Kleurrijk in zwart-wit

De trein kwam er al aan toen wij nog op de roltrap stonden. We liepen snel naar beneden en trokken een sprintje als een stel zeventienjarigen (het omgekeerde van onze werkelijke leeftijd) en sprongen, met een gesmoorde gil, net na het fluitje van de conducteur, tussen de zich al sluitende deuren door, de propvolle coupé in. Dat vonden we eigenlijk best stoer en we keken elkaar met een tevreden grijns aan. “Zo!, living on the edge!”, wisten we hijgend uit te brengen. En: “Zeventig is het nieuwe zestig!” Op naar Amsterdam. Die gevaarlijke stad.

We waren amper uitgehijgd of daar wrong zich een jonge vrouw in conducteurskleding door de massa. Ze had haar fluitje nog niet opgeborgen. Het bleek, dat ze dit ter illustratie nodig had bij het te houden verhaal. Tegen ons. “Sprongen jullie net nog door de deur, nadat ik al had gefloten?” Aan de toon te horen, leek het me beter maar niet al te bijdehand te doen. Dus de opmerking: “Ja, wat goed hè, van ons ‘oudjes’?”, slikte ik maar in. Ook de blik in haar ogen sprak boekdelen. Een blik van zeven dagen onweer, zei mijn vader vroeger. Ze haalde diep adem en begon ons de les te lezen. “Nooit de trein binnengaan als er is gefloten! Stel dat er iets ergs gebeurd was. Dan had zij aan de noodrem moeten trekken. En dan zou dat weer op ons verhaald moeten worden. Dat zou ons €165,00 de man (vrouw) gekost hebben. Dus we mochten het nooit meer doen. Ze zou het nu door de vingers zien, maar de volgende keer….” Woest en onstuimig leven, het lukt ons nooit echt goed.
Om ons heen bleef het doodstil. Niemand zei iets. Niemand verblikte of verbloosde. Niemand lachte. Niemand keek ons meewarig aan. Of verachtelijk. Of bemoedigend. Of vriendelijk. Niet mee bemoeien, want je weet maar nooit. Het kan je zo een hoop geld kosten.

De ober bij Small Talk deed de naam van het café eer aan. De ene flauwe opmerking na de andere rolde over het terras. Een klein glaasje water bij de koffie werd vertaald in een borrelglaasje. Het zonnetje deed de rest en zo klaarde onze lichtelijk timide stemming geleidelijk aan op.

Verder maar weer, richting Apollolaan voor de tweejaarlijkse beeldenroute van ArtZuid. De tram is afgeladen; voortdurend roept de conductrice dat iedereen moet doorlopen, maar zelfs dat is onmogelijk. Kinderen hoeven van hun ouders tegenwoordig niet meer op te staan, ook niet wanneer ze op een stoeltje hangen dat bestemd is voor iemand die niet zo goed ter been is. Nu hadden wij juist bewezen dat dat allemaal nog aardig in orde was, maar een halte na ons stapte er een oude heer in. Hij kreeg het netjes voor elkaar om het plaatsje van het kind te bemachtigen. Dat mag ook wel, wanneer je zesennegentig bent. Een goedlachse, positieve oude baas. Keurig gestreken zwarte broek met kettingen links en rechts. Helder witte sweater met een borstzakje en spierwitte sneakers. Het plastic tasje van De Trekpleister bleek boterhammen te bevatten die hij ergens op een bankje bij Het Leidseplein zou gaan opeten (nee, niet op een terras, natuurlijk) en daarna ging hij een lekker kopje koffie drinken (wel op een terras). Genieten van het leven, dát deed hij. Ondanks het gemis van zijn vrouw (al zeventien jaar dood, en nee, nooit een ander gehad, hij keek wel uit, straks stond ze hem boven op te wachten en stuurde ze hem zo weer terug, moest hij weer die hele weg bewandelen…) zag hij het leven toch zonnig in. Ze zat in zijn hart. Daar zat nu wel die tramkaart voor, maar ze was er wel. “Ja”, zei hij, met een vette grijns, terwijl hij zijn duim omhoog stak, “optimist, tot in de kist”, waarna de duim omlaag wees.

Leidseplein, hij ging eruit. Hij zakte een beetje door zijn knieën, hield het borstzakje met de tramkaart voor de scanner en checkte uit. Voor zijn zesennegentig jaar sprong hij vlot van de treeplank, vermaakt geschater vanuit de tram in zijn kielzog.

Uiteraard was de beeldenroute heel bijzonder en over het algemeen zeer de moeite waard. Hoewel we bij Minerva met het opgeheven vingertje wel even moesten slikken.

