Zo zie je maar

hemelsleutel-sneeuw

Wat is het toch
Dat ons doet smelten voor sneeuw

Het is een koud goedje
Maakt de wegen spekglad
Dooi geeft blubberzooi
Door wind opgejaagde vlokken
Belemmeren het zicht

Zouden wij dag in dag uit
Met sneeuw moeten leven
Wij hadden er geen woorden voor

Toch is het maar zelden
Dat er een goed dik knerpend wit pak
Over het land wordt gevlokt

Je moet er wel van houden
Zo niet van de koude witheid
Dan toch van de
Door tientallen vogelvoetjes
Omgewoelde sneeuw
Bij de zojuist gevulde voerbak

Of van de alpinootjes
Waarmee de skeletjes van de hemelsleutel
Troostend worden getooid

En als inspiratie
Voor een wintergedicht
Is die zogenaamde witte wereld
Eveneens niet te versmaden

Advertenties

Pasen in de Eifel

img115

Een sombere dag is prima om een rommelkastje uit te mesten. Ik neem me voor om dit nu eens grondig aan te pakken. De dvd’s liggen al snel op nette stapeltjes. De fotoboeken zijn aan de beurt. Maar dan zie ik een stukje vergeeld papier uitsteken. Ik ben verkocht. Nog geen seconde later zit ik in de rode ribfluwelen stoel te gieren van de lach.

Op mijn schoot ligt een met de hand geschreven verslag van veertien kantjes van een paasvakantie in de Eifel. Meisjeshandschrift. En de taal van een meisje van zeventien. Hoogdravend af en toe, soms kinderlijk. Ze maakt veelvuldig gebruik van het woordje echter. En van taal die ze uit boeken heeft geleend: ‘het brood is hier zo hard als een bikkel. We moeten onze tanden en kiezen dubbel zo goed gebruiken als thuis.
Wat ben ik blij dat ik dit gevonden heb. Tussen de regels door geeft dit zo’n mooi beeld van het reilen en zeilen van ons gezin, eenenvijftig jaar geleden.

Via zijn werk had mijn vader voor de paasvakantie een huisje gehuurd. Tien dagen naar Duitsland. Wat waren we opgewonden, mijn broertjes en ik. Voor het eerst naar het buitenland. De bergen zien! De reis begon met een rit in een taxi. Dat was al bijzonder. ‘Daarna zeulden we vier koffers en nog wat handbagage naar het derde perron.’ We kregen te maken met situaties die nog nooit eerder waren voorgekomen: ‘…om 12.40 waren we in Venlo. Hier kwam de douane en vroeg of we iets aan te geven hadden. Nadat we verklaard hadden dat dit niet het geval was, ging hij weer verder. Om tien voor een zette de trein zich weer in beweging, richting Viersen. Hij werd nu getrokken door een stoomloc, die in Duitsland nog wel veel gebruikt worden. Dikke witte rookwolken belemmerden ons het uitzicht.’ Heerlijk!

Na een lange busrit belandden we in een huisje met ‘naar alle kanten een prachtig uitzicht.’ We wandelden, zochten fossielen, tafeltennisten, jokerden en genoten van moeders kookkunst. Af en toe leerde ik nog wat voor het HBS-examen. Een paar keer dronken we koffie in de kantine, een ongekende luxe. Zelfs kregen we een keer een mars. En een glas cola!

‘We beklommen bergen aan de noordkant.’ en ‘kerfden onze initialen en de datum in een rotswand.’ De hoogte werd nauwgezet vermeld. Het regende, het hagelde, het sneeuwde, het was zo koud dat we soms met dekens om ons heen dicht bij de kachel zaten, maar niets kon de stemming bederven.

Op een ochtend liepen we wat rond over het terrein en zagen een herder met een kudde schapen. We renden naar huis om het fototoestel te halen. Dit was het echte Duitsland. We maakten een praatje met de man. Zo oefenden we het Duits. Ook trouwens bij het boodschappen doen: ‘Alles moest in het Duits gevraagd en geantwoord worden, wat nog wel eens wat moeilijkheden gaf.’

