O, jongens!

Waar was ik
Toen jullie bolle babybuikjes
Verdwenen als sneeuw voor de zon
En jullie veranderden
In gespierde spijkers

Waar was ik
Toen het spelen met autootjes,
Lego en dieren
Plotseling veranderde
In belangstelling voor het echte leven

Waar was ik
Toen het voorlezen van filosofische
Kinderboekjes
Veranderde in diepzinnige gesprekken
Over het heelal

Waar was ik
Toen “Mag het speelgoed
Tot morgen blijven staan?”
Veranderde in gedachten
Over geld verdienen, nu en later

O, jongens, de tijd vliegt
En ook jullie gaan veel sneller dan ik
Kan bijhouden

Maar gelukkig
Ik was er wel toen jullie gisteren opstonden
En ik zag het weer
Tot mijn grote vreugde

Ochtendhaar!

Advertenties

Gekke vragen!

mooiZe zeiden het weleens, in de klas: “Juf, dit is een gekke vraag, maar…” Waarop mijn eerste antwoord altijd was, dat er geen gekke vragen bestaan. Misschien wel gekke antwoorden, als ze bijvoorbeeld niet bij de vraag passen, of de vraag geen recht doen. Maar een vraag is een vraag. Ik drukte ze op hart altijd vragen te blijven stellen. Van vragen stellen word je wijs.

De vraag stellen is hem namelijk in feite al beantwoorden. Dat je op een vraag komt, geeft aan dat je al aan het denken bent gezet over een bepaald onderwerp, of een bepaald probleem. Heel vaak was dus mijn wedervraag: “Wat denk je zelf? Hoe denk jij dat het is? Vertel eens wat je al weet. Heb je een vermoeden hoe het (ook) zou kunnen?” Dan kwam er een grappig proces op gang. Je zag het aan de gezichten: er werd (na)gedacht.

Natuurlijk kun je kant-en-klare antwoorden proberen te geven, maar dan gebeurt er niet veel in een kinderhoofd. Het is heel goed kinderen aan het denken te zetten, zodat ze met hun eigen oplossingen komen. Daar worden ze pas echt wijs van. En tevreden. En in een enkel geval euforisch: dat heb ik helemaal zelf bedacht, ik ben er zelf uitgekomen, terwijl ik dacht dat het een echt moeilijk probleem was.

Natuurlijk kun je behulpzaam zijn en meedenken. Liefst hardop. En dat kun je het beste in vragende vorm doen. Kinderen zullen dit overnemen en al (be)redenerend naar de antwoorden op hun vragen komen. Van heel ‘eenvoudige’ vragen (bestaan die wel?) tot ‘ingewikkelde(r)’ (bestaan die?). Ook zullen ze ontdekken dat er in veel gevallen meerdere antwoorden mogelijk zijn. Geleidelijk aan zullen ze er achter komen dat er niets vast staat in het leven.

Maar. Er blijken ook vragen te zijn, waar helemaal geen antwoord op wordt verlangd door de vraagsteller. In het dagelijks leven worden we door instanties bestookt met de meest onzinnige vragen. Het zijn geen filosofische vragen waar je wijzer van kunt worden. Vragen die je nu eens even goed aan het denken zetten. Nee. Het zijn vragen die de hebzucht (kunnen) opwekken. Of ergernis.

Dus toch gekke vragen. Op de radio hoor je in de reclame van de NS: “Waar ga jij naartoe vandaag?” De ABN-AMRO vraagt: “Wat is jouw verhaal?” Obvion hypotheken is benieuwd: “Hoe wil jij wonen?” Lidl, klantgericht: “Waar kies jij voor?” NH Hotels wil weten: “Welk uitzicht kiest u deze winter?” Met Allerzielen was het: “Voor wie steek jij een kaarsje op?”

Ik zou wel eens willen weten waar deze trend vandaan komt. Is er iemand benieuwd naar de antwoorden? Absoluut niet. De bedoeling is dat wij gaan beseffen wat we tekort komen. En daar dan zo snel mogelijk verandering in brengen.

De stomste vraag tot nu toe hoorde ik laatst bij Ikea: “Hou je van wonen?”, schalde het door de luidsprekers.
Vraag dat maar eens aan al die vluchtelingen, dacht ik, en wacht op het antwoord.
En luister! (Met een uitroepteken, ja.)

