De verjaardag

Jongens, vertel me, waar zijn nu toch ineens
Die lieve mollige handjes gebleven
Die gretig grepen naar speelgoed en koekjes
Ik lette zeker even niet op

En mannen, ook wil ik graag weten
Waar zijn die voetjes, in kleurige slofjes
Waarop jullie nieuwsgierig de wereld betraden
Ik heb waarschijnlijk iets gemist

En trouwens, hoe zit het met dat kleine lijfje
In schattig-stoere kleertjes
Bolle wangetjes en buikje, waar zijn ze nu
Had ik mijn ogen soms in mijn zak?

Jongens, zeg maar niets, zo gaat het dus
Het is verrassend jullie te zien groeien
Leuke peuters veranderen in leuke pubers
Ik kijk verrukt mijn ogen uit

Mijn tijd krimpt, jullie tijd rekt uit
Ik kijk terug, mijmer over vroeger
Jullie gaan in volle vaart het leven tegemoet
Met groot vertrouwen zie ik het gebeuren

Geen sprookje

narcis-13klein

Met haar rug tegen het tuinhekje geleund genoot ze van de vroege zonnestralen die vonken schoten uit haar rode haar. De vogels stuurden adembenemende trillers door de ochtendlucht. Bloesemblaadjes dwarrelden omlaag. Ze ving er een paar in haar uitgestrekte hand en zuchtte. In haar hart groeide een groot verlangen, maar ze wist niet waarnaar. Een onbestemd gevoel. Onrust, gecombineerd met een loom, relaxt gevoel. Ze wilde opspringen, rennen, dansen, lachen, schreeuwen. Tegelijkertijd liet ze zich omlaag glijden tot ze bijna in het hoge gras verdween. Ze spreidde haar armen en benen, sloot haar ogen en ademde diep. O, wat hield ze van dit leven en wat haatte ze het!

Er dreunde al dagen een zin door haar hoofd: De tijd van de sprookjes is voorbij. Dat zei oma vorige week toen ze samen in de tuin aan het werk waren. “Ja kind”, zei ze, “je wordt groot. En dat zal helemaal snel gaan wanneer je na de zomervakantie naar de middelbare school gaat.” Ja, dat wist ze wel. Dat zag je aan Wolfgang. Die deed steeds zo stoer, met dat fietsje van hem. Een nieuw leven; ze zag ertegenop en tegelijkertijd keek ze ernaar uit. Haar moeder vond dat ze begon te puberen. Ze werd dwars en deed niet meer klakkeloos wat haar werd opgedragen. Mocht ze misschien zelf eens gaan onderzoeken hoe het leven in elkaar zat?

Oma veranderde ook. Nog even lief als vroeger, maar stiller, beschouwender. Ze vertelde niet zoveel meer. Vroeger, ja toen kon ze uren vertellen. En zij geloofde alles. Heksen, reuzen, kabouters, het ging erin als de koek van het huisje van de heks van Hans en Grietje. Als vrouw Holle de dekbedden opschudde, begon het op aarde te sneeuwen. Als je een kikker kuste, werd hij een prins. Een prins op een wit paard. Nu geloofde ze het allemaal wel. Ze was er een beetje klaar mee. Oma werd oud, zij werd groot.

“Ruby!” Natuurlijk. Ze had erop kunnen wachten. Altijd als ze diep in zichzelf was verzonken, riep haar moeder. Met tegenzin kwam ze overeind. Ze trok haar kleren recht en slenterde over het grindpaadje naar huis. “Wat is er?” “Ach meid, oma heeft net gebeld. Ze voelt zich al dagen niet lekker. Wil je niet even bij haar langs gaan om te zien of je wat voor haar kunt doen? Neem in elk geval het restje appeltaart mee.” “Ook toevallig, ik lag net aan haar te denken. Ik fiets er wel even naar toe.”

Het stadspark sluimerde in het zonlicht. Het jonge groen van de berken stak scherp af tegen het heldere blauw van de lucht. In het gras stonden de narcissen in bloei. Ze keek om zich heen: niemand. Snel smeet ze haar fiets tegen een boom en plukte een flinke bos. Trompetnarcissen. Dat had oma haar geleerd. Als klein kind had ze altijd gedacht dat kabouters op die trompetjes bliezen. Een concert midden in de nacht. Nu wist ze over kelk- en kroonbladen. Stampers en meeldraden. Een hommel verdween zoemend in een bloem.