Ik schenk een kop koffie in en lees het verslag nog een keer. Even is ons gezin als vanouds bij elkaar.

img116

Een sterk staaltje

DSC00266Op de Schaanse Gans was het uitgestorven. Het ijs op de slootjes glansde in het koude maanlicht. Een stevige noordoosten wind joeg over de weilanden. De schapen lagen dicht tegen elkaar aan bij het hek.

Over het smalle pad naderde een donkere figuur. Kromgebogen, de pet diep over de ogen. Handen in de zakken van het oude bonkertje. Het geluid van zijn klompen werd weerkaatst wanneer hij een molen passeerde.

Plotseling stond hij stil. Uit zijn borstzak haalde hij zijn pijpje, een neuswarmertje. Hoewel hij anders ruim de tijd nam om het te stoppen, propte hij de tabak in de kop en zoog de brand erin. Hij hervatte zijn tocht.

Bij de laatste bocht aarzelde hij. Had hij het allemaal goed gedaan? In een opwelling was het gebeurd; een plan had hij niet gehad. Moest hij teruggaan? Praten had geen zin, daarvoor was het al te ver gekomen. Zou hij gaan kijken of het nog terug te draaien was? Of hij nog iets kon bijstellen? Nee. Hij had goed gehandeld. Hij hoefde zich toch niet alles te laten welgevallen? Hij, de beste molenaar van de hele streek. Geen mens hoefde te beweren dat hij hem wel eens een sterk staaltje zou laten zien. Nee, het was eerder andersom.
Hij haalde zijn schouders op. Hoge bomen vangen veel wind. Iedereen zou dat kunnen zien.

De volgende ochtend sneeuwde het. Bij molen ‘De Hond’ stond een groepje toeristen te kleumen.
De man met het bonkertje opende de deur, groette binnensmonds en ging hen voor de molen binnen. Snel klom hij naar boven en kruide de wieken op de wind. Hij trok de vang los en met veel gekraak kwamen ze in beweging.

Van een van de wieken woei een rood vaantje. De stropdas van de burgemeester. Eindelijk kon hij zijn gemeente eens van gepaste hoogte overzien.

——————————————————————————————————————

Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin je het sleutelwoord niet mag noemen. Deze keer was het verboden woord: evenaren.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Dodoni

DSC07231

Ruis heilige eik
En overstem
Mijn duistere gedachten
Hoe zal ik?
En wanneer?
Waar vind ik troost?
Waar recht?

O, was mijn hart
Zo blank en rein
Als de sneeuw op verre bergen
Ach was uw raad zo zoet
Als nectar voor de bij

Bevrijd zal straks mijn ziel
In dubbele octaven
Verhalen in een lied
Dat eeuwig klinken zal
Van ’t heil mij toegedacht
Door goden hoog verheven

Het offer is gebracht
Mijn strijd gestreden

Paaseitjes in de sneeuw

Eind januari en de paaseitjes liggen al in de winkel. Veel te vroeg. De sneeuw is nog niet eens gesmolten en we moeten al gaan denken aan het voorjaar. Krokussen en lammetjes. In september kon je knabbelend op kruidnoten en chocoladeletters op het terras in de zon alvast je kerstkaarten schrijven. Alles was al te koop. Alsof het leven nog niet snel genoeg gaat, nemen we steeds vaker een voorschotje op de toekomst. Het lijkt wel of we bang zijn voor de leegte. Even niets. Even het gewone leven, zonder feesten. Zonder extra’s. Of misschien is het angst voor schaarste. Als ik het nu niet direct koop dan zit ik straks zonder.

Zelf merk ik dat ik juist laconieker wordt, naarmate alles me door de omgeving meer wordt opgedrongen: dan maar geen chocoladeletters in december. Een gewone reep is net zo lekker en makkelijker te breken. Geen kruidnoten meer in de supermarkt? Dan bak ik ze zelf.

