De pannen op het dak

Of het nu door de locatie kwam of door het tijdstip is me niet helemaal duidelijk, maar de reünie van de nichten en neven, de kleinkinderen van onze opa en oma, was een groter succes dan ooit. En niet te vergeten, onze enige (in twee opzichten!) tante was in optima forma van de partij.

Elke keer is het bijzonder en leuk om elkaar weer te ontmoeten; je voelt duidelijk de band van het bloed, voelt je met elkaar verbonden. Zelfs al heb je elkaar (bijna) nooit gezien en spreek je elkaar maar even. Het jongetje of meisje van heel lang geleden zie je soms amper terug in de man of vrouw van nu. Maar toch. We zijn familie. We weten het en voelen het.
En ondanks de trieste berichten (er liggen vijf kaarten klaar voor zieke neven en nichten) heerst er een gezellige, warme, vrolijke sfeer.

Ik kijk naar al die verschillende gezichten en probeer een gelijkenis te ontdekken. De familietrekken zijn onmiskenbaar. Maar ieder heeft zijn eigen persoonlijkheid, uiteraard. En het verbaast me, meer nog dan de voorgaande keren, hoe al die verschillen een eenheid creëren. Wij horen bij elkaar. En we mogen er trots op zijn dat wij dit elke keer weer met elkaar vieren door middel van een reünie.

Het is zo’n wonderlijk gegeven: twee jonge mensen hebben zoveel vertrouwen in elkaar en in het leven dat zij een gezin stichten. Hun elf kinderen doen hetzelfde. Wij, nakomelingen – wat een mooi woord is dit toch – proberen een glimp op te vangen van die vroegere tijd, doen ons best om nog iets te weten te komen van hun levens. Juist bij het ouder worden gaat het verleden steeds meer leven, merken wij. We zien de spaarzame foto’s uit die tijd. We interpreteren ons suf. En we genieten met volle teugen. Langzaam maar zeker ontstaat een steeds beter beeld van hoe het was. Of beter, hoe het moet zijn geweest. Ooit…

Het grootste gezin – gesticht door de oudste dochter – is het ruimst vertegenwoordigd op de reünie. Het telde, naast twee meisjes, elf jongens. Ik probeer me voor te stellen hoe dat was en krijg een voorbeeld tijdens de lunch op een presenteerblaadje aangereikt. M.B. vertelt, met glimmende ogen en een vette grijns naar een van zijn broers, dat het er soms ruig aan toe kon gaan bij hen thuis. Alle jongens zouden bij hun linker elleboog littekens hebben, vier kleine stipjes. Een overblijfsel van de wonden die zij elkaar tijdens de maaltijd (onder het bidden “als de gehaktballen er nog lagen” of danken) aanbrachten met de tanden van hun vork. Het waren allemaal ‘echte jongens’, dus werd er gebakkeleid, gestoeid en gevochten. Dat mocht ook. Daarvan word je groot. Je kunt je in de wereld beter staande houden wanneer je je krachten in een beschermde omgeving hebt kunnen meten. “Maar”, zegt M, “moeder zei altijd: ‘Je mag best ruzie maken, maar voor je naar bed gaat, liggen alle pannen weer op het dak’. En dat is een wijze les die je je hele leven met je mee draagt.”

Ik heb veel bewondering voor die moeder, mijn tante, die een groot gezin draaiende wist te houden in een tijd dat alles in het huishouden nog met de hand moest worden gedaan.
Maar vooral bewonder ik haar omdat ze het daarnaast klaarspeelde om bewust oog te hebben voor haar kinderen en ze hen belangrijke levenslessen wist mee te geven.

Dat is liefde. Dat is pas rijkdom.

——————————————————————————————————————-

Lees ook: Wie is wie, https://wp.me/p36K0e-1z
Nichtjes forever, https://wp.me/p36K0e-Lg

Advertenties

For whom the bell tolls

20160310_125446

Ze woonde al dertig jaar alleen toen ik haar leerde kennen, de oma van mijn vriend en latere man. Een struise weduwe. Haar man overleed toen zij vijfendertig jaar was, in 1935. Ze bleef alleen achter met twee dochters. Het kapitale boerenbedrijf werd goed verkocht. Ze kon gaan rentenieren. En dat deed ze. Ik heb haar, zolang ik haar kende, nooit iets zien doen. Voor de huishouding had zij een dienstbode. Ze braadde vlees en kookte aardappels, de groente kwam uit een ‘bussie’. Koffie zette ze nooit meer, toen de Nescafé was uitgevonden; ‘een koppie Nes’ werd een gevleugelde uitdrukking.
Wat ze wel deed was handwerken. Breien, haken, naaien, borduren. Altijd had ze wel iets onder handen. Was het niet voor de kleinkinderen dan wel voor de jaarlijkse bazaar van de kerk.

Het geloof was haar steun en toeverlaat. En dat was een zegen voor haar toen haar oudste dochter door een verkeersongeval om het leven kwam. Dat haar kleindochter daarbij gehandicapt raakte, heeft ze alleen weten te aanvaarden dankzij haar geloof. Doordat zij hieraan zoveel houvast had, gunde ze dat iedereen. Dit leidde wel eens tot ongemakkelijke situaties, wanneer ze anderen probeerde het geloof op te dringen. Gelukkig legde ze zich wel, zij het zuchtend, bij de voldongen feiten neer. Maar ze zou het niet laten om voor de verloren zielen te bidden. Elke zondagochtend stak zij zich in haar goeie goed, werd de hoed vastgezet met een speld met parel, controleerde zij haar handtas op gezangboek, pepermunt, Eau de Cologne, zakdoek en portemonnee.

Toch zat ze niet alleen maar vroom te wezen in de kerk. Ze verleende hulp aan mensen die het nodig hadden. Van haar grote huis in het park stelde ze twee etages tegen lage huur beschikbaar. Ze leende geld uit tegen lage rente. Ze was gul en vriendelijk, haar huis was een zoete inval.

Toen ze naar het bejaardenhuis ging, werden haar spullen verdeeld over de familie. Zo kwam het, dat de oude Friese staartklok bij ons kwam te hangen. Nog twee jaar heeft hij gelopen en hield er toen mee op. We lieten het maar zo.

Op een ochtend, eind december, terwijl we aan het ontbijt zaten, ratelde het uurwerk. De klok sloeg één keer. We schrokken op, maar wisten direct wat er aan de hand was.

Oma had het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Ze was thuis gekomen. Even later ging de telefoon.

——————————————————————————————————————

De titel is geleend van het schitterende boek van Ernest Hemingway.