Oer(d)gevoel

dsc04576

Het zand in mijn schoenen
De schelpen in de vensterbank
De eikels in de schaal
De koffer in de gang
De kilometers in mijn benen
Het gloeien van mijn gezicht
De kleuren op mijn netvlies
De geluiden in mijn hoofd
De warmte van vriendschap
In mijn hart
En de herinneringen in de maak

Een goed verstaander weet
Dat een paar dagen Ameland
Voldoende zijn
Voor dit geluksgevoel

Advertenties

De laatste kus

20151102_110353

Hij was mild geworden. Zijn lange leven had hem vele lessen geleerd. Vroeger was hij een opstandig en opvliegend persoon geweest. En niet altijd even tactvol. Zijn vrouw en kinderen hadden het nogal eens moeten ontgelden. Waren vaak slachtoffer geworden van zijn humeur. Hij was er de man niet naar om het uit te praten, of te zeggen dat het hem speet. Nee, ze moesten het allemaal zelf maar ontdekken. Vaak wisten ze de link niet direct te leggen en leek het cadeautje dat ze kregen uit de lucht te vallen. De boeketten voor zijn vrouw op zaterdag waren bedoeld om een week zwijgen, boze opmerkingen, of stuurse blikken goed te maken. Het was zijn manier. Met de medische kennis van nu zou er wel een stempel op hem zijn gedrukt. In zijn tijd moest hij er zelf maar uit zien te komen. En zijn omgeving ook.

Maar nu was hij mild. Zachtaardig en vriendelijk. Het verplegend personeel was zeer over hem te spreken. Een aimabele man, werd hij genoemd. Hij schikte zich in zijn doofheid. In het afhankelijk zijn van een rolstoel. In het wachten. Altijd maar wachten. Op een kopje koffie, het eten, het wassen en de gang naar het toilet. Dit was zijn leven nu.

Leven. Hij wist dat hij aan het laatste stukje bezig was. Dikwijls verzonk hij in gedachten en wist situaties op te roepen uit een ver verleden. Het lot was hem gunstig gezind geweest. Al vaak had hij op de rand van de dood gebalanceerd. Die keer dat hij als kind in de rivier dook en vast bleef zitten in de modder. Hij werd gered en overleefde. Die keer dat hij een ernstige longziekte had. De operatie slaagde, hij moest een rib missen – maar dacht hij soms, dat moest Adam ook – en genas. Die keer dat hij werd opgepakt door de Duitsers. Dat ze hem lieten gaan, was hem nog steeds een raadsel. De bypasses die hij dertig jaar geleden had gekregen. Hij herstelde volledig.

Ja hij had een goed leven achter de rug. Kinderen, kleinkinderen en zelfs achterkleinkinderen. Grote verwachtingen had hij van de jongens. Het kleine meisje had hij nog niet gezien. Ze leek zoveel op zijn overleden vrouw, had hij gehoord.

Maar ze kwam. Ze werd opgetild om hem een kus te geven. Het werd zijn laatste kus.

Die nacht sliep hij in met een glimlach op de lippen. Voorgoed.

Holland op z’n mooist

DSC00744

Het landschap van mijn jeugd
Weiland water wolkenlucht
In het hoge gras tussen pinksterbloemen
De wereld zien voorbijtrekken
In vlokkig wit tegen hemelsblauw

Hangen tegen het ruwe hek
Staren naar lome zwartbonte koeien
Scheurend geluid van afgerukt gras
Dotters en lissen tussen het riet
En o, die jubelende leeuwerik

Dank Anton, Jacob, Willem en Matthijs
Het landschap vredig weergegeven
Wolkenlucht en water
Koeien onder bomen in gebloemde weiden
En pootjebadend in ondiepe slootjes

Door eeuwige westenwind
Geboetseerde wilgen
Boerinnen met rokken en schorten
Op blank geschuurde klompen
Over modderige paden
Kinderen aan de hand

Hollands landschap
Zoals mijn vader het graag zag
Zie je dit pa? Weet je nog?

——————————————————————————————————————-

Holland op z’n mooist: een schitterende tentoonstelling in Het Gemeentemuseum in Den Haag.

De woorden vinden

DSC09706Lieve pa,

Ruim een week geleden zou je jarig zijn geweest. Ik heb, uiteraard, aan je gedacht. En aan hoe wij vroeger de verjaardagen vierden.

Altijd was het warm. Daar had je een hekel aan. Maar op de patio was het goed te doen. In gedachten kom ik weer aanrijden en parkeer, op jouw advies, aan de overkant van het pleintje. Daar zal de eerste schaduw komen, dan blijft de auto koel. De goed verzorgde voortuin showt zijn overdaad aan bloemen. Straks laat je het zonnescherm zakken.

De vertrouwde geur als de voordeur open gaat. Warme begroeting. Goede reis gehad? Ik leg mijn sleutels op het glazen haltafeltje met de gekrulde metalen pootjes. De kamerdeur gaat open, vertrouwd geluid, en ik kijk door de eetkamer heen recht in de keuken waar mam het koffiezetapparaat heeft aangezet. Op het theeblad staan de kopjes klaar. Het tinnen suikerpotje. Het zestiger-jaren gebakstel op de keukentafel. Vanochtend vroeg heb jij de bestelde gebakjes bij de bakker opgehaald.