De woorden vinden

DSC09706Lieve pa,

Ruim een week geleden zou je jarig zijn geweest. Ik heb, uiteraard, aan je gedacht. En aan hoe wij vroeger de verjaardagen vierden.

Altijd was het warm. Daar had je een hekel aan. Maar op de patio was het goed te doen. In gedachten kom ik weer aanrijden en parkeer, op jouw advies, aan de overkant van het pleintje. Daar zal de eerste schaduw komen, dan blijft de auto koel. De goed verzorgde voortuin showt zijn overdaad aan bloemen. Straks laat je het zonnescherm zakken.

De vertrouwde geur als de voordeur open gaat. Warme begroeting. Goede reis gehad? Ik leg mijn sleutels op het glazen haltafeltje met de gekrulde metalen pootjes. De kamerdeur gaat open, vertrouwd geluid, en ik kijk door de eetkamer heen recht in de keuken waar mam het koffiezetapparaat heeft aangezet. Op het theeblad staan de kopjes klaar. Het tinnen suikerpotje. Het zestiger-jaren gebakstel op de keukentafel. Vanochtend vroeg heb jij de bestelde gebakjes bij de bakker opgehaald.

De rotan bank op de patio ziet er uitnodigend uit met de vrolijk gekleurde kussens. Op het tafeltje een geborduurd kleedje. Het tuinbeeldje in de hoek. Begonia’s in de border. Alles netjes.

De stemming is goed. We zijn blij elkaar te zien. Bloemen voor mam. Jij pakt het cadeau uit. Natuurlijk een boek. En niet zomaar een. Vroeger zei je oudste zoon al ‘dat jij altijd God-boeken las’. Het moest wel ergens over gaan; religie, filosofie, evolutie.

Voor deze verjaardag – je zou drieënnegentig zijn geworden – heb ik weer een boek voor je gekocht. Ik weet zeker dat je het graag had gelezen. Nu lees ik het. Met jou in gedachten. Je zei wel eens: ”Om dit soort boeken te begrijpen, moet je wel wat ouder zijn.” Zover is het nu.

In dank, je dochter.

——————————————————————————————————————-

Dit is een tekst in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato (Hier kun je meer leuke, spannende, bijzondere WE-verhalen vinden). Het werkt als volgt: Schrijf een tekst van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: gedenken.

Lees ook: Sterven in juni

Je pense que je suis

De illusie van het bestaan (Filosofie van de koude Zaanse grond)

DSC08543

Sommige dingen in het leven gaan ongemerkt. Zo waren er sinds 2009 alweer vijf jaar verstreken. Ja, logisch natuurlijk, maar het werd me extra duidelijk gemaakt toen de brief van de gemeente in de bus viel. Of ik wel wist dat mijn paspoort bijna was verlopen en dat ik een nieuwe nodig had. Ik wist dat niet, want zo’n document gebruik je niet dagelijks, maar ik nam het direct aan.

Een afspraak maken dus. Bij de gemeente, afdeling burgerzaken. Tegenwoordig komt daar geen telefoon meer aan te pas. Via de computer kom ik op een site, waar ik een keuze kan maken voor dag en tijd. Het valt mee: al over een week kan ik terecht.
Wat heb ik nodig? Mijn oude pas, pasfoto’s en geld. Makkelijk zat.
Makkelijk? Het oude paspoort ligt gewoon in het laatje. Er wordt verwacht dat ik pin, dus dat is ook geen probleem. Nee, de bottleneck zijn de foto’s. De fotograaf weet precies hoe de foto’s voor een paspoort gemaakt moeten worden, lees ik op de site. Gelukkig, denk ik. Want hoe is het nu: wel lachen, niet lachen? Een bril op, of juist geen bril? Oren vrij of niet?