Hoewel… Met paaseitjes is het toch een beetje anders. Die kan ik niet zelf maken. Wat zouden de kleinkinderen teleurgesteld zijn, wanneer er met Pasen geen eitjes verstopt waren in de tuin. Toch koop ik ze natuurlijk nog niet, maar ik houd wel de voorraden in de gaten. En zoveel heb ik er ook niet nodig: een kinderhand is gauw gevuld. En een kleine tuin ook.

 Ik zie ze al voor me: drie stralende gezichtjes. Een voorschotje op de toekomst.

 paaseitjes in de sneeuw
    Paaseitjes in de sneeuw

Roodborstje tikt

Nu het zulk koud weer is, met ijs op de sloten en sneeuw zover het oog reikt, is het belangrijk om de vogels bij te voeren. En ze laten het zich maar al te graag welgevallen. De eenden vechten om een lekker hapje. Daar raken ze bedreven in, want om het kwartier komt er wel iemand met een volle zak oud brood. De zwanen gedragen zich waardiger, maar halen hun snavel er niet voor op.

DSC06371

In de tuin wordt er alleen gekibbeld door de spreeuwen. Er kan er maar één tegelijk uit de pindakaaspot eten, maar ze willen het allemaal. Het recht van de sterkste heerst hier. De kool- en pimpelmezen halen acrobatische toeren uit aan de vetbollen. De kauwen pakken het handiger aan. Met hun snavel trekken ze de bol aan het touwtje omhoog tot op de tak, poot erop en smullen maar. De Vlaamse gaai heeft goed naar de kleintjes gekeken. Hij durft het aan om aan het snoer pinda’s te gaan hangen en ze zo open te breken. Je moet er wat voor over hebben. De merels scharrelen op de grond. Ze eten wat zaden en brood. Ook de havermout, die speciaal wordt gestrooid voor het roodborstje vinden ze heerlijk. De halve appel vindt gretig aftrek; ook daar wordt door de spreeuwen om geruzied. Toch is het al met al een vredig tafereel.

 DSC05378

Gistermiddag zat ik het allemaal eens te bekijken, toen het oude kinderliedje werkelijkheid werd. Had ik geen havermout gestrooid? Of was het al op? Het roodborstje fladderde zachtjes tegen de achterdeur op en tikte met zijn snaveltje tegen het raam.

Sneeuw

DSC06403

De sneeuw maakt van de wereld een onrealistisch droomlandschap. Een witte wereld? Zeker, maar als je goed kijkt zie je zoveel tinten en schakeringen in die miljoenen sneeuwkristallen. Zoveel kleuren als de sneeuw heeft, zoveel emoties roept zij op.

Tien jaar geleden lag er sneeuw in februari. We kwamen ’s morgens heel vroeg uit het ziekenhuis, mijn broer en ik. Die nacht waren wij erbij toen onze moeder zich uit het leven worstelde, buiten adem raakte en uit de tijd. We zaten in ons ouderlijk huis aan de eettafel met een kop thee. De tuindeur stond op een kier. Het was stil. En ineens zong een merel zijn lied. De stilte scheurde uiteen. Alsof de kleine vogel alle troost die hij in zich had over de aarde uitstortte. Over ons. Langzaam werd het licht. De sneeuwklokjes in de tuin waren het tweede teken van hoop en vertrouwen. De winter was bijna voorbij. We besloten De Lente van Vivaldi op de crematie te laten horen.

Terwijl de lente schoorvoetend dichterbij kwam, wapenden wij ons tegen de kou. De kou, die in je komt, wanneer je moeder sterft. De kou die nooit helemaal verdwijnt.

Nu er weer sneeuw ligt en de winterkou in de botten kruipt, verlang ik naar de sneeuwklokjes. En ik wacht met smart op de eerste zang van de merel. Vivaldi is mijn bondgenoot.