Panta rhei

img093De zon stond al laag en wierp lange schaduwen over het ongerepte land. Het koren kleurde goud in de laatste stralen. Een briesje deed de bladeren van de abelen zacht ritselen. Verder was het stil. De wereld leek nieuw.

Aan de einder werd de gestalte van een man zichtbaar. Terwijl hij langzaam naderde en zich losmaakte van de achtergrond werden zijn nobele gelaatstrekken zichtbaar. Rustig, met vaste tred keerde hij huiswaarts. Hoewel tenger van bouw, straalde hij een kracht uit, die niet van deze aarde leek. Wie zou hem deren? Oplettend en doelbewust dreef hij zijn kudde bij elkaar en bracht de schapen binnen de omheining. Veilig voor de nacht.

Vertrouwen, zei hij tot zichzelf. Hoe zou hij kunnen overleven zonder vertrouwen? Het leven was een harde leerschool. In het zweet uws aanschijns, stof zijt gij…. Ja, hij wist het wel, het was er in zijn jeugd ingehamerd. Maar toch. Het woord, het geheim, het was hem nog zo nabij.

Wanneer hij alleen was, in het veld, en zijn gedachten de vrije loop liet, borrelden de verhalen op die zijn ouders vertelden. Over schoonheid en blijdschap, zorgeloosheid en angst.
De angst bezweren. Hij wist hoe het moest. Hij zou zijn dankbaarheid tonen. Oprecht zijn. Erkennen dat er een grotere macht was dan hij.

De stenen waren gestapeld. Een haal van het mes velde het bokje. In dankbaarheid knielde hij neer. Het vuur verteerde het diertje en de rook droeg zijn gebed omhoog. Zijn ogen vulden zich met tranen; vreugde vulde zijn hart.

Hij zag hem niet komen. De man, zijn broeder, die in blinde haat op hem insloeg. Met tranen van woede in de ogen, afgunst en jaloezie in het hart. Vervuld van eigendunk en eigenwaan. Het vuur van zijn offer gedoofd.

De wereld zou nooit meer hetzelfde zijn.

——————————————————————————————————————
Dit is een verhaal in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato (Hier kun je meer leuke, spannende, bijzondere WE-verhalen vinden). Het werkt als volgt: schrijf een tekst van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: twisten.

Het plaatje komt uit de kinderbijbel van Anne de Vries en is getekend door Cornelis Jetses.

Pasen, een herinnering

Pasen is weer voorbij. Het feest van de vruchtbaarheid. Het feest van het nieuwe leven. Ostara doet haar werk, tegen de verdrukking in.
Voor altijd zal Pasen voor mij verbonden blijven met de geuren van tulpen en narcissen.

In mijn Haagse tijd mocht ik meezingen in het jeugdkoor van Teun Groen, cantororganist van de Adventkerk. Dat betekende wel dat ik, onder de les, midden in de klas, moest voorzingen. Doodeng, natuurlijk, maar je moet wat voor je ambities over hebben. (Dat ik daarna gepest zou worden konden we nog niet weten, maar ja hoor, ook toen al) Ik werd ingedeeld bij de alten. Het was leuk, meerstemmig zingen, en vaak studeerden we iets in voor tijdens de kerkdienst.

De Adventkerk

De Adventkerk

Het waren de jaren vijftig. Het was een vooruitstrevende gemeente, in een nieuwe wijk: er kon en mocht veel. Het gebouw was zeer modern. Het interieur strak en licht. De wandplastieken vond ik heel bijzonder. Wanneer je ze nu ziet, zeg je: typisch jaren vijftig. Maar nog steeds vind ik ze mooi en tot de verbeelding spreken. Het mooiste vond ik het glas-in-loodraam. Het paste goed bij het moderne gebouw. En je kon er heerlijk bij wegdromen.

De vier evangelisten, Dirk Hubers

De vier evangelisten, Dirk Hubers

Het zal begin jaren zestig zijn geweest. Pasen. We zouden in de kerk een Paasspel opvoeren. (De Passie avant la lettre) Spelers waren snel gevonden: het hele koor deed sowieso mee, de blokfluitgroep (waar ik ook lid van was, maar verder is het met de musicaliteit niets geworden) en nog wat oudste kinderen van de Zondagschool. Het doet mij nu vermoeden dat de organist het allemaal had bedacht. Voor die tijd zal het zeker modern en misschien zelfs lichtelijk gewaagd zijn geweest.

kansel

Op stille zaterdag was het zover. Hoe het allemaal precies is gegaan weet ik niet meer. Wel weet ik nog dat we het heel bijzonder vonden dat we ons mochten omkleden in de zaaltjes naast de kerk, waar we gewoonlijk nooit kwamen. Dat we daar wachtten tot we op moesten. Er heerste een vreugdevolle spanning; we oefenden de teksten nog maar een keer. We kregen broodjes, wat voor iedereen een traktatie was. En toen de schemer inviel, stroomde de kerk vol. We waren er klaar voor.

Daar liepen wij, in witte gewaden. We zongen: Hosianna! Da-ha-ha-ha-havids Zoon. We zwaaiden met de narcissen en de tulpen; Palmpasen. En die geuren brengen mij altijd weer even terug in de tijd dat alles nog mooi en goed was.

Nu weet ik beter; ik ben allang het paradijs uitgejaagd.

Adam en Eva uit het Paradijs verdreven,
Friso ten Holt

Adam en Eva uit het Paradijs verdreven,
Friso ten Holt