De lokroep

rattenvangerElke middag als het huis aan kant was, de geit gemolken, het avondeten voorbereid, zette de oude vrouw zich aan het raam. Ze nam haar verstelwerk op schoot, en terwijl sokken, hemden en onderrokken door haar vaardige handen gingen, tuurde ze van tijd tot tijd met droeve ogen naar buiten. Daar in de verte lagen de donkere bergen. Zou haar dochter?…. Hoe lang was het nu geleden dat de kleine Ida verdween? Ze kon zich niet voorstellen dat na al die jaren het wonder nog zou gebeuren, maar ze probeerde de moed niet te verliezen. Elke zondag brandde ze een kaarsje en altijd maakte haar dochter deel uit van haar gebed.

Ida, met haar zachte blonde haar, de helblauwe ogen. Ze was het mooiste kind dat ze ooit had gezien. Haar vier andere kinderen waren kort na de geboorte gestorven, maar Ida was sterk en overleefde kinkhoest en geelzucht. Ida was een wonderkind. Zeven jaar was ze geworden; na die zomer van lang geleden zou ze naar school gaan.

Af en toe riep ze zichzelf tot de orde. Ze was niet de enige; er waren in deze stad meer ouders die hun kind moesten missen. Maar ieder hield zijn verdriet voor zich. Het harde dagelijkse leven had de volle aandacht nodig. Er was geen tijd om terug te kijken.

Haar ogen vulden zich met tranen, terwijl een oude melodie in haar herinnering terug kwam. Ze probeerde te neuriën, als een soort van bezwering. Zou het haar kind terugbrengen?
Ze wist dat er geen hoop meer was. Het was voorbij. Had die rare snuiter zijn geld maar gekregen, nadat hij zijn werk had gedaan en de stad van de rattenplaag had verlost.

Ze sloot haar moede ogen en hoorde in gedachten de lokroep van de zilveren fluit. “Wacht, kleine Ida, ik kom…..”

——————————————————————————————————————-

Dit is een verhaal in de categorie WE-300 (voor meer verhalen klik op de link), een schrijfuitdaging van Plato: schrijf een verhaal van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag worden genoemd. Deze keer was het verboden woord: musiceren.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Pasen in de Eifel

img115

Een sombere dag is prima om een rommelkastje uit te mesten. Ik neem me voor om dit nu eens grondig aan te pakken. De dvd’s liggen al snel op nette stapeltjes. De fotoboeken zijn aan de beurt. Maar dan zie ik een stukje vergeeld papier uitsteken. Ik ben verkocht. Nog geen seconde later zit ik in de rode ribfluwelen stoel te gieren van de lach.

Op mijn schoot ligt een met de hand geschreven verslag van veertien kantjes van een paasvakantie in de Eifel. Meisjeshandschrift. En de taal van een meisje van zeventien. Hoogdravend af en toe, soms kinderlijk. Ze maakt veelvuldig gebruik van het woordje echter. En van taal die ze uit boeken heeft geleend: ‘het brood is hier zo hard als een bikkel. We moeten onze tanden en kiezen dubbel zo goed gebruiken als thuis.
Wat ben ik blij dat ik dit gevonden heb. Tussen de regels door geeft dit zo’n mooi beeld van het reilen en zeilen van ons gezin, eenenvijftig jaar geleden.

Via zijn werk had mijn vader voor de paasvakantie een huisje gehuurd. Tien dagen naar Duitsland. Wat waren we opgewonden, mijn broertjes en ik. Voor het eerst naar het buitenland. De bergen zien! De reis begon met een rit in een taxi. Dat was al bijzonder. ‘Daarna zeulden we vier koffers en nog wat handbagage naar het derde perron.’ We kregen te maken met situaties die nog nooit eerder waren voorgekomen: ‘…om 12.40 waren we in Venlo. Hier kwam de douane en vroeg of we iets aan te geven hadden. Nadat we verklaard hadden dat dit niet het geval was, ging hij weer verder. Om tien voor een zette de trein zich weer in beweging, richting Viersen. Hij werd nu getrokken door een stoomloc, die in Duitsland nog wel veel gebruikt worden. Dikke witte rookwolken belemmerden ons het uitzicht.’ Heerlijk!

Na een lange busrit belandden we in een huisje met ‘naar alle kanten een prachtig uitzicht.’ We wandelden, zochten fossielen, tafeltennisten, jokerden en genoten van moeders kookkunst. Af en toe leerde ik nog wat voor het HBS-examen. Een paar keer dronken we koffie in de kantine, een ongekende luxe. Zelfs kregen we een keer een mars. En een glas cola!

‘We beklommen bergen aan de noordkant.’ en ‘kerfden onze initialen en de datum in een rotswand.’ De hoogte werd nauwgezet vermeld. Het regende, het hagelde, het sneeuwde, het was zo koud dat we soms met dekens om ons heen dicht bij de kachel zaten, maar niets kon de stemming bederven.

Op een ochtend liepen we wat rond over het terrein en zagen een herder met een kudde schapen. We renden naar huis om het fototoestel te halen. Dit was het echte Duitsland. We maakten een praatje met de man. Zo oefenden we het Duits. Ook trouwens bij het boodschappen doen: ‘Alles moest in het Duits gevraagd en geantwoord worden, wat nog wel eens wat moeilijkheden gaf.’

Ik schenk een kop koffie in en lees het verslag nog een keer. Even is ons gezin als vanouds bij elkaar.

img116