Het lot

handenHij kookte van woede. Had hij daarvoor al die jaren van zijn leven gegeven? Voor iemand die er de brui aan gaf?

Ze hadden zo’n hechte vriendenclub gevormd. Ze kenden elkaar door en door. Iedereen wist zijn plaats, had zijn eigen taak.
Veel gereisd hadden ze; het hele land doorkruist. Het was een mooie tijd geweest. Daarom was de teleurstelling des te groter nu. Wat een slappe houding. Hij was niet van plan zich erbij neer te leggen.

Een klein bedrag was het, wat hij in zijn geldbuidel stopte. Beter dan niets. Hij kon er wel weer iemand gelukkig mee maken. Dat was zijn taak: het geld dat binnenkwam nuttig besteden. Zelf had hij niet veel nodig; wat brood, wat vis, er was altijd iets te eten. Nee, waar hij zich druk over maakte was zijn toekomst. Wat had hij graag een goede functie bekleed. Minister van financiën zou hem op het lijf geschreven zijn. Vervlogen was die droom, als zoveel andere.

Al denkend en in zichzelf pratend arriveerde hij bij het huis. Het eten stond klaar. Eenvoudig, brood en wijn. Een gezellig avondmaal zou het niet worden. “Jij kunt maar beter gaan doen wat je van plan was”, werd hem door zijn vriend te verstaan gegeven, toen hij zijn brood indoopte. Hoe wist Hij dat? Lag het er zo dik op? Dan zou hij maar gaan.

Middernacht, bijna vrijdag. Af en toe kwam de maan tevoorschijn vanachter de wolken. Hij betrad het statige gebouw. “Vanavond zal het gebeuren”, sprak hij tot zijn meerderen. “Hij trekt zich biddend terug in de bergen, zoals gewoonlijk. Koning wordt Hij niet, al zijn mooie praatjes ten spijt. Grijp die leugenaar.
En toch. Ik heb van Hem gehouden, met heel mijn hart. Een kus is op zijn plaats, dat is het teken.”

“Mijn God, waarom ik?!”

——————————————————————————————————————-

Het plaatje komt van het internet.

Dit is een verhaal in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato (Hier kun je meer leuke, spannende, bijzondere WE-verhalen vinden). Het werkt als volgt: Schrijf een tekst van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: lekken.

Advertenties

“Dag juf!”

koning_willem-alexander

Terwijl hij doelgericht naar de biertjes loopt in de supermarkt, roept hij mijn naam: “Dag juf!” Ik herken hem niet direct, maar als ik wat beter kijk, weet ik het: P. “Ik was die lastige leerling”, zegt hij, zonder op antwoord te wachten. Ik kijk naar hem op en zeg: “Nee, je was niet lastig, ik vond je niet lastig.” Moet ik het hem zeggen: “Ik had met je te doen?” Beter van niet. Hoewel het de waarheid is. Hij luistert nauwelijks. Dat herken ik van hem. Maar ook het zachte gezicht. De blauwe ogen, die nog steeds een beetje verwilderd kijken. Het blonde haar. Hij is stevig geworden, gespierd, dat iele jongetje van toen. “Ik werk in de haven”, antwoordt hij, op mijn vraag wat hij is gaan doen. “Leren was niks voor mij. Werken wel. Hard werken. Buffelen.” “Wat goed van je”, is mijn simpele antwoord. Ik voel me klein.

Hij moest eens weten wat er in mijn hoofd omgaat. Ik herinner me de keren dat we met zijn moeder spraken; ook zij had het moeilijk. Die keer dat hij een stoel door de klas smeet. Hij weet het vast nog, maar ik durf het niet te noemen. Niet nu. Niet vanavond. Hij staat voor mij met een tray biertjes in zijn hand. Het is de avond voor Koningsdag. Hij zegt het: “De koning is jarig. Dat gaan we vieren.”

