Voltooid verleden tijd

20141016_150257

Het leven achter mij
Bepaalt de reis vandaag
Zien wil ik wat er nog van over is
Want alles stroomt en gaat en doet
Zodat wat er eens was
Alleen nog sporen zijn
Naar mijn verleden en verlaten tijd
Nee niet verloren, want ik vormde mij
En werd gevormd
Tot wie ik denk te zijn

De wegen mogen zijn vernieuwd
De plaatsen liggen nog waar ik ze kende
Culemborg en Beesd en Everdingen
De bruggen over, land van Maas en Waal
Het witte torentje van Waardenburg
Zaltbommel lieflijk aan mijn rechterhand

Zo voeren kilometers tijd
Mij terug naar dagen van weleer
Toen ik nog onbekend was
Met wat ik nu denk te weten

Daar is De Lucht
Het pas gerestaureerde restaurant
Waar je ooit na warme slappe koffie
Hoopte op een nieuwe lift

Ik neem weer net als anders
De verkeerde afslag – een te vroeg
Genoeg gedroomd, gekeerd
En dan vol gas het laatste stuk

Het dorpje is maar nauwelijks veranderd
Eerst de rotonde voor de helft
Daarna rechtdoor, de lommerrijke weg
-Zonovergoten kleuren van de herfst-
De juwelier, de supermarkt, de boerenhoeve
Dan tegenover het gemaaide stoppelland
Het welbekende huis

Het geeft zich sneller prijs dan ooit tevoren
Nu rondom de coniferen zijn gekapt
Net als de berken naast de keuken
En de kastanje bij het oude stalen hek

Maar achter is het nog precies
Zoals ik het drie jaar geleden zag
Bemoste schaduwrijke paden
De hulst vol bessen, beuken, wat dood hout

Ik kijk voor ’t laatst
Wat heb ik hier nu verder nog te zoeken
Er is geen mens die me aan deze plek verbindt
Vergaan, verloren en verlaten

De huwelijksboom stierf jaren eerder al
Een zachte dood

Leve de EEG!

Haagse tramHet asfalt glimt in het licht van de lantaarns. De ruitenwissers zwiepen heen en weer. Het licht springt op rood, een tram passeert. Terwijl ik me heel erg bewust ben van het heden – ik kom net van de crematie van een aardige oom, een van de laatste van de familie – voel ik toch hoe ik word teruggezogen naar de vijftiger jaren.

Het is net zo’n avond als nu: donker en koud, regen en wind. Ik ben elf jaar. Samen met een klasgenoot zit ik in de tram, op weg naar huis. We zitten achterin en weten niet goed waar we het over moeten hebben. In de klas, de zesde, spreken we elkaar eigenlijk nooit. Jongens en meisjes bevolken twee aparte werelden. Maar vanavond zijn we samen op pad.

Twee uur lang hebben we in een vreemd schoolgebouw aan een tafeltje zitten schrijven.
Het is 1958. De EEG is een feit. Uit alle zesde klassen van de Haagse scholen zijn twee leerlingen afgevaardigd om mee te doen aan een opstelwedstrijd, met als onderwerp: De Europese Economische Gemeenschap. Daar zit ik met een groot vel papier voor mijn neus. Mijn groengemarmerde vulpen – tot de nok toe gevuld – in mijn klamme hand. Wat moet ik schrijven? Ik heb er wel iets over gehoord, maar veel te weinig voor een goed betoog. Fantasie dan maar? Ik heb geen idee wat ik hier zit te doen. Om mij heen hoor ik gezucht. Het krassen van pennen. Neuzen worden opgehaald. Arend zit driftig te schrijven, zie ik. Ik doe mijn best.

Of het een goed opstel is geworden, weet ik niet meer. Wel voel ik een lichte opwinding, wanneer ik naast Arend in de tram zit.
De dag daarna valt er een briefje op mijn tafel: Wil je met me lopen? Leve de EEG!

———————————————————————————————————————

Dit is een bericht in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. (Zie http://platoonline.wordpress.com/, hier kun je ook andere leuke, spannende, ontroerende verhalen lezen) In de tekst van 300 woorden mag een bepaald woord niet voorkomen, terwijl het duidelijk moet zijn dat het daar wel om draait. In dit geval was het verboden woord: verhalen

Zie in dit kader ook: De advertentie

De foto komt van internet.

