Voor wie genoeg heeft aan de stilte

DSC02220

Hier loop ik door het landschap van mijn jeugd
Het lange lintdorp tussen groene weiden
Loom uitgerekt onder een grijze stolp
Op deze stille late zondagmiddag

De druilerige regen is gestopt
Toch wil de grijze lucht niet breken
Maar wordt weerspiegeld in de smalle slootjes
Die dit boerenland kaarsrecht doorsnijden

Kastanjebomen voor de boerenhoeven
Druppen na en smijten met hun vruchten
Stekelige bolsters geven hun geheimen prijs
Gelig blad ligt in de goten te vergaan

Schapen grazen onverstoorbaar voort
Met diamanten druppels in hun vacht
Koeien zetten grote donkere ogen op
En snuiven door het hek met zachte natte neuzen

Woorden zijn al gauw te veel
Voor wie genoeg heeft aan de stilte
De schemer vlijt zich als een wollen deken
Over het polderlandschap van mijn jeugd

Advertenties

Katjeliem, koeienvla en een tandeloze boer

koeiensnuit

Het was zo’n dag die opstijgt uit de kou van de nacht en die zich langzaam ontvouwt tot een zomerse heerlijkheid met zon en een windje, geuren van vlierbloesem en hondsroos, een strakblauwe lucht, die om schapenwolkjes vraagt. Afgelopen woensdag genoot ik ervan.

Nadat de kapster had geconstateerd dat mijn haar wel heel hard was gegroeid en nu eindelijk echt grijzer begon te worden, toog ze aan het werk met wassen, knippen en föhnen. Onderwijl werd ik getrakteerd op de verhalen over haar bijna tweejarige zoontje en de vakantieplannen. Met een fris en vol hoofd vertrok ik voor de volgende missie.

de Liefde

Een half uurtje fietsen naar een rustiek gedeelte van Zaandam -om een boek op te halen dat mijn oudste kleinzoon via Marktplaats had besteld- was voldoende om de overbodige informatie van die ochtend weer kwijt te raken.
Nu naar huis? Geen denken aan. Langs de zonovergoten dijk rijd ik naar Westzaan.

Vermaning

Het dorp strekt zich aan weerskanten van de weg als een lang lint uit. Prachtige oude boerderijen, kleine bedrijfjes, grappige huizen, een school. De Doopsgezinde Vermaning, die mooie oude kerk, schemert tussen de linden door. Af en toe een doorkijkje met zicht op de weilanden en slootjes. Idyllisch landschap.

doorkijkje

Altijd wanneer ik daar fiets, zie ik het leven voor me zoals het in het begin van de twintigste eeuw moet zijn geweest. Ik stel me mijn opa voor met zijn timmerbedrijf. En oma die de hoge ramen met een ragebol te lijf gaat. Maar wanneer er een vrachtwagen langs dendert, wordt die droom ruw verstoord.

"oma's huis"

Vandaag zie ik voor het eerst de foeilelijke huizen van het nieuwbouwwijkje, dat als een puist aan het dorp is vast gebouwd, qua kleur en stijl totaal niet in het geheel passend. Waarom is hier toestemming voor gegeven? Heeft er iemand bij de gemeente zitten slapen?

Zaanse huisjes

Op plaatsen waar je het niet zou verwachten worden er stapels Zaanse huisjes neergezet en op plaatsen waar je dát juist zou verwachten, wordt er maar wat aangeknoeid. Ik fiets er snel langs, maar dat neemt niet weg, dat de met lichtgrijze plastic “planken” beklede huizen op mijn netvlies zijn opgeslagen. Je zult hier maar tegenover wonen.

lelijk grijs

Snel verder. Een bordje langs de weg: Rustpunt. Ik ben er al bijna voorbij, als ik denk: RUSTpunt. Dus afstappen en een kopje koffie drinken.

rustpunt

Binnen doe ik mijn bestelling. Op het bankje buiten zit een echtpaar. Uit Groningen, blijkt al gauw, want het wordt gewoon aanschuiven. “Pas op hoor”, zegt de vrouw, “er zit katje-lijm op de bank. Eigenlijk zeggen wij: katje-liem. Hoe noemen ze dat hier?” Ik kijk. Hars noemen wij dat. Haar mans broek zit al onder, dus hij moet eraan geloven wanneer ze van de boerin een fles wasbenzine en een doekje krijgt aangereikt. In het winkeltje koop ik een stuk boerenkaas. Een groet en verder maar weer.

