Stormy Weather

Even snel een paar boodschappen doen bij de grootgrutter die iedereen wel kent, (“Ah! Bedoel je die?” “Jah!”) leidde tot de tweede bijzondere gebeurtenis van deze week.

Een grijsharige man in korte broek houdt me staande: “Heb je een telefoon bij je?” Ik stap af. “Ja zie je, die van mij ligt thuis, want ik ging alleen even een ommetje maken, maar die boom daar staat op omwaaien, dus we moeten 112 bellen…” Zonder blikken of blozen haal ik mijn mobiel tevoorschijn. Hij belt, maar het valt nog niet mee om de brandweer duidelijk te maken dat er haast bij is. De wind blaast keihard in het toestel dus over en weer kunnen ze elkaar moeilijk verstaan.
Ja, het stormt. De bomen staan vol in blad en vangen dus veel wind. En deze staat met zijn voeten bijna in het water. Geen houvast. Bij elke nieuwe windvlaag helt de boom naar voren, over de weg heen en trekt een flinke plak grond mee omhoog. Het is link: als hij valt, worden er zeker twee auto’s geplet.

Eindelijk is het geregeld, de brandweer wordt opgeroepen en zal zo snel mogelijk naar de Count Basiestraat komen. De man blijft in de buurt om voorbijgangers op het gevaar te wijzen. Ik race weg, doe snel die paar boodschappen en als ik mijn fiets van het slot haal, zie ik in de verte de brandweerwagen al aankomen.

Ik gedraag me als een ware ramptoerist en schaar me bij – hoe gaat dat zo snel? – de menigte die door een politieagent vakkundig op afstand wordt gehouden. De twee auto’s zijn uit de gevarenzone verdwenen.

Hoeveel brandweerlieden passen er in een brandweerwagen? Heel wat, zo blijkt. Wat zien ze er stoer uit in hun bruin-met-gele uniform. Degene die het voor het zeggen heeft, draagt ook nog een lampje op zijn borst, op alles voorbereid. Ze zijn allemaal in vol ornaat. Degene met de motorzaag heeft de belangrijkste taak: vakkundig zet hij het apparaat onder aan de stam en de zaag zoeft er als een mes door de boter doorheen. De plak grond zakt weer en de enorme kruin bedekt een groot deel van de straat.

Dan worden de takken verwijderd en de stam wordt in mootjes gezaagd. Het is een gezellige boel; het lijkt een uitje voor zowel politie als brandweer. Gewoon de straat afzetten, mensen op een afstandje houden, een beetje hangen en kletsen en een stukje zagen. Geen narigheid, geen brand, geen gewonden.

Plotseling komt met sirene en zwaailicht brandweerauto nummer twee over de brug aanrijden. Zo erg is het nu ook weer niet, maar je kunt natuurlijk nooit weten. Het doet me denken aan die keer op een camping in Frankrijk, waar een heel legertje pompiers uitrukte om een in de grond verstopt wespennest uit te roken.

En daar is de pers! Een fotograaf van ‘De Stadgenoot’ (nooit van dat sufferdje gehoord…) knipt maar raak. Een buitenkansje. En uiteraard zijn er vele mobieltjes in de aanslag. Die van mij ook.

De grijsharige man geniet volop. “Eigenlijk zouden wij op de foto moeten”, zegt hij met een vette grijns, “zonder ons had niemand zo’n leuke middag gehad.”

Eenvoudige invuloefening

verwaarloosde tuinHet had te lang geduurd, vond ze. Eerder zag ze nog wel eens de buurman, die zijn witte keffertje uitliet. Een glimp van de buurvrouw die de stofdoek uitklopte. Maar al weken leek het uitgestorven bij de buren. Er klonken geen kribbige, ruziënde stemmen meer. De gebruikelijke etensluchtjes had ze al tijden niet geroken. Het ziekelijke hoestje van de buurvrouw niet gehoord. De auto stond niet meer op de vertrouwde plaats in de straat. De gordijnen bleven dag en nacht gesloten. De voortuin veranderde zo langzamerhand in een wildernis. Nee, ze vertrouwde het totaal niet.

Aanbellen was niet zo’n goed idee, wist ze uit ervaring. Te vaak was zij door de altijd geïrriteerde man geschoffeerd. Ze mochten haar niet zo. Eigenlijk mochten ze niemand uit het knusse jaren tachtig buurtje. Ze waren buitenbeentjes en stelden zich ook zo op. Ze leefden hun eigen leven in hun eigen wereldje. Met niemand iets te maken, wel zo rustig.

Op een mooie maartse middag toen zij met haar breiwerk in de tuin zat, hoorde ze dat de achterdeur bij de buren van het slot werd gedraaid. Uit het gekuch kon ze opmaken dat het de buurman was, die zich in de tuin waagde. Hij scharrelde wat rond in de schuur en veegde het straatje aan. Heel gewone handelingen eigenlijk. Maar het gaf haar een unheimisch gevoel.

De dagen die volgden hield zij scherp in de gaten of ze iets hoorde of zag. Als ze de deur uitging en langs het huis liep, zag ze de gordijnen bewegen: ze werd bekeken. De overburen, dacht ze, misschien hebben die iets gezien. Op haar vraag kreeg ze een ontkennend antwoord, maar men deelde in haar zorgen. Zo langzamerhand begon het rond te zoemen in het buurtje.

Op een ochtend werd een gedeelte van de straat met rood/wit lint afgezet. De politie liep af en aan. Ze begreep dat haar unheimische gevoel terecht was geweest.

Ze wilde niet thuis blijven. Snel pakte ze haar fiets uit de schuur. Toen ze door het steegje reed, moest ze plotseling remmen voor een klein wit hondje. Het wurmde zich grommend tussen de verrotte planken van de schutting door. Haar hart stond bijna stil, toen ze zag wat hij tussen zijn kaken meezeulde.

De foto komt van het internet.
——————————————————————————————————————–

Precies een jaar geleden: Blauw meisje