Geen sprookje

narcis-13klein

Met haar rug tegen het tuinhekje geleund genoot ze van de vroege zonnestralen die vonken schoten uit haar rode haar. De vogels stuurden adembenemende trillers door de ochtendlucht. Bloesemblaadjes dwarrelden omlaag. Ze ving er een paar in haar uitgestrekte hand en zuchtte. In haar hart groeide een groot verlangen, maar ze wist niet waarnaar. Een onbestemd gevoel. Onrust, gecombineerd met een loom, relaxt gevoel. Ze wilde opspringen, rennen, dansen, lachen, schreeuwen. Tegelijkertijd liet ze zich omlaag glijden tot ze bijna in het hoge gras verdween. Ze spreidde haar armen en benen, sloot haar ogen en ademde diep. O, wat hield ze van dit leven en wat haatte ze het!

Er dreunde al dagen een zin door haar hoofd: De tijd van de sprookjes is voorbij. Dat zei oma vorige week toen ze samen in de tuin aan het werk waren. “Ja kind”, zei ze, “je wordt groot. En dat zal helemaal snel gaan wanneer je na de zomervakantie naar de middelbare school gaat.” Ja, dat wist ze wel. Dat zag je aan Wolfgang. Die deed steeds zo stoer, met dat fietsje van hem. Een nieuw leven; ze zag ertegenop en tegelijkertijd keek ze ernaar uit. Haar moeder vond dat ze begon te puberen. Ze werd dwars en deed niet meer klakkeloos wat haar werd opgedragen. Mocht ze misschien zelf eens gaan onderzoeken hoe het leven in elkaar zat?

Oma veranderde ook. Nog even lief als vroeger, maar stiller, beschouwender. Ze vertelde niet zoveel meer. Vroeger, ja toen kon ze uren vertellen. En zij geloofde alles. Heksen, reuzen, kabouters, het ging erin als de koek van het huisje van de heks van Hans en Grietje. Als vrouw Holle de dekbedden opschudde, begon het op aarde te sneeuwen. Als je een kikker kuste, werd hij een prins. Een prins op een wit paard. Nu geloofde ze het allemaal wel. Ze was er een beetje klaar mee. Oma werd oud, zij werd groot.

“Ruby!” Natuurlijk. Ze had erop kunnen wachten. Altijd als ze diep in zichzelf was verzonken, riep haar moeder. Met tegenzin kwam ze overeind. Ze trok haar kleren recht en slenterde over het grindpaadje naar huis. “Wat is er?” “Ach meid, oma heeft net gebeld. Ze voelt zich al dagen niet lekker. Wil je niet even bij haar langs gaan om te zien of je wat voor haar kunt doen? Neem in elk geval het restje appeltaart mee.” “Ook toevallig, ik lag net aan haar te denken. Ik fiets er wel even naar toe.”

Het stadspark sluimerde in het zonlicht. Het jonge groen van de berken stak scherp af tegen het heldere blauw van de lucht. In het gras stonden de narcissen in bloei. Ze keek om zich heen: niemand. Snel smeet ze haar fiets tegen een boom en plukte een flinke bos. Trompetnarcissen. Dat had oma haar geleerd. Als klein kind had ze altijd gedacht dat kabouters op die trompetjes bliezen. Een concert midden in de nacht. Nu wist ze over kelk- en kroonbladen. Stampers en meeldraden. Een hommel verdween zoemend in een bloem.

“Wat doe je? Vakantieklusje bij de plantsoenendienst?” Ze keek op. Recht in het pukkelige gezicht van Wolfgang. Hij kon het niet laten zijn neus in andermans zaken te steken. “Ja, wieden, zoals je ziet. En jij?” Met een ruk trok Wolfgang zijn voorwiel omhoog en liet zijn fiets steigeren. “O, beetje rondrijden. En kijken wat kleine meisjes zoals jij uitspoken.” “Nou kijk dan maar goed. Ik jat deze bloemen voor mijn oma. Als je me maar niet verraadt, met die grote mond van je. Heb je me gehoord?” Hij snoof en veegde met zijn hand langs zijn neus. “Als ik met je mee mag.” “Naar oma? Ben je gek. Je weet je vast niet te gedragen. Ze is trouwens ziek.” Ze schudde haar rode haar, rechtte haar rug en liep traag terug naar haar fiets. “Ik denk niet dat jij een goed effect op haar gezondheid hebt”, riep ze over haar schouder, “bovendien heb ik maar een klein stukje appeltaart.” Ze liet de narcissen voorzichtig in haar fietstas glijden. “Ah, Rubs, ik vind je oma aardig. Ik zal me gedragen. Doen wie er het eerste is?” Hij liet zijn voorwiel stuiterend op straat terecht komen en spurtte weg. “Tjongejonge”, dacht ze, “eikel!”

