Sterven in juni

Waarom zou je sterven in juni? Na de voorzichtige start in mei is de natuur nu echt op dreef. De zon heeft zijn grootste kracht; de dagen zijn zo lang als het maar kan. Een zoele wind voert de zoete geuren van de zomer mee. Het leven is vol beloften.

Maar er sterven mensen in juni. Mijn vader stierf in juni. Met een gelukzalige, tevreden glimlach op het bleke gelaat. Klaar met het leven, dat er niet makkelijker op werd. Goed geleefd; zo goed mogelijk. Naar eer en geweten. Alle talenten benut. Een huwelijk met ups en downs, maar liefdevol. Drie kinderen met toewijding groot gebracht. Vijf kleinkinderen liefde en aandacht gegeven. Drie achterkleinkinderen vertederd op schoot genomen.

Een leven met mensen. Met God. Met boeken. Filosofisch, sociaal, intelligent, betrokken. Verwondering. Bewondering voor alles wat leeft. De natuur als leidraad. Het boerenleven als ideaal. Maar alles met een knipoog; humor is een groot goed.

Mijn vader stierf in juni. De maand van volop leven. De maand van groei en bloei. De oogst al zichtbaar.
In de moestuin laat ik mijn gedachten de vrije loop. De schrepel die hij in zijn tuin gebruikte in de hand, het onkruid te lijf. Ik leg bonen, aard de aardappels aan. Zaai wortels naast uien. De vragen die ik hem nog had willen stellen worden woordeloos uitgesproken. Doe ik het zo goed? Antwoord komt altijd. Het stemt me dankbaar.

Het is niet makkelijk
Te sterven in juni
Terwijl
Het leven uit zijn voegen barst
Maar je weet
Dat het klaar is
Je schikt je in het
Onvermijdelijke
Je geeft je over
Je laat je gaan

En wij verstild
Nu definitief
Op eigen benen
Goed toegerust
Maar toch
De eerste stappen
Onwennig en onvast

Not April is the cruelest month
But June

En vader, weet je nog
Van toen
Die dag dat je mij
Mijn ware naam onthulde
Op een stukje papier
Gescheurd van de krant
In jouw vertrouwde
Verzorgde handschrift
Een document

Nooit zo genoemd
En toch
Een beetje opnieuw geboren

DSC07855

In memoriam Johannes
10 juli 192121 juni 2010

Advertenties

Een foto met een verhaal (1)

DSC06603

Op het zwart-witfotootje met de witte kartelrand uit de vijftiger jaren, zijn drie mensen te zien. Op de rotan bank zitten mijn oma, mijn moeder en ik. Mijn oma draagt een bloemetjesjurk met lange mouwen. Mijn moeders jurk heeft een, voor die tijd, moderne print, die van mij is gestreept. Allebei met korte mouwen. Mijn moeder draagt schoenen met hoge hakken. Oma heeft een knotje, mijn moeder gepermanent haar en mijn haar is kort en zo steil als het maar kan.

Op de stoel zit iemand met de krant op schoot, Het Parool. Dat is mijn vader – omdat hij degene is die de krant leest – maar te zien is hij niet, alleen een arm.
Omdat het overduidelijk zomer is, moet het de verjaardag van mijn moeder zijn, begin augustus. Haar ouders zijn op bezoek.
Op het ronde tafeltje ligt een smaakvol kleedje en daarop staat een rechthoekig wit bakje met twee decoratieve plantjes. Tussen de bank en de stoel waarop mijn vader zit, staat een krukje met een groene plant. Aan de muur een hangplant. De groene vingers van mijn moeder drukken een stempel op de inrichting.

Wij beiden kijken naar oma. We lachen. Wat zou ze hebben gezegd? Dat ze onze jurken leuk vindt? Dat ze het knap vind van mijn moeder dat ze die zelf heeft gemaakt? Dat ze er trots op is een dochter te hebben die van een klein inkomen een heel huishouden runt? Dat ze vindt dat mijn moeder smaak heeft en haar huis origineel weet in te richten? Mijn moeder had het graag willen horen, dat weet ik zeker. Maar ook weet ik zeker dat het nooit ter sprake is geweest. Oma zal het uiteraard hebben gezien, maar daarover zei je niets, dat hoorde niet. Daar zou je dochter maar ‘hovaardig’ van worden.

Zo werkt een foto van meer dan vijftig jaar geleden door in het nu. Zeg ik wel eens tegen mijn dochters dat ik ze waardeer? Weten ze wel dat ik vind dat ze hun kinderen goed en leuk opvoeden? Hebben ze wel van mij gehoord dat ze een goede smaak hebben? En vooral: zeg ik wel dat ik van ze houd?
Dat laatste bij deze: Lieve meiden, ik houd van jullie!

Kinderspel

Wanneer de uitdrukking: ‘Dat is (maar) kinderspel’ gebruikt wordt, bedoelt men meestal dat iets heel simpel is.

