurlijk, maar dat gaat niet zonder slag of stoot: pfieuw, pfjoe, tsssj, enz. De kleine meid is inmiddels vier en mag nu ook ‘iets zijn’. Ze heeft goed naar de jongens gekeken en geluisterd: ze voegt zich moeiteloos in het spel. Voor haar hoeft het niet zo nodig over dood en leven te gaan. Of over rechtvaardigheid. Een vader, een moeder en een baby’tje liggen meer in haar lijn. Het wordt getolereerd.
Alles en iedereen kan naast elkaar bestaan: dino’s naast auto’s en ridders. Allerlei dieren bevolken dit wereldje en ze kunnen uiteraard praten (..en toen zei hij…..). Ze verstaan elkaar allemaal en ze kunnen zeer verstandige dingen zeggen. Het spel heeft geen aanloopje nodig; het begint gewoon en ze zitten er gelijk midden in.

Kinderspel. Het is maar net hoe je het bekijkt. Konden volwassenen nog maar zo flexibel en speels in het leven staan. Wij spelen dat alles echt is. En dat is geen kinderspel.

DSC06034

Wie is wie?

Vijf nichies bereiden een reünie voor van de familie die afstamt van Gerrit van Ommering en Johanna van Dorp, hun opa en oma.

Er valt over deze vijf leuke, actieve vrouwen een heleboel te vertellen. Maar laten we, om te beginnen, een vergelijkend “warenonderzoek” doen.

 -De volgende gegevens zouden trouwens ook goed gebruikt kunnen worden als aanwijzingen voor een logische puzzel-

Vier nichten zijn de dochter van een zoon, één de dochter van een dochter.
Twee van hen komen uit een gezin met drie kinderen, twee uit een gezin met twee kinderen en één is enig kind.
Twee zijn in de vijftig, drie zijn in de zestig.
Drie zijn met pensioen, twee zijn nog volop aan het werk.
Twee hebben twee dochters, één heeft twee zoons, één heeft een zoon en een dochter, één heeft twee dochters en een zoon.
Drie van hen hebben kleinkinderen; één drie kleinzoons, één drie kleindochters, één twee kleinzoons en een kleindochter.
Van twee van hen is de oudere zus overleden.
Twee zijn weduwe, twee zijn gescheiden, één is getrouwd.
Van drie van hen zijn beide ouders overleden, van één de vader, van één de moeder.
Drie van hen hebben een broer die Gerrit heet.
Van drie van hen is de doopnaam Johanna.DSC03638-003

Zie ook andere berichten geplaatst in categorie familie, bijvoorbeeld:
Het laatste woord, http://wp.me/p36K0e-1V
Zomers van toen, http://wp.me/p36K0e-8m
Foto met opdracht, http://wp.me/p36K0e-cG