Brief aan mijn moeder

Mam, in stilte feliciteer ik je vandaag. Stel je toch eens voor! Dat je nog leefde! Dan zou je nu 101 jaar geworden zijn. Dat had je misschien wel gewild, maar dan in goeden doen. Oud worden was al niet je favoriete bezigheid, dus nog grijzer, nog meer rimpels, nog minder goed zien, nee, dat was voor jou geen optie geweest.
Die laatste anderhalf jaar van je leven was wat dat betreft helemaal geen pretje, na die eerste hersenbloeding, doordat je slechter liep, moeite had met het gebruiken van je rechterhand, sneller moe was, vergeetachtig werd. Ach, we begrepen allemaal maar al te goed dat het heel moeilijk voor je was. En je wist het waarschijnlijk zelf wel, je zou geen honderd-en-een worden. Zelfs geen negentig. Maar bijna vijfentachtig is een mooie, respectabele leeftijd.

Wat vond ik het moeilijk je te zien vechten, in jouw laatste uur op die winterse ochtend in februari. En ja, het spijt me, maar ik ben even weggelopen. Ik kon het niet aanzien. Jij, die sterke vrouw, die nooit iets mankeerde – althans, je liet het waarschijnlijk niet merken – die altijd gewoon doorging, altijd bezig was, altijd bezig moest zijn, snel-snel. Maar je hebt vast wel gemerkt dat ik weer terug kwam. En dat ik erbij was toen het opeens heel stil werd, daar in dat ziekenhuisbed.

Ze zeggen dat, wanneer je dood gaat, je hele leven aan je voorbij trekt. Kan zijn. Maar terwijl jij lag te sterven, trok mijn hele leven met jou aan mij voorbij. En werd ik me van jouw intense zorgzaamheid bewust, die ik nu voorgoed zou gaan missen. Zoals wij alles zouden we gaan missen.

Wat hebben wij toch geboft met zo’n moeder. Moeder geworden in de moeilijke jaren na de oorlog. In die tijd koos je daar niet voor, het gebeurde. Je moest zien rond te komen met weinig geld, maar niemand zal het aan ons hebben gemerkt. Jij wist van niets iets te maken. Letterlijk en figuurlijk. Oude truien werden uitgehaald en je breide er voor ons nieuwe leuke kindertruien van. Jassen werden gekeerd, zodat er weer jasjes voor ons van konden worden gemaakt. Zuinigheid met vlijt… We aten gezond: bij jou stond het eten niet uren te pruttelen. En het huis was altijd schoon. Reinheid, rust en regelmaat. Jij leerde dit van je ouders, op school, in de praktijk en wij kregen dit motto, onbewust, met de paplepel ingegeven.

Ja, zul je zeggen, nu weet ik het wel. Tijdens de uitvaartdienst kwam dit ook al allemaal ter sprake. Over de doden niets dan goeds. Vertel eens iets nieuws. Waar blijven de negatieve kanten? Is er niet iets te vertellen dat ik nog niet weet?
Ja! Daarom, mam, schrijf ik je nu ook. Nee, ik ga het niet over de negatieve dingen hebben, je vervelende eigenaardigheidjes. Waarom zou ik. Het heeft geen zin; er verandert niets door. Ook niet mijn warme gevoel voor jou.
Wel wil ik je zeggen dat ik je waarschijnlijk te kort heb gedaan. Heb ik je goed genoeg gezien? Heb ik je goed genoeg begrepen? Heb ik genoeg van je gehouden? Ik ben bang dat ik hopeloos tekort ben geschoten. Excuses genoeg, maar hoe moet ik dat nu nog rechtzetten? Lezen jullie daar boven ook? Dat hoop ik maar!

Als ik mijn kleindochter zie lachen dan zie ik jou. Jij kon van zoveel zaken de humor inzien, als je hoofd vrij was. En dan schaterde je net zo als zij dat kan. En weet je nog dat je eens vertelde dat een klasgenootje van jou zei: “Wat lach jij, maid, ik ken so in je keel kaike!” Dat platte taaltje, dat vond je geweldig om na te doen. Maar wij spraken ABN. Laat dat gezegd zijn.
Je was een kei in het onthouden van opvallende uitspraken van anderen om die, als het zo uitkwam, te gebruiken. Nadat ik jou het liefdesbriefje van mijn allereerste vriendje had laten lezen, viste jij daar een zinnetje uit dat later in allerlei situaties van pas kwam. Mocht ik kiezen wat we zouden eten bijvoorbeeld, dan was het: “De keus is geheel aan jou.” Dat was leuk; dan wisten we allebei waar het over ging. Goede herinneringen!