“Wat doe je? Vakantieklusje bij de plantsoenendienst?” Ze keek op. Recht in het pukkelige gezicht van Wolfgang. Hij kon het niet laten zijn neus in andermans zaken te steken. “Ja, wieden, zoals je ziet. En jij?” Met een ruk trok Wolfgang zijn voorwiel omhoog en liet zijn fiets steigeren. “O, beetje rondrijden. En kijken wat kleine meisjes zoals jij uitspoken.” “Nou kijk dan maar goed. Ik jat deze bloemen voor mijn oma. Als je me maar niet verraadt, met die grote mond van je. Heb je me gehoord?” Hij snoof en veegde met zijn hand langs zijn neus. “Als ik met je mee mag.” “Naar oma? Ben je gek. Je weet je vast niet te gedragen. Ze is trouwens ziek.” Ze schudde haar rode haar, rechtte haar rug en liep traag terug naar haar fiets. “Ik denk niet dat jij een goed effect op haar gezondheid hebt”, riep ze over haar schouder, “bovendien heb ik maar een klein stukje appeltaart.” Ze liet de narcissen voorzichtig in haar fietstas glijden. “Ah, Rubs, ik vind je oma aardig. Ik zal me gedragen. Doen wie er het eerste is?” Hij liet zijn voorwiel stuiterend op straat terecht komen en spurtte weg. “Tjongejonge”, dacht ze, “eikel!”

Het lukte haar niet hem in te halen op haar opoefiets. Onderwijl probeerde ze haar strategie te bepalen. Gastjes zoals Wolfgang moest je niet teveel aanmoedigen. Ze zou hem maar een beetje negeren. Hij dacht dat hij heel wat was, nu hij in de brugklas zat, maar hij bleef een klein uitslovertje. Ze moest er een beetje om grinniken. Er zat wat in, wat haar moeder zei: “Eén vrouw is tien mannen te slim af.” Ze had hem door, maar ze zou het niet laten merken.

Toen ze haar fiets tegen die van Wolfgang zette, tegen het raam, zag ze hem al zitten. Oma kende hem wel. Ze moest vreselijk lachen om iets wat hij had gezegd, blijkbaar. Nou, heel ziek zag ze er in elk geval niet uit. Als vanouds liet Ruby zichzelf binnen met het touwtje dat door de brievenbus stak. Daar moest oma toch echt mee ophouden. Veel te gevaarlijk.

“Oma, bloemen! En taart! Hoe gaat het?” Twee zoenen op de rimpelige wangen. “Ha kind, fijn dat je er bent. Wolfgang zei al dat je de mannen van de plantsoenendienst had geholpen. Echt aardig dat ze je die bloemen cadeau hebben gedaan.” Ruby kuchte en zette het bakje met de appeltaart op het tafeltje en liep naar de keuken om schoteltjes en een mes te halen. Wolfgang voerde het hoogste woord. Hij slokte oma’s aandacht volledig op. De ene mop na de andere rolde uit zijn mond. Eindelijk stapte hij op. “Later!”, riep hij, met een gekke bek naar Ruby. Hij wurmde zijn fiets achter die van haar vandaan en sjeesde weg. Ze zuchtte eens diep.

Oma keek haar aan, legde een hand op haar knie. “Kijk uit voor die Wolfgang, Ruby”, zei ze met een grijns, “hij vindt je leuk. En hij kijkt naar je of hij je wel kan opvreten….”

——————————————————————————————————————-

De foto komt van het internet.

Op de sofa

FreudEerlijk gezegd vraag ik me af of dit nog zin heeft. Deze gesprekken. Beter wordt het toch niet. Ik zal altijd wel zo blijven. Niemand gelooft me, zelfs u niet. Ook u denkt dat er nog wel iets te veranderen valt. Te verbeteren. Maar ik weet het zeker; je kunt het toch zien? Hoe dik ik ben?

