Over Stockholm, aardige mensen en een bobine

Met een lekker gangetje tuffen bijrijder Bram en ik over de A5, op weg naar Den Haag. Eindelijk zullen we, de ‘oude’ vriendin en ik, museum Voorlinden in Wassenaar bezoeken. We hebben door omstandigheden de afspraak een aantal keren moeten verzetten, maar vandaag zál het lukken; het is een mooie dag voor museumbezoek. We hebben er zin in.

Terwijl ik een vrachtwagen inhaal, remt mijn auto spontaan af, doet net of hij over een hobbelige weg rijdt en ontsteekt de feestverlichting. Dat oranje lampje ken ik! Toen dat in mijn vorige auto begon te branden, bleek die ten dode opgeschreven. Dus stoppen! Naar de vluchtstrook, alarmlichten aan en bellen met de mobiliteitsservice. Diep ademhalen en net doen of de paniek die ik net voelde opkomen, onder het asfalt is geschoffeld.
De dame aan de telefoon is bijzonder aardig en behulpzaam. (Zoals het hoort, natuurlijk.) Het lukt me om normaal te antwoorden. Ik geef aan waar ik sta en wat mijn kenteken is. En zij belooft dat er over een half uurtje iemand zal verschijnen om de auto naar de dichtstbijzijnde garage te brengen. Tot zover gaat het goed. Terwijl het verkeer langs me heen raast, voel ik me steeds rustiger worden. Ik bel vriendin HB. Jammer, jammer, maar het komt er waarschijnlijk niet meer van vandaag. Alhoewel, je weet het nooit, misschien valt het toch nog mee.

Met mijn voeten in de zachte berm zet ik het op een wachten. Het verkeer zoeft langs. Af en toe stijgt er tegenover mij een vliegtuig op. Een waterig zonnetje doet zijn best, maar het blijft grijs. Geen regen, gelukkig. Ik tuur in de verte; komt er al iets? Het halve uur wordt drie kwartier en na een uur vind ik het welletjes. Zijn ze me vergeten? Ik bel nog maar een keer; dezelfde vriendelijke dame belooft dat er over tien minuten….. Er zit niet veel anders op dan gewoon maar te blijven wachten. Geduld is een schone zaak.

Dan komt de welbekende gele auto aanrijden. De chauffeur hijst zich in een dito hesje. ‘Mijn’ service heeft toch geen connecties met de Wegenwacht? De schrik slaat me ineens om het hart. Hij komt me natuurlijk de mantel uitvegen: waar is de gevarendriehoek, mevrouwtje? En dat gele hesje, dat in de achterbak ligt, had u dat niet even kunnen aantrekken?! Voor uw eigen veiligheid? Maar hij loopt rustig naar mij toe en stelt zich voor. Hij blijkt onderweg naar een ander pechgeval, maar wilde even informeren. Ik vertel wat er aan de hand is en dat ik wacht op de servicedienst van mijn eigen automerk. Die arriveert op datzelfde moment. De derde aardige persoon van die ochtend. Mijn vertrouwen in de ‘Menschheid’ wordt in razende vaart hersteld.

De auto wordt op de vrachtwagen gereden en daar gaan we, naar de dichtstbijzijnde garage. Er ontspint zich een geanimeerd gesprek: over pensioen, over werk, over het onderwijs, over hobby’s, over de opvoeding, over leeftijd, over geraniums… Zo wil ik wel doorrijden tot Stockholm.
Maar binnen een kwartier rijden we het bedrijventerrein op. Het vertrouwde embleem op de garage. De monteur zal eens kijken wat er aan de hand is en ik word vakkundig de koffiehoek in gemanoeuvreerd.

Tien minuten later valt het verlossende woord. De auto kan nog jaren mee, wanneer De Bobine wordt vervangen. Ik heb geen flauw idee wat dat voor een ding is, maar het klinkt positief. Jammer alleen, dat het onderdeel niet in voorraad is.

Wat is het toch fijn dat er mensen zijn die oplossingsgericht denken. De aardige jongen achter de balie met het leuke geblondeerde haar stelt voor om er een uit eenzelfde model auto – die toevallig net op de brug staat – te slopen en in die van mij te monteren. Dat gebeurt.

Na wat administratieve rompslomp en een telefoontje naar vriendin, stel ik de navigator in en praat Bram me door een wirwar aan straatjes (keer om!) naar de snelweg. Ook de auto heeft er weer zin in.

En zo rijd ik al snel Den Haag binnen. Vriendin staat al klaar. Op naar museum Voorlinden! Eindelijk!

Advertenties

Kinderspel (2)

Ze worden groot, mijn kleinzoons. Dat zie je in de eerste plaats aan hun broeken. De moeders zijn blij dat het zomer wordt. Bij een korte broek zie je niet zo snel dat hij te kort is.
Bij de oudste zie je ook aan zijn gebit dat hij groot wordt. Hij heeft al veel gewisseld, maar in het bovengebit, aan weerskanten van de ‘grote-mensen-tanden’, zie je nog flinke gaten, waar de melktanden nog niet zijn vervangen. Zijn gezicht verandert: het ronde gaat ervan af. De jongste had laatst ‘goed nieuws’: hij heeft een wiebeltand.
Ze gaan allebei over. Dit jaar hebben ze leren lezen. Ik vind dat heel bijzonder; er zijn nu niet zoveel geheimen meer voor ze, wat geschreven tekst betreft. Zelf vinden ze het heel gewoon. Me dunkt, ze hebben er tenslotte keihard voor geoefend, je krijgt het niet cadeau.
Ze eten als dijkers en toch blijven het dennetjes. Tijdens het eten maken ze nog steeds dezelfde grapjes en houden ze nog steeds wedstrijdjes. Dat blijft, gelukkig.

Ook in het spel zijn er dingen die niet veranderen, nog niet tenminste. Ik zie hoe Memory Lane geplaveid wordt: “Oma, ik heb de garage opgehaald, die wij samen hebben gemaakt.” “Oma, mogen we de bak met dieren omkieperen en heb je nog die ‘grasvelden’?” En dan hoor ik wat ik nog steeds het leukste vind: de auto’s worden verdeeld en ja hoor, daar komt-ie: “Mag ik deze ‘zijn’?”
De houten auto met de diertjes wordt wat meewarig bekeken. Ze generen zich een beetje voor elkaar, ze zijn geen peuters meer. Maar gaandeweg betrekken ze toch al het speelgoed in hun spel.

De kartonnen garage berg ik later weer op in de logeerkamer. Net als de kistjes die als dierenverblijf dienst doen. En de ‘grasvelden’. Voor de volgende keer. “Oma, mogen wij…..”.
Ja hoor jongens, natuurlijk mogen jullie ermee spelen. Alles is er nog.

DSC07891

Lees ook: Kinderspel, http://wp.me/p36K0e-2s