Pasfoto’s. Bijna nog erger dan de tandarts. Maar vooruit, voor het goede doel. Zonder aarzelen loop ik naar de fotozaak waar ik altijd kwam, aan het begin van de winkelstraat. Hm, dat is jammer. Een groot bord op het raam meldt dat het pand te huur is. Aan het eind van de straat moet er ook nog een zijn. Een gerenommeerde zaak, waar ook dure apparatuur wordt verkocht. Luxe pasfoto’s. Ik verbaas me erover dat het pand er verveloos uit ziet. De kozijnen rotten weg. De etalage is bijna leeg, op een paar tweedehands camera’s na. Geen klanten, terwijl je anders altijd lang op je beurt moest wachten. Ook al op de nominatie om te verdwijnen. Maar ik heb geluk: pasfoto’s kunnen nog gewoon gemaakt worden. In een hokje achterin de zaak. Een blik in de spiegel ter controle. Ja hoor, kom maar op. Het worden drie foto’s met en drie zonder bril; het is op dit moment onduidelijk wat er gewenst wordt. Haar achter de oren, en zo’n blik van: laat maar over me heen komen. Ik stop het mapje diep onder in mijn tas. Voor overmorgen.

Anderhalve dag en een begrafenis later sprint ik op mijn fiets naar het nieuwe gemeentehuis. Ik voer mijn afspraaknummer in in de computer en het nummertje rolt eruit. Exact om tien uur ben ik aan de beurt. En om één minuut voor tien heb ik ontdekt dat mijn portemonnee nog in de tas zit, die ik gisteren mee had naar de uitvaart. Stom. Maar misschien hoef ik pas bij afhalen te betalen. Ik kijk naar het gezicht van de vrouw achter de balie: het staat op onweer. Het wordt er niet beter op, als ik opbiecht dat mijn portemonnee nog thuis ligt. “U kent dat vast wel”, zeg ik nog, inspelend op het vrouw zijn, “de verkeerde tas meegenomen.” Een mondhoek plooit zich in een zuurzoet lachje. Nee, denk ik, dat ken jij niet. Je bent vast geen tasjesmens. Je hebt er waarschijnlijk maar één. “Dan moet u een nieuwe afspraak maken”, zegt ze vinnig. “U moet namelijk bij aanvraag betalen.” Ik druip af. Vanavond heeft zij bij het avondeten een goed verhaal: zo’n stom mens vandaag aan de balie!

Op het plein voor het stadhuis is een straatveger in druk gesprek gewikkeld met een wat oudere man. “Hoe zie jij dat dan?”, vraagt die. “Nou”, zegt de man met het gele hesje, gesticulerend met zijn vrije hand, “het existentialisme, weet je wel? Je pense que je suis.”

Ja, denk ik, terwijl ik doorloop. Ongewild heeft deze man de spijker op zijn kop geslagen: Ik denk dat ik besta. Dat is het. Denken we niet allemaal dat we bestaan? Alles is illusie.
Gek genoeg ben ik nu degene die niet meer denkt en niet meer bestaat, dankbaar. Als ik niet naar zijn begrafenis was geweest, had ik mijn portemonnee gewoon bij me gehad en zou ik deze wijze levensles hebben gemist. Dank je, Gijs.

Toen ik vanmiddag, mét portemonnee, een boodschap deed, stond ik achter een wat oudere vrouw in de rij voor de kassa. Ze had haar mouwen opgestroopt, zodat de tatoeage op haar onderarm goed zichtbaar was. Tot mijn stomme verbazing las ik de tekst die ik vanochtend in aangepaste vorm hoorde: cogito ergo sum. Dit keer precies zoals Descartes het ooit heeft gezegd: ik denk, dus ik besta.

Toch vind ik de tekst van de filosofische straatveger tien keer beter dan die van de grote geleerde.

De journalist, de kunstenaar en de filosoof

marcel-wandersMidden op de dag bedenk ik ineens dat de expositie van Marcel Wanders op zijn einde loopt. Heb ik alles wel goed genoeg bekeken? Een zekere onrust maakt zich van mij meester en ik besluit nog een keer naar het Stedelijk te gaan. Ik moet het bijzondere werk nog één keer zien.

