Toevallige poezen

img017

Van de week werd op de BBC een programma uitgezonden waarin onderzoek werd gedaan naar het geheime leven van de kat. In een plaatsje in Surrey werd mensen gevraagd hieraan mee te doen. Er was plaats voor vijftig katten. Het liep storm. De deelnemende poezen kregen een halsbandje om met een gps-systeem. Op computerschermen was duidelijk te zien waar de katten uithingen en welke route ze volgden. Opmerkelijk was dat de meeste katten dicht bij huis bleven; slechts twee durfden het aan om een tripje van zo’n tweehonderd meter te maken. Omdat men ook wilde weten wat de beestjes, vooral ’s nachts, uitspookten, kregen sommige een cameraatje om de nek. De kijker had nu vooral zicht op de onderkant van het kinnetje en enorme snorharen aan weerskanten daarvan. Een prachtig gezicht! Er werd wat gejaagd, in bomen geklommen, onder auto’s gezeten. Maar ook waren we er getuige van dat een paar desperado’s andermans (anderpoes’) etensbakjes wisten te vinden; als je eenmaal weet hoe een kattenluikje werkt, is dat immers een fluitje van een cent. En daarvoor wilden ze best een flink eind afleggen (naar poezenmaatstaven).
Vooral leuk was om te zien hoe verrast de baasjes waren over de activiteiten en de actieradius van hun dier(en) en hoe vertederd en liefdevol ze over hen spraken.

Het was een heerlijk programma. Feit is wel, dat wij hier thuis nogal afgeleid werden van het volgen van tekst en uitleg, door de vertedering die de beelden opriep: leuke koppen, woeste blikken, lieve kussentjes, grappige neusjes, brede wangen, domme acties, eerder genoemde kinnen en snorharen, enzovoort.

In elk geval blijkt maar weer dat katten hun eigen leven leiden, hun eigen weg volgen, hun eigen beslissingen nemen; kortom, dat ze precies doen waar ze zin in hebben. Je kunt geen kattenbezitter zijn, maar wel kattenliefhebber.

Er was een periode dat er op krantenfoto’s veel “toevallige poezen” voorkwamen. Dat ze fotogeniek zijn, weten ze ook al lang.

img020

img018

http://www.bbc.co.uk/news/science-environment-22821639

Poezenpraat

DSC05899

In de buurt waar ik woon, wemelt het van de poezen. Zo’n jaren dertig wijkje met veel schuttingen en schuurtjes. Een poezenparadijs.

De stoere witte met een zwart petje scheef op zijn kop, de staart met het zwarte puntje brutaal in de lucht, balanceert zelfbewust over de smalle schutting. De grijze cyperse ligt op het schuurdak in de breihouding en houdt het vogelhuisje scherp in de gaten. Het jonge zwarte katje rent en vliegt en springt met vier pootjes tegelijk van de grond. Hij denkt nog dat hij met alle buurtkatten kan aanpappen. Ze zullen hem wel leren. De wollige schilpadpoes droomt bij het minivijvertje van een lekker hapje. Het enige lapje uit de straat loopt nuffig langs met de neus in de lucht; met dat gespuis wil zij zich niet inlaten.

En o, die leuke, domme rooie met zijn grote witte slab voor. Die vragende blik in zijn groene ogen. Rode katten vragen zich hun hele leven af, wat zij hier doen, terwijl het antwoord zo voor de hand ligt: onze ogen strelen.

Vertederend vind ik de oude grijze cyper met het rode bandje. Met enige regelmaat zit hij buiten in de vensterbank. Hij mauwt zachtjes, zie ik. Maar Pim komt niet meer buiten spelen. En Guus niet. En Koos en Muis evenmin. Zij spelen met zilveren opwindmuisjes, eten zalm uit gouden bakjes, slapen in bontgevoerde mandjes en weten zich eeuwig geliefd en gestreeld. Maar maak dat de kat wijs.