Living on the edge

4

Als eerste klant van die ochtend mag ik bij de wasbak plaatsnemen nadat ik bevestigend heb geantwoord op de vraag: “Moet het gewassen worden?” Het eerste minpuntje; wie bepaalt de knipstrategie? De klant of de professional? En de toon boezemt me ook niet direct vertrouwen in. De moed zinkt me eerlijk gezegd in de schoenen. Wat doe ik hier eigenlijk. In deze donkere, kleine ruimte. Waar twee voluptueuze dames verlekkerd hun schaar uit hun toilettas tevoorschijn halen en er eens goed voor gaan zitten.

Ik ben op zoek naar een nieuwe kapster. Eentje die net zo goed knipt als de vorige, die helaas is verhuisd. Mijn vader riep altijd bewonderend: “Wat zit je haar mooi!”, wanneer ik na een knipsessie bij hem op bezoek ging. Het is dus maar goed dat hij dit niet meer hoeft mee te maken, denk ik, zelfs nog voordat er ook maar een schaar in mijn haar is gezet. Ik mis “mijn” Melissa nu al!

Ik leg mijn nek op de koele witte rand van de wasbak. Het jonge meisje, dat de week ervoor mijn afspraak heeft genoteerd, komt slungelig, kauwgom kauwend, van achter de toonbank naar voren en gooit nog snel een blauwige, verkeerd gewassen handdoek over mijn schouders. Het enthousiasme straalt er niet direct vanaf. Ik begrijp dat de ondankbare taak van telefoon aannemen, afspraken noteren, vegen en wassen op haar smalle schouders rust. Over mijn hoofd heen doet zij met schelle stem een vergeefse poging mee te praten met de twee dames die hun spullen gereedmaken voor een lange dag knippen, föhnen, permanenten, en kleuren. Als het water de juiste temperatuur heeft, maakt zij mijn haar min of meer nat, drukt er daarna een dot shampoo in en wrijft die lusteloos een beetje uit.

De kapsters reageren niet op haar. Net terug van vakantie hebben ze het veel te druk met hun eigen verhaal. Het verblijf in Griekenland is vooral geslaagd vanwege de geweldige diners en het uitzicht vanuit de hotelkamer op het zwembad, begrijp ik. En de ander heeft in Kroatië op de camping ook een fantastische tijd gehad. Terwijl ze de shampoo uitspoelt doet het meisje nog een poging tot gesprek, maar haar opmerkingen blijven in de lucht hangen. Het tragische lot van de stagiaire.

Inmiddels ben ik overgeleverd aan de kapster in het rode gewaad. Ze droogt mijn haar nog een beetje na en terwijl ze de kapmantel vastmaakt, vraagt ze hoe ik het wil hebben. Gewoon de boblijn, net als altijd. Maar ja, dat weet zij natuurlijk niet. Ik prijs de hemel dat ik zo slim ben geweest mijn vorige kapster te vragen een foto te maken. Ik vis mijn telefoon uit mijn tasje dat op de grond tussen de haren van gisteren staat. Niet goed geveegd. Waarom verbaast me dat nou niet? Op het fotootje zie ik vooral het zo vertrouwde interieur. Cindy heeft alleen oog voor de haarlengte. Ze laat wat technische termen vallen; ze heeft er alle vertrouwen in.

De kaptafel ligt vol stof, kruimels en haartjes. Op zwart zie je alles. Ik wil er niet naar kijken. Het komt dus goed uit dat ze mijn hoofd voorover drukt: eerst de nekpartij. Wanneer ik omhoog kom, zie ik in de spiegel dat de scheiding verkeerd zit. Ja, ze weet het wel en het komt zo meteen helemaal goed. Ze kamt alles opnieuw, trekt de scheiding en knipt vrolijk verder.

Ik zucht onhoorbaar en geef me over aan de nieuwe situatie. Het is nu eenmaal niet anders. Kom op, living on the edge. Dat was het motto toch? De kapster schudt de bus met foam en spuit een rijke hoeveelheid in haar hand. Ze verdeelt het netjes over mijn haar. Ik houd niet van föhnborstels met de haren van vorige klanten er nog in, maar ik zeg er niets van als zij er een uit het laatje vist. Dan houdt ze eindelijk de grote ronde spiegel achter mij op. Ik moet toegeven, het is haar gelukt.

Ik reken af bij de stagiaire met het prachtige lange donkere haar. Er kan een klein glimlachje af. “Waar begin je aan”, denk ik.

Opgelucht ga ik naar huis. Ik loop rechtstreeks door naar de badkamer. Boven de wasbak spoel ik het sterk geurende schuim weer uit mijn haar.

Living on the edge? Oké, onder één voorwaarde: als mijn haar maar goed zit.

Beautiful white shoes

WITTE HERENSCHOEN PARIJS SPITSE LEEST

De wekker gaat. Ik geef er een klap op en scheur me los uit een vage droom, waar ik me direct al niets meer van kan herinneren. Terwijl ik me nog een keer omdraai, denk ik aan de ontmoeting van vanmiddag. Vandaag zullen we elkaar weer zien. Eindelijk. Na een periode van, ik reken snel, een half jaar zo ongeveer.