Idyllisch landschap? Als je goed kijkt is er van alles te zien wat er niet hoort. “De nieuwe tijd, net wat u zegt”. Je kunt er best omheen of langs kijken, maar het is wel de realiteit.

windmolens
gevangenis

Ik doe mijn beklag bij drie jonge koeien, pinken denk ik; ze zijn zo nieuwsgierig. Wel hebben ze van die vreselijke oorbellen, maar hoorns hebben ze ook. En dat doet me genoegen.

duo de drie koeien

We maken een praatje. Dat wil zeggen, ik praat en zij geven af en toe antwoord. Er wordt veel gesnoven, natte neuzen komen over het hek, er wordt gepiest en gepoept en vooral heel geïnteresseerd gekeken. En jaloers gereageerd op mijn belangstelling voor de ander. “Pas op, ze bijten!”, roept een tandeloze boer met een vette grijns. Ik grijns terug.

6 minuten gaans

Een mooie oude kreet op een bordje bij het Relkepad, dat naar de molen Het Prinsenhof voert: 6 minuten gaans. Wie zegt zoiets nou nog. Maar alleen zo kun je kort maar krachtig duidelijk maken, dat je zes minuten door het weiland moet banjeren, langs een slootje met kwakende kikkers, een maaiende boer en (weer) nieuwsgierige koeien om bij de molen uit te komen.

Het Prinsenhof

Bruidsparen maken wel van de mogelijkheid gebruik om daar hun feest te vieren. Wat vooral leuk is voor gasten op naaldhakken en voor hen die zijn vergeten een zaklamp mee te nemen voor de terugweg in het pikkedonker.

rietorchis

De rest van het tochtje trap ik stevig door. Ik stap alleen nog even af om een rietorchis te fotograferen. En die prachtig tere bloempjes van de smalle weegbree.

smalle weegbree

Dan ben ik weer thuis en eet een boterham met heerlijke Stolwijker kaas.

Stolwijker kaas

Kijken is (de) kunst

DSC00094

De mist maakt van de koeien de aanzet tot een tekening: een donker streepje rug en kop in het omfloerste groen. Vage aanduiding van struikgewas, een enkele boom. Hier en daar lichten de kassen van het Westland oranjegeel op. Wateringen, Kwintsheul, Poeldijk, Naaldwijk, poëtische namen. Al met al goed om in de stemming te komen voor een bezoek aan het Stedelijk Museum in Schiedam.

We laten de grijze wereld voor een paar uur achter ons wanneer we, tussen de reusachtige pilaren door, het neoclassicistische gebouw betreden en rechtstreeks de kapel van het voormalige Sint Jacobs Gasthuis binnenlopen. De preekstoel is prominent aanwezig achter de balie. De museumwinkel met de gebruikelijke gadgets is hier gesitueerd evenals het museumcafé met gezellige zitjes en een leestafel.

In de linkervleugel (waar ooit de oude mannelijke Schiedammers hun dagen konden slijten) moeten we zijn. Hier komen de woorden van de oude dichter Kloos tot leven: “Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten.” Hier is het domein van de drieëntachtigjarige kunstenaar herman de vries (zonder hoofdletters, een residu van de zestiger jaren, vermoed ik), die een beetje god is. Een bescheiden, vriendelijke god, zoals kinderen hem waarschijnlijk voorstellen: grijs haar en een grote grijze baard.

DSC00115

De gedachte schept het beeld. De gedachte brengt een ordening aan in de chaos. herman de vries heeft zijn gedachten en de natuur geordend tot kunstwerken. Onbedoeld bedoeld, onnatuurlijk natuurlijk. Een god die zijn eigen wereld schept. Een wereld waar alles klopt, omdat alles mogelijk is. Spelen met licht en donker. Gebruik maken van het enorme aanbod van de natuur. Alles is voorhanden. Je moet het alleen willen zien. Kijken is de kunst. Zien nog veel meer.

DSC00096

Het werk zet je in eerste instantie aan het denken: heeft hij die blokjes met opzet zo geplaatst, is de schaduwwerking zo bedoeld? Maar het denken maakt al heel snel plaats voor ervaren. Kijken, kijken, kijken. Opgaan in het beeld. Verrast, verbaasd, verrukt, verheugd. Gaandeweg ontdek je als vanzelf dat er veel aan het toeval wordt overgelaten. Hoe iets in de ruimte is geplaatst. Hoe iets op papier is terecht gekomen. Maar toch ook weer niet altijd; er zijn duidelijke aanwijzingen dat de hand van de meester zich heeft geroerd. Nadrukkelijk in een bepaald ritme gedwongen blaadjes, nauwkeurig uitgestalde sikkels, op de juiste afstand geplaatste schaaltjes met specerijen. De toevalstreffer is dan bijvoorbeeld de puntige uitloper van het blad en het extra lange steeltje. Of de dikte van de takken, de grootte van de doorns. Het verschil in grootte van het blad van de sikkel.