Het lukte haar niet hem in te halen op haar opoefiets. Onderwijl probeerde ze haar strategie te bepalen. Gastjes zoals Wolfgang moest je niet teveel aanmoedigen. Ze zou hem maar een beetje negeren. Hij dacht dat hij heel wat was, nu hij in de brugklas zat, maar hij bleef een klein uitslovertje. Ze moest er een beetje om grinniken. Er zat wat in, wat haar moeder zei: “Eén vrouw is tien mannen te slim af.” Ze had hem door, maar ze zou het niet laten merken.

Toen ze haar fiets tegen die van Wolfgang zette, tegen het raam, zag ze hem al zitten. Oma kende hem wel. Ze moest vreselijk lachen om iets wat hij had gezegd, blijkbaar. Nou, heel ziek zag ze er in elk geval niet uit. Als vanouds liet Ruby zichzelf binnen met het touwtje dat door de brievenbus stak. Daar moest oma toch echt mee ophouden. Veel te gevaarlijk.

“Oma, bloemen! En taart! Hoe gaat het?” Twee zoenen op de rimpelige wangen. “Ha kind, fijn dat je er bent. Wolfgang zei al dat je de mannen van de plantsoenendienst had geholpen. Echt aardig dat ze je die bloemen cadeau hebben gedaan.” Ruby kuchte en zette het bakje met de appeltaart op het tafeltje en liep naar de keuken om schoteltjes en een mes te halen. Wolfgang voerde het hoogste woord. Hij slokte oma’s aandacht volledig op. De ene mop na de andere rolde uit zijn mond. Eindelijk stapte hij op. “Later!”, riep hij, met een gekke bek naar Ruby. Hij wurmde zijn fiets achter die van haar vandaan en sjeesde weg. Ze zuchtte eens diep.

Oma keek haar aan, legde een hand op haar knie. “Kijk uit voor die Wolfgang, Ruby”, zei ze met een grijns, “hij vindt je leuk. En hij kijkt naar je of hij je wel kan opvreten….”

——————————————————————————————————————-

De foto komt van het internet.

Advertenties

Een dierbare herinnering

img037

De oude vrouw lag roerloos in bed. De lakens opgetrokken tot aan haar kin. Het gerimpelde gezicht straalde berusting uit. Het was goed zo. Het leven was geleefd. Dit waren haar laatste uren.

Het was aangenaam koel in de torenkamer. Door het openstaande raam zag zij de wolken voorbijrazen langs de grijze lucht. Het rook naar regen. In de open haard doofde langzaam het vuur. Weldra zou de nacht invallen. Haar kleindochter zou komen om de kaarsen aan te steken. Met vertedering dacht zij aan het lieftallige meisje. Net zo mooi als zij in vroeger jaren was geweest. Het lange zwarte haar omlijstte het blanke gezichtje, waarin de blauwe ogen schitterden als sterren. De bloedrode mond steeds tot glimlachen bereid.

Gedachten aan haar eigen, tragische jeugd drongen zich steeds vaker op. Ze moest haar kleindochter eindelijk het verhaal vertellen, besloot ze. Voor het te laat was. Ze had de dood al wel vaker in de ogen gekeken, maar deze keer was het menens.

De deur knarste. Het meisje stapte met lichte tred de kamer in. “Grootmoeder?” “Kind, wil je me in mijn stoel helpen? Ik wil de bossen en de heuvels zien.” Het meisje pakte de donkerrode fluwelen kamerjas. Toen ze de ceintuur strikte, schrok de oude vrouw op. Even maar. Ze liet haar begaan. Ook toen het meisje een benen kam uit haar schortzak haalde en het volle grijze haar begon te kammen. “Grootmoeder, je ziet er nog steeds prachtig uit.”

