Geluk in het water

Winterjas aan, sjaal om
De handschoenen ook weer
Tevoorschijn gehaald
Lekker warm
Tegenwind natuurlijk
Flink doortrappen dan maar

Houdt die kou dan nooit op?
De bomen botten gestaag uit
Bloesem en blad
In tere tinten
Waar blijft nu toch het
Bijbehorende zachte lenteweer?

Ik rijd het dorp uit
Een beetje narrig
Maar al gauw niet meer
Aan mijn rechterhand de snelweg
En links van het fietspad
Wild golvend water

De zes streepjesfuutjes
Volgen hun trotse moeder
Pa neemt een flinke duik
Als hij meters verder bovenkomt
Zijn de kleintjes allemaal
Op moeders rug geland

Advertenties

De Drie Gratiën

De aanblik van de marmeren meisjes
Doet mij naar adem happen
Schoonheid, vreugde en geluk
Gracieus gevangen in harde steen

Het witte marmer lijkt zacht en soepel
Een wang, een schouder een borst
Voile-achtige gewaden voegen zich naar het
Ranke lichaam, een heup, een knie
Vingertoppen tippen vederlicht
Aan slanke hals, aan gezicht
Hoe zacht, aardig en aandachtig
Zij weerspiegelen elkaars glimlach
In hun marmerogen

Fluisteren zij elkaar geheimpjes toe?
Bespreken zij wie er wel en wie niet
Door de beugel kunnen
Om wie ze zo vreselijk moeten lachen-
Is het soms de man van wie de telefoon
Op volle sterkte om aandacht schreeuwt-
In deze stemmige, stille zaal van hun logement,
De Hermitage aan de Amstel?

Traag dimt het licht, draait weg
En weer op volle sterkte gericht
Lijken zij gereserveerd, serieus, koel
Afscheid is op handen

Nog even dan vliegen deze dames
Dik ingepakt terug
Naar hun eigen riante onderkomen
De Hermitage aan de Neva

Красная Площадь

– Het Rode Plein –

Zo is het natuurlijk altijd al geweest
Maar ik zie voor het eerst
Hoe de schemer het plein
Hult in een zachtroze waas
De vallende avond dempt de geluiden
En laat ze wegzweven in het niets

Daar waar ooit koppen rolden
Bloed vloeide
Laarzen marcheerden
Bevelen werden geschreeuwd
Angstkreten klonken
Overwinningen werden gevierd

Klinkt een vredig geroezemoes van stemmen
Vrolijk gelach af en toe
Liefdevol kijken jongens naar meisjes
En vice versa
Mobieltjes, ach als er toch geen mobieltjes waren
Leggen de beelden vast
Sta nu eens zus en zo en kijk naar mij
Voor nu en later

Gelukkig zijn zij die hier slenteren
Hand in hand en mooi en jong
Het leven een feest
In elk geval nu, voor even, deze avond
En nu staat het leven aan hun kant

Daar op dat Rode Plein

Waar verderop iemand al jaren
In zijn dooie eentje
Dood ligt te zijn

——————————————————————————————————————-

Lees ook: Neva-kleurig: https://wp.me/p36K0e-Xb

Ontmoedigend Overweldigend: https://wp.me/p36K0e-Ih

Trojka: https://wp.me/s36K0e-trojka

Moedertje Wolga: https://wp.me/p36K0e-No

Hoeveel geluk kan een kind verdragen

DSC09573“Ik heb gewonnen”, riep hij. Daan, de roodharige, drukke Daan, slenterde naar me toe. “Kijk”, zei hij zacht, “hier heb ik hem, in mijn zak.” In de zweterige handpalm, die hij een eindje uit zijn broekzak trok, lag een knikker. Een mooie. Een katoog. In drie kleuren: rood, wit en blauw. “Mooi!”, zei ik. “Ga je hem opgooien? Kan nog best. De pauze is nog niet voorbij. Daar moet je zeker meer mee kunnen winnen.” Hij keek me aan of hij water zag branden. “En als ik verlies? Dan ben ik hem kwijt!” “Het risico van het spel.”

Aarzelend liep hij naar het groepje jongens dat stond te joelen om het knikkerpotje onder de plataan, midden op het plein. Gevaarlijk spel, zag ik. Eén had een bonk opgegooid. De volgende was aan de beurt. Daan hield zijn handen diep in zijn broekzakken, bobbelig van de knikkers. Wat zou hij doen? “Kom je, Daan?” Hij schudde zijn hoofd: “Ik heb geen zin meer.” “Ah, kom op nou! Je hebt toch wel een bonk?” Hij haalde zijn neus op, trapte een paar keer tegen de boom, en liep naar het bankje, even verderop. Toen hij met een plof ging zitten, zag ik hoe ongelukkig hij keek.

De volgende ochtend kwam Daan te laat. Dat gebeurde nooit, hij was altijd een van de eersten. Nog even een balletje trappen op het plein. Of knikkeren. Toen hij de klas inkwam, zag ik het al: rode ogen. “Kom even mee de gang op”, zei ik. “Waarom ben je zo laat?” “Die rottige geluksknikker. Ik was zo bang om hem kwijt te raken! Vanochtend ben ik naar de vierde verdieping gegaan. Vanaf de galerij gooide ik hem naar beneden. Kijk: in duizend stukjes.”

Tranen rolden over zijn wangen. De angst voor verlies had gewonnen van zijn geluksgevoel.

——————————————————————————————————————-
Dit is een verhaal in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato (Hier kun je meer leuke, spannende, bijzondere WE-verhalen vinden). Het werkt als volgt: Schrijf een tekst van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: scoren.