DSC00116

DSC00102

Indrukwekkend is een wand totaal gevuld met plastic mapjes met daarin plantjes op een velletje papier. Deze komen van een stukje grond van 16 dm2, 40 bij 40 centimeter. Fantastisch hoe hij dat heeft gerubriceerd -volgens een strak systeem- want elk plantje kun je op zijn eigen plaats weer terugvinden. Zo’n klein stukje grond, uitvergroot tot een hele wand. De vergankelijkheid de baas, hier is het goed geconserveerd.

DSC00108

Vergankelijkheid. Dat is het uitgangspunt van herman de vries. Dat is wat hij ons wil tonen. Waar hij ons van wil doordringen. De verandering die plaatsvindt in de natuur, door de natuur. Want een geplet blikje dat roest en scheurt door de inwerking van de elementen en de tijd, kan ook in een lijstje terechtkomen.

Vergankelijkheid is af te lezen uit een opstelling van schedels en botten van dieren. Of van vreemd gevormde takken en stronken. Hiervan kan de opstelling elke tentoonstelling weer anders zijn, net als de verandering die plaats vindt in de natuur. Toeval. Niets is blijvend.

DSC00114

Aarde in vele kleuren en verschillende soorten as smeert hij ritmisch uit over grote vellen papier en lijst het in. Honderden lijstjes zijn gevuld met takjes, blaadjes, steentjes, schelpen.

Op drie grote vellen papier zie je hoeveel bladeren zijn appelboom heeft losgelaten om respectievelijk een, twee en drie uur ’s middags. De bladeren zorgen zelf voor de compositie, het oog van de kunstenaar ontdekt hierin de schoonheid. Zijn intentie verheft het tot kunst en zijn handen voltooien het werk op ambachtelijke wijze. De toeschouwer, de kijker vervolmaakt het door zijn aandacht.

DSC00097

Heel bijzonder is de installatie: rosa damascena. Het topstuk van de tentoonstelling, een vloer vol rozen in knop. De aangename geur verspreidt zich door de gehele vleugel. En dat is de bedoeling; meerdere zintuigen worden aangesproken, ook de reuk wordt bij het ervaren van het kunstwerk ingeschakeld. Aardetinten rondom. Opgaan in het geheel. Heel stil worden. En beseffen hoe vergankelijk we zijn.

DSC00112

De weg terug in omgekeerde richting. De koeien zijn heel. Het gras is groen. Langs de kant van de weg ligt geel blad ongeordend uitgespreid in de bermen.

——————————————————————————————————————-

En natuurlijk wilden wij, als nuchtere Hollanders, ook weten hoeveel rozen….? Honderdacht pond. Door herman de vries eigenhandig uitgestrooid.

Zomers van toen

Vroeger duurde de zomer lang. Lang genoeg om alles te doen wat je je aan het begin van de vakantie had voorgenomen. Er waren geen regenachtige dagen. En gebeurde dat toevallig toch een keer, dan bouwden we een hut in de kamer, waar we ook in mochten eten. Eindeloos speelden we buiten. Op de ‘landjes’ stikte het toen nog van de rupsen. Geen zorgen om het uitsterven van de vlinder. Een veldboeket plukken was een heerlijke bezigheid. En zo dankbaar; mijn moeder was er altijd heel blij mee. Ze leerde ons de namen van de bloemen. Daar heb ik nu nog plezier van. Salamanders lieten zich gemakkelijk vangen. En even zo gemakkelijk verdwenen ze weer uit de zinken teilen waarin mijn broer hun terrarium had ingericht. We doorzochten de hele schuur: weg waren ze. Dagen zaten we aan het slootje om te vissen. Wat we vingen lieten we weer vrij. De geur van versgevangen vis; ik ruik het nog.

Met mijn nichtje C logeerde ik bij oma en opa van moeders kant. In hun achtertuin bloeiden de hele zomer dahlia’s in alle kleuren en maten. Daarin stikte het altijd van de oorwurmen. Op zaterdag mochten we opa helpen het grind aan te harken, zodat het er voor de zondag netjes bij lag. Aan de overkant van de weg was de boomgaard. Heerlijke peertjes groeiden daar. En wij konden goed klimmen; het hek was een makkie. Voor het oversteken hoefde je niet eens uit te kijken, er was zo weinig verkeer. We gingen daar ook graag naar het zwembad. Soms mochten we iets kopen, een stroopsoldaatje bijvoorbeeld. Met opa wandelden we over ‘Het Zwarte Pad’. Waarom dat zo heette was niet bekend, het was niet zwart. Hij vermaakte ons met grappige uitdrukkingen, woordgrapjes. En hij heeft ons, dat weet ik nu, op het spoor gezet van de filosofie. Als het al een keer slecht weer was, mochten we op oma’s handnaaimachine poppenkleren maken. Ze leerde ons de kneepjes van het vak.