Je was over het algemeen een vrolijke vrouw, maar ik weet dat er ook verdriet aan jou kleefde. En dat schrijf ik met opzet zo op. Zo voelde het. Het verdriet was er, maar het overspoelde je niet helemaal. Je bleef altijd overeind. Slechts een keer heb ik je zien huilen van diep verdriet. Was dat toen je die miskraam had gehad?

Ik had je veel beter willen kennen, denk ik af en toe. Maar het is misschien wel het lot van ouders en kinderen dat dat niet zo is, dat je elkaar maar voor een deel echt kent. Of is dit soms specifiek iets van moeders en dochters? En weten we niet alles omdat we ons hele leven bezig zijn om van elkaar los te komen? Hebben we het daar zo druk mee, dat we alle gevoelens, alle eigenaardigheden van de ander er niet bij kunnen hebben? Of dat niet willen? De handen vol aan onszelf?

Jij zou hier ook weer nuchter op antwoorden dat het ook gewoon geen zin heeft om zo diep te graven. We hebben van elkaar gehouden, jij van mij en ik van jou. En zo hoort het ook en dat is misschien wel genoeg. Misschien. Ik twijfel nog, zoals je merkt.

Rest me nog om je te zeggen dat ik veel van je heb geleerd. En dat ik dat nog steeds in de praktijk probeer te brengen, al lukt dat soms niet zo goed, omdat ik ook een kind van mijn vader ben. Dan weet jij genoeg!

Stel nu dat ze ook aan verjaardagen doen, daarboven. Dan hoop ik dat vandaag je stoel is versierd met heerlijk geurende lathyrus. En dat er een lekker glaasje wijn voor je klaarstaat en een gouden schaaltje met die kaaswafeltjes waar je zo dol op was.

Proost mam, op je verjaardag!

Advertenties

Levensles

img168

De essentie is altijd gebleven
Van goede wil, afstandelijk en
Zoals ze hier zit op deze vreemde stoel
Verbloemde onzekerheid
Ongemakkelijk in wit

Dit meisje dat nog lang niet wist
Waar het leven toe zou leiden
Genoot alleen nog maar van spel
Zwaaien aan de ringen, hoger
Dan haar zusters
Buitelen aan de rekstok, beter
Dan haar broers
Touwtje springen, sneller
Dan iedereen

Toen ik haar leerde kennen
Was zij mijn moeder, liever
Dan alle andere

Het leven zelf had haar geleid
Spel doen vergaan tot ernst

Maar
Op foto’s wist zij nu te lachen

Zo’n ochtend

sterappel

Het is zo’n dag waarop
Bij het ontwaken
De sterren steels verbleken
En de maan verdwijnt
De zon, nog net niet op
Blijk geeft van haar verschijnen
En de tortel in de verte
Zijn liedje steeds niet
Tot een kloppend einde brengt

Ik denk aan haar
Zij was mijn moeder
Gewoon zoals een moeder hoort te zijn
Maar heb ik haar gekend?
Wist ik wat haar bewoog?
Ik dacht het wel te weten
Dochtersovermoed

Op zo’n zelfde ochtend
Als vandaag
Sloot zij haar toekomst af
Haar geheimen
Nam ze met zich mee
En liet ons achter met de vraag
Of het geluk haar had gekend
En vice versa

Painful Pleasure

Carpenters

Iedereen is inmiddels wel bekend met het begrip ‘guilty pleasure’, neem ik aan. Muziek die je in het geheim erg leuk vindt. Liedjes die je, als niemand het hoort, keihard meezingt. Maar áls je het al hebt op cd (waarschijnlijk niet) dan achter je ‘draaibare’ cd’s verstopt. Voor mij is Top Of The World van de Carpenters zo’n guilty pleasure. En nee, ik heb het niet op cd.

