Voor wie genoeg heeft aan de stilte

DSC02220

Hier loop ik door het landschap van mijn jeugd
Het lange lintdorp tussen groene weiden
Loom uitgerekt onder een grijze stolp
Op deze stille late zondagmiddag

De druilerige regen is gestopt
Toch wil de grijze lucht niet breken
Maar wordt weerspiegeld in de smalle slootjes
Die dit boerenland kaarsrecht doorsnijden

Kastanjebomen voor de boerenhoeven
Druppen na en smijten met hun vruchten
Stekelige bolsters geven hun geheimen prijs
Gelig blad ligt in de goten te vergaan

Schapen grazen onverstoorbaar voort
Met diamanten druppels in hun vacht
Koeien zetten grote donkere ogen op
En snuiven door het hek met zachte natte neuzen

Woorden zijn al gauw te veel
Voor wie genoeg heeft aan de stilte
De schemer vlijt zich als een wollen deken
Over het polderlandschap van mijn jeugd

Advertenties

Een sterk staaltje

DSC00266Op de Schaanse Gans was het uitgestorven. Het ijs op de slootjes glansde in het koude maanlicht. Een stevige noordoosten wind joeg over de weilanden. De schapen lagen dicht tegen elkaar aan bij het hek.

Over het smalle pad naderde een donkere figuur. Kromgebogen, de pet diep over de ogen. Handen in de zakken van het oude bonkertje. Het geluid van zijn klompen werd weerkaatst wanneer hij een molen passeerde.

Plotseling stond hij stil. Uit zijn borstzak haalde hij zijn pijpje, een neuswarmertje. Hoewel hij anders ruim de tijd nam om het te stoppen, propte hij de tabak in de kop en zoog de brand erin. Hij hervatte zijn tocht.

Bij de laatste bocht aarzelde hij. Had hij het allemaal goed gedaan? In een opwelling was het gebeurd; een plan had hij niet gehad. Moest hij teruggaan? Praten had geen zin, daarvoor was het al te ver gekomen. Zou hij gaan kijken of het nog terug te draaien was? Of hij nog iets kon bijstellen? Nee. Hij had goed gehandeld. Hij hoefde zich toch niet alles te laten welgevallen? Hij, de beste molenaar van de hele streek. Geen mens hoefde te beweren dat hij hem wel eens een sterk staaltje zou laten zien. Nee, het was eerder andersom.
Hij haalde zijn schouders op. Hoge bomen vangen veel wind. Iedereen zou dat kunnen zien.

De volgende ochtend sneeuwde het. Bij molen ‘De Hond’ stond een groepje toeristen te kleumen.
De man met het bonkertje opende de deur, groette binnensmonds en ging hen voor de molen binnen. Snel klom hij naar boven en kruide de wieken op de wind. Hij trok de vang los en met veel gekraak kwamen ze in beweging.

Van een van de wieken woei een rood vaantje. De stropdas van de burgemeester. Eindelijk kon hij zijn gemeente eens van gepaste hoogte overzien.

——————————————————————————————————————

Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin je het sleutelwoord niet mag noemen. Deze keer was het verboden woord: evenaren.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Herodes op herhaling?

Maria

De kerstgroep was gebladderd en geblakerd
Nadat de vlammen in de school waren gedoofd
Jozef knielde zeer eerbiedig zonder hoofd
En ’t kindje Jezus was te heet gebakerd

Maria’s blik was uitgeblust en dof
De os en ezel keken enigszins verwaterd
Naar koningen die reeds waren genaderd
Hun geschenken niet veel meer dan stof

Een herder bracht het kind verkoolde broden
En telde stil zijn schapen zonder vacht
Dit alles kon gebeuren in één nacht

De beeldjes zijn met engelengeduld
Gelijmd, geschilderd en verguld
Weer was het niet gelukt het kind te doden