Beautiful white shoes

WITTE HERENSCHOEN PARIJS SPITSE LEEST

De wekker gaat. Ik geef er een klap op en scheur me los uit een vage droom, waar ik me direct al niets meer van kan herinneren. Terwijl ik me nog een keer omdraai, denk ik aan de ontmoeting van vanmiddag. Vandaag zullen we elkaar weer zien. Eindelijk. Na een periode van, ik reken snel, een half jaar zo ongeveer.

Mijn gedachten gaan naar de laatste keer. “Ik hoop je voorlopig niet meer te zien”, zei hij resoluut. Nog dagen dreunden die woorden door mijn hoofd. Zo gek was het niet, natuurlijk. Ik voelde het ook wel aankomen. Wat hadden we elkaar nou te vertellen? Heel vaak zat ik met een mond vol tanden als ik bij hem was en dan voerde hij het hoogste woord. Ik had al lang mijn conclusies moeten trekken, maar tegen beter weten in bleef ik hem trouw. Daarbij had hij me ook helemaal niet zo fijntjes behandeld, die laatste keer. Ik begreep het wel, hij kon niet anders. Maar toch.

En nu zomaar weer een mailtje. Hij wilde graag opnieuw afspreken. Of er niets gebeurd was. Kortaf, koel en zakelijk. Ik vond het tactloos. C’est le ton qui fait la musique. Maar ik ging overstag, gek genoeg. Ik moest hem zien en ik schoof wat in mijn agenda. Dinsdagmiddag. Wat kwam de afspraak met de kapper, ’s morgens, goed uit.

De dag kroop voorbij. Ik stortte me op simpele huishoudelijke klusjes: stofzuigen, strijken. Verstand op nul. Tegen half drie begon ik pas echt onrustig te worden. Zit mijn haar goed? Tanden poetsen! Geurtje op. Lippenstift? Nee, beter van niet, daar had hij een hekel aan. Door al dat gedoe ging ik bijna nog te laat van huis.

Ik ben ruim op tijd! Gelukkig. De tuinman is bezig met het weg harken van gevallen blad rond het riante pand. De voordeur staat op een kier. Het bekende luchtje. In de garderobe op de begane grond hang ik mijn jas op. Ik hoor mijn naam. Zo rustig mogelijk loop ik de trap op. De kamerdeur staat open. Hij is er: meteen vallen mij zijn schoenen op. Ik heb iets met schoenen. Spitse neus. Wit, soepel leer. O, ja hoor, ik val weer compleet voor deze man.
Hij kijkt me glimlachend aan. Hij vraagt hoe het met me gaat. “Ga zitten”, zegt hij vriendelijk. “Dank je”, stamel ik.

Terwijl hij met een van die prachtige witte schoenen het pedaal intrapt waardoor de stoel langzaam omhoog komt, pakt hij zijn spiegeltje en zijn haakje en zegt: ”Doe je mond maar open. We zullen eens kijken. Nog ergens last van gehad het afgelopen half jaar?”

——————————————————————————————————————-

De foto van de witte schoen komt van het internet.

Advertenties

De Folly

Wimpole_follyMet moeite nam hij de laatste treden. Zevenenzestig, hij wist het nog precies. Hij wiste zich het zweet van het voorhoofd; het was warmer dan hij had gedacht. De beloning was het uitzicht. Langzaam draaide hij rond, het hele landgoed overziend. Dit was zijn levenswerk.
Jarenlang was hij niet meer hier boven geweest. Tot vandaag. Hij had er niet bewust toe besloten. Terwijl hij zijn obligate ochtendwandeling maakte, werd hij er als het ware toe gedwongen.

De zware scharnieren piepten, toen hij de scheefhangende deur probeerde te openen. Hij moest flink kracht zetten. Kracht die hij nauwelijks meer bezat. Maar het kon nu niet anders. Hij had A gezegd, dus B volgde logischerwijs. De deur gaf mee en schraapte over de stenen drempel. Hij stapte de schemerige ruimte binnen. Er viel wat zonlicht door het kapotte dak. Hier en daar groeide een varentje tussen de stenen. Waar het regenwater naar binnen was gesijpeld, groeide mos op de muur. Hij ademde diep. De geur van vocht en rottend blad stroomde zijn neusgaten binnen. Rook hij nog meer? Nogmaals snoof hij diep. Nee, geen vreemde, unheimische geuren. Het stelde hem gerust. Hij had het ook niet verwacht. Niet meer, na al die jaren.

Het oude, verveloze houten bankje stond er nog. Behoedzaam ging hij zitten. Als vanzelf gingen zijn gedachten met hem op de loop. Hoeveel jaren was het geleden dat ze hier samen zaten? Hij was de tel kwijt geraakt. Hij sloot zijn ogen en leunde met zijn hoofd tegen de vochtige wand. Zijn hart begon sneller te slaan: was ze daar? Hij voelde haar been tegen het zijne, haar zachte wang, een haarlok. Zijn oude hand tastte naast zich: hout. Nee, natuurlijk was ze niet hier. Met een zucht opende hij zijn ogen en schudde zijn hoofd. Dit moest stoppen. Het was nu zo lang geleden, het had geen zin meer er nog langer over te piekeren.

Met weemoed dacht hij aan de laatste keer dat ze elkaar hier zagen. Hij, de landheer en zij een meisje uit het dorp. Had hij die folly daarvoor laten bouwen, voor hun ontmoetingen? Nee, hield hij zichzelf voor, dat was hij sowieso van plan geweest.
Die laatste keer. Wat hadden ze elkaar beloofd? Op hun weg naar boven vond zij een dode havik. Behoedzaam droeg ze hem met zich mee. “Ooit zal de dag komen, dat wij elkaar weerzien”, sprak ze, ietwat hoogdravend voor een boerenmeisje. Ze bond een touwtje om de poten van de vogel en hing hem boven de deur. “Wanneer de vogel is vergaan, zullen wij elkaar weer ontmoeten. Misschien duurt het jaren, maar het zal gebeuren. Dan zal het goed zijn.”
Als vanzelf liet hij zijn blik rusten boven de verweerde deurpost. Alleen een restje touw hing er nog. Het was te laat, hij wist het.

Terwijl hij het pad naar zijn huis opliep, nam zij de zevenenzestigste tree. Vandaag was de dag. Ze wist het zeker. De deur stond half open. Ze haalde diep adem. Was hij…? Ze liet zich op het houten bankje zakken. Verbeeldde ze het zich, of voelde het warm aan? Met gesloten ogen dacht ze aan toen. De diepzinnige gesprekken. Zijn vrolijkheid, haar zorgzaamheid. De liedjes die ze samen zongen. De afspraken die ze maakten. Het had geen schijn van kans gehad. Het standsverschil, het verschil in leeftijd. Ten dode opgeschreven. Net als de havik, die ze vond bij hun laatste ontmoeting.
Ze keek omhoog. Alleen een restje touw hing nog aan de spijker boven de deurpost….

De foto van de Wimpole folly komt van het internet.