Er is nog een andere categorie, die ik de ‘painful pleasure’ noem. Dit is muziek, zo verbonden met een emotionele, vervelende, akelige, ontroerende, nare, beladen of droevige gebeurtenis, dat je die eigenlijk niet meer durft te draaien. Dat roept veel te veel pijnlijke herinneringen op.

Maar soms gaat het over. Michelle van de Beatles kan ik inmiddels met droge ogen aanhoren. Het is tenslotte alweer een half mensenleven geleden dat ik hopeloos verliefd was op de trainer van ons basketbalteam. Painful is dat natuurlijk al lang niet meer. ’t Is gewoon weer heerlijke muziek. En ik glimlach een beetje om die tiener van toen.

Morgenstimmung, uit de Peer Gynt Suite van Grieg, heb ik kortgeleden pas weer gedraaid. Ik vond het altijd een prachtig stuk. We kozen het destijds voor mijn moeders crematie, maar het raakte daardoor wel enigszins beladen.
Na de dood van de liefste poes die we ooit hadden, luisterde ik eindeloos naar de Cantique de Jean Racine, van Fauré. Dat kan nu ook weer.

Dan is er nog de muziek die paste bij de moeizame knipperlichtrelatie met E. De muziek die ik opzette als ik onderweg was naar R. Muziek van de film The Bridges of Madison County, die ik zag na een bijzondere ontmoeting. Muziek die we vroeger ‘toen alles nog mooi en goed was’ in de auto draaiden.

Painful pleasure; het doet nog een beetje pijn, maar de muziek blijft heerlijk om naar te luisteren. Met het juiste gehalte aan heimwee naar toen.


Johnny Hartman zingt ‘Easy Living’ uit de film: The Bridges Of Madison County

De foto van de hoes van The Carpenters komt van het internet

Omringd met familie

img025

Ziehier de zeven zusters
Van oud naar jong
In hun goede goed
Hun zondagse japon
Met versgesteven kraagjes
Eén heeft een lage hals
Aangerimpeld kant met
Zwartfluwelen strikje
Zo komt de ketting beter uit
Verder een bril, een armband
Een horloge zelfs

Ik zie ze bij elkaar
De krulspelden indraaien
Papillotten misschien
Hoor ze giechelen, kibbelen
En kijk
Allemaal dezelfde neus
Geërfd van vader
De oudsten hebben al
Een kunstgebit
Zo ging dat vroeger

Van voorzichtige glimlach
– De oudste, zij kent het leven –
Tot uitbundig bakvisplezier
Geërfd van moeder
Die het lachen na elf kinderen baren
Voeden en verzorgen
Toch nog lang niet is vergaan

Ik ken ze als mijn tantes
Jans, Ma en Anna
Bé en Rie
En de twee jongsten, Ina en Grietha
Maar Ma heet Maartje en Rie Marie
Beatrix is de doopnaam van Bé
Namen die al eeuwen
In onze familie worden doorgegeven
Zoals ook Johanna, Jannigje, Grietje
En Clasina Maria voor Ien

Dertien kinderen krijgt Jans
Anna sterft het jongst
Rie trouwt als laatste
Pas na haar moeders dood
Altijd zo trouw gezorgd
En zichzelf vergeten
Door een van haar broers
Nee, niet mijn vader
Gekoppeld aan verlaat geluk

De vier broers
En deze zeven zussen
Met liefde omringd
In liefde grootgebracht
Hebben in liefde
Het leven doorgegeven

————————————————————-

Zie ook: Foto met opdracht -over de vier broers- http://wp.me/p36K0e-cG

Van boeken krijg je nooit genoeg

Wordpress1

Er werd bij ons thuis veel gelezen. We hadden een kast vol boeken. Toen wij nog analfabeet waren, mijn broers en ik, werden we voorgelezen. Mijn vader las na de avondmaaltijd altijd uit de kinderbijbel van Anne de Vries. We hingen aan zijn lippen; hij kon goed voorlezen. De prachtige illustraties van Jetses kregen we pas te zien als het verhaal uit was.

