Zo zie je maar

hemelsleutel-sneeuw

Wat is het toch
Dat ons doet smelten voor sneeuw

Het is een koud goedje
Maakt de wegen spekglad
Dooi geeft blubberzooi
Door wind opgejaagde vlokken
Belemmeren het zicht

Zouden wij dag in dag uit
Met sneeuw moeten leven
Wij hadden er geen woorden voor

Toch is het maar zelden
Dat er een goed dik knerpend wit pak
Over het land wordt gevlokt

Je moet er wel van houden
Zo niet van de koude witheid
Dan toch van de
Door tientallen vogelvoetjes
Omgewoelde sneeuw
Bij de zojuist gevulde voerbak

Of van de alpinootjes
Waarmee de skeletjes van de hemelsleutel
Troostend worden getooid

En als inspiratie
Voor een wintergedicht
Is die zogenaamde witte wereld
Eveneens niet te versmaden

Advertenties

Wintergloed

wintergloed

De zon zakt langzaam
Achter de kale bomen van de begraafplaats
Boven de tuintjes stijgt de damp omhoog
Alle tuinders zijn al naar huis

Ik boen spa en hark schoon
En zet ze in het hoekje van de kas
Een voldaan gevoel
Gespit, geharkt, gesnoeid
Niet eerder leek het zomer in december

Ik stamp dikke klonten aarde
Van mijn schoenen
Met een paar prachtige pastinaken
Loop ik trots naar mijn fiets

In een laatste zonnestraal
Licht de verdorde hemelsleutel op
Wintergloed
Geluk op de vierkante meter