Mijn gedachten gaan naar de laatste keer. “Ik hoop je voorlopig niet meer te zien”, zei hij resoluut. Nog dagen dreunden die woorden door mijn hoofd. Zo gek was het niet, natuurlijk. Ik voelde het ook wel aankomen. Wat hadden we elkaar nou te vertellen? Heel vaak zat ik met een mond vol tanden als ik bij hem was en dan voerde hij het hoogste woord. Ik had al lang mijn conclusies moeten trekken, maar tegen beter weten in bleef ik hem trouw. Daarbij had hij me ook helemaal niet zo fijntjes behandeld, die laatste keer. Ik begreep het wel, hij kon niet anders. Maar toch.

En nu zomaar weer een mailtje. Hij wilde graag opnieuw afspreken. Of er niets gebeurd was. Kortaf, koel en zakelijk. Ik vond het tactloos. C’est le ton qui fait la musique. Maar ik ging overstag, gek genoeg. Ik moest hem zien en ik schoof wat in mijn agenda. Dinsdagmiddag. Wat kwam de afspraak met de kapper, ’s morgens, goed uit.

De dag kroop voorbij. Ik stortte me op simpele huishoudelijke klusjes: stofzuigen, strijken. Verstand op nul. Tegen half drie begon ik pas echt onrustig te worden. Zit mijn haar goed? Tanden poetsen! Geurtje op. Lippenstift? Nee, beter van niet, daar had hij een hekel aan. Door al dat gedoe ging ik bijna nog te laat van huis.

Ik ben ruim op tijd! Gelukkig. De tuinman is bezig met het weg harken van gevallen blad rond het riante pand. De voordeur staat op een kier. Het bekende luchtje. In de garderobe op de begane grond hang ik mijn jas op. Ik hoor mijn naam. Zo rustig mogelijk loop ik de trap op. De kamerdeur staat open. Hij is er: meteen vallen mij zijn schoenen op. Ik heb iets met schoenen. Spitse neus. Wit, soepel leer. O, ja hoor, ik val weer compleet voor deze man.
Hij kijkt me glimlachend aan. Hij vraagt hoe het met me gaat. “Ga zitten”, zegt hij vriendelijk. “Dank je”, stamel ik.

Terwijl hij met een van die prachtige witte schoenen het pedaal intrapt waardoor de stoel langzaam omhoog komt, pakt hij zijn spiegeltje en zijn haakje en zegt: ”Doe je mond maar open. We zullen eens kijken. Nog ergens last van gehad het afgelopen half jaar?”

——————————————————————————————————————-

De foto van de witte schoen komt van het internet.

In the Looking Glass

droogkapNadat de laatste klant was vertrokken, veegde hij de plukken haar bij elkaar, ordende de flesjes versteviger en de bussen haarlak en spoelde de wasbak schoon. Het was een drukke dag geweest. Vrijdag. Dan kwamen de dametjes uit het dorp hun haar laten doen. Zondag in de kerk zag je dan allemaal dezelfde grijze permanentjes onder de hoedjes uitpiepen. Ach, hij deed het met liefde. En zijn vrouw nam een groot deel voor haar rekening. Maar op sommige dagen, zoals vandaag, moest hij moeite doen om een goed gesprek op gang te houden. Kappers staan bekend om hun spraakzaamheid, maar Gerard was een dromer en niet altijd in staat tot een koetjes-en-kalfjesgesprek.

Hij plofte in een stoel en staarde in de spiegel. Was hij dat? Een middelbare man, grijzend aan de slapen? Kapper in een dorp waar nooit iets gebeurde. Keurig getrouwd en twee kinderen. Door de week de zaak en in het weekend het gezin en de familie. Terwijl…. Hij schudde zijn hoofd. Niet aan denken nu. Hij was kunstzinnig aangelegd. Bruidskapsels waren zijn specialiteit. De vrouwen die door hem gekapt waren, konden voor de dag komen in het gemeentehuis en de kerk.

Weer dwaalden zijn gedachten af. Naar die klant van vorige week. Dat prachtige, blonde, halflange haar. Wassen en knippen, hij was zorgvuldig te werk gegaan. Het gesprek vlotte buitengewoon; over kunst, musea, Amsterdam, uitgaan…. Telkens ontmoetten hun ogen elkaar in de spiegel. Mooie ogen, zag Gerard. Een lieve glimlach.
“Mag ik je bellen?”, vroeg hij bij het afrekenen. “Woon je hier?” “In Amsterdam”, was het antwoord. “Bel maar liever niet, dat vind mijn vriend niet leuk”. Voor het laatst ontmoetten hun ogen elkaar. De jongen draaide zich resoluut om en liep naar de deur.
“O Tessa”, riep Gerard vertwijfeld uit, “hoe moet dat nu met ons?”

WE-300 is een schrijf-’uitdaging’ van Plato (http://platoonline.wordpress.com).
Schrijf een verhaal van 300 woorden waarin een door Plato bedacht woord niet mag voorkomen, maar het moet wel duidelijk zijn dat het verhaal erom draait. In dit geval was het verboden woord: schakelen.