Vroeger had ik er niet zo’n erg in. Op de basisschool was er eigenlijk nog niks aan de hand. Dat heb ik toch al eens verteld? Dat mijn zusje tien keer mooier was dan ik, kon me niet zoveel schelen. En dat ze honderd keer slimmer was ook niet. Ik trok met jongens op. Ik wist waar de goede klimbomen stonden, waar je hutten kon bouwen. Vuurtje stoken. Dat was een mooie tijd.

Tot groep acht. Ik kreeg borsten. Mijn gezicht werd voller. Ik kreeg een dikke kont. Ja, bij andere meisjes gebeurde dat ook. Maar niemand werd zo dik als ik. Op de middelbare school werd het nog erger. In elk spiegelend oppervlak kon ik het zien. Ik barstte uit mijn kleren. Mijn moeder zag het niet. Die zag eigenlijk helemaal niets. Nee, sinds mijn vader ervandoor ging, was ze alleen nog maar met zichzelf bezig. Zij zou hier moeten zitten, eigenlijk.

Ja, ze heeft wel gezorgd dat ik hier terecht kwam. Dat klopt. Maar ik wil niet meer. Elke dag die weegschaal. Elke week die gesprekken met u. Kan het niet wat minder? Ze laten me hier niet met rust.

Ik kan er niet meer tegen. Ik moet eten van ze. Ze zitten erbovenop als ik mijn boterham smeer. Boter! Pindakaas! Ik walg van die vette boel. En uitkotsen mag niet. De hele dag wordt er op me gelet. Eten! Ik kan niet meer. Ziet u dan niet hoe dik ik ben?

——————————————————————————————————————-

Dit is een verhaal in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin je het sleutelwoord niet mag noemen. Deze keer was het verboden woord: afdingen.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Het plaatje van de sofa van Freud komt van het internet.

Pijnlijk genoeg

tandartsAls kind werd hij al eenzelvig genoemd. Hij vermaakte zich met niets en had zijn eigen verhalen. Hij was graag alleen. – Tegenwoordig zou zo’n kind bestempeld worden als autistisch. – Hij ging daarom ook niet graag mee op bezoek. Maar zijn ouders vonden dat hij zich daar overheen moest zetten. Een jongen moet flink zijn. Voor zijn zusje werden andere maatstaven gehanteerd.

Sommige bezoekjes vonden niet meer dan een keer of drie per jaar plaats. Aan zijn enige tante bijvoorbeeld. Altijd ongetrouwd gebleven en totaal niet geïnteresseerd in kinderen. Vreselijk vond hij het daar. Hij nam altijd een boek mee; al lezend sloot hij zich af.

Maar het ergst zag hij op tegen de bezoekjes die hij alleen met zijn moeder en zusje aflegde. Een keer in de zomer en een keer in de winter. Zijn zusje had daar, net als hij, ook een vreselijke hekel aan, maar omdat er altijd iets leuks tegenover stond, gingen ze zonder opvallend gemor mee.
Hij weet nog goed hoe er dan over hen gepraat werd. Met open mond luisterden ze naar de onbegrijpelijke gesprekken die er over hun hoofden heen werden gevoerd. Die ongezellige koude kamer. En die penetrante geur!
Tijdens zijn puberteit probeerde hij zo goed en zo kwaad als het ging deze bezoekjes te omzeilen. Meestal lukte het.

Eenmaal volwassen besloot hij geen contacten meer te leggen zonder dat er een uiterste noodzaak toe was. Maar nu was die noodzaak er. Al dagenlang voelde hij dat er geen ontkomen meer aan was. Pijnlijk genoeg.
Hij kondigde zijn bezoek telefonisch aan. Hij kon direct terecht. Het zweet stond in zijn handen toen hij de kamer betrad. Hij groette beleefd. Er werd hem een comfortabele stoel aangeboden.

“Zo meneer, doet u uw mond maar wijd open. Hopelijk bent u goed verzekerd; dat wordt een kunstgebit.”

——————————————————————————————————————-

Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijf-uitdaging van Plato. De opdracht is: Schrijf een verhaal van 300 woorden, waarin het woord waar het om gaat niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: verwaarlozen.

De foto komt van het internet.

*******************************************************************************************************************
Meer WE-300 verhalen lezen? Klik op deze link: https://ajroc.wordpress.com/category/we-300/