“Kom bij me zitten, mijn kind. Ik wil je wat vertellen. Iets van heel lang geleden. Ik vertel het jou, zodat dit verhaal niet verloren gaat.” Het meisje schoof een stoel bij. Ze pakte een appel van de schaal en poetste die op aan haar jurk tot hij glom als een spiegel. De vrouw keek ernaar, glimlachte en begon……

…… “En toen ik daar lag, in die glazen kist, was ik tot niets meer in staat. Maar ik wist wat er om me heen gebeurde. De kleine mannetjes waren ontroostbaar. Ik kon ze niet vertellen dat ik ze hoorde, dat ik wist van hun verdriet.

Op een zachte lentedag was het zover. Ik hoorde paardenhoeven. En ik wist dat er iets moois ging gebeuren. Plotseling voelde ik het. Twee zachte lippen op mijn mond. Ik opende mijn ogen en ik wist dat het leven begonnen was.

Ja, kind, je hebt hem goed gekend: de vader van jouw moeder, je grootvader.”

Waterlicht, een waar sprookje

20150513_220158

Een goed jaar geleden maakte ik voor het eerst kennis met het werk van Daan Roosegaarde. Op de televisie kreeg hij de gelegenheid zijn Lotus-Dome te presenteren en de werking ervan toe te lichten. Toen bleek dat het Rijksmuseum hem de gelegenheid bood de Dome tentoon te stellen, hoefde ik er niet lang over na te denken: dit wilde ik graag zien en meer nog, ervaren.

DSC09187

Fascinerend vond ik het. De donkere ruimte werd bijna geheel in beslag genomen door de enorme bol, voorzien van honderden bloemen van een speciaal door studio Roosegaarde ontwikkelde folie. Door de warmte die de bezoekers uitstraalden, gingen deze bloemen open en licht vulde de zaal. Het was moeilijk om je ervan los te maken. Het licht, het knisperende geluid, het geheimzinnige van de entourage. Een sprookjesachtig geheel. Nog twee keer ben ik teruggegaan naar het Rijks; alle keren was het even bijzonder.

Eind van dat jaar werd er door zijn studio het oplichtende fietspad in Nuenen gerealiseerd. Sterrelicht gevangen in asfalt, geïnspireerd door Van Gogh. Dit in het echt te zien staat nog op mijn verlanglijstje.

20150513_215403

Maar nu was er dicht bij huis weer een gelegenheid om binnen te stappen in een sprookjeswereld. ‘Waterlicht’, een gigantische installatie op het Museumplein in Amsterdam. De gedachte hierachter is de kwetsbaarheid van ons land. Zonder dijken zou Nederland voor een groot deel onder water staan (iedereen kent in dit verband waarschijnlijk wel de uitdrukking Amersfoort aan Zee). Wij in het westen leven onder de zeespiegel. Daan Roosegaarde verzon zijn zoveelste sprookje. Door middel van blauw licht en rook kreeg hij het voor elkaar ons te laten ervaren hoe hoog het water zou staan. Hoe het zou golven en ons overspoelen.

20150513_215150

De zon was nog maar amper onder, toen het spektakel losbarstte. Prachtig was het, indrukwekkend mooi. Naarmate de avond vorderde, liep het plein voller. Honderden telefoons maakten duizenden foto’s. Iedereen was vrolijk, opgetogen, geïnteresseerd.
Het was heerlijk om er gewoon maar te staan tussen al die mensen. Het letterlijk over je heen te laten komen. Zelfs wanneer je je realiseerde dat het licht het water verbeeldde, waaronder wij gevangen zaten, dan nog was het een vredig en rustgevend gevoel.

20150513_215007

In de verte het Rijksmuseum, als een sprookjeskasteel. De huizen langs het plein leken hoger dan ooit. Een weldadig geroezemoes, gegons van stemmen.

Het was hem weer gelukt. Weer wist Daan Roosegaarde ons even uit ons gewone gedoetje op te tillen en te laten geloven in het sprookje van de verbeelding. Ik ben nu al benieuwd naar het volgende.