Hoewel het een regenachtige dag zou worden, schijnt de zon nog vrolijk en is het, volgens het informatieschermpje in de trein, buiten 25°.
Lijn 5 laat niet lang op zich wachten en al snel rijd ik de vertrouwde route door Amsterdam.
Terwijl ik me in de trein groen en geel erger aan die overdreven vrouwenstem, die te pas en te onpas vertelt op welk station de sprinter naar Amsterdam nu weer gaat stoppen, kan ik de mannenstem in de tram heel goed verdragen. Sterker nog, die intrigeert mij en ik doe enorm mijn best uit te vogelen door wie al die haltes worden aangekondigd. Ik vermoed dat het Gerri Eickhof is, te horen aan de markante R. Ik neem me voor om het nu eindelijk eens op te zoeken als ik thuis ben; Google is er tenslotte niet voor niets.

Bij het Leidseplein neemt de conducteur het over: “Halte Leidseplein, ook wel Liedseplien, of Led Zeppelin”, roept hij om. Het laatste is natuurlijk een vondst van jewelste en iedereen kijkt elkaar grinnikend aan.
Dan volgt de halte Museumplein en Gerri maant ons op samenzweerderige toon niet te vergeten uit te checken. De twee piepjes klinken en ik sta buiten in het zonnetje.

Op mijn dooie gemakje loop ik naar het Stedelijk. Het Van Gogh staat nog steeds in de steigers. Uit de diepte komen dikke grijze rookwolken, uitgespuugd door een buis die uitmondt in een opengesperde Disney-achtige bek. Gefotografeerde medewerkers, te zien op de schotten rondom het gebouw, verzoeken de passanten vriendelijk lachend om het museum, ondanks de verbouwing, te bezoeken. Een warmer welkom is nauwelijks mogelijk. Wanneer ik me niet in het hoofd had gehaald naar Marcel te gaan, hadden deze vrolijke dames en heren me zeker overgehaald en het Van Gogh ingeloodst.

DSC09487

Ik loop onder de badkuip door en laat mijn museumkaart scannen door een vriendelijke jongeman. Dan de diepte in.
Het is druk. Een grote groep ouderen wordt door een geanimeerde begeleidster wegwijs gemaakt. Ze doet haar best, maar ze probeert daarmee haar visie op te dringen en je ziet de mensen afhaken. Zelf kijken is altijd beter.

DSC09503

DSC09493

Tot mijn verbazing ontdek ik nu toch nog dingen die ik de vorige keren niet heb gezien. Was het er toen niet? Of is het mij niet opgevallen, overdonderd als ik was door de veelheid aan creatieve vondsten? Het schattige hartje aan het hemeltje van de wieg bijvoorbeeld. De rij getekende stoelen. De lipstick.

DSC09497

DSC09505

Het delfts blauw ‘met een knipoog’ moet ik absoluut nog even zien, net als de ‘egg vases’. En dan, lopend langs de wuivende handen, neem ik afscheid van deze ondergrondse weelde.

DSC09500

Op de ellenlange roltrap (Stairway To Heaven, om een beetje in stijl te blijven) worden we begeleid door een mannenstem, die herhaald mompelt: “Ja, ja, ja.” Wanneer ik na de zoveelste keer wil antwoorden met: “Nee, nee, nee”, komt het uit de speaker. Net als in de tram veroorzaakt dit verbondenheid en de bezoekers lachen naar elkaar. Het is opgemerkt en dat wil men laten weten.

‘Art is Therapie’ blinkt in groene neonletters op de gevel van het Rijksmuseum. Ja, ik wil wel even een blik werpen op de grote gele post-it’s die, voorzien van filosofische teksten, door Alain de Botton bij diverse kunstwerken zijn opgeplakt. Maar wat een deceptie. Het geel detoneert enorm bij die prachtige schilderijen en de uitgebalanceerde kleur van de wanden. Bovendien vind ik zijn aansporingen ook niet bepaald inspirerend. Eerder opdringerig en pretentieus. De teksten zijn veel te lang; een kort maar krachtige opmerking had misschien nog tot overdenken gestemd. Nee, dit is geen therapie voor mij. Het onbevangen kijken naar kunst kan therapeutisch werken zonder dat een filosoof zich ermee bemoeit. Geef mij maar het meisje in het blauw of de jongen die zijn ganzenveer slijpt. Gewoon kijken is meer dan genoeg, opgaan in de wereld die de kunstenaar heeft geschapen. Het maakt me gelukkig en ik volg mijn eigen (filosofische) gedachten.