‘Zomaar’ voorlezen gebeurde ook. Bijvoorbeeld uit ‘Het Tovervisje’, waarvan de plaatjes bij elkaar gespaard werden bij Van Nelle thee en koffie. Op een zondagmiddag na de obligate wandeling zaten mijn oudste broer en ik aan weerskanten van mijn vader op de divan. Hij las voor uit De Wonderschelp. Een verhaal over Piggelmee, net als Het Tovervisje. Toen het midden in een woord ineens stil werd, en wij verbaasd opkeken, zagen wij dat vader in slaap was gevallen. Door de frisse buitenlucht waarschijnlijk en een hele week hard werken, tot en met zaterdagochtend.

Mijn moeder las ons gedichtjes voor van Annie M.G. Schmidt. We genoten. En, een groter contrast is nauwelijks denkbaar, gedichten van Willem de Mérode: Waar is Vitellus, de wafelverkoper. Ik kende het op het laatst uit mijn hoofd, die prachtige cadans. Ook de sprookjes van Andersen waren door ons geliefd: De Sneeuwkoningin en Het Sparreboompje, winterse verhalen waar ik warme herinneringen aan bewaar.

img018

Wij leerden zelf lezen. En hoewel we het niet breed hadden, zoals dat heet, kregen we toch regelmatig een boek. Verjaardagen en sinterklaas waren uitgelezen gelegenheden om er een cadeau te krijgen. De boeken van de Arbeiders Pers waren bij ons goed vertegenwoordigd. Maar er viel ook het een en ander te sparen, bij pindakaas en jam bijvoorbeeld, waardoor wij in het bezit kwamen van boekjes over Arretje NOF en Flipje. En na de kerstviering van de Zondagschool was er altijd weer een nieuw deeltje van W.G. van de Hulst: Van de boze koster, Voetstapjes in de sneeuw. Heerlijk, hoe dramatisch het verhaal ook was, op de laatste bladzijde kwam het altijd weer goed.

Mijn opa heeft, ook wat boeken betreft, een grote rol gespeeld in mijn leven. Van hem kreeg ik leuke, fantasievolle kinderboeken. In pocketuitvoering, heel bijzonder! Prachtig vond ik Knikkertje Lik, Jeroen en de Zilveren Sleutel; ik heb ze letterlijk stukgelezen. Toen ik volwassen was, begreep ik pas de filosofische strekking van de verhalen. En de link naar de Griekse mythen. Ik ben hem daar heel dankbaar voor. Maar ook voor de literatuur die hij me, tijdens mijn HBS-periode, aanreikte: Vestdijk, Louis Paul Boon, Leo Vroman.

Lezen, ik ben ermee opgegroeid. Mijn kinderen uiteraard ook. En zij geven het weer door aan hun kinderen. Nog even, dan zijn zij groot genoeg en kan ik ze mijn lievelingen voorlezen. Ik begin met Knikkertje Lik. En daarna……

Zomers van toen

Vroeger duurde de zomer lang. Lang genoeg om alles te doen wat je je aan het begin van de vakantie had voorgenomen. Er waren geen regenachtige dagen. En gebeurde dat toevallig toch een keer, dan bouwden we een hut in de kamer, waar we ook in mochten eten. Eindeloos speelden we buiten. Op de ‘landjes’ stikte het toen nog van de rupsen. Geen zorgen om het uitsterven van de vlinder. Een veldboeket plukken was een heerlijke bezigheid. En zo dankbaar; mijn moeder was er altijd heel blij mee. Ze leerde ons de namen van de bloemen. Daar heb ik nu nog plezier van. Salamanders lieten zich gemakkelijk vangen. En even zo gemakkelijk verdwenen ze weer uit de zinken teilen waarin mijn broer hun terrarium had ingericht. We doorzochten de hele schuur: weg waren ze. Dagen zaten we aan het slootje om te vissen. Wat we vingen lieten we weer vrij. De geur van versgevangen vis; ik ruik het nog.