Aan het eind van de middag sloten we deze leerzame dag af met een glas koele witte wijn en een schaaltje gloeiend hete bitterballen. Dat kon er wel af: we hadden tenslotte ieder €165,00 uitgespaard.
En de slogan ‘act your age’ was weer helemaal op ons van toepassing…

Living on the edge

4

Als eerste klant van die ochtend mag ik bij de wasbak plaatsnemen nadat ik bevestigend heb geantwoord op de vraag: “Moet het gewassen worden?” Het eerste minpuntje; wie bepaalt de knipstrategie? De klant of de professional? En de toon boezemt me ook niet direct vertrouwen in. De moed zinkt me eerlijk gezegd in de schoenen. Wat doe ik hier eigenlijk. In deze donkere, kleine ruimte. Waar twee voluptueuze dames verlekkerd hun schaar uit hun toilettas tevoorschijn halen en er eens goed voor gaan zitten.

Ik ben op zoek naar een nieuwe kapster. Eentje die net zo goed knipt als de vorige, die helaas is verhuisd. Mijn vader riep altijd bewonderend: “Wat zit je haar mooi!”, wanneer ik na een knipsessie bij hem op bezoek ging. Het is dus maar goed dat hij dit niet meer hoeft mee te maken, denk ik, zelfs nog voordat er ook maar een schaar in mijn haar is gezet. Ik mis “mijn” Melissa nu al!

Ik leg mijn nek op de koele witte rand van de wasbak. Het jonge meisje, dat de week ervoor mijn afspraak heeft genoteerd, komt slungelig, kauwgom kauwend, van achter de toonbank naar voren en gooit nog snel een blauwige, verkeerd gewassen handdoek over mijn schouders. Het enthousiasme straalt er niet direct vanaf. Ik begrijp dat de ondankbare taak van telefoon aannemen, afspraken noteren, vegen en wassen op haar smalle schouders rust. Over mijn hoofd heen doet zij met schelle stem een vergeefse poging mee te praten met de twee dames die hun spullen gereedmaken voor een lange dag knippen, föhnen, permanenten, en kleuren. Als het water de juiste temperatuur heeft, maakt zij mijn haar min of meer nat, drukt er daarna een dot shampoo in en wrijft die lusteloos een beetje uit.

De kapsters reageren niet op haar. Net terug van vakantie hebben ze het veel te druk met hun eigen verhaal. Het verblijf in Griekenland is vooral geslaagd vanwege de geweldige diners en het uitzicht vanuit de hotelkamer op het zwembad, begrijp ik. En de ander heeft in Kroatië op de camping ook een fantastische tijd gehad. Terwijl ze de shampoo uitspoelt doet het meisje nog een poging tot gesprek, maar haar opmerkingen blijven in de lucht hangen. Het tragische lot van de stagiaire.

Inmiddels ben ik overgeleverd aan de kapster in het rode gewaad. Ze droogt mijn haar nog een beetje na en terwijl ze de kapmantel vastmaakt, vraagt ze hoe ik het wil hebben. Gewoon de boblijn, net als altijd. Maar ja, dat weet zij natuurlijk niet. Ik prijs de hemel dat ik zo slim ben geweest mijn vorige kapster te vragen een foto te maken. Ik vis mijn telefoon uit mijn tasje dat op de grond tussen de haren van gisteren staat. Niet goed geveegd. Waarom verbaast me dat nou niet? Op het fotootje zie ik vooral het zo vertrouwde interieur. Cindy heeft alleen oog voor de haarlengte. Ze laat wat technische termen vallen; ze heeft er alle vertrouwen in.

De kaptafel ligt vol stof, kruimels en haartjes. Op zwart zie je alles. Ik wil er niet naar kijken. Het komt dus goed uit dat ze mijn hoofd voorover drukt: eerst de nekpartij. Wanneer ik omhoog kom, zie ik in de spiegel dat de scheiding verkeerd zit. Ja, ze weet het wel en het komt zo meteen helemaal goed. Ze kamt alles opnieuw, trekt de scheiding en knipt vrolijk verder.

Ik zucht onhoorbaar en geef me over aan de nieuwe situatie. Het is nu eenmaal niet anders. Kom op, living on the edge. Dat was het motto toch? De kapster schudt de bus met foam en spuit een rijke hoeveelheid in haar hand. Ze verdeelt het netjes over mijn haar. Ik houd niet van föhnborstels met de haren van vorige klanten er nog in, maar ik zeg er niets van als zij er een uit het laatje vist. Dan houdt ze eindelijk de grote ronde spiegel achter mij op. Ik moet toegeven, het is haar gelukt.

Ik reken af bij de stagiaire met het prachtige lange donkere haar. Er kan een klein glimlachje af. “Waar begin je aan”, denk ik.

Opgelucht ga ik naar huis. Ik loop rechtstreeks door naar de badkamer. Boven de wasbak spoel ik het sterk geurende schuim weer uit mijn haar.

Living on the edge? Oké, onder één voorwaarde: als mijn haar maar goed zit.

Mozart, Dumas en een fikse boete

20140920_160634

Woest en onstuimig leven: we doen nog steeds ons best, vriendin MD en ik. Afgelopen zaterdag deden we een hernieuwde poging.