DSC09276

Op weg naar de uitgang verdwaal ik en daardoor kom ik terecht in een zaal vol delfts blauw. Het werkt op mijn zenuwen; tot mijn grote verbazing moet ik constateren dat ik het afschuwelijk vind, al die vazen en tableaus. Het is veel te veel en veel te bleek. Mag je dat eigenlijk wel hardop zeggen? Ik doe het niet, maar maak dat ik weg kom. Hoe anders was het in het Stedelijk, waar het werk van Wanders een totaal andere uitstraling had. Dat gaf mij rust en het ontlokte me een glimlach.

Inmiddels regent het. Het Museumplein stroomt leeg. In de overvolle tram besluit ik definitief dat het Gerri is die tot ons spreekt.
’s Avonds zoek ik het op. Het staat er niet met zoveel woorden, maar de verrassing kon niet groter zijn. Alles klopt nu, gelukkig.

Zomers van toen

Vroeger duurde de zomer lang. Lang genoeg om alles te doen wat je je aan het begin van de vakantie had voorgenomen. Er waren geen regenachtige dagen. En gebeurde dat toevallig toch een keer, dan bouwden we een hut in de kamer, waar we ook in mochten eten. Eindeloos speelden we buiten. Op de ‘landjes’ stikte het toen nog van de rupsen. Geen zorgen om het uitsterven van de vlinder. Een veldboeket plukken was een heerlijke bezigheid. En zo dankbaar; mijn moeder was er altijd heel blij mee. Ze leerde ons de namen van de bloemen. Daar heb ik nu nog plezier van. Salamanders lieten zich gemakkelijk vangen. En even zo gemakkelijk verdwenen ze weer uit de zinken teilen waarin mijn broer hun terrarium had ingericht. We doorzochten de hele schuur: weg waren ze. Dagen zaten we aan het slootje om te vissen. Wat we vingen lieten we weer vrij. De geur van versgevangen vis; ik ruik het nog.

Met mijn nichtje C logeerde ik bij oma en opa van moeders kant. In hun achtertuin bloeiden de hele zomer dahlia’s in alle kleuren en maten. Daarin stikte het altijd van de oorwurmen. Op zaterdag mochten we opa helpen het grind aan te harken, zodat het er voor de zondag netjes bij lag. Aan de overkant van de weg was de boomgaard. Heerlijke peertjes groeiden daar. En wij konden goed klimmen; het hek was een makkie. Voor het oversteken hoefde je niet eens uit te kijken, er was zo weinig verkeer. We gingen daar ook graag naar het zwembad. Soms mochten we iets kopen, een stroopsoldaatje bijvoorbeeld. Met opa wandelden we over ‘Het Zwarte Pad’. Waarom dat zo heette was niet bekend, het was niet zwart. Hij vermaakte ons met grappige uitdrukkingen, woordgrapjes. En hij heeft ons, dat weet ik nu, op het spoor gezet van de filosofie. Als het al een keer slecht weer was, mochten we op oma’s handnaaimachine poppenkleren maken. Ze leerde ons de kneepjes van het vak.

Bij opa en oma van vaders kant kwamen we ook altijd in de zomer. Op oma’s verjaardag. Met de neefjes en nichtjes speelden we op de bleek. Aan de overkant was een weiland. Je kon daar op het hek zitten mijmeren. En als je durfde ging je naar de koeien, als die er waren. Met mijn vader durfden we altijd.
Soms nam hij ons mee naar de spoorlijn. Daar kon je dichtbij komen, maar gevaarlijk was het wel. Opletten dus. We gingen iets spannends doen. Eerst legde mijn vader zijn (goede) oor op de rails. Als hij hoorde dat de trein in aantocht was, plakte hij met spuug een cent op de rails. Op ruime afstand wachtten wij tot de trein voorbij was gedenderd. Dan was het zoeken geblazen naar de cent, die zo plat was als een dubbeltje.

img038

Op zulke zonnige, warme dagen als nu, gaan mijn gedachten terug naar de zomers van toen. Mooie tijden waren dat. We hebben leren genieten van kleine dingen.

Zie ook andere berichten geplaatst in de categorie familie, bijvoorbeeld Het laatste woord: http://wp.me/p36K0e-1V