Met mijn nichtje C logeerde ik bij oma en opa van moeders kant. In hun achtertuin bloeiden de hele zomer dahlia’s in alle kleuren en maten. Daarin stikte het altijd van de oorwurmen. Op zaterdag mochten we opa helpen het grind aan te harken, zodat het er voor de zondag netjes bij lag. Aan de overkant van de weg was de boomgaard. Heerlijke peertjes groeiden daar. En wij konden goed klimmen; het hek was een makkie. Voor het oversteken hoefde je niet eens uit te kijken, er was zo weinig verkeer. We gingen daar ook graag naar het zwembad. Soms mochten we iets kopen, een stroopsoldaatje bijvoorbeeld. Met opa wandelden we over ‘Het Zwarte Pad’. Waarom dat zo heette was niet bekend, het was niet zwart. Hij vermaakte ons met grappige uitdrukkingen, woordgrapjes. En hij heeft ons, dat weet ik nu, op het spoor gezet van de filosofie. Als het al een keer slecht weer was, mochten we op oma’s handnaaimachine poppenkleren maken. Ze leerde ons de kneepjes van het vak.

Bij opa en oma van vaders kant kwamen we ook altijd in de zomer. Op oma’s verjaardag. Met de neefjes en nichtjes speelden we op de bleek. Aan de overkant was een weiland. Je kon daar op het hek zitten mijmeren. En als je durfde ging je naar de koeien, als die er waren. Met mijn vader durfden we altijd.
Soms nam hij ons mee naar de spoorlijn. Daar kon je dichtbij komen, maar gevaarlijk was het wel. Opletten dus. We gingen iets spannends doen. Eerst legde mijn vader zijn (goede) oor op de rails. Als hij hoorde dat de trein in aantocht was, plakte hij met spuug een cent op de rails. Op ruime afstand wachtten wij tot de trein voorbij was gedenderd. Dan was het zoeken geblazen naar de cent, die zo plat was als een dubbeltje.

img038

Op zulke zonnige, warme dagen als nu, gaan mijn gedachten terug naar de zomers van toen. Mooie tijden waren dat. We hebben leren genieten van kleine dingen.

Zie ook andere berichten geplaatst in de categorie familie, bijvoorbeeld Het laatste woord: http://wp.me/p36K0e-1V

Oidipous

Een donderslag bij heldere hemel
Doet mij de oren suizen
Geen wraak
Doch welgezind is mij de dood
Met vaste tred
Betreed ik werelden die ik nooit zag
Of ooit zal zien

Onkundig van de vloek was ik
Mijn leven lang
Blind voor het lot
Dat mij volgde als
Mijn eigen schaduw

Uit angst verstoten
Maar eens een prins
Maakt een mens
Voor altijd
tot een koningszoon

Ik die het raadsel van het leven ken
Was niet bekend
Met hem die mij het leven schonk
Daar waar heden,
Verleden en toekomst
Zijn verknoopt
Beroofde ik hem van het zijne

DSC07634

O, moeder, mijn vrouw
Wee mij,
Die jouw verborgen ruimte deelde
Met mijn eigen gebroed
Onwetend, onbewust

Maar nu
Kenner van het eigen lot
In mijn zelf geschapen duister
Lijkt niets wat het is
Is niets wat het lijkt

In grote eenzaamheid
Daal ik af
Ongebonden
Het doel bereikt
Slechts mens geweest
Op aarde

DSC07021

Brief aan Beatrix

Lieve Koningin,

Nog een week en dan komt er een einde aan uw koningschap. U wordt opgevolgd door uw oudste zoon. Dat dat ooit zou gaan gebeuren, weet u natuurlijk al vanaf zijn geboorte. En het lijkt me dat je zo’n kind anders bekijkt dan de andere. Dat je je onwillekeurig regelmatig afvraagt of hij het aan zal kunnen. Dat je je regelmatig realiseert dat zijn toekomst vastligt, dat hij het maar heeft te doen. Dat hij wel eigen keuzes kan maken, maar altijd binnen de grenzen van de regels en normen van het koningschap. Dat zal in uw situatie niet anders zijn geweest: ook uw moeder heeft zich waarschijnlijk dezelfde vragen gesteld. In de fragmenten die op de tv werden vertoond na de aankondiging van uw abdicatie, zagen wij dat zij een enorm vertrouwen in u had. Dat heeft u nu in uw zoon. Wat zult u met trots naar hem kijken die dag. En zijn eerste officiële optreden zal zeker ontroering teweeg brengen bij u als moeder. Maar ook vreugde. Uw hart zal vol zijn.

