Wijsheid door moederliefde

img029Ze werd met een schok wakker. Er was iets. Ze keek naast zich. Daar lag haar prachtige jongetje. Heel stil. Te stil. Te bleek. Ze hield haar vinger onder het neusje. Niets. Geen zuchtje. Ze aaide het over de wangen. Koud. In het zachte schijnsel van het olielampje zag ze zijn bleke gezichtje. De paniek sloeg toe. Haar kind! Haar trots! Levenloos lag hij in haar armen.

Grote schaduwen bewogen op de muur toen ze voorzichtig overeind kwam. Haar kamergenote was vast in slaap. Het kindje naast haar onder de deken.

Zachtjes sloop ze naar haar toe. Het kind in haar armen woog zwaar. Ze legde het snel neer en nam het warme, blozende, ademende kind op. Haar bed was nog warm toen ze zich samen met het kind te ruste legde. Haar hart bonkte. Was het verkeerd wat ze deed? Natuurlijk was het verkeerd. Het hoefde niet uit te komen; niemand had iets gemerkt. En bovendien: ze zou zo ontzettend goed voor dit kind zorgen.

Voor de tweede keer die nacht kreeg een moeder de schrik van haar leven. Doodse stilte. Een intense kou. Geen beweging. Maar, was dit stille, tere, bleke wezentje haar zoon?

De man op de troon bad om wijsheid. Had hij ooit eerder over dood en leven moeten beslissen? Van wie was het levende kind? Hij verhief zijn stem. “Dus jullie beweren beide dat het dode kind de ander toebehoort? Breng mij een zwaard!”, echode het door de zaal.
Hij keek naar het door beide vrouwen begeerde kind. “Ieder de helft”, beval hij. “O”, riep de moeder, “geef het haar dan maar. Laat dit kind niet ook nog sterven!” De koning wist genoeg. Tranen drupten op het gezichtje toen de vrouw haar kind teder in de armen sloot.

Zo werd Salomo’s wijsheid hem door ware moederliefde geopenbaard.

——————————————————————————————————————-
Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin je het woord waar het om gaat niet mag noemen. Deze keer was het verboden woord: verdelen.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Groots en meeslepend

DSC08555

Groots
Is leven niet groots
Zonder moeite bewegen op het ritme
Van adem en lucht en zee en golf en
Het middelpunt zoeken ik ben het middelpunt
Stralend wervelend stralen
Als wijde Spaanse rokken
De vonken uit de tijd slaan

Nooit moe en doorgaan doorgaan
En zie de wereld draait en wij en wij
Wij zijn met velen
De tijd is kort dus kom
En dans en leef en proost en drink
De borrelende helderfrisse levenswijn

Tot het einde
Een veel te vroeg einde
Aan alles
Aan leven en vrouw zijn
En moeder en dochter

Muziek toch muziek veel muziek
En woorden op maat
Laat de wereld nog een keer zien
Dat ik leefde leefde

En leef

——————————————————————————————————————-

In Memoriam voor mijn achternichtje, dat ik niet heb gekend en die (te) jong overleed. Dank zij mooie, passende woorden, beelden en muziek, heb ik haar wel een beetje leren kennen op Goede Vrijdag. Ik bewonder haar levenslust, kracht en doorzettingsvermogen. De hoeveelheid zonnebloemen was overweldigend….

Toch nog onverwacht…

DSC05661

Zijn donkere ogen zijn nog vochtig
Als hij met een zucht en een naschokkend lijfje
Aan tafel gaat zitten en
De stiften uitzoekt die hij gebruiken wil
Om het doosje te versieren

Op het aanrecht ligt op een wit schaaltje
De liefste vis die hij ooit had
Het staartje dat haar zoveel jaren
Als een sluier volgde
Niet meer dan een streepje in een restje vocht
Het lamplicht slaat vonken uit de oranje schubben
Wat weet zij van het groot verdriet
Van de leegte die zij achterlaat

Zonnebloem ik hou van jou
En in hoge blauwe golven zwemt zij
Om de dood te bezweren

Zijn vader haalt de schep
Uit de schuur
Onder de sering is een mooi plekje
Voor een klein vissengraf