Kinderspel (2)

Ze worden groot, mijn kleinzoons. Dat zie je in de eerste plaats aan hun broeken. De moeders zijn blij dat het zomer wordt. Bij een korte broek zie je niet zo snel dat hij te kort is.
Bij de oudste zie je ook aan zijn gebit dat hij groot wordt. Hij heeft al veel gewisseld, maar in het bovengebit, aan weerskanten van de ‘grote-mensen-tanden’, zie je nog flinke gaten, waar de melktanden nog niet zijn vervangen. Zijn gezicht verandert: het ronde gaat ervan af. De jongste had laatst ‘goed nieuws’: hij heeft een wiebeltand.
Ze gaan allebei over. Dit jaar hebben ze leren lezen. Ik vind dat heel bijzonder; er zijn nu niet zoveel geheimen meer voor ze, wat geschreven tekst betreft. Zelf vinden ze het heel gewoon. Me dunkt, ze hebben er tenslotte keihard voor geoefend, je krijgt het niet cadeau.
Ze eten als dijkers en toch blijven het dennetjes. Tijdens het eten maken ze nog steeds dezelfde grapjes en houden ze nog steeds wedstrijdjes. Dat blijft, gelukkig.

Ook in het spel zijn er dingen die niet veranderen, nog niet tenminste. Ik zie hoe Memory Lane geplaveid wordt: “Oma, ik heb de garage opgehaald, die wij samen hebben gemaakt.” “Oma, mogen we de bak met dieren omkieperen en heb je nog die ‘grasvelden’?” En dan hoor ik wat ik nog steeds het leukste vind: de auto’s worden verdeeld en ja hoor, daar komt-ie: “Mag ik deze ‘zijn’?”
De houten auto met de diertjes wordt wat meewarig bekeken. Ze generen zich een beetje voor elkaar, ze zijn geen peuters meer. Maar gaandeweg betrekken ze toch al het speelgoed in hun spel.

De kartonnen garage berg ik later weer op in de logeerkamer. Net als de kistjes die als dierenverblijf dienst doen. En de ‘grasvelden’. Voor de volgende keer. “Oma, mogen wij…..”.
Ja hoor jongens, natuurlijk mogen jullie ermee spelen. Alles is er nog.

DSC07891

Lees ook: Kinderspel, http://wp.me/p36K0e-2s

Walking back to happiness….

Begin jaren zestig begon muziek een rol te spelen in mijn leven. Natuurlijk kwam dat door de leeftijd. De emotionele, lichtelijk labiele tienerjaren. Teenager werd je toen genoemd. Het woord bakvis was net zo’n beetje uit de mode. Gelukkig.
Een van mijn eerste idolen was Connie Froboess. Met het liedje ‘Zwei Kleine Italiener’ werd zij zesde tijdens het songfestival in 1962. En natuurlijk stond zij in De Muziek Expres. De poster had ik daar voorzichtig uitgehaald en – het verbaast mij nu dat dat mocht– met plakband op de muur van mijn kamertje gehangen. Conny und Peter, Teenager Melody.

Toen het eerste vriendje op de proppen kwam, veranderde ook de muziekkeus. Elvis Presley, Paul Anka, Buddy Holly, The Everly Brothers. Vreemd eigenlijk, ineens kwamen er meerdere mannen in mijn leven. Maar het was allemaal heel onschuldig. Ook de ouders vonden die muziek stiekem wel leuk: op de verjaardag van het vriendje legde zijn vader, zonder dat wij het wisten, een nieuw singletje op de pick-up: Return to Sender, van Elvis. Mieters! Dat was swingen geblazen! En daarna natuurlijk popcorn en Exota, waar we spoetnik van maakten. Een echte fuif!

We knipten plaatjes uit en plakten die in onze Rijam-agenda, zodat die minder saai was. Maar ook de songteksten, zodat we niet alles fonetisch mee hoefden te zingen. Popconcerten, dj’s, het was er allemaal nog niet. Wij hadden plaatjes en een pick-up (als je geluk had), en in elk geval de radio.

In de plaats waar wij toen woonden, waren geen platen te koop; te werelds. We fietsten ruim een uur naar Rotterdam om van ons gespaarde zakgeld het nieuwste singletje van Buddy Holly te kopen.
Het was een mooie tijd. Het gevoel dat ik daarbij had zal nooit meer terugkomen. Oproepen kan ik het nog wel, soms. A trip down memory-lane, walking back to happiness…..