Vroeger, toen ik mijn dochters zag en hoorde spelen, had ik daar al andere ideeën over. En nu maak ik dit met mijn kleinzoons (zes en zeven) weer mee en ik weet heel zeker: kinderspel is geen kinderspel!
In de eerste plaats vindt er een zeer ingewikkelde vermenging plaats van heden, verleden en toekomst. Let maar op het taalgebruik: “En toen was deze ridder ‘gedodigd’ en toen moest die van jou vluchten, maar hij was niet echt bang.” Hun spel vindt plaats in het heden, maar wat er gedaan moet worden, of wat er gaat gebeuren, de toekomst dus, wordt in de verleden tijd gezegd. Dat is reuze ingewikkeld, maar het rolt er zo uit, zij hebben daar geen enkele moeite mee. Verder ontstaat het spel vaak uit niets. Een doos kan een boerderij zijn, een kistje is een vijver. Een wc-rol doet dienst als pistool. Ze spélen niet met de auto’s, ze zijn ze: welke wil jij zijn? Vaak zijn ze er dan ook nog twee tegelijk. Auto’s rijden niet per se over de grond. Al het meubilair wordt benut: ze rijden over de voor hun bereikbare planken van de boekenkast, over de stoelen, de bank, de schoorsteenmantel, de tafel. In hun hoofd ontstaat een heel parcours, wat ze beiden exact op dezelfde manier gebruiken, zonder dat daar vaste afspraken over zijn gemaakt.
Het spel speelt zich altijd af tussen slechteriken en ‘goeieriken’. De laatsten winnen natuurlijk, maar dat gaat niet zonder slag of stoot: pfieuw, pfjoe, tsssj, enz. De kleine meid is inmiddels vier en mag nu ook ‘iets zijn’. Ze heeft goed naar de jongens gekeken en geluisterd: ze voegt zich moeiteloos in het spel. Voor haar hoeft het niet zo nodig over dood en leven te gaan. Of over rechtvaardigheid. Een vader, een moeder en een baby’tje liggen meer in haar lijn. Het wordt getolereerd.
Alles en iedereen kan naast elkaar bestaan: dino’s naast auto’s en ridders. Allerlei dieren bevolken dit wereldje en ze kunnen uiteraard praten (..en toen zei hij…..). Ze verstaan elkaar allemaal en ze kunnen zeer verstandige dingen zeggen. Het spel heeft geen aanloopje nodig; het begint gewoon en ze zitten er gelijk midden in.

Kinderspel. Het is maar net hoe je het bekijkt. Konden volwassenen nog maar zo flexibel en speels in het leven staan. Wij spelen dat alles echt is. En dat is geen kinderspel.

DSC06034

Een kleine ode aan Godfried Bomans

Zaterdag 2 maart was het de honderdste geboortedag van Godfried Bomans, een van mijn favoriete schrijvers.

Wat in je jeugd wordt aangereikt, gaat een heel leven mee. Op de HBS werd er door de lerares geschiedenis voorgelezen uit de sprookjes van Bomans. Later maakte ik kennis met Erik en Pa Pinkelman. Met ‘Pim, Frits en Ida’, een serie leesboekjes voor kinderen van de basisschool, toen ik zelf voor de klas stond. Ook ik vond het heerlijk om voor te lezen uit zijn werk. En stiekem hoop ik dat die verhalen (bijvoorbeeld over ‘Het luie jongetje’, dat niet naar school wil en toch wijs wil worden, of ‘De waarheid omtrent Sinterklaas’) een indruk hebben achter gelaten. Dat het werk van deze grote schrijver blijft doorleven.

Hij had het vast fijn gevonden om oud te worden. Hij schreef graag over oude mannen en vrouwen. Hij deed dat met een subtiel gevoel voor humor. In ‘Het luie jongetje’ bijvoorbeeld gaat het over vier generaties tovenaars, cq heksen, allemaal nog in leven. Met hun eigen wijsheid en een zekere strengheid. De humor in de kinderverhalen is meer bedoeld voor volwassenen; je kunt ze niet (voor)lezen zonder glimlach.

In zijn werk staat geen woord teveel. Een van zijn beroemde uitspraken was dan ook: “Schrijven is schrappen”. Dat komt goed overeen met zijn opmerking, die ik zaterdag aantrof op de tuinscheurkalender:
Eenvoud is niet het kenmerk van de beginner. Het is de duur bevochten stempel van de meester.
Hij was een meester. En voor mij blijft hij dat.

07782da0-5ff6-11e2-9559-b949519d466c_original

Wie is wie?

Vijf nichies bereiden een reünie voor van de familie die afstamt van Gerrit van Ommering en Johanna van Dorp, hun opa en oma.