Bij opa en oma van vaders kant kwamen we ook altijd in de zomer. Op oma’s verjaardag. Met de neefjes en nichtjes speelden we op de bleek. Aan de overkant was een weiland. Je kon daar op het hek zitten mijmeren. En als je durfde ging je naar de koeien, als die er waren. Met mijn vader durfden we altijd.
Soms nam hij ons mee naar de spoorlijn. Daar kon je dichtbij komen, maar gevaarlijk was het wel. Opletten dus. We gingen iets spannends doen. Eerst legde mijn vader zijn (goede) oor op de rails. Als hij hoorde dat de trein in aantocht was, plakte hij met spuug een cent op de rails. Op ruime afstand wachtten wij tot de trein voorbij was gedenderd. Dan was het zoeken geblazen naar de cent, die zo plat was als een dubbeltje.

img038

Op zulke zonnige, warme dagen als nu, gaan mijn gedachten terug naar de zomers van toen. Mooie tijden waren dat. We hebben leren genieten van kleine dingen.

Zie ook andere berichten geplaatst in de categorie familie, bijvoorbeeld Het laatste woord: http://wp.me/p36K0e-1V

Vissen

DSC06470

Zomerse dag
Stilte
Een zachte bries
De koeien loom in de wei
Buiten is het goed

Mijn vader
Was hij toen al mijn vader?
Karakteristiek:
De mouwen opgerold
De stropdas thuis gelaten
Horloge om de pols
De hengel losjes in de hand

Staren en denken
Levensvragen dobberen
Op het gladde water
Wie bijt?
Wat haal je op?

Je intens gelukkig weten
Mens te zijn
Hier en nu

Beet!

Pinksterdrie

In de Zaanstreek kent men drie Pinksterdagen. Ook de dinsdag is voor veel mensen een vrije dag, hoewel er de laatste jaren steeds meer de klad komt in dit ruim vierhonderd jaar oude gebruik.

De oorsprong ligt in het jaar 1574, tijdens de tachtigjarige oorlog. De Spanjaarden waren in oktober 1573 verslagen bij Alkmaar. Tijdens de februarimaand met strenge vorst, waren veel Spaanse troepen gelegerd in Assendelft. Van hieruit werden Krommenie, Knollendam, en Westzaan bestookt en aangevallen. Wormerveer (heette toen nog ’t Saen) werd binnengevallen en leeggeroofd. Terwijl de troepen weer naar Assendelft trokken, werd in het zuiden van het land een inval voorbereid door Lodewijk, de broer van Willem van Oranje. De Spaanse troepen werden razendsnel uit Noord Holland teruggeroepen. Maar onderweg staken ze nog even de resten van Krommenie en Knollendam in brand evenals Wormerveer, Zaandijk, Koog aan de Zaan en het Zuideinde van Westzaan. De bevolking onderging alles gelaten, waarschijnlijk omdat men dacht dat er nu snel een eind aan de bezetting zou komen. Maar nadat de Oranjes vernietigend waren verslagen op de Mookerhei, keerden de Spanjaarden terug naar Assendelft in het al zo gehavende Noord Holland. Ze waren van plan zich te concentreren op Wormer en Purmerend.

Slag_bij_Mokerheide_-_Battle_of_Mookerheyde_in_1574_(Frans_Hogenberg)

Op eerste Pinksterdag, 30 mei, in de vroege ochtend trokken 3000 Spaanse soldaten naar Wormer. Met roeiboten en pontons staken zij de Zaan over. Dit bleef niet onopgemerkt: boer Haentjes was met zijn meid koeien aan het melken op een weiland bij Wormer. De meid zag plotseling wat glinsteren en de gevolgtrekking was snel gemaakt. Haentjes rende naar het dorp en waarschuwde iedereen. Heel Wormer was op de been, tot de tanden toe bewapend met alles wat tot wapen kon dienen. Gelukkig was er vlakbij een aantal Oranjegezinde legereenheden gestationeerd en bij de Kalverschans lag een kleine vloot van vrijbuiterschepen, die zo snel mogelijk naar Wormerveer voer, waar de Spanjaarden nog steeds bezig waren de Zaan over te steken. Het vuur werd geopend en men voer in op de bootjes waarmee de Spaanse troepen werden overgezet. De Spanjaarden werden in de pan gehakt of ze verdronken tijdens hun vlucht in het waterrijke gebied. De schans werd snel door de Hollanders veroverd.
Van de 1400 Spaanse soldaten bleven er slechts 300 over. Op tweede Pinksterdag werden deze naar Hoorn gestuurd, terwijl de strijd in Purmerend in volle gang was. Aan het eind van de dag bleek dat men ook daar de aanval had weten af te slaan. Pinksteren was voorbij.

vrijbuiters

Op de schansen in de Zaanstreek gingen de vlaggen in top. De overwinning werd uitbundig gevierd, waarbij de wijn rijkelijk vloeide. Pinksteren werd met één dag verlengd. En zo is het nu nog steeds.