Het volle hart… Wat zult u ze missen in deze tijd van grote veranderingen: uw man met wie u zoveel heeft gedeeld. Van wie u zoveel heeft gehouden; ja, dat was te zien. En uw zoon, die al meer dan een jaar onbereikbaar is. Om wie u zoveel verdriet heeft. Uw ouders….. Uw gedachten zullen bij hen zijn. Maar professioneel als u bent, zult u met opgeheven hoofd, de schouders eronder, deze laatste klus klaren.

Nog een week en dan is het zover. Verhuizen en opnieuw beginnen. Ik vermoed dat u dat doet met gemengde gevoelens. U bent er natuurlijk van overtuigd dat uw zoon het goed zal doen (in twee betekenissen); hij is tenslotte langdurig voorbereid op zijn nieuwe werkzaamheden. En toch lijkt het me vreemd en onwennig om de taak waar u zich altijd met hart en ziel van hebt gekweten, over te dragen aan de man in wie u ook nog steeds het kind ziet.

Hij zal weten dat u hem blijft steunen, dat hij altijd om advies kan vragen. Dat u achter hem staat, zoals het een moeder betaamt. En mocht hij eens struikelen, dan weet hij dat u er bent om hem op de been te helpen. U klopt het stof van zijn kleren en met een glimlach zult u zeggen: niets aan de hand.

1959187210

Trijntje Zwijgers

Zou hij ooit nog wel eens aan haar denken, mijn broer in Amerika? Aan Trijntje Zwijgers?
Toen ik twaalf jaar was verhuisden wij naar Oud-Beijerland, in de Hoekse Waard. Van de stad naar het boerenland. Voor mijn vader was dat heerlijk; hij heeft zijn afkomst nooit verloochend. Bovendien had hij promotie gemaakt. Het gaf hem een goed gevoel dat hij door zelfstudie zo ver gekomen was. Voor mijn moeder was het moeilijk; zij miste de stad. Waar ze erg van genoot was haar rol van alwetende vrouw en moeder: in de nieuwe wijk streken veel pas getrouwde paartjes neer. Ze werd vraagbaak, raadgeefster en luisterend oor.

DSC06649

Ik kan me niet herinneren dat wij, mijn broers en ik, er ook maar iets van vonden: wij namen het zoals het was. Maar we genoten wel van de ruimte. Niet meer in de flat, driehoog, maar zo de deur uit. Fietsen, vissen, salamanders vangen. Zwemmen in de rivier.

Door het werk van mijn vader (hij werkte bij de belastingdienst) had hij veel contact met de boerenbevolking. Hij hielp waar hij kon. En vaak kreeg hij daarvoor uit dankbaarheid een beloning in natura. Wij spreidden maar wat graag een hele kist cox op de zolder uit. Wekenlang rodekool eten was niet zo’n probleem. Een mud aardappels in een jute zak in de schuur, naast het kolenhok, prima. Maar de twee hazen die een keer voor Kerst werden gebracht deden me de adem in de keel stokken. We hadden daar allemaal gemengde gevoelens over. De twintig eieren met Pasen kwamen beter tot hun recht.

Die eieren kwamen van boer Zwijgers. Hij woonde een half uur fietsen bij ons vandaan. Op een zonnige zaterdagmiddag – in mijn herinnering was het daar altijd mooi zomerweer op die ene winter van 1963 na – fietsten mijn ouders, mijn broers en ik naar de boerderij. De bruine, leren boodschappentas hing bij mijn moeder aan het stuur. Eieren kopen was het plan.

Na die keer zijn we dat nog veel vaker gaan doen. Meestal gingen mijn broer G en ik alleen. En nooit, maar dan ook nooit ging mijn moeder meer mee. De ‘geur’ van onverschoonde kattenbak was te veel voor haar geweest. Erg veel zeep zal er in huize Zwijgers niet gebruikt zijn.

Wanneer mijn broer en ik terugfietsten hadden we het steevast over de groene tanden van de dochter des huizes, Trijntje. En op de dijk haalden we diep adem. De eieren, zorgvuldig in krant verpakt in de bruine boodschappentas aan het stuur, zullen zeker door mijn moeder voor gebruik zijn afgespoeld.

Na veertien dagen gingen wij weer. Met een heerlijk gevoel van afschuw en ons verheugend op het gesprek op de terugweg over de tanden van Trijntje Zwijgers.

boerderij-10