Er valt over deze vijf leuke, actieve vrouwen een heleboel te vertellen. Maar laten we, om te beginnen, een vergelijkend “warenonderzoek” doen.

 -De volgende gegevens zouden trouwens ook goed gebruikt kunnen worden als aanwijzingen voor een logische puzzel-

Vier nichten zijn de dochter van een zoon, één de dochter van een dochter.
Twee van hen komen uit een gezin met drie kinderen, twee uit een gezin met twee kinderen en één is enig kind.
Twee zijn in de vijftig, drie zijn in de zestig.
Drie zijn met pensioen, twee zijn nog volop aan het werk.
Twee hebben twee dochters, één heeft twee zoons, één heeft een zoon en een dochter, één heeft twee dochters en een zoon.
Drie van hen hebben kleinkinderen; één drie kleinzoons, één drie kleindochters, één twee kleinzoons en een kleindochter.
Van twee van hen is de oudere zus overleden.
Twee zijn weduwe, twee zijn gescheiden, één is getrouwd.
Van drie van hen zijn beide ouders overleden, van één de vader, van één de moeder.
Drie van hen hebben een broer die Gerrit heet.
Van drie van hen is de doopnaam Johanna.DSC03638-003

Zie ook andere berichten geplaatst in categorie familie, bijvoorbeeld:
Het laatste woord, http://wp.me/p36K0e-1V
Zomers van toen, http://wp.me/p36K0e-8m
Foto met opdracht, http://wp.me/p36K0e-cG

Een oude vriendin

In de jaren vijftig woonden wij in Den Haag. In een van de naoorlogse nieuwbouwwijken. Deze wijken trokken uiteraard veel jonge gezinnen. Zo leerden wij veel kinderen kennen en mijn ouders veel gelijkgestemde volwassenen. De oorlog was voorbij. Er moest gewerkt worden; iedereen begon met goede moed aan een nieuw bestaan. Er was weer toekomst.

Wij speelden veel buiten. Er was genoeg ruimte, er was weinig verkeer en als de werklui naar huis waren, kon je heerlijk in de bouw rondscharrelen. Er waren “landjes”, waar het flink drassig kon zijn, zodat je laarzen overliepen. Er groeiden al snel wilgen, waar je in kon klimmen. We bouwden hutten, zochten rupsen en waterslakken.

images

De volwassenen wisten niet wat we uitspookten, al zullen ze wel een vermoeden hebben gehad, wanneer we moe en onder de modder thuiskwamen. Het was natuurlijk erg onschuldig allemaal, maar wij hadden het idee dat we de wereld ontdekten. Dat we grote geheimen hadden. Dat alles voor de eerste keer gebeurde, wat in zekere zin ook zo was.

Ik ben wel eens benieuwd hoe het iedereen is vergaan, die vriendjes en vriendinnetjes van weleer. We stonden aan het begin van ons leven en zijn uiteindelijk alle kanten opgegaan.

Wij op onze beurt wisten nauwelijks waar de volwassenen zich mee bezig hielden. Ook zij ontdekten de wereld, hun nieuwe wereld. Mijn ouders kwamen uit een dorp en ze moesten acclimatiseren in de grote stad. Het ging ze goed af. Al snel bouwden zij een vriendenkring op. Dat ze lid waren van de kerk was daarbij een prettige bijkomstigheid. Zij bespraken zaken met elkaar waar wij geen weet van hadden. Zo gaat het en dat is ook goed.

Maar nu ben ik benieuwd naar hoe het leven van onze ouders in die tijd was. Waar hielden ze zich mee bezig? Waar spraken zij over? Wat was belangrijk voor hen? Wat was essentieel? Wat verschafte hen vreugde, wat veroorzaakte verdriet? Welke plannen hadden ze?

We verhuisden een aantal keer, maar de goede vriendschappen van mijn ouders bleven intact.
Toen mijn moeder overleed kwam een van de vroegere vriendinnen naar de crematie. Wij spraken elkaar kort, maar het was een warm gesprek. Ze woonde nog steeds in Den Haag. Niet ver van de plaats waar wij in de jaren vijftig woonden. Een goed verzorgde dame van tegen de tachtig. Weduwe inmiddels.

Nadat mijn vader was overleden kwam zij weer, zoals het goede vrienden betaamt. We spraken af, dat we contact met elkaar zouden opnemen. Dat deden we echt. We bellen elkaar nu zelfs regelmatig. Sturen elkaar kunstkaarten. Raden elkaar boeken aan. En we ontmoeten elkaar. Het mooie is, dat we na een museumbezoek of een concert aan de praat raken over die Haagse tijd. Ik kom zaken aan de weet, die vaag waren, of waar ik alleen maar naar kon gissen, maar die voor de herinnering aan mijn ouders grote waarde hebben.

Door de bijzondere gesprekken met haar, gaan mijn ouders voor mij weer een beetje leven. En voor haar herleeft “die goede oude tijd”.