En volgende week of overmorgen al
Zal hij vriendschap sluiten
Met een nieuwe vis

IMG_20150114_171239

Goudse voorouder

DSC00185

De menselijke geest
Is een ware schatkamer
Van opgeslagen kostbaarheden
Soms wordt de deur geforceerd

Vandaag is de koevoet een oude wekker
Opgewonden tikkend tovert hij
Herinneringen tevoorschijn
Waarvan ik het bestaan was vergeten

Een keer overnachten
In een kleine dienstbodekamer
Antimakassars over de oude eiken stoel
Een roestig conservenblik
Op het granieten aanrecht
Rotan stoelen in de serre

Uitzicht op een modderig slootje
Half verborgen onder woekerende braamtakken
Rood verkleurd blad

Krakend visgraatparket
Bedekt met Perzische tapijten
Bruine bakelieten lichtknopjes
Waarop je extra kracht moest zetten
De marmeren vloer van de gang
De levensboom boven de voordeur

Een kopje Nescafé met suiker en melk
De trapnaaimachine
En altijd een breiwerk
Onder handbereik in de rode-zakdoekentas

Als klap op de vuurpijl
De oude kapotte Friese staartklok
Die weer liep
Op het moment van haar dood

Betrapt

DSC00136

Het is zo’n dag om naar een oud huis te gaan
Aan een rustig pleintje aan de rand van de stad
Waar geen kinderen meer spelen
Doodleuk omdat ze er niet meer wonen
Een oude buurt met alleen nog oude mensen

En dat je weet
Dat er twee mensen zitten voor het raam
Zogenaamd verdiept in krant en boek
En dat zij bij elk geluid van buiten
Hoopvol opkijken en glimlachen naar elkaar
Betrapt, allebei

Dat je dat weet, terwijl je de laatste
Bochten neemt

En dat er dan een frisse groene plant
In de vensterbank staat
En het Chinese beeldje

En dat je weet dat ze direct naar de voordeur komen
Open doen
En vragen
Heb je een goede reis gehad?

En dat je dan zegt
Ja het ging sneller dan anders
Geen file

En dat je denkt tijdens de koffie
Kon dit maar duren
Was ik maar weer kind
Stond mijn bed hier nog maar

Zo’n dag

Fluwelen dood

DSC09852

Zo mooi, zo dood
Zo klein en zacht
Zwart en fluwelig
De sterke poten
Doelloos uitgespreid

Als een verloren knuffeltje
In de bocht van het fietspad

Maar wie zal hem missen
Die kleine mol
Ja, boeren en gazonbezitters,
Als kiespijn

Zo verstild en vol overgave
Dode dieren ontroeren
Het leven opgegeven
Zonder wrok of spijt
Zonder meer

Het grafje is zo gedolven
En makkelijker is het
Dit diertje aan
De aarde terug te geven
Dan een vogel
Wiens element het luchtruim is

Daar ga je
Kleine mol
Naar de eeuwige jachtvelden

En ik werp
-Omdat jij het niet meer kunt-
Als een passend monument
Een hoopje aarde op

Geen grap

DSC09448

Die stoere vogel
Luid kwetterend op het schuurtje
Lokt de poezen uit de buurt
Het dak op
Een rover
Wordt er gezegd
Met afgrijzen

Maar hoe zorgzaam
Sopt hij
Om zijn kroost te voeden
De harde stukjes stokbrood
In de waterbak

Zo zijn best gedaan
En dan toch
Twee kleintjes
Over de rand van het nest
De dood
Gevonden in de goot

Slechts een onsje veren
Met een dood vogeltje erin

Vroeger kenden we een mop
Die over even lange pootjes ging

Ik zag het nu zelf
Toen ik het ekstertje
Al helemaal af en op kleur
Ja, ook het markante blauw
Voorzichtig in het grafje legde

Even lang

Zo’n ochtend

sterappel

Het is zo’n dag waarop
Bij het ontwaken
De sterren steels verbleken
En de maan verdwijnt
De zon, nog net niet op
Blijk geeft van haar verschijnen
En de tortel in de verte
Zijn liedje steeds niet
Tot een kloppend einde brengt

Ik denk aan haar
Zij was mijn moeder
Gewoon zoals een moeder hoort te zijn
Maar heb ik haar gekend?
Wist ik wat haar bewoog?
Ik dacht het wel te weten
Dochtersovermoed

Op zo’n zelfde ochtend
Als vandaag
Sloot zij haar toekomst af
Haar geheimen
Nam ze met zich mee
En liet ons achter met de vraag
Of het geluk haar had gekend
En vice versa

Panta rhei

img093De zon stond al laag en wierp lange schaduwen over het ongerepte land. Het koren kleurde goud in de laatste stralen. Een briesje deed de bladeren van de abelen zacht ritselen. Verder was het stil. De wereld leek nieuw.

