Galerie ‘De Praam’

Iedereen kent het wel, denk ik, het begrip rommellaatje. Allerlei onbestemde spulletjes – ‘troep’ zou mijn moeder gezegd hebben – verdwijnen daarin en komen er nooit meer uit. Behalve in zeer speciale gevallen. Een voordeel is dus, dat wanneer je iets kwijt bent, het de moeite loont eerst dat laatje eens door te spitten. Een ander voordeel is dat je spulletjes die je eigenlijk niet kwijt wilt, maar werkelijk niet weet waar je ze moet laten, daar altijd kunt dumpen. Voor de eeuwigheid. Of zo.

Zo kwam het dat ik laatst, toen ik naar pleisters zocht en die niet kon vinden, ten einde raad een blik wierp in ‘het laatje’. Gelukkig vond ik er een verdwaalde kinderpleister. Na hem stevig om de vingertop te hebben gewikkeld, kon ik veilig het piepkleine fotootje, waarvan ik een klein stukje zag, uit de la vissen. Een contactafdruk, zoals wij die vroeger maakten, om te bepalen welke foto’s we daadwerkelijk gingen afdrukken. Zwart-wit, uiteraard. Op de foto zie je een witte muur met daarop een ‘object’. Het is een scheepsluik, waarvan ene Kees een bijzonder kunstwerk had gemaakt. En het hing aan een van de muren van onze boerderij in Ouderkerk aan de IJssel.

Met een sneltreinvaartje schoot ik zomaar weer eens vijftig jaar terug in de tijd.

In onze Ouderkerkse periode ontmoetten we nogal wat beginnende kunstenaars. Pottenbakkers, schilders, een beeldhouwer, en Kees dus. Sommigen woonden, net als wij, langs de dijk naar Gouda. Maar in Gouda gebeurde het in die tijd en zo kwam het dat rond de Sint Jan vrij veel kunstenaars huisden. Daar ontstonden ateliertjes, galerietjes, gezellige kroegjes. (Het is nog steeds een kunstzinnige buurt) Het klinkt nogal kneuterig en dat was het toen eigenlijk ook. We kwamen hier graag na het werk of in het weekend even buurten. En we kochten weleens wat. Terwijl het allemaal gezellig en levendig was, was het voor velen armoe troef.

Dat inspireerde ons tot een ‘woest’ plan. In onze verbouwde boerderij onder aan de IJsseldijk zouden wij een galerie gaan beginnen. Een naam hadden we al snel bedacht: ‘De Praam’. Natuurlijk was de naam niet toevallig gekozen. In het boerenlandschap langs de Hollandse IJssel werden die platte schuiten veel gebruikt om koeien, melkbussen en dergelijke mee te vervoeren. En wij vonden, heel idealistisch, dat onze galerie dienst deed om de kunst naar de mensen te brengen.

Na enige formaliteiten (inschrijven bij de K.v.K. onder andere) richtten we de grootste ruimte van het huis in met kunst: schilderijen, etsen, keramiek, alles kon een plaatsje krijgen in onze strak ingerichte woonkamer. Voor ons was dit natuurlijk een extra leuke bijkomstigheid. We zaten ‘tussen de kunst’ en we ontmoetten veel leuke mensen.

De galerie trok vooral in het weekend veel bekijks, vooral ook omdat de scheepsluiken van Kees, die echt veel te groot waren om binnen te op hangen, aan de buitenmuur waren bevestigd.
We hadden alle werken in consignatie en we waren de koning te rijk als er wat werd verkocht. De desbetreffende kunstenaars uiteraard ook. Het was een mooie tijd. Er waren niet veel regels. Alles liep zo soepel en natuurlijk. Kom daar nu nog eens om.

Ik heb nog aardig wat keramiek uit die tijd, maar alleen twee stukken die ik het mooist vind en een bronzen beeldje staan in mijn kamer. Ze nemen zo’n vanzelfsprekende plaats in, dat het me vaak niet meer opvalt.
Maar toen was het bijzonder. En eigenlijk vind ik dat nog steeds.

Advertenties