Met de kaartjes voor “Die Entführung aus dem Serail” (veelbelovende titel in dit verband!) mogen we gratis met de tram. De ZaterdagMatinee in het Concertgebouw zal deze Duitse opera van Mozart brengen en we hebben er zin in.
Het is nog wel een hele toer om op het terras van Het Stedelijk op tijd een broodje geserveerd te krijgen, zo druk is het op deze stralende dag in september. De obers genieten ook van het prachtige weer, zijn in voor een gezellig praatje en maken zich, terecht, niet al te druk. Maar kom op, ons motto getrouw zijn we nergens bang voor: living on the edge!

Dus schuiven we om vijf voor half twee de zaal in. Een passender entourage voor dit “Singspiel” uit 1782, waarin, volgens keizer Jozef ll, Mozart zich te veel had uitgeleefd (“Zuviel Noten”, lieber Mozart), is nauwelijks te bedenken. Met de ogen dicht kun je je makkelijk wanen in het Wenen van de achttiende eeuw. Het sfeertje uit de film Amadeus is zo opgeroepen.

Het flinterdunne verhaal, waar Mozart op een inventieve manier mee aan de haal is gegaan, wordt met veel liefde, plezier en enthousiasme gebracht. Zo mooi om te ervaren hoe de reactie van het publiek effect heeft op de zangers: ze trekken echt alles uit de kast, om het oneerbiedig te zeggen.
Het orkest speelt de prachtige en krachtige melodieën met volle inzet, terwijl men zich met groot plezier ook aan een flink aantal grapjes te buiten gaat. De dirigent, René Jacobs, volgt volledig de tekst en de muziek van “toen”, maar toch is zijn zeer inventieve inbreng niet te verwaarlozen. Het is een sublieme voorstelling, waarin de jonge zangers het publiek verbijsterd doen staan van hun kunnen.
Heerlijk is het om dit virtuoze spel te zien, te horen, te beleven. Bijna vier uur lang genieten; het is onbegrijpelijk dat tijd ineens niet lijkt te bestaan. Wel zijn er twee pauzes, waarin, ook niet onbelangrijk, een heerlijk wijntje wordt geschonken en waarin je leuk mensen kunt kijken. Kortom, een heerlijke middag, waar we intens van genieten, en velen met ons.

Om half zes, knipperend tegen het zonlicht, steken wij, met gevaar voor eigen leven (!) de van Baerlestraat over. Het Museumplein, in dit licht, met uitzicht op het Rijksmuseum: wat een schoonheid. Zijn we nog lyrisch vanwege de omhulling door de schitterende muziek? Betoverd door Mozart? We voelen ons krachtig en tot veel in staat.

DSC09156

Het Stedelijk is tot zes uur open. En o, loflied op de museumkaart, we gaan dus nog even naar binnen. Een compleet contrast met onze culturele consumptie van amper een kwartier geleden is de expositie van Marlène Dumas. Wat heerlijk om hier die trap op te lopen, de geuren op te snuiven, de kleurige neonverlichting te zien. We “doen” dit op een holletje. Even snuffelen aan datgene waar heel museaal Nederland de mond van vol heeft. En waar ik zelf, eerlijk is eerlijk, nooit zo weg van was. Het blijkt echter zeer de moeite waard: woest en onstuimig tot kalm en ingetogen werk. Gelukkig is de afspraak om de expositie rustig te bekijken allang gemaakt. Een herkansing, binnenkort.

20140920_174045

Tijd om te gaan. Richting Leidseplein. Het borrelt. Weet je nog? Hier zagen we Ramses Shaffy de weg oversteken, zo dronken als wat. Wat vonden wij hem leuk! En hier waren we met vriendin K, die midden op de weg een dansje maakte. En o, ja, daar kwam jij toch ook, bij Zorba De Buddha, die disco waar je tot diep in de nacht kon swingen? En die expositie van Mondriaan, weet jij dat nog? O, ja, ergens aan de Amstel was dat. Daar, bij die pinautomaat raakte jij in gesprek met die Ier, weet je nog welke goede tips hij je gaf? En daar, op dat terras dronken we koffie. Nee, dat gepikte kopje heb ik niet meer. Daar aten we pizza. Ja, we weten het allemaal nog. En meer dan dat. Al die herinneringen aan een leven dat ook toen al niet woest en onstuimig was. Maar we hebben ons best gedaan.

Laat ook maar. We eten pizza op het terras van het tentje waar we dat een half leven geleden al deden, drinken wijn, halen nog meer herinneringen op.

Woest en onstuimig stappen we in de tram: de verkeerde ingang. We worden streng en vermanend toegesproken door de conducteur. Nooit mogen we dit meer doen, op straffe van een boete van tachtig euro! Giechelend ploffen we neer op een bankje achterin. Als twee jonge meiden, die niet al een heel leven achter zich hebben.
Zuviel Noten. Jazeker!