Aan de einder werd de gestalte van een man zichtbaar. Terwijl hij langzaam naderde en zich losmaakte van de achtergrond werden zijn nobele gelaatstrekken zichtbaar. Rustig, met vaste tred keerde hij huiswaarts. Hoewel tenger van bouw, straalde hij een kracht uit, die niet van deze aarde leek. Wie zou hem deren? Oplettend en doelbewust dreef hij zijn kudde bij elkaar en bracht de schapen binnen de omheining. Veilig voor de nacht.

Vertrouwen, zei hij tot zichzelf. Hoe zou hij kunnen overleven zonder vertrouwen? Het leven was een harde leerschool. In het zweet uws aanschijns, stof zijt gij…. Ja, hij wist het wel, het was er in zijn jeugd ingehamerd. Maar toch. Het woord, het geheim, het was hem nog zo nabij.

Wanneer hij alleen was, in het veld, en zijn gedachten de vrije loop liet, borrelden de verhalen op die zijn ouders vertelden. Over schoonheid en blijdschap, zorgeloosheid en angst.
De angst bezweren. Hij wist hoe het moest. Hij zou zijn dankbaarheid tonen. Oprecht zijn. Erkennen dat er een grotere macht was dan hij.

De stenen waren gestapeld. Een haal van het mes velde het bokje. In dankbaarheid knielde hij neer. Het vuur verteerde het diertje en de rook droeg zijn gebed omhoog. Zijn ogen vulden zich met tranen; vreugde vulde zijn hart.

Hij zag hem niet komen. De man, zijn broeder, die in blinde haat op hem insloeg. Met tranen van woede in de ogen, afgunst en jaloezie in het hart. Vervuld van eigendunk en eigenwaan. Het vuur van zijn offer gedoofd.

De wereld zou nooit meer hetzelfde zijn.

——————————————————————————————————————
Dit is een verhaal in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato (Hier kun je meer leuke, spannende, bijzondere WE-verhalen vinden). Het werkt als volgt: schrijf een tekst van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: twisten.

Het plaatje komt uit de kinderbijbel van Anne de Vries en is getekend door Cornelis Jetses.

Een pond veren…

DSC09131

In zoveel gedaantes
Toont hij zich, de reiger
In het voorjaar
Met hongerige moed
Stoer stappend langs
De rijkgevulde slootjes
In de polder
Geduld, geduld
En dan snel en slikken
Een vis als adamsappel

Op zomerdagen
De vleugels uitgespreid
Een briesje onder de oksels
Soezend in zonnige weilanden
Maar altijd de blik op scherp
De krachtige snavel gereed

De herfst boetseert hem
Tot een gebogen oud mannetje
Geleund tegen de wind
Opgetrokken schouders
Slordige fladderveren op de borst
Het kuifje verwaaid

Een schreeuw
En dat is echt klapwieken
Wat zijn sterke vleugels doen
Pijlsnel en hoog
De ranke poten gestrekt
Voorzichtig neerstrijkend weer
Of hij op eieren landt

En nu dan winter
Een grijze dag
Langs het grijze asfalt
Een hoopje grijze veren
Een pond misschien
Maar vliegen is er niet meer bij

De vogel is gevlogen

——————————————————————————————————————–

Bert Schierbeek schreef ooit het gedicht:
een pond veren
vliegt niet als
er geen vogel in zit

Hoe waar dat is, heb ik vanmiddag ervaren toen ik de reiger vond. Hij zag er weerloos uit; de snavel verborgen. Geknakt en gebroken (in tegenstelling tot de kaardenbol….)
Ik houd van reigers. Hij rust nu onder een stenen vis in mijn tuin.

DSC09135