We staan tegenover elkaar. Zijn vrienden zijn in de buurt, maar hij neemt de tijd. Het lijkt wel alsof hij zich wil excuseren voor zijn gedrag van twintig jaar geleden. Maar er is geen excuus nodig: ik begreep hem, ik begreep wat hem bezielde. Met zo’n achtergrond kon je niet veel anders verwachten. Hij neemt de draad weer op. Nog steeds communiceert hij een beetje onhandig, net als toen. Indringend kijkt hij me aan: “Nog steeds niet compleet grijs!”, is zijn constatering. Hij herhaalt het een aantal keren, alsof hij zich erover verbaast. Met hem als leerling had het wel zo moeten zijn, misschien? Hij buigt zijn hoofd en wrijft over zijn stekeltjes: “Ik word al kaal!” Hij lacht.

“Maar nu gaan we feesten! De koning is jarig.” Met zijn vrienden en zijn biertjes loopt hij naar de kassa, mij enigszins vertwijfeld achterlatend. Ook net als toen.

Ik had hem veel meer willen zeggen: dat ik begreep, waarom hij het zo moeilijk had. Dat ik wist dat leren niet zijn grootste hobby was. Dat ik het fantastisch vind hem in zo goede doen te ontmoeten; groot en sterk en evenwichtig. Zelfverzekerd ook. Dat ik het enorm waardeer dat hij zo hard werkt. Dat ik eigenlijk niet anders had verwacht. Dat het niet voor iedereen is weggelegd om uit boeken te leren. Dat hij van het leven zelf heeft geleerd. En hoe bijzonder ik dat vind.
Ook had ik hem willen vragen hoe het met zijn moeder gaat.

Hij heeft geen tijd meer. Hij geeft me een hand, kijkt me aan. Een officieel afscheid.
De monarchie gaat voor.

——————————————————————————————————————-

De foto komt van het internet.

Lees ook: “Hé juf!”: http://wp.me/p36K0e-lP

Brief aan Beatrix

Lieve Koningin,

Nog een week en dan komt er een einde aan uw koningschap. U wordt opgevolgd door uw oudste zoon. Dat dat ooit zou gaan gebeuren, weet u natuurlijk al vanaf zijn geboorte. En het lijkt me dat je zo’n kind anders bekijkt dan de andere. Dat je je onwillekeurig regelmatig afvraagt of hij het aan zal kunnen. Dat je je regelmatig realiseert dat zijn toekomst vastligt, dat hij het maar heeft te doen. Dat hij wel eigen keuzes kan maken, maar altijd binnen de grenzen van de regels en normen van het koningschap. Dat zal in uw situatie niet anders zijn geweest: ook uw moeder heeft zich waarschijnlijk dezelfde vragen gesteld. In de fragmenten die op de tv werden vertoond na de aankondiging van uw abdicatie, zagen wij dat zij een enorm vertrouwen in u had. Dat heeft u nu in uw zoon. Wat zult u met trots naar hem kijken die dag. En zijn eerste officiële optreden zal zeker ontroering teweeg brengen bij u als moeder. Maar ook vreugde. Uw hart zal vol zijn.

Het volle hart… Wat zult u ze missen in deze tijd van grote veranderingen: uw man met wie u zoveel heeft gedeeld. Van wie u zoveel heeft gehouden; ja, dat was te zien. En uw zoon, die al meer dan een jaar onbereikbaar is. Om wie u zoveel verdriet heeft. Uw ouders….. Uw gedachten zullen bij hen zijn. Maar professioneel als u bent, zult u met opgeheven hoofd, de schouders eronder, deze laatste klus klaren.

Nog een week en dan is het zover. Verhuizen en opnieuw beginnen. Ik vermoed dat u dat doet met gemengde gevoelens. U bent er natuurlijk van overtuigd dat uw zoon het goed zal doen (in twee betekenissen); hij is tenslotte langdurig voorbereid op zijn nieuwe werkzaamheden. En toch lijkt het me vreemd en onwennig om de taak waar u zich altijd met hart en ziel van hebt gekweten, over te dragen aan de man in wie u ook nog steeds het kind ziet.

Hij zal weten dat u hem blijft steunen, dat hij altijd om advies kan vragen. Dat u achter hem staat, zoals het een moeder betaamt. En mocht hij eens struikelen, dan weet hij dat u er bent om hem op de been te helpen. U klopt het stof van zijn kleren en met een glimlach zult u zeggen: niets aan de hand.

1959187210