De vrouwentuin

Er zijn er nog maar twee op het tuincomplex; tuinders van de oude stempel. Allebei in de tachtig, maar still going strong. Stel ze een vraag en er komt een stortvloed aan wetenswaardigheden. En daarin klinken altijd handige tips door, terwijl ze er niet op uit zijn om die te verstrekken. Maar, een goede verstaander doet er zijn, in dit geval haar, voordeel mee. Toch zijn er geen twee grotere tegenpolen te vinden dan Jaap en Jaap.

De eerste J heeft een grote tuin, waarop geen sprietje onkruid te vinden is. Alles groeit altijd. Wij tuinders kunnen nog wel eens naar hartenlust mopperen dat het te droog, te nat, te koud, te heet, of te schraal is. En dat ten gevolge daarvan ‘niets het doet’. Dat lucht af en toe zo lekker op en daar kan hij best even in meegaan, maar al snel zie je hem zijn zaailingen begieten, wat schoffelen en harken en zijn tomaten dieven. En daarna de schitterendste groenten oogsten. Zijn bieten en bloemkolen zijn altijd gigantisch. Kijk naar zijn andijvie en sla! Wat een kroppen. De tuin is ‘zwart’ wanneer de tijd van het jaar daarom vraagt. En verder staan er keurige rijtjes. Wat wisselteelt is, hoef je aan hem niet uit te leggen.
Er wordt met bewondering en een lichte vorm van afgunst naar die tuin gekeken door de andere tuinders. Een moestuin, zoals het ooit bedoeld was. Je kunt zien hoe hard er gewerkt wordt: een echte Mannentuin.

De andere tuinder is van dezelfde leeftijd, maar heeft een totaal andere inslag. Ook bij hem groeit alles dat het een lieve lust is. Hij houdt van ‘veel’, dat is goed te zien. Hij heeft dan ook twee stukken grond in beheer. Zijn vijgenboom is groter dan van wie ook en zit barstensvol vruchten. Ook op zijn tuin doen de bieten, tomaten, sla en andijvie het fantastisch in keurige rijtjes. Ook is zijn tuin zwart in de winter. Het grootste verschil met J 1 is dat hij van bloemen houdt. Die zaait en plant hij waar het maar kan, ook gewoon tussen de groenten. Prachtige rozenstruiken klimmen langs zijn kasje omhoog, als was het Doornroosjes slot. Canna’s zie je bij hem metershoog worden. Voor de schoenlappersplant gaat hij op zijn knieën om voor zijn vrouw een boeket te plukken, of hij verwent haar met dahlia’s.
Er wordt met be- en verwondering naar deze tuin gekeken. Sommigen vinden het een rommeltje, maar wie goed kijkt ontdekt een systeem. Hij doet het toch maar, op zijn eigen eigenwijze wijze. Een Combinatietuin?

Combinatie van wat? Van Mannen- en Vrouwentuin.

Dit vereist enige uitleg. Van de tweeënveertig tuinen worden er dertien beheerd door vrouwen. Vrouwen tuinieren blijkbaar anders dan mannen, want er zijn tuinders die ze ook zo benoemen, die landjes met van alles door elkaar: ach, een vrouwentuin. Met een mengeling van irritatie en vertedering: Ja, zo wordt het nooit wat, als je niet twee spaden diep spit. Je moet er een paar kuub aarde opbrengen, alles ligt veel te laag. Echt, verse koemest is het beste. Al die bloemen, alles mag ook maar overal opkomen van jullie. Die kleine bedjes over de hele tuin verspreid, dat kan niet goed gaan. Rommelig is het. Zie je wel, een echte Vrouwentuin. De toon is gezet. En bij de werkochtenden voor de vereniging kunnen wij ook al geen tegels sjouwen.

Wij vrouwen zijn er wel aan gewend zo langzamerhand. We halen onze schouders op, glimlachen eens vriendelijk en nemen dit soort geraaskal met een flinke schep zout. Wij zitten nergens aan vast, maar zijn alleen gebonden aan de zaai- en planttijd van datgene dat wij willen kweken. Wij zaaien, poten, wieden, oogsten op onze manier. Het is heerlijk om gedachteloos met de handen in de aarde te zitten, in plaats van in het haar. Zorgeloos.

En ik ben zo blij als een kind, wanneer ik een na een paar uur ploeteren in het najaarszonnetje, een handvol vier-kleuren-worteltjes onder de kraan sta af te boenen.

Het komt niet toe

Hij is de oudste tuinder op het moestuincomplex, dik in de tachtig, maar hij oogt als een fitte zeventiger. Hij bewerkt zijn tuin al jaren op zijn eigen, beproefde manier. Twee spaden diep spitten, bijvoorbeeld, anders heeft het geen zin. Onkruid zie je bij hem niet staan.

Van de berg compost die altijd in het voorjaar aan de vereniging wordt geleverd, kruit hij vrolijk de hem toebedeelde twaalf kruiwagens naar zijn tuin. Het hoge bruggetje neemt hij met gemak. En nadien is hij ook nog bereid om voor een ander, die er moeite mee heeft, een paar kruiwagens te rijden. Een aardige, sympathieke man.

Zijn advies verpakt hij in verhalen over zijn tuin. Als je goed luistert, weet je waar je de mist in bent gegaan. Te weinig mest, of juist te veel. Te nat. Te droog. Kalk te kort. Te veel zon. Te ongeduldig, dus te vroeg gezaaid of geplant. Wanneer ik nu kalk strooi, weet ik waarom ik het doe en wie ik straks dankbaar moet zijn voor een mooi gesloten rode kool.

Tegenslagen, op welk gebied dan ook, overwint hij met een glimlach. Hij heeft tenslotte al zoveel meegemaakt; hij kijkt nergens meer van op.

Maar dan toch. Het merkwaardige weer van dit jaar speelt hem parten. Eerst die strenge vorst, daarna de overvloedige regen, nu de aaneengesloten warme, zonnige dagen. Het gaat allemaal niet zoals het zou moeten gaan.
Neem nou de spinazie. Het eerste zaaisel kwam mooi op en groeide uit tot prachtige diepgroene blaadjes. Daar hebben ze samen goed van kunnen eten. De tweede keer werd het niks. Het zaad kwam op, en daar was alles mee gezegd. Net als de aardbeien. Die kwamen al vroeg in het voorjaar prachtig in bloei. Maar als je nu ziet wat een kleine harde vruchtjes eraan zitten, en allemaal groen, dan kun je ze er maar beter afknippen. Nee, het begint allemaal wel, maar het komt niet toe. En dat is jammer.

Ach, besluit hij dan met een berustende glimlach, laten we maar niet mopperen. Het ene jaar gaat het zus, het andere jaar zo. Dat is nou eenmaal het lot van de tuinder.

Winterdag

Heremetijd, de winter was niet veel
’t Is duidelijk dat de dagen alweer lengen
De merel zingt met een omfloerste keel

De knoppen van de ribes zwellen al
Het prille groen laat niet lang op zich wachten
Dat zal ’t gemis van sneeuw en ijs verzachten
Ach, ’t is al zoveel jaren het geval.

Wie nu een tuin heeft, is alweer aan ’t werk
Er is geen tijd de zachte winter te betreuren
Er moet als ieder jaar ontzettend veel gebeuren
Komaan, het houdt ons bezig, maakt ons sterk
We zullen spitten, zaaien, wieden en niet zeuren.

(Vrij naar Herbsttag, Rainer Maria Rilke)