De rotan bank op de patio ziet er uitnodigend uit met de vrolijk gekleurde kussens. Op het tafeltje een geborduurd kleedje. Het tuinbeeldje in de hoek. Begonia’s in de border. Alles netjes.

De stemming is goed. We zijn blij elkaar te zien. Bloemen voor mam. Jij pakt het cadeau uit. Natuurlijk een boek. En niet zomaar een. Vroeger zei je oudste zoon al ‘dat jij altijd God-boeken las’. Het moest wel ergens over gaan; religie, filosofie, evolutie.

Voor deze verjaardag – je zou drieënnegentig zijn geworden – heb ik weer een boek voor je gekocht. Ik weet zeker dat je het graag had gelezen. Nu lees ik het. Met jou in gedachten. Je zei wel eens: ”Om dit soort boeken te begrijpen, moet je wel wat ouder zijn.” Zover is het nu.

In dank, je dochter.

——————————————————————————————————————-

Dit is een tekst in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato (Hier kun je meer leuke, spannende, bijzondere WE-verhalen vinden). Het werkt als volgt: Schrijf een tekst van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: gedenken.

Lees ook: Sterven in juni

Dansen in de polder

img088

Eindelijk was het zover. Het had nogal wat overredingskracht gekost, maar samen met mijn vriendin was ik op weg naar onze allereerste dansles. Het was niet naast de deur. In het dorp op de Hoekse Waard, waar we toen woonden, werd geen dansles gegeven. We fietsten dus een dik half uur naar het volgende dorp. Onderweg haalden we nog een paar vriendinnen op en een aantal jongens. Van de ene boerderij reden we naar de andere. Het was al donker toen we Klaaswaal binnen reden. Het warm verlichte gebouw onder aan de dijk leek ons te verwelkomen. Toch waren we gespannen; hoe zou het gaan? Hoe moeilijk zou het zijn? Zouden we het überhaupt wel leren? We zouden toch wel gevraagd worden? We kenden lang niet iedereen.

De glanzend gewreven vloer leek wel een spiegel. Onze leraar was een aardige, vrolijke, lenige man, die even snel een spagaat maakte, vanzelf weer overeind veerde en de ‘jongelui’ welkom heette. Hij liet er geen gras over groeien en al snel maakten we pasjes op de plaats: de quick-step. Toen in paren. Gelukkig bleef er niemand aan de kant, de muziek startte en ja hoor, we dansten. Nog niet helemaal vlekkeloos, maar aan het eind van de les waren we redelijk in staat de quick-step te dansen en hadden we een beginnetje gemaakt met de Engelse wals. Thuis oefenen, werd ons op het hart gedrukt. Met rode wangen fietsten we dezelfde weg weer terug, terwijl de groep steeds kleiner werd.

Zo gingen de weken voorbij. We vorderden. Ook de Veleta hadden we tenslotte onder de knie. De Weense wals was een heerlijkheid. Het was al winter toen we voor onze laatste les over de onverlichte weggetjes van de polder fietsten. Een kraakheldere sterrennacht. Koud was het. Maar binnen was het warm en goed. Het werd een feestelijke afsluiting. Pennywafels en Exota. We lieten zien wat we hadden geleerd. Het ging goed. De leraar was tevreden. We zouden op fuifjes en klassenfeesten geen gek figuur slaan.

Mooie herinneringen. Terwijl ik moeiteloos terug glijd in die tijd, weet ik nu dat het gaat om een totaalgevoel. Ervaring, gevoel, emotie.

De boerderijen waar we binnenkwamen, waren geheimzinnige burchten voor ons. Hoe ging het er toe? We hadden geen idee. Het rook er vreemd, onbekend. Het klonk er hol. Een rij klompen in de bijkeuken. Vaag hoorden we het geloei van de koeien, hun geschuifel. Een weeïge geur van melk. De boer, maar tegelijk vader, steevast met pet. De boerin, de moeder, aardig, maar kordaat.

Wij droegen onze nette rokken. Schoenen met gladde zolen, een hakje. Nylons, waar je heel voorzichtig mee moest zijn. We hadden gespaard voor ‘parfum’, waarvan we een druppeltje achter het oor hadden gedaan. De jongens droegen broeken met een vouw en tweed colberts. Je voelde de stugge stof, wanneer je je hand op hun schouder legde tijdens het dansen. Hun kleding was doordrongen van de geuren van de boerderij. Zaterdagavond. Het wekelijkse bad achter de rug; je ontwaarde een vage zeepgeur. Hun haar glom van de Brylcream en was strak naar achteren gekamd.
De vloer van de danszaal rook sterk naar boenwas. Als we binnenkwamen was het nog niet behaaglijk; de kachel was nog maar net aangemaakt.

Nu, vijftig jaar later, staat dit alles me weer helder voor de geest. Het gekke is alleen, dat ik dit toen niet zo heb ervaren als nu. We gingen naar dansles, eindelijk, daar ging het om. Maar het is wel degelijk geregistreerd. En het blijkt alweer, dat de geuren het belangrijkste zijn geweest. Geur borgt de herinnering, kennelijk.

Hóé de geest werkt, is me af en toe een raadsel. Maar dát hij werkt is een ding dat zeker is.

Painful Pleasure

Carpenters

Iedereen is inmiddels wel bekend met het begrip ‘guilty pleasure’, neem ik aan. Muziek die je in het geheim erg leuk vindt. Liedjes die je, als niemand het hoort, keihard meezingt. Maar áls je het al hebt op cd (waarschijnlijk niet) dan achter je ‘draaibare’ cd’s verstopt. Voor mij is Top Of The World van de Carpenters zo’n guilty pleasure. En nee, ik heb het niet op cd.

Er is nog een andere categorie, die ik de ‘painful pleasure’ noem. Dit is muziek, zo verbonden met een emotionele, vervelende, akelige, ontroerende, nare, beladen of droevige gebeurtenis, dat je die eigenlijk niet meer durft te draaien. Dat roept veel te veel pijnlijke herinneringen op.

Maar soms gaat het over. Michelle van de Beatles kan ik inmiddels met droge ogen aanhoren. Het is tenslotte alweer een half mensenleven geleden dat ik hopeloos verliefd was op de trainer van ons basketbalteam. Painful is dat natuurlijk al lang niet meer. ’t Is gewoon weer heerlijke muziek. En ik glimlach een beetje om die tiener van toen.

Morgenstimmung, uit de Peer Gynt Suite van Grieg, heb ik kortgeleden pas weer gedraaid. Ik vond het altijd een prachtig stuk. We kozen het destijds voor mijn moeders crematie, maar het raakte daardoor wel enigszins beladen.
Na de dood van de liefste poes die we ooit hadden, luisterde ik eindeloos naar de Cantique de Jean Racine, van Fauré. Dat kan nu ook weer.

Dan is er nog de muziek die paste bij de moeizame knipperlichtrelatie met E. De muziek die ik opzette als ik onderweg was naar R. Muziek van de film The Bridges of Madison County, die ik zag na een bijzondere ontmoeting. Muziek die we vroeger ‘toen alles nog mooi en goed was’ in de auto draaiden.

Painful pleasure; het doet nog een beetje pijn, maar de muziek blijft heerlijk om naar te luisteren. Met het juiste gehalte aan heimwee naar toen.


Johnny Hartman zingt ‘Easy Living’ uit de film: The Bridges Of Madison County

De foto van de hoes van The Carpenters komt van het internet

Leve de EEG!

Haagse tramHet asfalt glimt in het licht van de lantaarns. De ruitenwissers zwiepen heen en weer. Het licht springt op rood, een tram passeert. Terwijl ik me heel erg bewust ben van het heden – ik kom net van de crematie van een aardige oom, een van de laatste van de familie – voel ik toch hoe ik word teruggezogen naar de vijftiger jaren.

Het is net zo’n avond als nu: donker en koud, regen en wind. Ik ben elf jaar. Samen met een klasgenoot zit ik in de tram, op weg naar huis. We zitten achterin en weten niet goed waar we het over moeten hebben. In de klas, de zesde, spreken we elkaar eigenlijk nooit. Jongens en meisjes bevolken twee aparte werelden. Maar vanavond zijn we samen op pad.

Twee uur lang hebben we in een vreemd schoolgebouw aan een tafeltje zitten schrijven.
Het is 1958. De EEG is een feit. Uit alle zesde klassen van de Haagse scholen zijn twee leerlingen afgevaardigd om mee te doen aan een opstelwedstrijd, met als onderwerp: De Europese Economische Gemeenschap. Daar zit ik met een groot vel papier voor mijn neus. Mijn groengemarmerde vulpen – tot de nok toe gevuld – in mijn klamme hand. Wat moet ik schrijven? Ik heb er wel iets over gehoord, maar veel te weinig voor een goed betoog. Fantasie dan maar? Ik heb geen idee wat ik hier zit te doen. Om mij heen hoor ik gezucht. Het krassen van pennen. Neuzen worden opgehaald. Arend zit driftig te schrijven, zie ik. Ik doe mijn best.

Of het een goed opstel is geworden, weet ik niet meer. Wel voel ik een lichte opwinding, wanneer ik naast Arend in de tram zit.
De dag daarna valt er een briefje op mijn tafel: Wil je met me lopen? Leve de EEG!

———————————————————————————————————————

Dit is een bericht in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. (Zie http://platoonline.wordpress.com/, hier kun je ook andere leuke, spannende, ontroerende verhalen lezen) In de tekst van 300 woorden mag een bepaald woord niet voorkomen, terwijl het duidelijk moet zijn dat het daar wel om draait. In dit geval was het verboden woord: verhalen

Zie in dit kader ook: De advertentie

De foto komt van internet.